Zoeken

De Menselijke Geest, Belichaamt

‘Ai, ai, ai’ Dat is toch een geweldige uitspraak! Pijn maal drie.  Toch minder sterk. Trap eens op een mens zijn tenen, die zegt geen ‘ai, ai, ai’, die zegt ‘auw’, want ‘auw’ doet meer pijn dan ‘ai, ai, ai’. En men moet niet eens zelf aan pijn leiden. Nee, Jozef Borluut bijvoorbeeld, de man van Marie van twee huizen verder. Hij reed op zijn e-bike -45 kilometer per uur kan zo’n ding- recht over een afgevallen tak. Controle over het stuur verloren en bam, poef, pardoes, met zijn hoofd klets hij tegen de brievenbus van de familie Baeckelandts-Vansteenkiste. ‘Ai, ai, ai’ Thuis van ‘t school, twee op tien voor rekenen. ‘Ai, ai, ai, en zonder tv naar bed!’ Ja, moeder was fan, of beter, is fan van die uitspraak. Echt waar, ze gebruikt het nog altijd en in elke mogelijke situatie. Bij een tragedie, bij een komedie, bij een fluitje van drie cent en een half. Want die inflatie… ‘Ai, ai, ai’ Van alle kanten richt mijn moeder die driemaal herhaalde tweeklank dus op haar omgeving. Overtreffend, onderuithalend of zo eens zijdelings, in het passeren.  “Vriezen in april, ai, ai, ai’ En Rudy Vansteenkiste die zijn brievenbus sinds het ongeluk niet meer durft aanraken, knikt eens naar haar.  ‘Het is erg’  Want ‘het is erg’, dat is zijn uitspraak, zijn repliek op alles waar hij eigenlijk geen woorden voor heeft, zoals het weer. Vader heeft ook zo’n uitspraak.  ‘Het zijn wrede tijden’  Hij gebruikt dat voor alles waar hij een mening over heeft. Een mening die, hoewel deze gevoelsmatig in zijn binnenste brandt, hij niet met argumenten onderbouwt. Een mens kan hele conversaties voeren met zo’n uitspraken. Moeder zit in de zetel, gesluierd in haar slaapjurk, de benen halfopen -omdat de illusie der preutsheid enkel voor jongelingen is- de krant te lezen.  ‘Het echte nieuws staat op papier!’ Haar ogen glijden over de artikels, tot een ervan de tripartite klank ontlokt.  ‘Ai, ai, ai’ Vader die op de televisie naar lentebeelden staart, doch vooral in gedachten verzonken is, hoort haar niet. Het wordt herhaald. Luider deze keer.   ‘Ai, ai, ai’ Zo luid dat het klettert. Vader schiet erdoor uit zijn overpeinzingen en kijkt haar aan. Ze toont hem de krantenkop. Hij moet vooroverbuigen om het te kunnen lezen. Zij wacht in spanning af.  ‘Het zijn wrede tijden’ Et voilà. De mensen hebben gesproken, ze verstaan elkaar.  Moeder en Vader, een koppel, een duo, een span dat hoewel slechts bestaande uit Nederlandse woordenschat, hun eigen taaltje spreekt. Vader en moeder, ook soms een tweespalt. Wanneer dat gebeurt, dan sluipen er zo’n beestig harde woorden in diezelfde conversatie. Vader, bezweet en besmeurd met potgrond van in zijn moestuintje, treedt de woonkamer binnen. Natuurlijk net wanneer moeder de dweil aan het uitwringen is. ‘Domme Ezel!’ Moeder komt terug van de winkel met de verkeerde scheermesjes. ‘Kalf!’ Een hele bestenboel wordt het, wanneer de menselijke ergernissen naar boven komen. Maar nu niet, nee, nu zijn ze het eens, over de inhoud van het artikel. ‘Slechts helft kan AI-nummer herkennen’ Zo, dat is de krantenkop waar over ze het eens zijn. Dat het drie keer pijn doet, en dat het de wereld zo wreed maakt.  Dan stelt een man zich de vraag: Kan ik het zelf? Als ze me daar nu zetten in een geluidsdichte kamer, koptelefoon rond mijn oren. Zou ik het kunnen? Het menselijke, het altijd onafgewerkte, het grillige, onderscheiden van het gemiddelde, bewusteloos gegenereerde. Wat als ik het niet kan?    ‘Wat als ik het niet kan omdat er geen verschil is?’    Wat is het verschil tussen een robot en muziekproducenten die generieke popnummers uit hun mouw schudden al waren het pingpongballen? Vormt artificiële intelligentie niet juist het gemiddelde van alle menselijke creaties en kan deze bijgevolg dan niet evengoed als menselijk geklasseerd worden?    ‘Doe eens normaal!’    Dat betekent dicht bij het middelpunt van de verdeling. Extraverten vragen te veel aandacht en met introverten kan een mens amper spreken. Men moet ergens tussenin vallen. De ideale persoon is een eenzaat die met iedereen een babbeltje slaat.    ‘Soms twijfel ik of ik gelukkig ben’   Neem een test! Dan weet je het. Is je depressiescore klinisch afwijkend? Gelukkig hebben ze daar pillen voor! En zo sijpelt het besef binnen. Artificiële intelligentie is niet de tegenhanger, de antithese van de menselijke ratio. Het is zijn verlengde, erger nog, de verwezenlijking van zijn streefdoel.    ‘Soms vraag ik me af hoe echt ik ben’   Wat is dat? Echt zijn? Een mens zijn? Een echt mens zijn? Een spaak in het wiel van de draaiende maatschappij? Doch soms de vreugde van de vrijheid proevend. In seks, drank, muziek en kunst. In liefde, jaloezie, woede en verdriet. In alles wat ons groot maakt, in alles wat ons reduceert tot nietig samenwerkende cellen. Ergens tussen machine en dier.   ‘Soms vraag ik me af hoe echt ik ben’   Vader vraagt het zich ook af. Met het ouder worden steeds vaker. En moeder die van al dat semi-filosofisch geprevel niks weten wil, staart hem dan aan, strijkend, kokend, zittend in haar zetel. De dingen doende die ze morgen herhalen zal.    ‘Natuurlijk ben jij echt, wat is dat nu voor vraag?’   Ze wandelt naar hem toe en kust hem. Een dikke smakkerd op zijn dunne lippen.   ‘Hier heb je bewijs. Nu hoef je daar niet meer te staan gelijk, nou ja, gelijk een domme ezel!’   De lippen die zo routineus, zo dagdagelijks rond vader hangen, worden op dat moment weer zo beladen, zo beklemmend en krachtig als vroeger, groter dan Het Woord, groter dan De Wereld, groter dan Het Hele Godganse Universum. Het zijn lippen die hem voor eeuwig aan de grond nagelen. Bewusteloos staat hij daar, ogen draaiend in het verre niets, zonder focus, gelijk een dier waar de wereld op gesmeten wordt, een dier dat de impressie van het alles niet kan vatten in de enkele klanken dat het produceren kan.   ‘Ia, ia, ia’

Ybe Terryn
3 0

Wintertijd

Het is winter. En ge bedenkt dat ge wel eens iets zou willen schrijven over die winter, maar God, ge weet niet wat. En ge tuurt even door het raam van uw klein Gents kotje, het kotje dat zich op de zevende verdieping bevindt, en zich zo hoog in de lucht bevindend ziet ge eigenlijk enkel de daken van andere, kleinere huisjes, waar vast ook enkele kotjes tussen zitten. Ge staart naar uw leeg en wit word-document, en daarna weer naar buiten, naar al die verschillende daken. En dan dringt het tot u door, wat als al het wit van uw computerscherm nu eens over die daken zou vloeien, dan zou het pas echt winter zijn, een winter waarover ge schrijven kunt. Ge denkt aan alle winters die ge gekend hebt, de winters waarover ge niet schrijven kunt, waar geen mooie witte laag op de daken lag. Al is er in uw mensenleven wel al sneeuw geweest. En moeder, snel verwonderd als ze is, riep u toen enthousiast toe: “Kijk, ziet eens hoe schoon de sneeuwvlokjes dwarrelen” Daaraan terugdenkend is er iets dat in u wringt, want ge hebt eigenlijk nog nooit een sneeuwvlokje zien dwarrelen. Dwarrelen, dat is iets voor tijdens de verleidingsdans van een nymfomane paradijsvogel, niet voor sneeuwvlokjes. Sneeuwvlokjes vallen, weliswaar trager dan regendruppels, maar toch doodgewoon ‘vallen’. Zoals de wereld ook niet zweeft of vliegt of reist, maar simpelweg ronddraait. En de wind niet door de haren van schone jongedames danst, of met de balderen van een berkenboom speelt. De wind waait, en daarmee is het gezegd en geschreven. Er zijn geen wonderen in de wereld, slechts de taal om er wonderen van te maken. De taal stromend uit artiesten, schrijvers, muzikanten en schilders. Het wonder is menselijk, niet wereldlijk.  Ge wordt bang, want ge zou toch oh zo graag schrijver zijn, maar ge ziet de wereld niet zoals de schrijvers. Als het sneeuwt vindt ge geen buitenkosmische schoonheid, dat ge amper in woorden kunt omschrijven. Voelt ge de nood niet uzelf te kasttijden met een tantalische zoektocht om die woorden wel te vinden, nee, als het sneeuwt, vallen sneeuwvlokjes met behulp van de waaiende wind op een ronddraaiende aarde.  Ge ijsbeert wat in dat kotje, van dat raam naar uw laptop en terug, want het maakt u toch wat ongemakkelijk. Ge wilt weten wat er tussen het vallen en het dwarrelen ligt, wat een schrijver tot schrijver maakt. Uw brein peinst en peinst terwijl uw voeten zich haastig heen en weer verplaatsen, alsof uwen stappenteller heeft getoond dat ge vandaag nog te niet genoeg bewogen hebt. Het concentreren lukt niet. Mannelijk lijk uw brein is, dwaalt het af naar de vrouw. Starend naar uw bed denkt ge aan alle vrouwen die ge gehad hebt, alle vrouwen die ge krijgen kunt en vooral aan die ene die ge niet krijgen kunt. Verdomme, als het dan wel niet die ene is dat ge wilt zeker. En niet concentrerend zet ge u terug voor dat maagdelijk wit scherm. En het besef komt. Ge ziet het plotseling allemaal zo duidelijk, wat ge mist, wat de mens tot mens maakt en hem de mogelijkheid verleent om van de aardbol een wereld te maken, wat er tussen het ‘vallen’ en het ‘dwarrelen’ ligt. Het is de Liefde. Niet de liefde waardoor ge om de zoveel tijd bij hetzelfde wijf sukkelt, nee, een andere liefde, een dagdagelijkse liefde, die ondanks zijn menselijkheid, groter dan de mens lijkt te zijn. Die ervoor zorgt dat de hemel blauwer is, het gras groener, de zon meer straalt. De Liefde des Levens. Ze komt boven op goede dagen die geen speciale reden hebben om goed te zijn, waarop ge wakker wordt en de lucht gelijk gewoon meer zuurstof bevat dan anders. En uw gedachten zijn nog niet gevormd of de woorden vloeien al uit uw vingers. Binnen de kortste keren is dat wit blad doordrenkt van de zwarte letters. Heerlijke swingende woorden over de kou, de kilte en al zijn schoonheid. Over die alledaagse schoonheid. Over de opluchting bij het buitenzetten van een vuilzak met beginnende schimmel aan de randen. Over het vrij zijn van de ene parkeerplaats, waarin de gezinswagen net wel tot zijn recht komt. Over de koffie die vrijdag beter smaakt omdat Magda, de goeie ouwe tante, er dan iets minder chicorei doordraait.  Van al dat schrijven moet ge even op adem komen en ge tuurt weer door het raam van uw hooggelegen kotje en wat ziet ge? Wonderlijk als het is, de daken zijn wit geworden, spierwit. Een vlaag van levenswil vliegt door uw lijf en ge loopt de trap af, wat zeg ik, ge rent de trap af, gelijk uw hele leven de honderd meter sprint is.  Wanneer ge beneden komt, de deur openzwaait en de straat opwandelt, zijt ge ver weg van uw Gents kotje, terug in het uitschot van West-Vlaanderen waar ge vandaan komt, waar de bekrompenheid door de kamers sluipt en de woorden klein zijn, waar ge misschien, op het einde van de week, thuishoort. Het is een simpele woonwijk, net buiten de stad en ge hebt er dinge, met zijn gezwollen enkel, die van een ziekte-uitkering Cara koopt en met een blikje in de hand wacht tot tegels van de straat zichzelf verleggen, en dinge, met hare buurman, die tevens haar minnaar is en hare katholieke man die zo goedgelovig is en het huwelijk ziet als het stabielste construct der mensen, en ocharm, hij zou het niet eens kunnen inbeelden. En dinge met zijn aktetas, iedere ochtend sereen wandelend naar het kantoor, ‘s avonds even sereen terugkerend. Hij heeft geld zat, doch hij het niet uitgeven kan en iedere avond twee koude boterhammen met ham en een beetje margarine eet gelijk een armzalige handarbeider. Hij leeft alleen, want hij heeft amper tijd voor hobby’s, wat zou hij dan tijd hebben voor zo’n tijdrovend wezen als de vrouw. En dinge, van op de hoek, die amper buitenkomt, liever binnen breit doch tussen de rechte en de averechte steken al jaren droomt van een echte vent, die haar innig kussend tegen de muur aandrukt. Echter breit ze met gekruiste benen verder gelijk zij de preutsheid zelve is. En dinge, die een schat van een vrouw heeft, maar het toch niet laten kan om naar de meisjes te turen, de kleine meisjes, die waar ge eigenlijk niet naar zou mogen turen, een gedachte die hem zo angstig maakt dat hij van zijneigen zou weglopen. En dinge, dat jonge meisje, waar dinge naar tuurt, dat op haar kamer boeken leest en in de boeken het grootse leven dat zich buiten afspeelt zoekt. Ze haat haar moeder die toch zo klein is groot gebracht dat ze niet eens inziet dat men via boeken de wereld schept. En ge verzamelt ze allemaal, ja, zelfs de minnaar van dinge en de domme moeder van dinge, op de grote wittende straatkasseien van de wijk. Kijk eens omhoog, zegt ge. En allen, al waren het spinnenogen en geen aparte oogballen, delen van een groot bewust wezen en geen hoopje bijeengesprokkelde individuen, kijken op hetzelfde moment naar boven. En ze zien… ja, wat zien ze? Niks, helemaal niks. Dat besef breekt alle synchronie van de menigte. Alle oogballen vallen stuiterend op de grond. Ze kijken elkaar van ontgoocheling zuchtend en hoofdschuddend aan.  En ze staren naar u, gelijk ge hen de hele wereld beloofd had en ze slechts enkel brokken aarde gekregen hebben. En ge wilt roepen, tieren, lachen, schreien, alles wat uw stembanden tegelijk aankunnen. Doch verstomd blijft ge staan. Verhinderd door al die ontgoochelde ogen. En van alles wat ge denkt, wat sinds het zien van die sneeuwwitte daken in uw hersenen rondspringt, al die gevoelens die uw zenuwen doen krullen van enthousiasme, dat tere hartje toch zo razend hard doen kloppen, komt geen één woord naar buiten. De wazig makende lebenswille waarmee ge deurbellen hebt ingedrukt, voordeuren uit de voegen hebt geklopt, de hele menigte bijeen hebt geschreeuwd, neemt steeds meer af. Met een steeds meer benevelende waas van eenzaamheid dat rond u vormt, lukt het dan toch enkele woorden te prevelen. Stil en onverschillig, zelfs ietwat binnensmonds verlaten ze uw lippen: “Maar mensen toch, zien jullie het dan niet? De sneeuwvlokjes. Ze dwarrelen.”  

Ybe Terryn
8 1

appelblauwzeegroen

Zag ooit een schim, leven, dat ze dacht, ik kom bij jou. In het grijs dat om je heen ligt, dans ik dichter tegen je aan, is het oké om me zo mijn gang te zien gaan? Ik stel me aan, keek ze, op de punten van haar schoenen neer, omhoog, keek ze, met uit een lichter verleden geleende ogen van onschuld. En een glimlach.    Onverstoorbaar zong de schim verder, de duisternis in de toekomst kroop ongemerkt de plankenvloer op, met vermoeide armen, zware benen en karbonkelig torso, een schip van delen dat zijn origineel in vraag stelde. De schim zong verder van niets in vraag en antwoord willen verdelen, ‘ik ben een rots en alleen de zee, de zee alleen kan me verspelen’, alleen zong hij twee keer vals en het stampen met zijn voeten was zo moeilijk te volgen.    Het refrein kwam er al aan.    Iets over roeiriemen dat ze jong nog niet kon begrijpen, toch niet als zijn toestemming gekregen om nader te treden, dichter te dansen, op zijn tenen te trappen. De toekomst lijkt en niet alleen dat, maar duwt haar wat, aan de kant, steekt haar wat, voorbij, haalt haar, in, en het hele verzin weet niets van melancholie te maken. Niets dat niet als golven voelt, wolven erin verscholen, door tanden overspoeld weet ze zich gebeten en gewassen gelijk, is dit spijt?   De schim zong verder en hoe verder hij zong, hoe lallender, hoe wilder dronkener, bezetener, alsof het grijs, de rook voor de gensters, voor de vlam, voor het vuur kwam. Dat hij er zelf van opkeek, als een zeil door verse wind bol geblazen, die richting uit, daar, daar is het ketsen van steen tegen steen, land, land in zicht, ahoy, ahoy was het eerste dat hij tegen haar zei, uit zijn optreden brekend. Haar dans verstorend. Sintels. As. Assen ervan op het podium. Nergens nog een roer of elektrocuterende microfoon te trotseren. Bitterzoete scherven. Zachtgrove korrels. Tonnen en tonnen en tonnen zand. Van het alles verdoofde. Nu.   Zag ooit een schim, leven, dat hij dacht, ik kom bij jou. In het grijs dat om je heen ligt, zing ik dichter tegen je aan, is het oké om me zo mijn gang te zien gaan? Ik stel me aan, keek hij, op de punten van zijn schoenen neer, omhoog, keek hij, met uit een zwaarder toekomst geleende ogen van schuld. En een glimlach.    Onverstoorbaar danste de schim verder, het lichte in het verleden kroop ongemerkt de plankenvloer op, met vermoeide armen, zware benen en karbonkelig torso, een schip van delen dat zijn origineel in vraag stelde. De schim danste verder van niets in vraag en antwoord willen verdelen, ‘ik ben een golf en alleen de rots, de rots alleen kan me verspelen’, alleen danste zij twee keer uit de maat en het stampen met haar voeten was zo moeilijk te volgen.    Het refrein kwam er al aan.    Iets over roeiriemen dat hij oud niet meer kon begrijpen, toch niet als haar toestemming gekregen om nader te treden, dichter te zingen, op haar tenen te trappen. Het verleden lijkt en niet alleen dat, maar duwt hem wat, aan de kant, steekt hem wat, voorbij, haalt hem, in, en het hele verzin weet niets van melancholie te maken. Niets dat niet als vlakken voelt, schapen erin verscholen, door wol overspoeld weet hij zich geschoren en geslapen gelijk, is dit spijt?   De schim danste verder en hoe verder zij danste, hoe waggelender, hoe wilder dronkener, bezetener, alsof het grijs, de rook na de gensters, na de vlam, na het vuur kwam. Dat hij er zelf van opkeek, als een zeil door verse wind bol geblazen, die richting uit, daar, daar is het ketsen van steen tegen steen, land, land in zicht, ahoy, ahoy was het eerste dat zij tegen hem zei, uit haar optreden brekend. Zijn zang verstorend. Sintels. As. Assen ervan op het podium. Nergens nog een roer of elektrocuterende choreografie te trotseren. Bitterzoete scherven. Zachtgrove korrels. Tonnen en tonnen en tonnen zand. Van het alles verdoofde. Nu.   Zag een schim een schim. Zwart op wit, alsof het echter was wat ze bedoelden, maar echter, bedoelden ze echter. Grijzer nog. Een schilderij van ankers, ankers op onpeilbare bodems aan deze en gene zijde van de wereld, de wereld die op een wereld wilde lijken,  het grijs-ste uit het diepste uit het tijd-ste ruim-ste.    Onbedacht.   Onverwacht.Het schimmigste allerst ooitst. Zwijgend sprekend. In een versmolten kleur ogen schenkend. Wat ze zien, dubbel en nog veel meer, hoe vaak ze elkaar misbegrepen, alleen.   Solo en iets over roeiriemen die ze grepen, om het slaafse te navigeren, traag en gestaag als magma, broeierig borrelend, immer op punt van uitbarsten staan, de primordiale vulkaan. Waaruit alle strofes bestaan. Verstild luid, niet te controleren, onvoorspelbaar brallend, wildst vruchtbaar, bezetenst door een schim.   Weet.    Leven, ik kom bij jou. Leven.   In het appelblauwzeegroen.

Bas Tuurder
51 1

ZO GING IK IN FALING.

  Ik kocht tien kleine krokante broodjes, wat beleg en servetten die ik met elastiekjes rond de broodjes hield. Ik hees me in een koksmaatjeskostuum en verkocht de tien broodjes in een nabijgelegen café. Met de winst kocht ik er twintig, en dan veertig.Na een jaar zo te hebben rondgelopen kreeg ik een aanbod. Een bekend en berucht café was de tijdsgeest van dat moment niet zo genegen. De boîte, DE MUZE  waar een tijdje terug rijkelijk spenderende achtenzestigers vervuld van liefde hadden rondgelopen, was nu gevuld met de nieuwe generatie agressief uitziende jongeren met hoog opgekamde haren vol zeepresten. De ouderen, die in vreedzame meditatie verkeerden, vluchtten resoluut de deur uit. Een slechte zaak voor de eigenaar. Zijn leningen moesten immers worden afbetaald. "Als je gebruik maakt van het raam, kun je zowel buiten als binnen je broodjes verkopen," zei hij. Er waren twee ramen. "Als het lukt, dan bouw ik je een keuken." Een jaar lang stond ik daar. Op een dag zag ik in de Japanse keizer en zijn keizerin in twee aparte wagens op twee meter van mijn raam voorbijsnellen. Twee Amerikaanse dames die in Amsterdam logeerden kwamen eventjes een koffie drinken. Een jaar lang stond ik daar iedere dag. Ik opende mijn venster stipt om twaalf uur 's middags. Ik bleef tot de laatste man. Kotsbeu werd ik het. De redder in nood, de witte ridder op het witte paard, verscheen in de gedaante van de eigenaar van een ruïne op het Zuid. In een van de leegstaande pakhuizen had die man een studentenfeestzaal ingericht. De PARADOX. Of ik daar mijn handeltje wilde verder zetten. Het beloofde keukentje was er nog altijd niet. Ik gooide al het aanwezige vlees in de diepvries en trok de stekker uit. Twee jaar lang verkocht ik hamburgers in de feestzaal. Op een dag vroeg iemand me of ik wilde meewerken aan De Laatste Nacht. Als ik eten maakte voor de artiesten, mocht ik broodjes verkopen op het evenement. Na enige navraag leek het me doenbaar. Het jaar ervoor waren erop een uur tijd vijfhonderd broodjes verkocht. Ik mikte op tweeduizend broodjes. Voor de artiesten dacht ik aan lamsribbetjes met frieten en salade. Maar het was nieuwjaar, en in Antwerpen bleek geen enkele lams rib meer te krijgen. Varkensribben dan maar, gestoofd in kruiden, uien, look enander lekkers. Wie zou het merken. Om tien uur stond alles klaar toen de organisator mij kwam melden dat de heren nog eventjes wensten te wachten. Mij goed. Alles werd koud. Om twaalf uur stond alles her opgewarmd klaar. De kleur van de varkensribben was veranderd. Zeker de aanhechting van het vlees aan het been was problematisch geworden. De organisator kwam mij verwittigen dat de groep wel honger zou hebben over een uur, nadat ze nieuwjaar hadden doorgezwolgen.Ze hadden honger. Ondertussen was lamsrib totaal uit mijn woordenschat verdwenen. Een paté kregen ze, met krokante frieten en verlepte in de dressing verdronken sla. Een tijdje later werd ik getrakteerd op champagne, ik werd de eetzaal bijna rondgedragen. Omdat het zo lekker had gesmaakt. In totaal verkocht ik vijftig broodjes.   *************************************************** film VERF ED JULIEN SCHOENAERTS https://www.youtube.com/watch?v=N55MoSYrWAY https://www.youtube.com/watch?v=NGLBYNyEit0 foto VERF ED  JULIEN SCHOENAERTS https://www.2dehands.be/q/verf+ed+julien+schoenaerts/

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser.
0 0

Het parcours van de voorganger

De verleiding van verdriet is de middeleeuwen Er ligt iemand in het koren Dat is mijn boodschap voor haar vooraleer ik terug naar jullie keer Ik zeg altijd iets niet wanneer het mij te evident lijkt De leugen van de verzameling is nu eenmaal verbondenheid Dat moet ik onthouden Een ridder van zijn taalgebruik is een rebel van de moderniteit Met voorbedachte rade Mijn vergoeilijking is slechts de tijdsvariant Ik heb al iemand die rechtstaat   Alles is een exclusie van originaliteit die uitzonderingen sorteert   de roos wordt afgegeven aan Ruben  Hij moet op Sint Valentijn herdenken door alleen te blijven op veertien februari's hij telt de levensduur van zijn inspiratie en beëindigt zijn hoofdstuk zonder dichten over dichten dat is een lange aanloop om te gaan slapen   de nachtlamp-vaas wordt tentoon aangekocht in morele waarde een straat naast overgang iedereen die hem begreep sleurt stukken van zijn jas zo erg is het nu ook weer niet dat ik mijn neus niet kan snuiten rochelen bevrijdt de watervallen in de alpen ik wandel verder door applaus voor mijn improvisitie er ligt een woord tussen eenvoud en herhaling maar het blijft onroerend goed van grammatica een weesadjectief  evident   Donderdag 19 juni poetsdienst  Thin layer Equal your witness of blank sheet composer They don't have a tone to begin with anymore Het springt in voor de internationale Die laatste regendans van mijn spontaniteit gedronken Je hebt wat je wil hebben En het mag niet misgaan Nu, begint ze te zingen over haar laatste spelfout Ze reigt alle koorden die de bewegingen van de wolken imiteren leeg Het is zinloos dat ze zingt Ik beweer mij tot haar Dan verbreken we het pact van de zonde zonder schaap En eten we de wonden Leeg Het is zinloos dat ze leeg zingt over de aarde Je kan moeders verdriet niet opvullen met een aanmerking over dezelfde achteruitgang We hebben hem gevonden Hier mag ik alles vergeten, maar hoeft dat niet Het was het begin, vooral het begin, dat mij stoorde Als je leest kan je verder   De puberteit van een reus De puberteit van een reus bevat geen natuurlijk taalgebruik dat is waar Ik weet ook niet of een reus groter is dan mijn stad Het is niet mijn gevecht dit tweede idee   Ik formuleer het dank ook niet als het eerste Een conversatie met mezelf is voldoende om te schrijven Deze keer ga ik naar de volgende kamer Het systeem verglijdt in de gewoonte van verrassing toen de tafel opkijkt om een diagnose te vermijden Synoniemen verdwijnen de kans op een oplossing   Zelfstandige naamwoorden zijn arroganter dan de wetmatigheid die ze geïnstalleerd heeft in het aperitief van stereotype Willen bestaan is zelfs niet het begin van de taal   Onvoorziene omstandigheden proberen elkaar Het zijn niet de mensen Dat is het verschil Het maakt het bedrag niet uit van het geboorteaantal dat Clementie Conventie nooit meer een paus zal worden Hij passeert De soep naast de eieren is op Hij eet van de miswijn Er ontstaat een grot  Dat is mijn geheugen Zolang er iemand hulp nodig heeft blijft het kader de kunst We zijn er bijna Wacht gewoon op de trein Dit speelgoed bestaat niet Speelgoed verenigt niet meer als je het beveelt Als een reisduif terugkeert naar reis Elimineren kan niet zonder herhaling zegt schuldgevoel De gedachte roos troost Mentale inspanning is nog altijd de reden dat rozen doornen hebben in deze veilige wereld   Eerst een concept vooropstellen en dan zeggen dat het bestaat Ik ben aan het schrijven, ja, maar wat is het verschil tussen een concept en een omstandigheid, mijnheer? Ik laat het niet bij die vraag Ik word eindelijk kwaad op uw redenering Niet op Uw vermogen Wat zijn de regels? Dat U afwezig bent?   Er is toch nog nooit iemand kwaad geworden in een gedicht De verluchting van de wereld liet het afweten voor mijn dampkap Weeral diezelfde worsten Het verschil tussen een verslag en evolutie is verouderen   Worsten stellen niet haperen ze in mijn calorieën Ik krijg het gevoel dat iets mij begrijpt Waarom is dat goed? De inrichting van de vrijheid   Ik herinner mij mijn eerste adem nog om die reden Waar ligt het begin en wat is het onderwerp? De geelzucht van de zwaan verdeelt goed en slecht over eten Zolang alles op voorhand gebeurt zal ik altijd achterdochtig blijven Publiek als waarborg voor een gesprek   De renaissance als dood van de liefde De wijn ligt onder de kaas Er is niets zo oorzakelijk als het verzwegen voorakkoord van hun onderbewustzijn We zijn verkeerd bezig Laat ons een stoel nemen ergens anders gaan zitten en dan op jouw punt terugkeren Onderwerp We krijgen vrijaf vandaag Ik voel mij vrijblijvend in mijn taalgebruik De laatste krul van de renaissance is een Frans leenwoord De Franse functie zien kleiner worden, dat is mooier dan een einde Eeuw De gedachte einde troost de gedachte einde omdat een roos naar het einde opengaat als een goede film voor het licht Het is taboe Het is in mijn wereld een deur naar fotosynthese en de plaats waar ik vannacht wil slapen Vannacht wordt morgen Ik voel mij thuis Het begin is een leugen Fotosynthese is een analyse van variatie Van voorgaande natuur Daarom mocht ik als kind binnenshuis nooit de was doen Geweld is makkelijk Komt het van de zon of van het licht?   Uw relativisme wil dat op zijn minst tot ons perspectief herleiden De verheerlijking van het brandpunt tegen het ongezegde   Nu zijn mijn ongelukken inzetbaar Er komt medelijden Ik ben alleen  Soms twijfel ik tussen de zon en mijn vrienden Enkel als je alleen bent moet je kiezen Het onderwerp van vandaag is vandaag   Een naar bestaand refererend medium zonder werkwoord   Neergelaten eindigt niet in het niets als adjectief In de spreektaal de passieve aggresiviteit van variatie Structuur wordt Monteriggioni Cel Dat was het woord, cel Waar ben ik? In je gemiste trein gemiddelde   Het verbaast mij niet dat jij het gemiddelde geworden bent, Filistijnse Fibonacci De martelaar-samaritaan heeft evenwicht Eerste dingen eerlijkst   De opwarming van de aarde wordt al gededuceerd tot diezelfde tussenruimte Vandaag   Vandaag komt uw trein, kan U zich dat voorstellen in plaats van mijn ontmoeting, waar ooit iemand gerookt heeft?   Ik vergeet de beste zin: jullie  Onbreekbaar De noodzaak van een stijlfiguur in een pleonastisch zwembad heeft eindelijk verkering met de statische springplank van 'n stad De hint van test Dat mag van mij want je kan het niet uitspreken zonder het synoniem van essentie Eindelijk, variatie kent nu pas geen richting meer   Evenwaardige tweespalt onder Ben Hur en Troje Wat ze verwachten is dat we open kaart spelen Ik wil terug naar Spanje   Als je eerst naar Frans Baskenland gaat en dan naar Spanje is de kans dat je mij niet meer herkent Intonatie en allusie, de grot van Plato-light met druipstenen ironie, het verschil tussen alles en achterdocht   Onderwerp de achtergrond van Uw gesprek naar mijn argument Er wordt een Assyrisch fries voor de poort geplaatst De rest is nu allemaal dichtkunst Er is een onzichtbare bevolkingsgroep, een nuchtere omgekeerde oase   Ze volgordenden ook hun planten in terracultuur, mijn esthetische voorliefde voorzien voor de etrusken in Griekse havensteden Gepolariseerd en gepolijst worden door mijn naar voorgetrokken pupillen   Vandaag ben ik terug leerling  Waar ben ik? De curve strekt mijn ruggengraat  Reactie klinkt letterlijk Mensen spreken terug gevoel en zijn gestopt met denken   Nu moet ik terug naar Spanje Dat kan alleen in de les Verwijzen De samenvatting verschijnt aan het bord Verschillende keren   Waar ligt de grens met vandaag voor die worsten? Ze spelen op verrassing   Hoe hoog zwemmen garnalen? Ik hoor jullie denken Verrassing, verwachting Adempauze tijdens het denken?   Dat is het omgekeerde resultaat  Niet meer kunnen zien   Opjagen is het opwinden van mensen Dat kunnen jullie al gezegd hebben En nu gaat het over niemand, schuldgevoel Het ontbeert mij aan overzicht op de enige aarde zonder land   Onwrikbaar zoals het stereotype Onweerstaanbaar om die reden maar zoals Minotaurus en Athene   Een computer is het Parthenon aan het downloaden Mijn curve wint de natuur terug Dat gaat over mijn ruggengraat Een oplossing voor mijn lichaam   Het geloof van de moderniteit, gebeuren Berust niet op toeval als je het tegendeel stelt Mijn grootvader stelde bepaalde van zijn bestek aan, dat zag ik Ik solliciteerde naar liefde in de grot van het stereotype Was alles de exacte reflectie van zichzelf   Behalve medelijden geen medewerkers vandaag, maar hij heeft gelijk Want hij lag oneffen De bakermat van de industrie stompt tegen de rivier Zo vind ik echte woorden Van taal naar tong naar denken naar dichten Reageren is de vraag van het gevoel   Het evidente heeft een negatieve bevestiging nodig Essentie Even de stappen van essentie overlopen   Keuze, voldoende en waarde Aankondigen is het gevolg van een leugen Ik kan niet praten als een deelvorming aan een gelijkmatig geheel Nu praat ik tegen de mensen, voor mij een originele spaghetti alstublieft Geen dank, de lepel ligt naast de ketchup   De plaatsbepaling van de worsten Eten verlucht de monnik, God, en nu de annulatie van het volume van mijn conceptie   We zijn te vroeg en dat is een waarheid Zo voel ik mij iedere dag Stokken voorspellen de toekomst   Het onderhoud van het concept en nu ben ik weeral de reden voor het kader vergeten, de titel   Vroegtijdig is onschuldig, probeert goed te rechtvaardigen   Hygiënisch is het in de klas   Zonder verwijzing   Het 'ik lieg' en daarom mocht dat niet Zit dan gewoon aan een grotere tafel Ga die dan gaan halen   Dan keren we tenminste even terug Ik haat mijn voltooid adellijk meervoud Telgen van gluten bewieroken eigen beraadslaggevers De zweep op de cactus   Vormt zich een leenwoord zonder weder, want zijn ze daar nu weeral zonder leenwoord, al die ideeën Ik kan hun klank nabootsen en het licht aansteken Het licht sprak de klas aan Het werd dieper Een nieuw beeld   Resultaatvoetbal is niet de top van de top De bestuiving ontbeert betekenis Het antwoord van de kunstenaar: Herroeping   Ons antwoord: verdeeldheid  De apocalyps was de samenvatting Die vraag kwam weer voor de oorzaak Ik wil een richting voor intuïtie, dan een zin Een zin die jullie leven zal bepalen   Roem draagt het luchtruim voorbij het concept van andere mensen   Zwaardspelen zijn toch vroeger  Dat zijnde, ik ben hier U heeft al gesproken Nee Ik ga sneller dan heb ik gelijk Ik surf op luchtruim in een mechanische afbeelding Daarom begreep ik Protagoras niet   Ik ben wel blij dat mijn school mij deze uitwisseling heeft toegestaan Wat is de lengte van mijn gedachte? Wanneer je een ander met ik kan beginnen is mijn dagboek gestolen   Ik begrijp het Onzijdig wijst de vlaggenstok de grond af Ongehoord neemt hij de wind Mogelijk is nu moreel Wanneer komt het gevoel, wind?   Het kind keek verkeerd naar de kachel Opa kon niet meer ademen   Wat is het menselijk verschil, toeval? Tussen filosofie en wetenschap ligt een boek   Coördinatie  Ik dacht nooit dat ik de woorden zou vinden Verdienste trof uitzondering Het is belangrijk dat het nu eerst komt, je oplossing voor de liefde Als luxe? Wat hebben we dan niet Inherente goedheid, een positieve eigenschap of het effect van nazeggenschap Dezelfde Bijbel in twee gedeeld, Mozes in twee   Opeengehoopte worsten mits zelfkritiek en anticipatie is mijn woord   Ik zie je graag Dat ik zelfs nog de moed had om haar naam te zeggen   Mijn onderwerp Ik kan er niet aan doen dat boeken tegen mij spreken en mij dan veroordelen Ik ben aangelengd, niet systematisch Zonder coördinatie geen zijn Gevolgen van een cadeau Gevolgen van een gegeven wereld Sinds oudsher is dat een andere vraag   In eerste instantie was er geen textuur dat is waar, het ging over ons Eindelijk variatie Eerlijk, over de overkant geen manschap Geen vliegtuig   Ik ben bezig met drijfveer water te strijken tot bedoeling Dat zo te houden tot betrekking op latere leeftijd Het nazicht van de liefde   Veroordeel mij niet, dat was de laatste aanvulling Hoe heet dit patroon, recursief gaan? Het is de eerste keer dat ik het zeg, het is gratis vandaag, het begin, Pinocchio in pianoconcert van de kunsten Zal de eindmeet zonder noot niet halen   Plaatsbepaling poëzie Samenvattend, geen analyse zonder opmerking Nu ben ik deelbaar, wat is Uw vraag?   Beschrijving De beschrijving van Babylon is de mediterraanse stad van oceaans Monteriggioni   Atlantis-Athene Als oplossing Protagonist Protagoras in de spits, punt. Ik ben Al geworden dat is eenzaam   Ik was een mens  Nu ben ik een perspectief Tot Nu zal ik geen geestelijke dood sterven Gezondheidszorg is een boomerang   Het is geen herhaling Taboe Hoogstens letterlijk een te lang aanslepend woord   Van structuur ontheven kan ik de Aarde aan Ik werd nooit beklemtoond met een voorafgaande bedoeling   Ik heb ze gemaakt  Aan welke kant ligt nu de noodzaak? Onafhankelijk wordt gegeven een enig woord als zelfstandig naamwoord   Herhaling, geen variatie mijn vatbaar, vader Maar goed, ik voel me goed, onschuldig zelfs   Dit huwelijk zal nooit de waarborg worden?   Waar was je nu weer, Robijn?   Ik neem ontslag van de lichtinval. Er is al op voorhand bepaald wat cruciaal is. Mijn hart bloedt, een opmerking geen vaststelling   Ik heb nog nooit de voorgaande bloem gezien, maar ik wil U die in alle spontaniteit geven: het verlangen naar noodzaak Voorwetenschap van de profeet wordt gelezen en geschikt verklaard Altijd iets nieuws, dat is niet oorspronkelijk dacht de ezel van de rijst "Hoe moet ik de rijst gooien, als ik de kerk verlaat?" Gekookt want het heeft gesneeuwd Jij leeft hier Ze beeft   Hier liggen nu de kansen die niet verdwijnen zonder wedstrijd Ik ken mijn renaissance al   Heeft de geschiedenis ze gestolen in wederhelft, tijdsgeest?   Het zijn niet jullie lievelingswoorden het zijn de mijne Ik tel de lengte van uiteraard   Het moederhuis van onschuld Bevestiging is de limiet van de taal, interactie Dat volstaat. De leraar zonk in het perron en dat was mijn misdaad Ik werd verbrand op een stelling   Het doek van de Sixtijnse kapel viel van mijn moeder haar benen   Michelangelo is op het moment weer aan het paintballen met de engel van een andere vraag   Zwembaden en landbouwen, het verschil is niet water dat is het resultaat Aangelengd bloed, aangelengd bloed, mijn hersenen zijn aangelengd bloed in een gegeven wereld? Toen de jongen om de bedoeling van zijn perceptie vraagt in dezelfde relevantie, antwoordt de leraar in het verleden Het is verboden de tijd terug te keren   Ik schilder in een zwembad Blauw De nieuwe poort van Athene De wijsheid als autonoom van het klimaat Is overbodig bestaan? Recyclage heeft ook materie   De rijzende taart oogste korrels op onze matten en met twee woorden spreken annuleert mijn geheugen Ik is mijn punt van veiligheid We bereiken hun punt niet en ze horen ons denken, wat moeten we nu doen: het eerste of het tweede Het eerste vierkant in een deelverzameling die ons het verslag van de geschiedenis die wij benoemen levert Een geschenk van een engel zijn filosofie marathon Waarom hebben jullie hem herhaald voor het geweten, publiek?   Papier is flinterdun in een gegeven wereld  De blauwdruk van Assyrië dan maar Een verwijzing en een toespraak Vallen naar de sleutel met Alies Het is een verassing Weeral het verkeerde huwelijk Ik ben alleen en niet eenzaam in de neutraliteit waarmee ik faalangst van de engel, de normaal van het zonlicht en de differentiatie van de wolken Hun receptie   De levensvoorbereiding van moeders engel in vertrouwen gevallen voor mijn eerste woorden de essentie van wat ze nu gaat zeggen Ja   Systematische woede Plaatsbepaling poëzie Onderbroken door de toekomst, mijn genie   Met haken en ogen, de inval van relativisme op mijn referentiepunt Was het een antwoord of een aanval van het volk? Nee die grote stem, eindelijk die grote stem. De gradatie in overgang omwentelt terugkeer   Weeral voorbij het midden waar de waarheid ligt Golf met bekers gaat niet, spijt me, want dit is mijn tweede kans   Redelijk is een adjectief maar een betrekking op deze volzin Engels schrapen contrast van de daken We zijn meer nu Evolutie is geen gedachte   De afdwaling van de lampkap Atlas Protagoras sluit het boek van de aarde Mijn zus bepaalt de weg In de kern is mijn hurt autisme

Robijn Bodijn
21 1

boeken breken boze beren, intro hoofdstuk 1

De regen tikte zacht tegen het raam toen Conraad besefte dat hij in een wereld leefde waar iedereen veters droeg, en hij velcro. Het licht viel verkeerd en zijn handen trilden, hij besloot om zijn boek neer te leggen. Zijn koude, trillende handen gleden zacht in zijn broekzak, grabbelend. Hij had moeite met zijn eerste oortje in zijn oor te krijgen, het tweede ging makkelijker. Zijn ogen dwaalden door de ruit, starend in de donkere maandagochtend. Beste reizigers … Conraads hand ging snel naar zijn oor. Volgende station: Zoberdem. Mijn station. Hij klikte op zijn telefoon om de muziek verder te laten spelen en greep zijn rugzak die op de stoel tegenover hem lag. Shit, bladeren vielen over de vloer, terwijl hij ze snel terug oppakte hoorde hij een zacht gegiechel. Zijn donkerbruine ogen schoten naar voor, hij waaide vlug de haren uit zijn zicht, wow. Een meisje, nog nooit zo mooi gezien. Ze droeg het duister in haar haren, die zwarter dan de ochtendlucht over haar schouders gleden. Haar ogen glansden groen, als mos dat glinstert in de eerste dauw. Haar tanden wit als een sneeuwvos, net gevangen door een sneeuwstorm. Hij keek terug naar zijn boekentas wanneer hij besefte dat hij aan het staren was. Zijn voeten sleepten over de vloer tot hij uit de trein sprong, net voordat de deur sloot. Zijn botten stil en spieren gespannen, hij stond stil. Mensen passeerden, keken hem raar aan, keken dan terug naar het pad dat voor hun lag. Niet nu, mensen kijken, beweeg Conraad, beweeg nu, alsjeblieft. Conraads longen deden pijn, zijn mond geopend en ogen wijd versperd. Een doffe trilling in zijn broekzak, zijn spieren ontspanden zich. Zijn mond klapte dicht en zijn grote adamsappel steeg en daalde waneer hij slikte. Zijn hand graaide in zijn broekzak, zijn hand als zijn telefoon trilden nog. Hallo? Hallo? opnieuw Ah ja Conraad, ja hallo, euhm waar ben jij? Conraads telefoon trilde  sorry ik had je niet verstaan, wat zei je?  Ah, ik vroeg waar je bent, het is al 9 uur en je bent nog niet bij Anne.  Ik ben pas net toegekomen, ik kom nu af. Hij keek rond hem, het station was leeg. Ik heb hier toch niet zo lang gestaan? Hij haalde zijn arm naar boven en staarde naar zijn horloge, wazig door zijn waterende ogen. Heb ik hier 10 minuten gestaan, dat kan toch niet. Voor Conraad het door had, hadden zijn voeten hem al op de trap geleid, zijn kapotte schoenen bogen wanneer zijn voeten de grond raakte. Toen hij het station uitliep zag hij de stad in zijn volle glorie. Is dat nu Labi zijn nonkel? Toch niet weer. Terwijl Conraad bezorgd naar de man snelde, kwamen de vuisten als sneeuwvlokken in de duistere nacht.  Mijn geld stelen, ge moe maar eens proberen klojo! U geld, U geld?! Gebt het godverdomme eerst van mij afgepakt! Conraad pakte Labi’s oom zijn arm vast en huh, ik zie zo wazig. Een paar bloedrode ogen staarden in zijn ziel.  Conraad? Ah nee, Conraad.   Een stuk boomstronk op de grond brak zijn val, de waas werd rood. Ga ik nu naar de hel, of word ik gek? Een hand wreef over zijn oogkas en het deed zeer als hij nog nooit had meegemaakt. De rode gloed verdween.  Ahnee kut, Conraad, wat heb ik u nu aangedaan. 

Paco.Gorissen
19 1

Kaap Voorn

   Er zijn er niet van haar. Stemmen. En hoe de zilte bries hen beschermd in het onverstaanbare. Een aangevlogen hand voor een mond die niet weet waar de woorden zouden belanden, mocht het kunnen, misschien daar, daar waar hoge en lage druk elkaar gebieden.    Een koppel misschien, gezandstraald tot de stilte waarin ze willen wiegen, staat kaarsrecht, misschien, stokstijf bevrozen, misschien hebben ze haar over het water als een donderende golf horen aanrollen, en nu, is de echo nu, of al het betrapte valt te vermijden?   Zij door hen, zij door haar, zij door zij als zijden naast elkaar door, zijdens door de vingers geglipt van wat zich niet laat bewaren, muren van gisteren, muren van morgen, en de meeuwen schrikken op. Een schot. Is er één niet van hen.    Weeë geur in de lucht.    De hele start richting horizon, tegen de branding in. Een roestige zeemijn, egel koprollend op kop, achtervolgt door een wolk vol schelpengruis en flarden wier, haar voeten kleven als lava.    Ze stolt.    Korrels verglazen als druppels dauw op de haartjes op haar armen en op haar benen, overal om haar heen, ijsblauwe schaduwen. Het koppel misschien, smeltend misschien, smeltend uit een schreeuwen. Hagelstenen van woorden die op haar levenslijn roffelen en het kietelen van een antwoord willen geven, het kietelen van geen vraag meer te stellen.    De maalstroom voert hen allemaal mee, hoog, laag, geen tij meer om te keren, ze zou thans zweren strandjutter te zijn geweest. Een houten sirene te hebben bevrijd. Boegbeeld van het schip dat tegen de tijd strijdt.     

Bas Tuurder
42 1