Zoeken

Kampvuur in september

De zomer lag op sterven. Niet dramatisch. Geen laatste woorden, geen familie rond het bed. Gewoon nog één keer alles geven. Septemberwarmte. Rijp en zacht. Zo’n avond waarop ge zonder jas buiten kunt zitten, maar hem toch meeneemt omdat ge ondertussen oud genoeg zijt om uw eigen moeder te zijn. Er was wind. En ergens stond de herfst al achter het hoekje met haar sjaal te zwaaien. Kom af. Ik zal buiten een vuurtje stoken. Meer moet ge soms niet zeggen. Dus daar zaten we. Bij een vuur. Met wijn en appelsap. We hadden de draad ergens in februari laten liggen. Denk ik. Toen was er ook vuur, maar binnen. Een haard. Cake. Koffie. Winter. Blijkbaar hadden we toen niet alles gezegd. Gelukkig maar. Ik hou van mensen bij wie ge na een half jaar niet opnieuw moet beginnen. Geen samenvatting van de vorige afleveringen. Geen hoe is het nog met uw werk en de kinderen? Ge gaat zitten, kijkt naar het vuur en vijf minuten later zijt ge alweer vertrokken. Zijn hoofd zat vol. Echt vol. Vol dromen, idealisme, plannen en verhalen waarvan ik soms niet wist of ze al bestonden of nog moesten worden uitgevonden. Neem nu die sauna in Zweden. Ge kunt daar blijkbaar een sauna boeken zonder dat iemand u vertelt waar die precies staat. Ge krijgt coördinaten. Een wandelpad van bijna twee uur. Een kruiwagen met hout die ge zelf tot aan de sauna moet zien te krijgen. En aan het einde van dat pad wacht een desolate sauna aan een meer. Helemaal voor u alleen. Geen receptie. Geen badjassen met een geborduurd logo. Geen mevrouw die om het kwartier komt vragen of alles naar wens is. Alleen gij, dat meer, die sauna en de Zweedse wildernis. Ik zag het helemaal voor mij. De stilte. De damp boven het water. Een mens die daar na twee uur stappen zijn hout opstookt en vervolgens tot inzichten komt waar de gemiddelde psycholoog drie jaar voor nodig heeft. Dit moest wel de meest spraakmakende gebeurtenis van de reis worden. Maar het leven had andere plannen met hem. Een klapband. En voor ge het weet, staat ge ergens in Zweden langs de kant van de weg te wachten op een takeldienst die van zeventig kilometer verder moet komen. Daar staat ge dan. Met uw coördinaten. Uw innerlijke rust. Uw verlangen naar eenzaamheid en een kruiwagen hout die ge wellicht nooit zult ontmoeten. En toen kwam er een bandencentrale. En Cola Zero. En een man met wie het blijkbaar zo goed klikte dat er een nieuwe vriendschap uit ontstond. Iemand die niet alleen een lekke band ziet, maar ook de mens die hem gaat vervangen. En die daar vervolgens een verhaal van maakt. Ik vond dat schoon. Ge vertrekt naar Zweden om alleen te zijn aan een meer en ge komt thuis met een verhaal uit een bandencentrale. Probeer dat maar eens te boeken. En zo ging het verder die avond. Over het uitzicht vanop de drieëntwintigste verdieping. Over Pommeline. Over duurzaamheid en of dat allemaal wel zo duurzaam was. Over dingen die nog moesten gebeuren en dingen die misschien nooit zouden gebeuren, maar waar ge toch al eens over kon nadenken. Ik heb niet alles begrepen. Dat hoeft ook niet. Voor ge het weet, zit ge bij een vuur na te denken over Zweden, duurzaamheid, woorden, wat ge wilt betekenen en wat er nog allemaal moet gebeuren na 56. Er zijn slechtere manieren om een avond door te brengen. We spraken over taal. Over de juiste woorden zoeken voor wat ge doet. Voor wat ge wilt doen. Voor dingen die nog niet bestaan maar in uw hoofd al wel. Ik vind dat schoon. Die goesting. Om iets te maken. Iets te bedenken. Iets in beweging te zetten. En ook om soms de regie uit handen te geven en de dingen te laten gebeuren. Want ge kunt nog zo goed weten waar ge naartoe wilt, het leven heeft soms een ander idee. Ge boekt een sauna en ge krijgt een bandencentrale. Ge plant een avondje bij het vuur en voor ge het weet zit ge uren later nog altijd te luisteren. Net zoals water, zoeken verhalen altijd een weg. Misschien geldt dat ook voor ideeën. Voor mensen. Ge kunt een draad in februari laten liggen en hem in september gewoon weer oprapen. Ge kunt maanden niets zeggen en toch niet opnieuw moeten beginnen. Ge kunt denken dat iets nergens naartoe gaat en plots zit ge daar. Bij een vuur. De zomer in haar laatste stuiptrekkingen. De herfst achter het hoekje. Iemand tegenover u met een hoofd vol verhalen. Soms heeft een avond echt niet meer nodig. Een vuurtje. Een glimlach. Iemand die blijft vertellen. En ik die nog niet naar huis wil.

Katrien Daniels
52 2

Zeevlam

De mist hing zo dicht boven het strand dat haar wereld zich beperkte tot enkele passen. Ze strekte haar armen uit en zag hoe de zachte witte muur haar vingers verzwolg. Alles rondom haar was verdwenen: de duinen, de einder, de hemel. Het natte zand trok zachtjes aan haar voeten, de koude beet zich dieper vast. Ze wist niet of hij haar daar verwachtte. Ze draalde, zette een stap achteruit, klaar om rechtsomkeer te maken. Op dat moment herkende ze het zachte, donkere geluid: zijn voetstappen in het vochtige zand. ‘Ben jij het?’, vroeg ze. Haar woorden zweefden de witte mist tegemoet. ‘Ja.’Zijn contouren tekenden zich af in de nevel. Ze hoorde zijn ademhaling, rustig en beheerst. ‘Kom’, zei ze kort. Hij volgde. De mist tussen hen begon zich langzaam te vullen met hun onuitgesproken woorden. Soms verdwenen zijn voetstappen in het geruis van de golven, om dan weer terug te komen, dichterbij dan daarvoor. Maar hoe dicht hij ook kwam, hij bleef een schets, een vluchtige figuur die ze al duizenden malen had uitgelijnd in haar gedachten. De stilte naderde haar breekpunt. ‘Ik zou graag één nacht met je willen’, zei ze zonder aarzelen.Zijn tred vertraagde.‘Een nacht?’, in zijn stem klonk een warm vibrato. Ze had een snaar geraakt. ‘Ja.’ Ze slikte. ‘Een nacht. Zonder klok, zonder deur die op een bepaald moment dicht moet.’ Het werd stil. De golven sloegen harder in op het zand. Ze bleven staan.‘Waarom?’, vroeg hij uiteindelijk. Alles kraakte onder hun zinderende gedachten. Een golf gleed naar hun voeten. ‘Ik wil je kennen’, zei ze zacht. Hij bewoog zich dichter naar haar, net niet dicht genoeg om haar aan te raken, maar net dicht genoeg om haar hele lichaam ervan bewust te maken dat hij er was. ‘Hoe dan?’, fluisterde hij. ‘Ik wil je kennen in de uren waarin de wereld je niet nodig heeft. In de uren die liggen tussen de werkelijkheid en het verlangen. De uren waarin de nacht ons haar zwarte inkt uitleent, waarmee we onze vehalen kunnen schrijven die we anders nooit prijs geven’, antwoordde ze met zachte stem. Ze voelde hoe haar haren nat werden door de duizenden fijne mistdruppels. Een verborgen traan liep langs haar hals. ‘Een zomernacht of een winternacht?’, vroeg hij zacht. Ze strekte haar arm uit en hij stapte dichter. Haar vingertoppen raakten zijn jas aan en hielden halt bij de plek waar zijn hart hoorde te zitten. Misschien kon ze de zee ook daar ontdekken mocht ze haar oor tegen zijn borst leggen. Ze deed het niet. Ze speelde met de waterdruppels op zijn mantel. Ze tekende cirkels, schreef langzaam haar hunkering op hem neer. ‘Een laatste winternacht, in de weken voor de lente zich aankondigt. Een nacht vol bittere koude, waarin de sterren ons herinneren aan de traagheid van de tijd. Ik zou met je willen kijken naar het breekpunt van nacht en dag, het moment waarop de eerste schemering zich aankondigt. Het moment waarop de tijd ons aanmaant om opnieuw onze rol op te nemen waarvoor we in dit ondermaanse bestemd zijn’, zei ze terwijl ze verder bleef schrijven met de kleine mistdruppels die zich aandienden. ‘Een nacht is een klein verzoek in de tijd die ons gegeven is, er is niemand die weet hoeveel van die tijd er ons rest. Het is een kwalijke gewoonte om te denken dat de dag ons genadig is.’Zijn borst bleef in hetzelfde ritme op en neer gaan terwijl ze met haar vingertoppen bleef verder praten. Ze voelde hoe zijn antwoord zich vormde. Uit zijn longen begonnen woorden hun weg af te leggen. Nog voor ze over zijn lippen stroomden, legde zij er een vinger op. ‘Ik weet wat je zal zeggen. Het is onmogelijk.’ Haar woorden dreven als kleine wolken de mist in. Haar hand maakte zich los, daarna haar lichaam. In de compacte stilte die volgde, bleef het volkomen onduidelijk of hij daar daadwerkelijk bij haar had gestaan. Misschien had ze hem opgeroepen uit de diepste, meest eenzame holtes van haar eigen verlangen. Ze jaagde haar laatste restje warmte naar haar voeten en maakte zich los uit de verweekte tijd die haar probeerde te verzwelgen. Doorheen het hermetisch wit klonken zijn voetstappen, ver weg. Ze draaide zich om en liep zonder nadenken de melkwitte oceaan in, op zoek naar de plek waar het daglicht opnieuw geboren werd uit de onderstroom van haar rusteloze verlangen.  Geïnspireerd op ‘On the nature of daylight (Entropy)’ door Max Richter. 

Jolien Van de Velde
288 0

Stille namen op je lippen

Als het de laatste keer was,  oma. Als het de laatste streel was,als een zonnebloem hebben we de levensboom in je kamer dan gedraaid naar het lichtdat de laatste jaren door je raam traag en stil  binnen scheen hand in hand hebben we een lied geluisterdje herkende het, zei jeeen twist aan je kamerinrichting gegevenopa een nieuwe plekzijn doodsprent in de plant gezet je herkende hem, zei jeorganisch geherorganiseerd, vanuit je zetel georchestreerdeen praline in je mondde plant en de hond,water.Een orakelkaart die jou vond integratie laterdan scheen het licht stilin een volle leegtetraag binnen zoals de laatste jaren, zoals het ereen laatste keer was. “Sterven is moeilijk”,zei je de volgende keeren dat je dat nooit gedacht had.Dat je het nu wel zeker weet. “Is je mama daar?”Ja. “Geloof je dat echt?”Ja. Oma, dat geloof ik echtterwijl ik je smalle handen inoliede,een bloemenessentie in je waterglas zacht bewoog,mijn golden retriever aan je voeten neerlag.“Dan is het goedals ze is, daar waar ik naartoe gaals ze daar op me wachtenen opa daar ook isdan is het goeden  wat is water lekker.Ik wist niet dat water zo lekker kon zijn…” De keer daarna, maakten we een brug over je heen met onze armenhand in hand handen in handen en tranen in elkaars weerspiegelinglangs weerszijden van je bedlinks je oudste kleindochter, rechts iknamen we afscheiden gaven we afscheid aan je. Tot weerziens, oma.Tot ondertussen de anjers op de tafel naast je bedeen ondeugend gniffelend boeket genoffelsmet hoeveel waren ze? Tien,toch elfde mensen die je aanwezig voelde in je kamereen bos bloemen alleszinds envava die zei dat het wel was geweestde naam van je moederdat we best samen zouden blijven en voorzichtig zijn.Dat zouden we doen. De keer daarna wilde je rusten, gerust gelatennaar huis gaan. De keer daarna, golven die Chispa’s gouden staart je kamer in waaide,maakten je wakkerzag je ons, ademde zo diep inmet een schep lucht die alle komende ademhalingen kon bevattenkon je nog zien en zeggen dat je de rok van mijn vriendin erg mooi vonden durfde je me vragen ‘hou me vast. het gaat gebeuren’. Enkele uren gebeurden tussen ons ik hield je vast wilde jou niet lossenik niet als eerste sprak jouw naam uitachter gesloten ogen keek je opik zag hetwe namen afscheid van de wind, de zon, de regen, van het licht dat door je raam traag en stil binnen scheenzoals het erde laatste keer wasvan de bomen buiten, van de woorden op je lippenvan je hart waarvan je mond ooit overliepwaarvan ik weet dat het de namen op je lippenen bloemen zou willen kussenals bij een familiefeestafscheid van alle namen van je kinderen,je kleinkinderen en achterkleinkinderenvan alle namen die jij envan de stille stroom van het leven die jou droeg zachtjes wieg ik jou, naar de dood.  Zachtjes wieg ik jou, als een boot.Sluit ik de gordijnen nog een laatste keer. Laat een kaarsje branden. Was je hartslag het laatste in je, of was het je ademhaling waarmee je je leven uitblies? Ik brak wanneer ik in de afscheidsdienst achteraan op de banken zaten merkte dat ik de hoofden van je broers, het karuur van mijn nichten en je zoon en zijn familie herkende, maar jou mistte,  mama. Ik vroeg me af waar jij zou zittenbij het afscheid van jouw moeder.Ik sprak jouw naam uit, achter gesloten ogen keek je opwe namen afscheid van alle namen,van een familie. Van wat we zover hebben meegedragen.Als het de laatste keer wasdag moeder van mijn mama dag mama, nogmaals, eenmaal, andermaal, hiernamaals

Jill Marchant
5 0

Prachtige wallen (deel 5) (einde)

8 februari 2014 Stevige discussie achter de rug vandaag. Magda wil dat we naar de relatietherapeut blijven gaan. Ik niet. 'De vorige keer heeft hij niks gezegd. Enkel geluisterd. Hij was een toeschouwer, meer niet. Wat heb je daaraan? Bij een voetbalmatch of concert moet het publiek betalen. Waarom moeten wij in dit geval het publiek betalen?' 'We hebben hem de vorige keer de kans niet gegeven om ons te helpen. De sessie zat erop nog voor hij begonnen was.' 'We hebben hem de kans niet gegeven?' 'We, ja.' 'Ik ben niet weggelopen.' 'Doe nu niet flauw. Ik had alle recht om kwaad te worden. Jij bent degene die doodleuk zijn overspel ontkende.' 'En daarvoor heb ik me al lang verontschuldigd. Verschillende keren. Dus hou erover op. Feit is dat niemand je heeft gedwongen om de kamer uit te stormen. Jij wou therapie, weet je nog? Dacht je dan dat alles vanzelf ging gaan? Je kan niet zomaar weglopen vanaf je kwaad wordt. We zaten net daar omdat we niet meer overeenkomen, en dat willen oplossen.' 'En daarom wil ik terug.' 'Wie zegt dat je niet opnieuw wegrent als ik iets verkeerds zeg?' 'Zeg dan niets verkeerds.' 'Heb soms de indruk dat alles wat ik zeg verkeerd is…' 'Och, jij, met jou valt niet te praten!' Ik heb hoe dan ook echt geen zin om terug te keren naar die therapeut. Waarom kunnen we het niet zelf oplossen, samen? Die kwakzalver kan toch nooit weten wat er in onze hoofden omgaat? Waarom zou hij het dan zoveel beter weten? Dit is iets tussen ons, Magda en mij. Wij moeten eruit geraken. En ik zie niet in hoe psychologieboekjeswijsheid ons daarbij zou kunnen helpen. Ik heb het een kans gegeven, en zij heeft het verpest. Punt. Meer geld wil ik er niet aan verspillen. We kunnen het net zo goed thuis uitpraten. Thuis… ik begin over thuis te spreken. Beangstigend… 9 februari 2014 Elk dag ruzie. Elke dag. Ik weet niet hoelang ik nog aankan. Zou er geen uitweg zijn? Soms mis ik mijn oude leven. Mijn betekenisloze leven. Ik begin moet te worden, verschrikkelijk moe. 10 februari 2014 Zelfmoord. Misschien is zelfmoord de oplossing. Misschien word ik dan morgen weer als iemand anders wakker. Of zou ik dan gewoon dood zijn? Misschien ben ik van een acteur in een echte persoon veranderd, iemand voor wie de normale wetten van de natuur gelden. Ik zou het graag testen. Maar ik weet niet of ik durf. 11 februari 2014 Ruzie. Weeral ruzie. Ik zit vast. In een huwelijk dat niet werkt. Ik weet het niet meer, ik weet het echt niet meer. Eén kogel door de kop zou alles veranderen. Maar hoe? Wat zou er hierna komen? Zou er iets hierna komen? 12 februari 2014 Vanavond doe ik het. Ik spring van een brug. Er moet iets veranderen. Het moet gewoon. Ik ga aan de rand van een brug staan en aftellen. 10… 9… 8… 7… En daarna… Daarna heb ik eindelijk mijn vrijheid terug. Maar wat voor vrijheid? Ik ben nog nooit zo bang geweest om eerlijk te zijn. Maar zo kan het niet verder. Echt niet. 13 februari 2014 Ik was er helemaal klaar voor gisterenavond. Tot ik op de brug stond. Ik kon het gewoonweg niet, springen. Ik merkte dat ik een hele hoop zou missen. Mijn job, mijn dochters, alles eigenlijk. Het gevoel een plaats te hebben in deze wereld, een vaste thuis. Het gevoel iemand te zijn in plaats van iemand te spelen. Ik ben al een tijdje geen acteur meer, ik ben Mark Desmet geworden. Mark Desmet… Mijn naam. Het woord ik heeft inhoud gekregen, mijn bestaan heeft inhoud gekregen. Omdat er mensen om me geven, om mij. Een prachtig gevoel. Vandaar dat mijn besluit vast staat. Ik ga ermee door. Morgen vertel ik Magda dat ik me bedacht heb, en verder wil gaan met die relatietherapie. En ik ga een agenda kopen om daarin de verjaardagen van mijn dochters te noteren. Zodat ik ze nooit meer vergeet. Dag wereld, mijn naam is Mark Desmet, en ik heb er zin in.

nEMO
0 0