Zoeken

Herinneringen uit Beja: De Jacht bij Tabarka (waargebeurd)

Het was de zomer van 1961. De zon brandde fel in de blauwe lucht boven Beja, een stad die ik altijd in mijn geheugen zal dragen als de plek waar onze avonturen in Tunesië begonnen. De geur van de mediterrane zee mengde zich met de geur van pijnbomen en kurkeiken, en elke dag voelde als een ontdekkingstocht in een onbekende wereld. Mijn vader, Armand, werkte voor Auxeltra Beton en leidde de bouw van een suikerfabriek, maar hij was geen jager. Het was iets voor de mannen van de groep, de vrienden die we daar hadden gemaakt – Belgen, Fransen en de pieds-noirs, Fransen van Europese afkomst die ooit in Algerije, Tunesië en Marokko woonden en die na de onafhankelijkheid in 1962 hun thuisland verlieten. Ze brachten hun eigen verhalen mee van het oude Noord-Afrika, met herinneringen aan een tijd die ze niet zomaar los konden laten. Toch ging mijn vader altijd mee op de jacht, niet om te jagen, maar om deel uit te maken van de sfeer die het met zich meebracht, van de verbondenheid en de verhalen die ze deelden. De jacht op wilde everzwijnen, la chasse aux sangliers sauvages zoals de Fransen het noemden, was voor ons, de kinderen, iets veel groters dan een simpele uitstap. Het was een avontuur, een kans om de wereld van de volwassenen te betreden, zelfs als we niet echt begrepen wat er gebeurde. Het bos van Tabarka, een uitgestrekt gebied waar de bomen met hun dikke schors en geurige naalden de lucht vulden, was de perfecte plek voor de wilde everzwijnen. Het woud strekte zich uit tot aan de kust, waar de zee ruiste tegen de witte zandstranden, haar golven voortdurend in de verte. De geur van de bossen vermengde zich met de zilte lucht van de oceaan, een geur die ons altijd het gevoel gaf dat we deel uitmaakten van iets groter dan onszelf. Elke maand, telkens op een zondag, wanneer de zon haar eerste stralen door het loof brak, trokken de mannen het bos in. Gewapend met geweren en vastbesloten om het wild te vinden, verdwenen ze in de schaduw van de oude bomen. Het was hun moment van verbinding met de natuur, een tijd waarin zij hun verhalen deelden en hun onderlinge rivaliteit het scherpe ritme van de jacht bepaalde. Het was meer dan jagen; het was een ritueel, een traditie die hen samenbracht, ongeacht hun verschillen. De spanning in de lucht was altijd te voelen, want de jacht was nooit zeker, maar de hoop was altijd groot, het verlangen naar avontuur onvermoeibaar.  Wij, de kinderen, gaven ons geen moment over aan de kalmte van de ochtend. Terwijl de mannen hun weg door het bos baanden, gingen wij op onze eigen manier op zoek naar avontuur. In plaats van de wilde everzwijnen achterna te zitten, zochten wij de wilde ezels. Het was niet dat we hen wilden vangen voor het vlees; het was een soort spel, een manier om hun vrijheid te ervaren door zelf te jagen, maar dan met een ander doel: de spanning van de achtervolging, de uitdaging van het temmen van iets ongetemd, zelfs al was het een hopeloze zaak. De ezels waren te snel, te sluw voor ons. We renden door het bos, tussen de takken door, maar telkens weer slaagden ze erin ons te ontglippen. Toch gaf het ons een onmiskenbare energie, een euforie die de pijn van de mislukking wegveegde en ons deed terugkeren voor de volgende achtervolging. Het lachen om onze eigen mislukking, de onderlinge grappen, die momenten gaven ons het gevoel dat we deel uitmaakten van de grote wereld om ons heen. De zon stond al hoog aan de hemel toen de mannen terugkeerden. Hun gezichten waren getekend door vermoeidheid, hun kleren bedekt met modder en zweet. Het was het onmiskenbare teken van een dag hard werken in de wildernis. Maar zelfs in die uitputting straalde er altijd een glimlach op hun lippen, een glimlach die niet alleen om de vangst draaide, maar om het samenzijn, het gedeelde avontuur. Die glimlach weerspiegelde iets diepers, iets dat we, de kinderen, pas later zouden begrijpen: de kracht van vriendschap, van het samen delen van een ervaring die veel verder ging dan de jacht zelf. Terwijl de mannen zich lieten vallen op de rotsen rond het kamp, begaven de vrouwen zich naar de kookpotten. Ze waren de stille kracht van het kamp, zorgzaam en bedachtzaam. Ze brachten de warmte in de groep, niet alleen door het vuur, maar door de zorg die ze boden. Mijn moeder, die altijd glimlachte terwijl ze het kamp voorbereidde, was niet de enige die voor ons zorgde. Alle vrouwen, elk met hun eigen rol, droegen bij aan de harmonie van de groep. De zorg die zij boden, was de zachte kracht die de groep bij elkaar hield. De vrouwen creëerden een sfeer van geborgenheid, waar de harde elementen van de buitenwereld niet doordrongen. Ze begrepen de kracht van stilte, van het delen van een moment zonder het te benoemen, en daardoor brachten ze ons dichter bij elkaar. De mannen kwamen vaak met verhalen over de jacht, over de momenten waarop ze dicht bij het wild waren geweest, of over de geur van de bossen die hen omhulde. Maar het waren de vrouwen die het ritme van de dagen bepaalden. Ze waren de stille hoeders van het kamp, en zonder hen zou de jacht nooit hetzelfde zijn geweest. Het was hun aanwezigheid die de mannen in staat stelde om volledig op de jacht te focussen. Als de mannen hun verhalen vertelden, luisterden wij, de kinderen, ademloos. We begrepen de diepgang van hun woorden nog niet, maar we voelden de emoties die tussen de zinnen door glipten. We vroegen soms naar details, maar de mannen gaven ons alleen de essentie van wat we moesten weten. De rest was voor henzelf, een geheim dat wij pas later zouden begrijpen. Jacques, een van de Fransen, was altijd degene die het meeste sprak. “Armand,” zei hij vaak met een glimlach, “je bent misschien geen jager, maar je hebt een manier om ons allemaal bij elkaar te brengen.” Mijn vader glimlachte altijd terug, bescheiden, terwijl de andere mannen grinnikten. “Het is de sfeer die belangrijk is,” zei hij dan, “niet het wild dat we vangen.” Zijn woorden waren simpel, maar ik voelde altijd een diepe waarheid in die momenten, een waarheid die de vriendschap en het respect tussen hen allemaal weerspiegelde. De pieds-noirs, die zich vaak in een meer discrete hoek van het kamp bevonden, waren een integraal onderdeel van de groep. Zij kwamen uit een wereld die ver weg was, met hun eigen verleden in Noord-Afrika, en brachten een zekere melancholie met zich mee, een gevoel van verlies van een thuis dat ze nooit meer konden terugvinden. Ze vertelden weinig over hun geschiedenis, maar soms, als het kampvuur zijn laatste gloed uitstraalde, kwamen er verhalen naar boven. Over de tijd in Algerije, het verlaten van alles wat vertrouwd was, de pijn van het gedwongen vertrek. Toch was hun kameraadschap een manier voor hen om opnieuw verbinding te maken, een manier om hun verleden achter zich te laten, zelfs als het maar tijdelijk was. De avonden in het kamp waren altijd gevuld met het geluid van lachen, het klappen van handen rond het vuur, de verhalen die zich door de lucht lieten dragen, en de geur van geroosterd vlees die zich mengde met de zilte lucht van de zee. Het was de ware essentie van de jacht – niet de vangst, maar het samenzijn. Het delen van het avontuur, het vieren van het moment, zelfs als de jacht niet altijd verliep zoals gepland. De kracht van de groep lag in de eenvoud van het samenzijn: het lachen, de vriendschap, het vertrouwen. Het was die verbondenheid die allesbepalend was – niet het wild, maar de onuitgesproken banden die werden gevormd in de warmte van het kampvuur, die de herinneringen voor altijd zouden dragen.

Guy Van Damme
11 1

Op het Randje van de Dood (waargebeurd)

Midden jaren ’90 was mijn leven een voortdurende race. Ik gaf les op drie scholen: de RMS in Putte, het Atheneum in Heist-op-den-Berg en de basisschool Dr. Jozef Weyns in Beerzel. Mijn dagen waren gevuld met haastig plannen, lesgeven en constant onderweg zijn. Maar die ene dag, toen de routine de boventoon leek te voeren, sloeg het noodlot genadeloos toe. Het was een gewone ochtend in oktober. Zoals vaak leende ik de rode Ford Fiesta van Vera’s moeder. Een trouwe wagen, al was hij simpel en niet bepaald robuust. Omstreeks 10 uur stapte ik in, met mijn schooltas nonchalant op de passagiersstoel gegooid. De motor startte met een vertrouwde brom. Mijn route naar Beerzel verliep via Grootlo en de Schrieksebaan, een weg die ik zonder nadenken kon rijden. In Schriek naderde ik het rondpunt bij de watertoren. Het verkeer was rustig, en ik nam zoals altijd mijn tijd. Ik keek links, keek rechts, en reed langzaam het rondpunt op. Opeens hoorde ik een diep gebrom, dat steeds dichterbij kwam. Het was alsof de lucht zelf waarschuwde dat er gevaar dreigde. “Wat…?” Ik draaide mijn hoofd naar rechts, maar alles gebeurde te snel. Een zware bestelwagen, veel te hard rijdend, dook uit het niets op. Het voertuig kwam vanuit de richting van de watertoren en had niet de minste intentie om af te remmen. In een fractie van een seconde kwam hij op mij af. Mijn lichaam handelde instinctief: ik greep het stuur stevig vast en strekte mijn armen, alsof dat voldoende zou zijn om de aankomende ramp tegen te houden. De klap was oorverdovend. De bestelwagen ramde de Fiesta vol in de zijkant, waardoor mijn auto meters werd meegesleurd richting het centrum van Schriek. Mijn hoofd schoot naar voren, de gordel sneed in mijn borst, en overal om mij heen barstten de ruiten in duizenden splinters. De motorkap van de Fiesta begon zich als een dreigende vuist te kreukelen, precies boven mijn hoofd. Ik keek omhoog en zag hoe het metaal zich naar binnen boog, gevaarlijk dicht bij mijn gezicht. Een fractie van een seconde dacht ik: dit is het, ik word onthoofd. Maar op het nippertje bleef de motorkap steken, net genoeg om mij in leven te laten. Ondertussen verloor de bestelwagen de controle. Ik zag hoe het zware voertuig meerdere keren tuimelde, zijn lading rammelde en door de lucht vloog. Uiteindelijk kwam het tientallen meters verder tot stilstand, schuivend over het asfalt en een lange zwarte streep achterlatend. Het was een surrealistisch tafereel, alsof de wereld plotseling in slow motion was gegaan. Toen de chaos eindelijk tot stilstand kwam, bleef ik roerloos zitten. Mijn handen trilden nog steeds aan het stuur. Mijn knokkels waren wit van de kracht waarmee ik het stuur had vastgeklemd, alsof dat mij op de een of andere manier had gered. De lucht rook naar brandend rubber en olie, en het enige geluid dat ik hoorde was mijn eigen zware ademhaling. Een man rende naar mijn raam en klopte erop. “Meneer, meneer! Gaat het met u?” Ik keek op, nog half in shock. “Ik… Ik denk het,” mompelde ik. “Blijf zitten,” zei hij snel. “Ik ga hulp halen.” Ik liet mijn blik over de Fiesta glijden. Het was een totaal wrak: de motorkap was onherkenbaar vervormd, het interieur lag vol met glassplinters, en de deuren hingen scheef in hun scharnieren. Het voelde als een wonder dat ik daar nog zat, levend en ogenschijnlijk ongedeerd. Niet veel later arriveerden de hulpdiensten. Twee politieagenten stapten uit en namen de situatie op. Een van hen, een man met een kalme, ervaren uitstraling, opende voorzichtig mijn deur. “Bent u in orde?” vroeg hij, terwijl hij zijn zaklamp langs mijn gezicht en lichaam liet gaan. “Ik denk het,” antwoordde ik. “Maar mijn auto… die is verloren.” Hij keek naar het wrak en knikte. “Dat lijkt me een understatement. U heeft geluk gehad.” Ze vroegen me wat er was gebeurd en namen mijn verklaring op. De bestuurder van de bestelwagen stond verderop, zijn handen in zijn haar. Hij stamelde iets over remproblemen en keek me niet aan. De politie noteerde alles nauwkeurig, terwijl ik toekeek hoe de bestelwagen werd weggesleept. Toen alles afgehandeld was, belde ik mijn vader. Hij nam meteen op. “Pa, ik heb een ongeluk gehad,” zei ik met een trillende stem. “Wat? Waar ben je?” vroeg hij bezorgd. “In Schriek, bij de watertoren. Kun je me komen halen?” Binnen een kwartier stond hij er. Zijn ogen vernauwden toen hij de Fiesta zag. “Jongen, je hebt echt geluk gehad,” zei hij, terwijl hij me stevig op mijn schouder klopte. “Stap in. Ik breng je naar huis.” Maar koppig als ik was, hield ik voet bij stuk. “Nee, breng me naar school. Ik moet mijn lessen nog geven.” Mijn vader keek me aan alsof ik gek was. “Je had net een zwaar ongeluk. Je moet rusten.” “Ik voel me prima,” loog ik. “Het komt wel goed.” Hij zuchtte, maar gaf toe. Ik gaf die middag nog de hele dag les, al voelde ik me niet op mijn gemak. Mijn leerlingen merkten niets, maar ik had moeite om me te concentreren. Een lichte pijn in mijn nek en hoofd begon langzaam erger te worden. ’s Avonds, thuis, kwam de echte impact naar boven. Een stekende hoofdpijn nam bezit van me, mijn nek voelde alsof er een ijzeren staaf doorheen zat, en elke beweging deed pijn. De volgende dag bezocht ik een arts. Na een reeks röntgenfoto’s keek hij me serieus aan. “U heeft een whiplash,” zei hij. “Uw nek is ernstig beschadigd. Dit letsel zal waarschijnlijk blijvende gevolgen hebben.” Ik voelde een koude rilling. “Blijvend? Hoe erg is het?” vroeg ik. “U zult beperkingen hebben in uw nekbewegingen,” legde hij uit. “Sommige oefeningen zijn uitgesloten, zoals koprollen of hoofdstanden. En achteruitrijden met de auto zal lastiger worden.” De arts gaf me een invaliditeit van 2%. “Meer dan dat geven ze zelden,” zei hij. “Anders zou de staat u moeten compenseren, en dat vermijden ze.” Het voelde als een klap. Alsof mijn leven werd samengevat in een getal. Hoe kon dit percentage recht doen aan de constante pijn en beperkingen die ik ervoer? In de maanden daarna leerde ik leven met mijn beperkingen. Achteruitrijden werd een uitdaging; ik moest mijn arm tegen de hoofdsteun van de passagiersstoel plaatsen om verder te kunnen draaien. Toch gaf ik mijn werk niet op. Met voorzichtigheid voerde ik zelfs oefeningen uit die eigenlijk verboden waren, gedreven door mijn passie voor lesgeven. Die dag in Schriek was een keerpunt in mijn leven. Het leerde me hoe kwetsbaar het leven is, maar ook hoe sterk een mens kan zijn. Zelfs met de littekens van die dag, zowel fysiek als mentaal, ging ik door. En tot op de dag van vandaag herinner ik me de motorkap die boven mijn hoofd hing, een haarbreedte verwijderd van de dood.

Guy Van Damme
5 2

Bij de Rijkswacht (waargebeurd)

In 1977 begon ik mijn militaire dienst bij de luchtmacht in Melsbroek. Het was een tijd van lange dagen, strikte routines en veel discipline. Het was niet altijd makkelijk, maar het maakte me sterker. Na een tijdje werd ik bevorderd tot korporaal, een rang die voornamelijk aan de gestudeerden werd gegeven. Het was een erkenning voor mijn inzet, maar het bracht ook nieuwe verantwoordelijkheden met zich mee. Zo werd ik secretaris van de officier van veiligheid, een taak die in het begin simpel leek, maar die later mijn leven aanzienlijk zou beïnvloeden. Mijn functie als secretaris bestond vooral uit het overtypen van brieven van de kapitein en de reserve-officieren. Het leek een administratieve klus, maar achter die brieven ging meer schuil. Ik werkte vaak met kladversies, sommige geschreven in haast onleesbare handschriften. Het was een uitdaging om te achterhalen wat precies bedoeld werd. Op een dag, gedreven door frustratie, trok ik een dikke rode streep door een tekst die ik niet kon ontcijferen, ervan uitgaande dat deze van een reserve-officier was. Later bleek het om een kladversie van de kapitein zelf te gaan. Het was een blunder die ik nooit hardop zou toegeven, maar ik voelde diep van binnen dat mijn fout niet onopgemerkt was gebleven. Misschien was dit wel de reden waarom ik na mijn afzwaaien alsnog werd opgeroepen voor een extra kamp. Het was een vreemde wending, maar het zou uiteindelijk mijn ervaring in het leger alleen maar intenser maken. Het Kamp in Elsenborn De oproep voor het extra kamp kwam midden in de winter, toen de kou het hardst toesloeg. Ik moest deelnemen aan een militaire oefening in Elsenborn, een kamp dat berucht was om zijn ijskoude omstandigheden en zware fysieke trainingen. De temperatuur daalde ver onder nul, en de ijzige wind sneed door onze uniformen. Het programma was meedogenloos: schietoefeningen, zware fysieke trainingen en lange marsen door diepe sneeuw stonden op het menu. Elke ochtend begon met een harde roep en het geluid van laarzen die de koude grond raakten. De spanning in de lucht was te snijden, en elke stap leek een uitdaging op zich. Op een van de dagen kregen we de opdracht om van een hoge spoorwegbrug te rappellen. We moesten ons met een touw langs de zijkant van de brug laten zakken, terwijl we ons geweer strak tegen ons lichaam hielden. Het leek een simpele oefening, maar de hoogte was enorm en de omstandigheden waren allesbehalve ideaal. De koude wind raasde rond mijn oren, en de ijzige staalstructuur van de brug voelde als een waarschuwing: één fout en het kon misgaan. Mijn handen tintelden van de kou en mijn grip leek niet stevig genoeg. Terwijl ik afdaalde, probeerde ik niet naar de diepte te kijken. De geluiden van het rammelende geweer en de ijskoude lucht maakten de ervaring des te intensiever. Het voelde alsof de wereld om me heen stopte, terwijl ik langzaam naar beneden gleed. “Van Damme, je bent aan de beurt!” riep de instructeur. Mijn hart bonsde in mijn keel, maar ik wist dat ik geen keuze had. Ik greep het touw stevig vast en zette mijn eerste stappen achterwaarts over de rand van de brug. Mijn grip leek te verslappen, en het voelde alsof elke spier in mijn lichaam zich verzette tegen de spanning. Terwijl ik naar beneden daalde, gleed het geweer een stukje los uit mijn greep. Het geluid van het schuivende metaal leek wel te galmen in mijn oren. “Focus, Van Damme!” riep ik tegen mezelf. Uiteindelijk bereikte ik de grond. Mijn benen trilden van de spanning, maar de opluchting was enorm. Terwijl ik naar boven keek naar de volgende die naar beneden moest, besefte ik hoe belangrijk het was om dit soort ervaringen nooit meer te hoeven doorstaan. De fysieke uitputting en de mentale stress die ik had doorgemaakt, waren genoeg om me te doen twijfelen of dit allemaal wel de moeite waard was. ’s Nachts, wanneer we in de barakken lagen, was het niet veel beter. De kachels werkten nauwelijks, en ondanks dat ik meerdere lagen kleding droeg, voelde de kou als een constante metgezel. Het was een gevoel dat je niet snel vergeet: de kilte die door je botten trekt en je nergens warm kunt vinden. Terwijl ik in mijn smalle bed lag, dacht ik: “Nooit meer.” Maar toch, ergens diep van binnen, wist ik dat deze ervaring me had gevormd. Het had me sterker gemaakt, mentaal en fysiek. Een Onverwacht Bezoek Enkele weken later, toen ik dacht eindelijk klaar te zijn met mijn militaire verplichtingen, reed er een combi van de Rijkswacht Tremelo de oprit van onze tuin op. Vera keek me bezorgd aan. “Wat heb je nu weer uitgestoken?” vroeg ze, met die vertrouwde blik die ik goed kende. Zelf begon ik ook te twijfelen. De rijkswachters stapten uit, hun gezichten ernstig. Toen ze dichterbij kwamen, werd het duidelijk: ze waren niet gekomen om me te arresteren, maar om me een voorstel te doen. “Zou u interesse hebben om reservist te worden bij de Rijkswacht?” vroeg een van hen. “Als u dat doet, bent u vrijgesteld van verdere militaire kampen.” Mijn oren spitsen zich meteen. Geen kampen meer? Dat klonk als muziek in mijn oren. De rijkswachter legde uit dat ik in noodgevallen administratieve taken zou moeten uitvoeren bij hun bureau in Tremelo, maar dat de kans daarop uiterst klein was. “Wat houdt het verder in?” vroeg ik nieuwsgierig. “U krijgt een reservistenkaart, en daarmee bent u officieel deel van ons team. Maar eerlijk gezegd, u zult er waarschijnlijk nooit iets mee moeten doen.” De keuze was snel gemaakt. Ik tekende de papieren en kreeg mijn reservistenkaart. De gedachte aan zware militaire kampen in de ijskoude winter was nu voorgoed verleden tijd. Het was een slimme zet, die me niet alleen de kans gaf om vrijgesteld te worden van verdere plichten, maar me ook het gevoel gaf dat ik iets had bereikt. Ik was nu officieel deel van de Rijkswacht, al was het maar op papier. Een Slimme Zet Hoewel ik als reservist nooit werd opgeroepen, bleek mijn reservistenkaart onverwacht van pas te komen. Op een dag reed ik met mijn Motobecane naar de RMS in Putte. Zoals altijd zat ik ontspannen op mijn bromfiets, mijn voeten rustend op het frame in plaats van op de pedalen. Dit trok de aandacht van een patrouille van de Rijkswacht, die me prompt aan de kant zette. Een van de rijkswachters stapte uit, zijn blik streng. “Waarom rijd je zo?” vroeg hij, wijzend naar mijn voeten. Ik dacht even na en antwoordde met een knipoog: “Het zit wat comfortabeler zo.” Hij schudde zijn hoofd. “Weet je dat dit gevaarlijk is? Wat als je de controle verliest?” De spanning steeg, maar toen bedacht ik me: mijn reservistenkaart! Ik haalde de kaart uit mijn portefeuille en gaf hem aan hem. Hij bekeek de kaart aandachtig, zijn ogen gleden over mijn naam en geboortedatum. Toen glimlachte hij. “1953… Dat zijn de goeie.” Zijn houding veranderde meteen. Hij gaf de kaart terug en zei met een knikje: “Rij maar door, collega. Maar hou je voeten voortaan op de pedalen, hé.” Ik knikte, lachte en reed verder. In feite waren we collega’s, en dat ene zinnetje gaf me het gevoel dat ik erbij hoorde. Het was een klein moment, maar het gaf me een groot gevoel van voldoening. Mijn reservistenkaart was plots veel meer dan alleen een praktisch document; het was een symbool geworden van mijn ervaring en het gevoel van verbondenheid met de mensen om me heen. Slot Mijn militaire dienst en de periode als reservist bij de Rijkswacht blijven me bij als een bijzondere tijd. Het begon met administratieve taken en leidde tot een zwaar winterkamp in Elsenborn, waar ik leerde hoe ver ik kon gaan. Uiteindelijk bracht de keuze om reservist te worden een onverwachte wending die mijn leven makkelijker maakte. Dat moment met de Rijkswacht op weg naar Putte gaf me niet alleen een glimlach, maar ook het besef dat een slimme zet op het juiste moment het verschil kan maken. Mijn reservistenkaart was niet alleen een praktische oplossing, maar ook een symbolische herinnering aan hoe ver je kunt komen met een beetje vindingrijkheid.  

Guy Van Damme
84 2

Meegesleurd door de Tshopo (waargebeurd)

De zon stond hoog aan de hemel boven Stanleyville, het kloppende hart van de Belgische kolonie in de jaren '50. De stad, nu bekend als Kisangani, lag als een parel aan de oevers van de machtige Tshopo-rivier. Het was een stad vol leven en contrasten, waar de natuur en koloniale invloed met elkaar verweven waren. De rivier, die altijd zowel krachtig als kalm leek, was onze favoriete plek om te ontsnappen aan de drukte van de stad. Die dag leek op alle andere. Mijn moeder, mijn zus Ginette, mijn tante Roza en haar dochters Rita en May besloten opnieuw naar de rivier te gaan. Ik, Guy, was de jongste en genoot altijd van de omgeving. Terwijl de anderen vaak het water ingingen, bleef ik liever aan de kant, spelend met stenen of starend naar de kolkende stroming. Toen we de oever bereikten, renden Ginette, Rita en May al vooruit, de rotsen beklimmend en het water in duikend. De plek achter de waterkrachtcentrale was populair vanwege de rustige stukken langs de oever, waar kinderen veilig konden spelen. Het geluid van de rivier mengde zich met het gefluit van vogels en het geritsel van bladeren in de wind. Alles leek perfect. Mijn moeder en tante Roza gingen op een open plek zitten, genietend van het uitzicht en elkaars gezelschap. Ik zat op een rots en keek naar de meisjes die elkaar lachend nat spetterden in het ondiepe water. Alles was veilig en vertrouwd. Maar de rivier, die ogenschijnlijk kalm was, had een ander plan voor ons. Het onheil slaat toeHet begon met een dreunend geluid, diep en onheilspellend, dat door de lucht rolde. Eerst schenkte niemand er aandacht aan. Het leek op het gerommel van een verre onweersbui. Maar toen keek mijn moeder op. Haar gezicht veranderde van ontspanning naar bezorgdheid. "De sluizen," fluisterde ze. "Ze hebben de sluizen geopend!" De waterkrachtcentrale, die Stanleyville van stroom voorzag, liet soms plotseling grote hoeveelheden water door de dam stromen. Dit veroorzaakte een gevaarlijke, plotselinge stroming in de rivier. Ginette, Rita en May merkten het als eersten. Het water, dat eerst rustig over hun voeten spoelde, begon sneller te stromen. Ginette, die verder in het water stond, verloor haar evenwicht en werd meegesleurd. Haar gil sneed door de lucht. Mijn moeder en tante Roza sprongen overeind, geschrokken door het plotselinge gevaar. "Ginette!" schreeuwde mijn moeder. Ze rende naar de waterkant, maar de rivier was al veranderd in een kolkende massa. Ginette's kleine lichaam werd steeds verder de stroom in getrokken. Rita en May, dichter bij de oever, konden zich nog net vastklampen aan een uitstekende tak. Ik stond verstijfd. Mijn hart bonkte in mijn keel. "Blijf staan!" riep mijn moeder, haar stem doorbroken van paniek. Ze wist dat ik niets zou kunnen doen tegen de kracht van de rivier, maar haar zorgen over mij waren groter dan alles. Maar alles in mij wilde Ginette helpen. Ginette’s gevecht tegen de stroomIn het water was Ginette volledig overgeleverd aan de woeste rivier. Haar armen maaiden door de lucht, haar ogen wijd van angst terwijl ze wanhopig probeerde boven water te blijven. De stroming sleurde haar heen en weer, alsof de rivier met haar speelde. Iedere keer dat ze haar hoofd boven water kreeg, hapte ze naar adem, maar de golven duwden haar weer onder. “Ik kan dit niet,” dacht ze. Haar hart bonsde, haar longen brandden van het ingeslikte water. De kracht van de stroming trok aan haar lichaam, alsof onzichtbare handen haar steeds verder naar het midden van de rivier wilden duwen. Een scherpe pijn trok door haar schouder toen ze tegen een uitstekende rots werd geslagen. Ze greep er wanhopig naar, maar haar vingers gleden weg over het natte oppervlak. De stroom sleurde haar verder mee. “Help!” schreeuwde ze opnieuw, haar stem bijna verdrongen door het gebulder van het water. Haar spieren waren uitgeput, en haar kracht leek op te raken. Maar diep van binnen voelde ze een sprankje hoop. Ze dacht aan mijn moeder, aan Rita en May, en aan mij die aan de kant stond. Ze moest vechten. Ze mocht niet opgeven. Een glimp van reddingIn de verte zag Ginette een grote rots die boven het water uitstak. Haar ogen richtten zich daarheen. Met haar laatste beetje kracht begon ze in die richting te zwemmen, de stroming te slim af. Haar armen voelden zwaar, alsof ze lood wogen, maar ze dwong zichzelf door te gaan. Haar vingers bereikten de rand van de rots. Ze klampte zich eraan vast, haar nagels krassend over het ruwe oppervlak. Het water probeerde haar nog steeds mee te sleuren, maar ze hield zich vast met alles wat ze had. Haar borstkas ging hevig op en neer, terwijl ze naar adem hapte. "Help!" riep ze, deze keer zachter, bijna een fluistering. Ze keek om zich heen, maar er was niemand in de buurt. Ze was helemaal alleen in haar strijd tegen de natuur. De race tegen de klokAan de oever was mijn moeder in paniek. Ze stormde naar de technici bij de hut naast de waterkrachtcentrale. "Mijn dochter! Ze wordt meegesleurd door de stroom! Jullie moeten de sluizen sluiten!" De technici reageerden meteen. Terwijl een van hen telefonisch contact opnam met het hoofdkantoor van de centrale, stormde een ander naar buiten om de situatie in de rivier te bekijken. Ik stond intussen aan de oever, mijn ogen wanhopig op Ginette gericht. Ze was nauwelijks meer zichtbaar in de verte, slechts een stip die aan een rots hing. Mijn moeder kwam teruggerend, haar gezicht nat van tranen. "Ze sluiten de sluizen," zei ze, half tegen mij, half tegen zichzelf. "Ze doen hun best." Het metaalachtige gekraak van de dam bereikte ons, en langzaam begon de woest kolkende rivier weer tot rust te komen. De reddingZodra de stroom verzwakte, sprong een van de technici in een kano die vlakbij lag. Hij peddelde behendig naar Ginette toe, terwijl wij aan de kant ademloos toekeken. Mijn moeder kneep mijn hand fijn, haar ogen strak op de kano gericht. Toen de technicus Ginette bereikte, trok hij haar voorzichtig uit het water. Ze huilde, haar hele lichaam trilde van de kou en de schrik. Met een snelle beweging bracht hij haar naar de oever, waar mijn moeder haar onmiddellijk in haar armen sloot. Ginette klampte zich aan haar vast, haar natte haren kleefden aan haar gezicht. "Het spijt me," snikte ze. "Ik wilde niet zo ver gaan." Mijn moeder schudde haar hoofd, haar tranen vermengden zich met die van Ginette. "Je bent veilig nu. Dat is alles wat telt." Een les in nederigheidDie avond zaten we stil bij elkaar in ons huis. Niemand had veel behoefte om te praten. Ginette was uitgeput, maar veilig. Toch voelde de gebeurtenis als een waarschuwing. De natuur, hoe prachtig ook, was niet zonder gevaar. We gingen daarna nog steeds naar de Tshopo-rivier, maar altijd met een diep respect voor haar kracht. Het beeld van Ginette, vechtend tegen de stroom, bleef me altijd bij. Die dag leerde ik hoe dun de lijn is tussen plezier en gevaar, en hoe belangrijk het is om die lijn nooit te onderschatten.

Guy Van Damme
24 0

Het Geheim van de Keldervilla (waargebeurd)

Begin jaren zeventig was Keerbergen een rustige, bosrijke gemeente waar ik samen met mijn ouders woonde. Toch had het dorp een bijzondere reputatie. Onder de hoge bomen en langs de slingerende lanen hadden zich enkele bijzondere figuren gevestigd. Keerbergen stond in die tijd namelijk bekend als toevluchtsoord voor gangsters uit Brussel. In luxe villa’s verscholen ze zich voor de buitenwereld, ver van de politie. Voor ons, jonge jongens met een levendige fantasie, zorgde dat voor eindeloze verhalen over geheime schatten en verborgen wapens. In een nieuwe wijk, niet ver van ons huis, stond een grote villa. Het was een statig wit gebouw met hoge hekken en een oprijlaan die uitnodigde tot nieuwsgierigheid. Maar wat het echt spannend maakte, waren de geruchten die de ronde deden. Volgens sommigen was het huis eigendom van een gangster. En in de kelder, zo werd gefluisterd, lagen wapens verborgen. Dit mysterie kon ik onmogelijk laten liggen. Samen met een paar vrienden besloot ik op onderzoek uit te gaan. De villa binnensluipen Op een warme namiddag liepen we met kloppende harten richting de villa. Hoe dichter we kwamen, hoe stiller we werden. We keken voortdurend om ons heen, alsof iemand ons in de gaten hield. Het huis leek verlaten. De gordijnen waren gesloten, en nergens was een teken van leven te bespeuren. We slopen langs de muren, zoekend naar een manier om binnen te komen. De voordeur zat op slot, en ook de ramen aan de voorkant waren dicht. Maar aan de achterkant van het huis ontdekten we een kelderraam dat op een kier stond. Het was precies groot genoeg om doorheen te kruipen. Binnen in de kelder hing een vochtige geur, zoals die van een oude schuur na een regenbui. Het licht van onze zaklampen gleed langs stoffige planken, houten kisten en metalen rekken. Het was er stil, op het zachte geritsel van onze bewegingen na. Toen zag ik iets glinsteren in een open kast. Mijn adem stokte. De ontdekking In de kast lagen pistolen en revolvers, keurig gerangschikt, alsof ze op ons lagen te wachten. Voor even staarden we ademloos naar onze vondst. Dit was het bewijs dat de geruchten klopten. Onze fantasie sloeg op hol. Dit was een gangsterkelder. Hier werden misschien wel plannen gesmeed voor misdaden waarvan wij niets konden bevatten. We aarzelden geen moment. Met kloppende harten pakten we elk een revolver uit de kast. Het voelde zwaar en koud in mijn handen, alsof ik iets gevaarlijks en verboden vasthield. Onze angst maakte plaats voor trots. Dit was ons geheim, ons bewijs van moed. Met onze "buit" verlieten we de kelder dezelfde weg als we gekomen waren. We keken voortdurend om ons heen, bang dat iemand ons had gezien. Maar het huis bleef stil achter ons, alsof het onze aanwezigheid nooit had opgemerkt. De confrontatie thuis Thuis verstopte ik mijn revolver zorgvuldig in mijn kamer, tussen oude kleren in de kast. Ik dacht dat niemand er ooit achter zou komen. Maar mijn moeder was grondig tijdens het schoonmaken. De volgende ochtend kwam ze mijn kamer binnen met een vreemde uitdrukking op haar gezicht. Ze hield de revolver omhoog alsof ze niet wist wat ze in haar handen had. "Wat is dit?" vroeg ze scherp. Haar stem trilde, niet van boosheid, maar van angst. Ik stamelde een onsamenhangende uitleg, maar voor ik het goed en wel wist, was mijn vader erbij geroepen. Zijn gezicht betrok toen hij de revolver zag. Hij zei niets, maar zijn blik sprak boekdelen. "Stop dat ding in een tas," zei hij uiteindelijk streng. "We gaan naar de rijkswacht." Ik probeerde te protesteren, maar mijn vader was onverbiddelijk. Met de tas in mijn hand stapte ik in de auto. De rit naar Haacht duurde niet lang, maar het voelde als uren. Mijn vader zweeg, en ik wist dat hij ontzettend boos was. Bij de rijkswacht Bij het bureau aangekomen parkeerde mijn vader de auto. "Blijf in de auto," zei hij, alsof hij zich bedacht. Maar ik had inmiddels genoeg moed verzameld. Met de tas in mijn hand stapte ik uit en liep rechtstreeks naar binnen. De rijkswachter achter de balie keek me verrast aan. "Wat is er aan de hand, jongen?" vroeg hij. "Ik wil iets aangeven," zei ik, terwijl ik de tas op de balie zette. Mijn stem trilde, maar ik voelde een vreemde opluchting. De rijkswachter opende de tas en haalde de revolver eruit. Zijn gezicht veranderde nauwelijks, alsof hij dit soort dingen vaker zag. Hij keek op en wenkte mijn vader, die inmiddels aarzelend het bureau binnen was gekomen. Samen legden we ons verhaal uit. De rijkswachter luisterde aandachtig en stelde af en toe een korte vraag. Uiteindelijk keek hij me streng aan. "Dit is geen speelgoed," zei hij met een lage stem. "Wapens zijn gevaarlijk, ook als je denkt dat ze onschuldig zijn." Ik knikte beschaamd. De rijkswachter gaf me een officiële waarschuwing, maar liet ons verder gaan. Het verrassende einde Op weg naar huis zei mijn vader niets. Pas toen we bijna thuis waren, verbrak hij de stilte. "Gij zijt toch een onnozele," mompelde hij hoofdschuddend. "Waarom ging je naar binnen? Ik wilde je gewoon bang maken. Nu hebben we daar voor schut gestaan." Ik wist niet wat ik moest zeggen. Misschien had hij gelijk, maar ik voelde ook een zekere trots. Ik had verantwoordelijkheid genomen, hoe dom mijn actie ook was geweest. Enkele dagen later kwamen we erachter dat de villa helemaal niet van een gangster was. De eigenaren waren zeilers, en de "wapens" die we hadden gevonden, waren vuurpijlpistolen. Ze waren bedoeld om noodsignalen mee te geven op zee, niets meer. Mijn vrienden en ik konden er achteraf om lachen. Maar mijn vader herhaalde nog vaak: "Misschien leer je nu om je niet overal mee te bemoeien." Toch, zelfs nu, kijk ik met een glimlach terug op die middag. Het avontuur, de spanning, en het idee dat we een geheim hadden ontdekt—het waren momenten die ons maakten wie we waren. Jong en roekeloos, maar altijd op zoek naar het onbekende. 

Guy Van Damme
24 0

De Kleine Ontdekkingsreiziger van Stanleyville (waargebeurd)

Het avontuur dat ik me nog levendig herinner, gebeurde toen ik 4 of 5 jaar oud was. Het is de jaren vijftig, voor de 'dipenda' (de periode van politieke onrust en de strijd voor onafhankelijkheid die zou beginnen in de late jaren vijftig), en ik woon met mijn ouders en mijn zussen Ginette en Nicole in het verre Belgisch Congo, in een groot, charmant huis dat omringd is door een weelderige tuin vol exotische bloemen. Ons huis staat aan de rand van Stanleyville, de stad die nu Kisangani heet, diep in het hart van Congo. Hier, waar de drukte van markten en het geluid van Afrikaanse ritmes samenkomen met de rust van het omringende landschap, voelde het dagelijks leven als iets magisch. Als jonge jongen zag ik de wereld met een onbevangen blik en een nieuwsgierige geest. Nonkel Robert woonde vlak naast ons, samen met Tante Roza en mijn nichtjes May en Rita. Zijn huis was groot, net als het onze, en zijn tuin altijd keurig onderhouden, net als de man zelf. Nonkel Robert werkte voor de Belgische administratie in de stad en was een belangrijk figuur binnen de koloniale gemeenschap. Hij hield van een grap en had altijd een glimlach paraat, waardoor hij een warme aanwezigheid was in ons leven. Tante Roza was even zorgzaam als vrolijk, altijd druk in de weer voor haar gezin. Mijn nichtjes waren mijn speelkameraadjes, en samen brachten we uren door in de tuin, op ontdekkingstochten of bij onze eenvoudige spelletjes. Het was een hechte familie, en wij waren altijd samen. Het verhaal dat volgt gaat over een middag die begon als alle anderen, maar die veranderde in een avontuur dat niemand had verwacht. Het was een warme, zonovergoten middag. De lucht was gevuld met de geur van exotische bloemen – jasmijn, hibiscus en het frisse aroma van pas gemaaid gras. Ik reed rondjes op mijn driewieler over het zandpad dat naar de open poort leidde. Af en toe stopte ik om naar de kleurrijke vlinders te kijken of om naar mijn moeder te wuiven, die de was ophing in de tuin. Die middag voelde echter anders dan alle andere. Mijn ogen vielen op de open poort aan het einde van de oprit. Daarachter lag de grote weg, een stoffig zandpad dat de stad verbond met onze buitenwijk. Het trok aan me, als een uitnodiging naar het onbekende. Ik keek even naar huis. Mama was bezig in de tuin en had geen oog voor mij. Het leek het perfecte moment om op ontdekking te gaan. Vastbesloten trapte ik met mijn kleine voeten mijn driewieler de oprit af en het stoffige pad op. Het zand stoof op achter mijn banden terwijl ik langzaam vooruit ging, het avontuur tegemoet. De wereld om me heen voelde als een spannend toneel. Mannen op fietsen, beladen met marktwaren, passeerden me. Ze zwaaiden en riepen:"Mbote na yo!" Ik glimlachte breed en zwaaide terug. "Mbote, na te!" Het voelde alsof ik een echte ontdekkingsreiziger was in hun wereld. De vrouwen die ik zag droegen manden vol fruit of vlees op hun hoofden, alsof het niets woog. Hun kleren waren een explosie van kleuren, en hun vriendelijke glimlach gaf me het gevoel dat ik welkom was. De Afrikaanse dorpelingen, met hun donkere huid, keken vriendelijk op en glimlachten terug. Ik voelde me bijzonder – een kleine blanke jongen die met zijn driewieler door hun wereld reed. "Yango ezali malamu!" riep een vrouw.Ik zwaaide enthousiast terug. Het voelde alsof de wereld me toelachte. De mensen die ik tegenkwam, hadden altijd zulke vriendelijke ogen. Wanneer ze me zagen, glimlachten ze naar me en zeiden iets vrolijks, altijd blij om me te zien. Soms stopten ze even, en praatten ze met me, alsof we al vrienden waren. Het was alsof zij hun leven altijd met plezier leefden, alsof elke dag een feestje was. Soms hoorde ik ze zeggen: "Nzambe akeya", wat betekent ‘God is groot’. Het klonk zo mooi, net zoals de zon die warm op mijn gezicht schijnt. Ook al zag ik er anders uit dan zij, voelde ik me helemaal niet vreemd of alleen. Ik voelde me welkom, alsof ik gewoon deel uitmaakte van hun wereld. Langzaam veranderde de sfeer. De bomen aan weerszijden van de weg werden dichter, en het zand voelde zwaarder onder de wielen van mijn driewieler. De vertrouwde geuren van onze tuin maakten plaats voor de onbekende aroma’s van het bos. Mijn nieuwsgierigheid maakte langzaam plaats voor een lichte onrust. Waar was ik eigenlijk naartoe? Hoe ver was ik van huis? Het geluid van een naderende auto bracht me terug naar de werkelijkheid. Een zwarte sedan remde abrupt naast me. Het was Nonkel Robert, die vanuit de stad kwam. Zijn gezicht sprak boekdelen toen hij me zag, duidelijk geschrokken en bezorgd. "Wat doe jij hier, jonge man?" vroeg hij verbaasd, terwijl hij uit de auto stapte. Zijn blik gleed snel van mijn driewieler naar mijn rode gezicht."Ben jij helemaal alleen hierheen gekomen? Je bent al een heel eind van huis!" Ik voelde mijn wangen warm worden. "Ja," stamelde ik zachtjes. "Ik wilde gewoon... fietsen." Nonkel Robert knielde voor me neer en keek me met een mengeling van opluchting en bezorgdheid aan. "Je bent ver van huis, jongen. Weet je hoe gevaarlijk dit is? Wat als een auto je niet had gezien?" Ik haalde mijn schouders op, te jong om echt te begrijpen wat hij bedoelde. Maar zijn serieuze toon drong wel tot me door. "Kom," zei hij terwijl hij me optilde. "We gaan terug naar huis. Dit is geen plek voor kleine avonturiers zoals jij." Hij zette me in de auto en legde mijn driewieler achterin. De terugweg voelde anders. Ik keek uit het raam naar de bomen die we passeerden. Nonkel Robert probeerde de spanning te breken door grapjes te maken:"Ik denk dat jouw driewieler sneller is dan mijn auto! Misschien moet ik hem eens lenen." Ik glimlachte, opgelucht door zijn humor. Toen we eindelijk onze oprit opreden, zag ik mama in de tuin. Ze liet alles uit haar handen vallen en kwam ons tegemoet. "Wat is er gebeurd?" vroeg ze bezorgd. "Onze kleine avonturier hier vond het een goed idee om de wereld te gaan ontdekken," zei Nonkel Robert, met een knipoog naar mij. "Maar geen zorgen, ik heb hem veilig thuisgebracht." Mama knielde en nam me stevig in haar armen. "Jongen, doe dat nooit meer. Begrijp je wel hoe gevaarlijk dat is?" Ik knikte en voelde me klein, maar ook trots op mijn avontuur. Die middag leerde ik niet alleen over de wereld buiten onze poort, maar ook over de grenzen die me beschermden. En misschien, heel misschien, was dit pas het begin van mijn ontdekkingsreizen

Guy Van Damme
0 0

In het Donker: Hoe Angst de Stoerste Jongens Veranderde (waargebeurd)

In de jaren ’70, een tijd waarin jongeren in de regio Putte hun dagen vulden met het ronkende geluid van brommers en lange avonden in rokerige cafés, stond hen een avontuur te wachten dat hen uit hun vertrouwde wereld zou rukken. Het waren jongens van 18 en 19 jaar, leerlingen van de RMS Putte, stoer en onverschrokken. Ze waren gewend aan de vrijheid van de stad en het leven in de kroeg, maar van de natuur of kamperen hadden ze weinig kaas gegeten. Ik, een ervaren kampeerleider, besloot daar verandering in te brengen. Ik huurde een afgelegen weide aan de rand van een uitgestrekt bos in de Ardennen. Het plan was simpel: hen uit hun comfortzone halen, laten worstelen met tenten, kampvuren en eenvoudige maaltijden op een open vuur. Maar dat was niet alles. Ik wilde hen confronteren met iets groters – hun eigen angsten. Het hoogtepunt van het kamp zou een nachtspel zijn, een traditie die ik hen wilde laten beleven. Maar wat zij niet wisten, was dat dit nachtspel hen meer zou uitdagen dan ze ooit hadden durven dromen. De eerste dagen verliepen soepel. De jongens ploeterden met scheerlijnen, stookten rookwolken in plaats van vuur en maakten grapjes over mijn ‘oude’ technieken. Ondanks hun gestuntel genoten ze zichtbaar van de vrijheid van het kamp. Sommigen begonnen zelfs het koken onder de knie te krijgen en voelden zich trots toen ze een eetbare maaltijd wisten te bereiden. Toen de schemering op de derde avond inviel en de eerste sterren verschenen, stelde ik voor om een wandeling door het donkere bos te maken naar een nabijgelegen dorpscafé. "Een kans om het bos echt te ervaren," zei ik met een uitdagende ondertoon. De jongens lachten zelfverzekerd. Ze wisten zeker dat ze deze 'uitdaging' met gemak aankonden. Het bos leek in het begin bijna uitnodigend. De laatste restjes zonlicht priemden schuin door de bladeren, terwijl een zware geur van dennennaalden en vochtige aarde hen omsloot. De geluiden van het bos – een krakende tak, een ritselende struik – leken in eerste instantie slechts een achtergrondkoor. Maar net onder die serene oppervlakte lag een ongrijpbare spanning, alsof het woud hen argwanend observeerde. "Hé, dit is eigenlijk best te doen, zo in het donker," zei een van de jongens, terwijl hij zijn zaklamp speels tussen de bomen liet flitsen. Een ander grinnikte nerveus. "Als we hier verdwalen, wil ik geen horrorverhaal horen!" Na wat grappen en een paar drankjes in het café begon de terugtocht. Ze voelden zich gesterkt door hun stoere verhalen en het alcoholische drankje dat sommigen stiekem hadden geprobeerd. Maar hun zelfvertrouwen werd al snel op de proef gesteld. Toen we de rand van het bos bereikten, hield ik hen tegen. "Jongens, ik voel me niet zo lekker," zei ik, terwijl ik mijn hand tegen mijn hoofd hield. "Ik ga terug naar het kamp. Jullie vinden de weg wel, toch?" Ze knikten zelfverzekerd, niet wetend dat de veilige wandeling die ze verwachtten zou veranderen in een nacht vol angst. Wat ze niet wisten, was dat ik enkele vrienden had gevraagd zich diep in het bos te verschansen. Ze waren uitgerust met maskers, zaklampen en een plan dat hen zou confronteren met iets wat deze stoere jongens totaal niet gewend waren. De wandeling verliep in stilte, totdat plotseling een oorverdovende schreeuw de rust van het bos doorbrak. De jongens verstijfden. "Wat was dat?" fluisterde iemand, zijn stem trillend. Nog voordat iemand kon antwoorden, sprongen mijn vrienden uit de schaduwen. Hun stemmen bulderden door de bomen, dreigend en onverstaanbaar, alsof een groep vreemde, vijandige bosbewoners hen in de val had gelokt. "Wat... wat is dit?!" riep een van de jongens, zijn stem hoog van paniek. Zijn hart bonsde in zijn borst terwijl hij achteruit struikelde over een wortel, de zaklamp uit zijn hand glijdend. Hij durfde niet meer achterom te kijken, bang voor wat hij daar misschien zou zien. Anderen renden in paniek weg, struikelend over takken en struiken, terwijl de schreeuwen steeds dichterbij leken te komen. Sommigen probeerden elkaar moed in te praten, maar hun stemmen verrieden de pure angst die hen overmande. Een van de jongens, normaal de meest stoere van de groep, verstijfde volledig. "Wat willen jullie van ons?!" stamelde hij, terwijl hij met trillende handen een zaklamp omhoog hield alsof dat hem zou beschermen. De spanning was te snijden. Het leek alsof het bos zelf hen had opgeslokt en nu tegen hen samenspande. Het gegil, de duisternis en de mysterieuze bewegingen tussen de bomen dreven hen tot het uiterste. Na wat voor hen uren leek – maar in werkelijkheid misschien vijf minuten waren – bereikten de jongens uiteindelijk het kamp. Sommigen strompelden, anderen renden, hun adem zwaar en hun gezichten bleek van angst. Niemand sprak. De jongens, normaal trots op hun bravoure, keken elkaar met grote ogen aan. De stilte van het kamp voelde bijna surrealistisch na de chaos van het bos. Ik stond daar, alsof ik niets had gemerkt. "Wat is er gebeurd?" vroeg ik, mijn gezicht een masker van onschuld. De jongens hapten naar adem en begonnen over elkaar heen te praten, terwijl ze hun ervaringen vertelden. Het ene verhaal nog dramatischer dan het andere. "Ze kwamen uit het niets! We dachten dat ze ons zouden vermoorden!" Uiteindelijk leidde ik hen terug naar de plek van de ‘aanval’. Daar stonden mijn vrienden, nu zonder maskers, hun gezichten glunderend van plezier. "Het was een grap, jongens," zei ik, terwijl ik hen op hun schouders klopte. Een moment van stilte volgde, waarin de jongens van hen naar mij keken, hun emoties onduidelijk. Toen brak het. "Een grap?! Jullie zijn gek!" riep een van hen, zijn stem hoog van opluchting én woede. Maar nog voordat hij zijn zin had afgemaakt, begon een ander te lachen. Het was geen gewone lach, maar een opgeluchte, zenuwachtige lach die langzaam oversloeg op de rest. Binnen enkele seconden stonden ze daar allemaal te schateren, hun angst langzaam plaatsmakend voor humor. Die nacht zaten we rond het kampvuur. De jongens dronken warme chocolademelk, hun gezichten verlicht door de dansende vlammen. "Ik dacht echt dat ik eraan ging," bekende een van hen met een grijns. "Maar eerlijk? Dit vergeet ik nooit meer." "Dat was ook de bedoeling," zei ik, terwijl ik hen aankeek. "Dit was geen gemene grap, jongens. Het was een les. Soms moet je echt bang zijn om te leren wie je bent – en hoe sterk je eigenlijk bent." Er viel een korte stilte waarin iedereen naar de smeulende vlammen staarde. Toen verbrak een van hen de stilte. "Maar één ding," zei hij serieus, terwijl hij de anderen aankeek. "Dit blijft onder ons, oké? Niemand op school mag dit horen. Ze zouden ons uitlachen!" De anderen knikten heftig. "Ja, absoluut," zei een ander. "We hebben een reputatie hoog te houden. Niemand hoeft te weten dat we... nou ja, bijna in onze broek hebben gedaan." Hij lachte nerveus, en de rest viel hem bij. "Deal," zei ik, met een knipoog. "Dit blijft ons geheime avontuur." Toen de zon opkwam en de schaduwen van de bomen wegtrokken, waren ze veranderd – misschien nog steeds dezelfde jongens op hun brommers, maar met een nieuw, onverwoestbaar stukje zelfvertrouwen in hun rugzak. Hun imago van stoere jongens bleef intact, en het bos... het zou altijd een plek van onuitgesproken verhalen blijven.  

Guy Van Damme
23 0

Vrije Val Boven Newfoundland

Een rustige avond in Chicago De dag begon perfect, misschien té perfect. Chicago gaf ons een afscheid vol schoonheid, maar in de lucht boven Newfoundland zouden we de controle volledig kwijtraken. Onze onvergetelijke rondreis door Amerika zat erop, en we stonden op het punt om huiswaarts te keren. Chicago, de laatste halte van ons avontuur, had ons nog een paar heerlijke uren gegeven. We hadden door Millennium Park gewandeld, genoten van de indrukwekkende skyline en afgesloten met een dampend bord deep dish pizza in een knus restaurant. Terwijl de zon achter de hoge wolkenkrabbers verdween, voelden we ons voldaan. Het was een moment van pure tevredenheid, alsof alles precies klopte. René en Annie, onze trouwe reisgenoten, zaten ontspannen naast ons op een bankje aan de rivier.“Wat een afsluiting,” zei René terwijl hij zijn arm om Annie sloeg.Vera glimlachte en leunde tegen mijn schouder. “Hier kunnen we nog lang op teren,” zei ze zacht. En dat was ook zo. Onze reis had ons langs de overweldigende natuur van Yellowstone, de bruisende energie van Las Vegas en de adembenemende stilte van de Grand Canyon geleid. Elk moment had zijn eigen hoogtepunten, maar Chicago voelde als de perfecte afsluiter. Een vleugje weemoed Bij het instappen in het vliegtuig voelde ik een lichte weemoed. Het was moeilijk om afscheid te nemen van de avonturen van de afgelopen weken. Maar het vooruitzicht van thuiskomen gaf ook rust. Vera pakte mijn hand, alsof ze mijn gedachten kon lezen. “Het was geweldig, maar thuis wacht ook iets moois,” zei ze bemoedigend.We zaten in een vliegtuig dat ons via Londen Heathrow naar Brussel zou brengen. Die tussenstop leek aanvankelijk een hinderlijke onderbreking, maar zou uiteindelijk onverwachte verlichting brengen tijdens een vlucht die ons letterlijk door elkaar zou schudden. De eerste uren De eerste uren van de vlucht verliepen kalm. Het vliegtuig gleed soepel door de donkere lucht. Door de kleine raampjes was er niets te zien, behalve eindeloze duisternis, af en toe onderbroken door een flikkerende ster. Het had iets magisch, alsof we in een tijdloze ruimte zweefden.Tijdens het diner – standaard vliegtuigeten, maar acceptabel – bespraken we onze reiservaringen. René haalde herinneringen op aan onze tocht door Death Valley, terwijl Annie haar mooiste moment bij de Grand Canyon deelde. Vera luisterde glimlachend en leunde achterover. Haar ogen sloten zich half, en ik vermoedde dat ze al wegdroomde.Toch voelde ik een lichte spanning. Misschien kwam het door de verhalen over turbulentie boven Newfoundland, waar koude poollucht en warme oceaanstromingen elkaar raken. Of misschien was het gewoon mijn onrustige geest. Dit was een routinevlucht, wat kon er misgaan? De eerste schok Het begon met een harde dreun. Mijn ogen schoten open en mijn lichaam verstijfde. Het voelde alsof het vliegtuig ergens tegenaan botste. Even was er stilte, terwijl iedereen probeerde te begrijpen wat er net gebeurde. Voor ik die gedachte kon afmaken, zakte het toestel plotseling tientallen meters omlaag. Mijn maag draaide om. De gordel kneep zich hard tegen mijn borst.Een golf van paniek ging door de cabine. Bestek, kopjes en losse spullen schoten door de lucht. Een stewardess, die net door het gangpad liep, greep zich wanhopig vast aan een stoel. De stilte werd doorbroken door geschreeuw, en ik hoorde Annie trillend vragen: “Wat gebeurt er?” Haar grote ogen stonden vol angst. René probeerde haar te kalmeren, al verried zijn gezicht dezelfde emoties.Mijn hand vond die van Vera, en ze kneep er stevig in. “Het komt goed,” zei ik met trillende stem, terwijl ik wanhopig naar een teken van controle zocht. Chaos in de cabine De turbulentie werd heviger. Het vliegtuig leek heen en weer geslingerd te worden als een veertje in een storm. Dienbladen zweefden door de cabine. Een fles water ketste tegen een stoel, en een man die zijn gordel niet had vastgemaakt, werd tegen de bagagebakken geslingerd. Hij kreunde van de pijn terwijl een vrouw naast hem huilend haar hoofd tussen haar handen verborg.De verlichting begon te flikkeren, en het leek alsof we in een rampenfilm waren beland. Ik hoorde iemand bidden, een ander mompelde wanhopige woorden: “Dit kan niet gebeuren.” Mijn eigen gedachten waren niet minder verontrustend. Wat als de piloten de controle kwijt zijn? Voor mijn ogen flitsten doemscenario’s voorbij: vleugels die afbreken, een crash in het ijskoude water, een strijd om te overleven in de Atlantische Oceaan. Ik voelde me volledig machteloos, overgeleverd aan een kracht die ik niet kon begrijpen. De vrije val En toen gebeurde het. Het vliegtuig leek daadwerkelijk in een vrije val te zitten. Alles en iedereen in de cabine zweefde. Koffers, eten, zelfs mensen zweefden kortstondig in de lucht, volledig uit balans. Mijn maag draaide om, en de druk op mijn borst maakte het nog moeilijker om adem te halen.Naast me fluisterde Vera met een gebroken stem: “Guy, dit is het einde.” Haar ogen vulden zich met tranen, maar in haar blik lag ook een vreemde kalmte, alsof ze de situatie al had geaccepteerd. Die woorden sneden door mijn ziel. Ik wilde haar geruststellen, haar zeggen dat alles goed zou komen, maar mijn eigen angst smoorde elk woord. Flarden van mijn leven flitsten voor mijn ogen voorbij: mijn jeugd, onze trouwdag, momenten met Olivier, onze zoon. Een koude rilling trok door me heen. Is dit hoe het eindigt? Een onzichtbare hand En dan, uit het niets, stabiliseerde het vliegtuig. Het voelde alsof een onzichtbare hand ons had vastgepakt en terug in balans had gebracht. De duiken en schokken stopten. De cabine vulde zich met een zucht van opluchting. Sommigen barstten in tranen uit, anderen omhelsden elkaar. Ik hoorde een kind zachtjes zeggen: “Papa, is het voorbij?” terwijl een vader zijn hoofd knikte en hem stevig vasthield.De stem van de piloot klonk door de intercom. “Onze excuses voor de turbulentie. We hebben de situatie onder controle. Blijf alstublieft met uw gordels vastzitten totdat we veilig zijn.” Zijn woorden waren bedoeld om gerust te stellen, maar de spanning in zijn stem was onmiskenbaar. Het gaf weinig vertrouwen, maar op dat moment was het genoeg dat we niet meer vielen. De opluchting in Londen Toen we eindelijk Heathrow bereikten, voelde het alsof we een tweede kans op leven hadden gekregen. De zachte landing werd begroet met spontaan applaus. Vera pakte mijn hand stevig vast en keek me aan. Haar gezicht toonde een mengeling van vermoeidheid en opluchting.De luchthaven was een vreemd contrast. Het leven ging er gewoon door. Mensen liepen gehaast met koffers, kinderen lachten, en een medewerker van een koffiebar bood gratis samples aan. Het voelde bijna surrealistisch om weer op de grond te staan na wat we hadden meegemaakt.René keek om zich heen en brak de stilte. “Ik weet niet of ik straks weer in een vliegtuig stap,” zei hij met een gespannen glimlach. Annie knikte instemmend. “Misschien blijven we gewoon hier,” antwoordde ze. Het klonk als een grap, maar niemand lachte. De laatste etappe De vlucht van Londen naar Brussel was kort, maar elke luchtzak voelde als een waarschuwing. We hielden elkaars handen vast alsof dat ons beschermde tegen wat er zou kunnen gebeuren. De spanning was bijna tastbaar. Het enige geluid was het zachte gezoem van de motoren.Toen we eindelijk landden op Zaventem, klonk er opnieuw applaus. Dit keer ingetogen, bijna aarzelend, alsof niemand wist hoe ze moesten reageren. René gaf me een klap op mijn schouder. “Dit vergeet ik nooit meer,” zei hij met een zwakke glimlach. Ik knikte. Het zou ons allemaal nog lang bijblijven. De nasleep Sinds die vlucht kan ik geen turbulentie meer ervaren zonder terug te denken aan dat moment boven Newfoundland. Het gevoel van machteloosheid, die allesoverheersende angst, blijft in mijn achterhoofd hangen. Maar angst heeft me nooit tegengehouden. Reizen is wie ik ben, het zit in mijn bloed. De wereld wacht, en ondanks de risico’s blijf ik vliegen. Want elk avontuur, elke herinnering die we maken, maakt het waard om soms met onrustige luchten te leven. Met Vera aan mijn zijde blijf ik doorgaan.  

Guy Van Damme
46 1

driedaagse clownerie

Driedaagse “clownerie en bezinning” in Nijmegen in Concordium 28 tot 30 december   Wat heb ik genoten van de bezielende coaching van Tom en Els tijdens deze bijzondere workshop "clownerie en bezinning". Spelenderwijs maakten we een balans op van het afgelopen jaar en blikten we vooruit op 2018. Gedragen door warme clowns lieten we los wat we achter wilden laten en gingen we het nieuwe jaar in met nieuwe dromen. Ik heb mijn impressies in de onderstaande tekst neergeschreven. Deze datum was al maanden “geblokkeerd” in mijn agenda. Ik had erg uitgekeken naar deze workshop met Tom Kurstjens en Els Janssens. De artistieke en didactische kwaliteiten van Ton zijn mij al bekend van vorige workshops, van Els heb ik alleen nog maar superlatieven in de positieve zin gehoord…Het lijkt me een zinvolle en waardig afscheid van 2017 en een prima start voor 2018! De lat ligt dus hoog… Ook de setting is me niet vreemd. Het doet me een beetje denken aan de sfeer en mentaliteit van de monitriceweekends, Jeugd Rode Kruis vakanties enz. Ter voorbereiding van dit weekend moeten we teksten zoeken die ons op één of andere manier intrigeren. Ik vind inspiratie in mijn boek over boeddhistische parabels. De verhalen sluiten perfect aan bij de thema’s van het weekend: loslaten, in het hier en nu leven, accepteren enz. Tijdens de rit zie ik reclameborden passeren over keuzestress, voor mij een vies en “typisch” woord van de tijdgeest waarin we leven én waar ik in deze eindejaar periode wil van wegvluchten. Bij aankomst word ik hartelijk ontvangen door Ton en de medecursisten. Ton heeft ook enkele fans van Duitsland overtuigd. Door zijn professionele ervaring in Duitsland is Ton zijn Duits behoorlijk maar toch verstoort dit een beetje de dynamiek. De deelnemers zijn geen luidruchtige, breedsprakerige Hollanders maar spontane mensen met een open geest. We starten de eerste sessie met de klassieke kennismakingsspelen en opwarmingsoefeningen. We maken onze spieren los; in clownstermen spreekt men van “uit het hoofd treden “en meer contact maken met je lichaam en jezelf. Ik weet het voor buitenstaanders klinkt dit heel “zweverig” en “hippieachtig”. De meeste hebben al wat clownservaring, de basistechnieken van clownerie (incasseren, accepteren, enz.) worden opgefrist. Alhoewel ik geen fan ben van vegetarische maaltijden geniet ik ten volle van de plaatselijke keuken. Dit vind ik toch veel appetijtelijker dan de maaltijden die ik in sommige “biologische” gastenverblijven heb geconsumeerd. Na die feestdagen kan een beetje soberheid geen kwaad! Wanneer Ton de verschillende slaapruimtes, heb ik weinig hoop op een goede nachtrust. Het is ijzig koud en er is geen sanitair op de kamer. Ik installeer me uiteindelijk in de “terraskamer ”bij Marijke, een heel expressieve, flamboyante dame die me nog vaak op de lachspieren zal werken.  Ik geniet van de avondsessie. Ton en Els hebben de cursusruimte omgetoverd tot een grote slaapkamer met matrassen, kussens en knuffels. Iedereen draagt zijn teksten voor en Ton zoekt er een passend liedje bij. Mijn favoriete gedicht “Anders” van Hans Andreus heeft ook bij een medecursist indruk gemaakt. Ton selecteert een paar muzikale pareltjes zoals “houden van” van Hans Jeckers (bij ons niet bekend, onterecht!) Het eerste ontbijt gaat er ook vlot in. De ovenverse gebakjes en croissants geven ons de nodige energie om er weer tegen aan te gaan. De ochtendsessie wijden we aan meditatie. Voor mij zijn die yogahoudingen niet evident en voelen zelfs pijnlijk aan. Gelukkig wordt het afgewisseld met zalige massages en relaxatieoefeningen. Heel symbolisch en al “dansend” nemen we afscheid van 2017 en maken we de overgang naar 2018. Tijdens de lunch gaat het bij momenten er filosofisch aan toe met bekende uitspraken van beroemde denkers. De quote van Kierkegaard, “een leven moet voorwaarts geleefd worden, maar kan alleen achterwaarts begrepen worden”, is populair en zéér toepasselijk in deze context!  Ik heb nood aan een frisse neus en een zoete cola, ik mis deze smaak in het vegetarische aanbod. Ik ga naar een gezellige eetgelegenheid waar mensen met een verstandelijke beperking mij supervriendelijk te woord staan. In Nederland is dit al jaren ingeburgerd, in België ontstaan heel voorzichtig de eerste initiatieven. In de namiddag werken we vooral rond improvisatie, dit is meer mijn ding dan de yogaoefeningen. Met de blind date amuseren we ons kostelijk en ook de oefening met de verwarde clown werkt bij velen op de lachspieren. Ik vind dit zalig om te doen én te zien. Ik herken bij enkele deelnemers typische “beginnersfouten”, waar Ton me bij vorige workshops op attent heeft gemaakt. Toen ik dit vertelde aan Els, zag ze dat ik hier mij er veel minder aan “bezondigde”. Ton heeft me blijkbaar toch veel bijgebracht.  Voor de avondsessie trekken we naar buiten en doen we een extra (thermisch) laagje aan. Els staat ons op te wachten bij het kampvuur en we installeren ons in een kring… Bij het kampvuur gooien we alle ballast symbolisch in de vuurkorf. We genieten van Marijke haar heldere stem tegen de achtergrond van een idyllische sterrenhemel en de eerste vuurwerkknallen. Ook ton zingt enkele liederen, heel het ritueel heeft voor mij iets “magisch” Ton nodigt ons uit op de receptie; de muziek van de seventies roept voor veel mensen herinneringen op.  Ton demonstreert één van zijn goocheltrucjes uit zijn programma van zijn straattheater. Els en Ton maken nog wat mondelinge reclame voor hun workshops in 2018. Vooral de workshop in Drenthe spreekt me aan; het zal moeilijk kiezen worden uit het uitgebreide aanbod!  De laatste dag starten we met uitbundige felicitaties voor de jarigen. In Nederland feliciteert men ook de partner van de jarige, voor de “gereserveerde” Vlamingen komt dit toch over als een plaatselijke gewoonte. Tijdens het ontbijt halen de Duitse deelnemers hun beste stem én hun ukelele naar boven. Ieder land heeft toch haar eigen typische verjaardagsliedje; de Hollanders hebben hun eigen versie van “Lang zal ze leven”. Vooral de hype kinetische Paul kan zijn waardering en zijn enthousiasme nauwelijks onderdrukken, zo’n ontbijt maak je niet alle dagen mee... Ook de kokkin wordt uitdrukkelijk bedankt voor haar hard labeur en haar culinaire prestaties.  Tijdens de eerste sessie van de dag ventileren we onze indrukken en onze gemoedstoestand. We drukken onze dankbaarheid uit voor grote en kleine dingen des levens. In de laatste sessie werken we rond focus, aandacht richten en tempo. Deze oefeningen zijn ook komisch om te observeren maar ook zoals alle oefeningen aartsmoeilijk om ze “geloofwaardig” te doen. Het wordt ons duidelijk dat clownerie geen gemakkelijke discipline is die toch heel wat vaardigheden vereist.  We stellen vast dat we in clownerie veel maatschappelijke codes en evidenties moeten opzijschuiven om terug te gaan naar ons “kinderlijke” ik. Zo kunnen we onze verwondering en naïviteit terug naar boven laten komen. Tijdens het opruimen van de kamer geniet ik samen met Marijke van de prachtige muziek uit de film “Schilders list”. De weemoedige, melancholische toon past uitstekend bij de situatie. Dit soort workshops blijkt vooral fijngevoelige, optimistische mensen aan te trekken die nieuwsgierig zijn naar andere ervaringen en even willen ontsnappen aan de dagdagelijks ratrace. We schrijven onze wensen neer op een kaartje dat we volgend jaar zullen ontvangen. Ik wens mezelf o.a. letterlijk maar vooral figuurlijk een “zachte” landing toe! Iedereen blikt moe maar voldaan terug op de afgelopen dagen en verlangt ook weer naar zijn eigen nest. Bij het afscheid met Els kreeg ik nog een deugddoend complimentje. Zij omschreef het figuurlijk in de trant van “je bent uit de juiste klei geboetseerd als clown, alleen moet er nog wat structuur uit komen”. Met deze woorden kan ik met een opgeheven hoofd naar huis.  

tleen
13 1

Het Mosselboot-avontuur

Het was een zomerdag in Willebroek, ergens in de jaren ’60, toen ik nog in de Kloosterstraat 62 woonde. Het was een straat zoals je die nu bijna niet meer ziet, waar buurtkinderen samen op straat speelden en de wereld onze speeltuin was. Naast ons woonde de familie Farazijn. Jos Farazijn, de zoon des huizes, was een jongen met een onuitputtelijke fantasie. Hij had het talent om zijn verhalen zo overtuigend te vertellen dat wij er allemaal in meegingen, hoe ongeloofwaardig ze ook waren. Op een dag kwam Jos met een nieuwe onthulling: zijn familie had een mosselboot in Klein Willebroek. “Ze varen op het kanaal van Willebroek om mosselen en paling te verkopen,” zei hij met zijn gebruikelijke overtuiging. Het idee prikkelde onze nieuwsgierigheid. Klein Willebroek was toen nog een plek waar schepen aanlegden, niet de chique jachthaven die het nu is. Dat moesten we onderzoeken! Op naar Klein Willebroek Met een groepje buurtkinderen, Jos voorop, trokken we richting Klein Willebroek. Het voelde als een echte expeditie, alsof we een verborgen schat gingen ontdekken. Onderweg discussieerden we enthousiast. “Zou je daar ook krabben kunnen vinden?” vroeg iemand. “Krabben? Wie wil er nu krabben? Mosselen en paling, dat is waar we voor gaan!” zei Jos met een toon alsof hij al kapitein van de boot was. Toen we dichterbij kwamen, zagen we de contouren van de haven. Het was een plek die ons onmiddellijk in de ban hield. Geen glimmende boten of nette steigers: Klein Willebroek in de jaren ’60 was een ruige wereld. Houten aanlegsteigers hingen vol met mos en zeewier, terwijl kleine, roestige schuiten zacht tegen elkaar klotsten op het troebele water. De geur was onmiskenbaar: een zware mix van olie, vis en nat hout. Langs de kade lagen stapels touwen en verweerde tonnen, sommige met regenwater gevuld, andere omringd door krijsende meeuwen. “Daar is het!” fluisterde Jos en wees naar een lage schuit die stil aan de kade lag. De boot leek al jaren het kanaal te trotseren, met verweerde planken en een vrachtruim dat om ontdekking schreeuwde. “Dat is toch wel een oude boot, zeg,” zei iemand twijfelend. “Dat is gewoon karakter!” zei Jos vastbesloten. Het donkere vrachtruim Zonder aarzelen klauterden we aan boord. Het dek kraakte bij elke stap terwijl we nieuwsgierig rondkeken. Jos, altijd de leider, bracht ons naar een luik. “Hier beneden liggen de mosselen en paling,” zei hij fluisterend, zijn stem trillerig van opwinding. We kropen naar beneden, de duisternis in. De geur van zout en hout was overweldigend, en het schemerlicht liet onze verbeelding de vrije loop. Wat als we hier iets onverwachts tegenkwamen? Wat als we een schat zouden vinden? Het leek alsof de schaduwen in het ruim bewogen, alsof we niet alleen waren. Mijn hart klopte in mijn keel, maar tegelijk wilde ik blijven zoeken. “Daar! Ik zie een kist,” fluisterde een van de jongens. “Misschien zitten er paling in, of… goud!” voegde een ander opgewonden toe. We kropen dichterbij toen het gebeurde. Een stem uit de diepte “Wat doen jullie hier?!” De stem was diep, ruw en boos, alsof hij rechtstreeks uit de buik van de boot kwam. Geschrokken verstijfden we. Vanuit de duisternis verscheen de schipper: een man met een verweerd gezicht, een lange, onverzorgde witte baard en een schipperspet. Zijn ogen fonkelden boos onder de rand van de pet, en zijn stem leek de boot te laten trillen. “Wat moet dat hier?!” brulde hij opnieuw, terwijl hij dichterbij kwam. Zijn greep om een dikke touwlus in zijn hand maakte het alleen maar angstaanjagender. “W-wij… We dachten…” begon Jos, maar zijn stem sloeg over. Met lood in onze schoenen klommen we naar boven. Daar stonden we, een groep bange tieners tegenover een man die eruitzag alsof hij de zee zelf had getemd. Jos, altijd de durfal, haalde diep adem en nam het woord. “Dit is de boot van mijn familie,” zei hij. De schipper snoof luid. “Farazijn? Ik ken helemaal geen Farazijn,” gromde hij. Zijn blik gleed streng over ons heen, en het voelde alsof hij zo door ons heen kon kijken. De afloop Daar stonden we dan, met een rood hoofd en een klein hartje, gevangen in Jos zijn fantasie. Gelukkig bleek de schipper uiteindelijk niet zo kwaadaardig als hij eruitzag. Na een strenge vermaning – “En nu maken jullie dat je wegkomt!” – lieten we de boot achter ons en renden we terug naar de veilige straten van Willebroek. Onderweg probeerden we onze angst te verhullen met flauwe grapjes. “Jos, volgende keer zeg je dat je familie een ruimteschip heeft, dan kunnen we echt de lucht in!” riep iemand spottend. Jos lachte schaapachtig. “Oké, oké, misschien iets minder fantasie volgende keer,” zei hij, al was de pret alweer van zijn gezicht af te lezen. En zo werd een gewone zomerdag in Willebroek een herinnering om nooit te vergeten. Het avontuur bleef ons nog lang achtervolgen – niet uit angst, maar als een verhaal dat we telkens opnieuw met een lach konden vertellen, alsof de geur van olie, vis en avontuur er altijd bij hoorde.

Guy Van Damme
32 1