Zoeken

Aan een Rotvaart Nergens Heen -- de "ik"-versie. Hoofdstuk 1

Hoofdstuk 1: Van waar dit allemaal komt   Het begon als een vergissing. Zo begint het boek van Charles Bukowski over zijn tijd bij de Amerikaanse posterijen. Zo zou ook het mijne kunnen beginnen, al was het niet als een vergissing maar als een ongeluk – ik had werk nodig en toen vond ik werk. Wie ik ben? Jimmy Sabbe. Vervangend rekenplichtige in de kantoren van Kortrijk MC. Vierentwintig, bijna vijfentwintig jaar dienst bij de Belgische posterijen. Ik ben afgestudeerd aan een school in de Kortrijkse binnenstad, waar ik absoluut niet wou gaan, maar ja, je kent dat, het leven schopt je vaak de verkeerde richting uit. We waren net een nieuw millennium begonnen en ik wou verder studeren. Dat lag vooralsnog niet in de kaarten en ik moest werk zoeken. Ik schuimde her en der wat interimkantoren in Kortrijk af, begon als onhandige pseudo-schrijver een cursus Elektriciteit bij de VDAB – niet van ganser harte, moet ik er wel bij vermelden, want ik was zo’n beetje verplicht door mijn ouders. Pa wou me direct De Post in, net zoals hij bij mijn broer Billy heeft gedaan. Die heeft dan na een paar maanden voor de vlucht vooruit gekozen en studeert nu iets van Filosofie in Gent of zoiets. Ik hoor hem maar weinig. Ma wou vooral dat ik deed wat pa zei. Dat is zowat het nest waaruit ik kom. Ikzelf, mijn broer Billy, mijn vader Reginald, moeder Marjolein Van Suypeene en Maurits, de rosse kater die maar niet wil doodgaan. Ik zou willen zeggen dat ik ben grootgebracht door de straat maar eigenlijk valt dat wel goed mee. De Venning, aan de overkant, dáár zaten, voor de grote stadsdeelrenovatie, de zware sociale gevallen. Ons huis, dat is in de Schaekenstraat. Waar je van de Stasegemstraat naar de Leie kunt gaan, op de hoek met de Groeningekaai, daar is ‘t. Mijn jonge jaren waren getekend door familiale ruzies. Pa was immers ook postbode, eerst op de trein en dan op de fiets, omdat hij niet mocht bijtekenen in het leger, van zíjn vader, die ook bij De Post werkte. En hij wou het doorgeven aan Billy en mezelf. Ik had eigenlijk al een baan gevonden in een glasplatensnijdend bedrijf, maar ze moesten eerst nog mijn diploma zien. Alles was in kannen en kruiken, ik kon een functie op kantoor krijgen. Tot ze mijn diploma zagen. Want ik heb maar een BSO-diploma, weliswaar gelijkgesteld A2 maar het staat er op dus het blijft een BSO-diploma. Ik zou linea recta naar de fabriek zelf worden verwezen, wat ik niet zag zitten. Ambtenaar worden, dat leek me wel iets. Ik heb sowieso een levenslange fascinatie met zowel het trein- en postwezen en ma zei, als ge daar binnen geraakt, zit ge goed. Dus ik zowel voor De Post als de NMBS solliciteren en De Post antwoordde eerst. Dat is alles wat er is. Het was niet uit volle overtuiging dat ik dit deed. De idyllische wereld voorgesteld door fictie is net dat, fictie, en ik kan me niet inbeelden dat ooit iemand uit volle overtuiging zou zeggen van kijk, ik ga bij De Post gaan werken. Lang verhaal kort: ik had werk nodig en toen vond ik werk. Dat was nog een geluk – dat het later een ongeluk zou blijken, komt later nog aan bod. Eind december 2001. De kerstdagen komen weer dichterbij en we willen nog dat laagje vernis behouden dat in de jaren zeventig – ongeveer samen met het nog steeds in gebruik zijnde fonduestel – op de familie werd aangebracht. En dat betekent dat eerdergenoemd fonduestel terug van stal mag worden gehaald. Afijn, moet, want geen van ons drieën wil het écht. Ma wil de kruiswoordraadsels van de Libelle en Flair Kerstspecials oplossen en op een treffelijk uur naar boven gaan om te slapen. Vrij van onze pa, die beneden wil blijven en de ene pijp na de andere wil volproppen met zijn grove sneetabak en die, terwijl hij die oprookt, zich wil volgieten met de goedkope sterke drank van de lokale discounter. Ikzelf zit te bladeren in één of ander magazine dat ons ma heeft meegebracht van bij één van haar vele doktersvisites – de tere gezondheid zit haar in de familie. Ik zit op mijn kamer met de rolluiken naar beneden, ook al is het nog klaarlichte dag. Het zou één van de laatste klaarlichte dagen zijn die ik op die kamer in máánden zou doorbrengen, want in het begin werkte ik bij De Post van ’s morgens vroeg tot letterlijk ’s avonds laat, hopende dat ik ooit eens het kantoor “op tijd zou kunnen vervoegen” zoals een leidinggevende ooit op een model 9 heeft geschreven. Wat een model 9 is, ook dat komt later aan bod. Op mijn kamermuur stond over de volledige lengte de zinsnede van op het graf van Maurice Gilliams, namelijk “de onrust schenkt vleugels aan de verbeelding”, iets wat ik er in een duisterder emo-periode (avant la lettre) met alcoholstift had opgeschreven. Er was geen geld voor verf of behangpapier, dus betaalde ik met een blauw oog. Bij ons op school moeten ze vast gedacht hebben dat we massief eiken kasten hadden in plaats van de spaanderplaten afdankertjes die her en der in het huis staan. Het lijkt alsof die zinsnede ogen heeft en mij veroordelend zit aan te staren, alsof het ding wéét dat het zich in het leven roepen misschien  de meest rebelse daad is die ik ooit had gesteld, een opflakkering van individualisme die nu langzaamaan door het postbedrijf zal worden afgevlakt tot conformiteit, als ik voor de testen slaag tenminste. Zo verging het ons meestal, of het nu eindejaarperiode was of niet. De dag daarop, ergens eind december, zou ik naar Brussel gaan om de testen voor postbode te gaan maken. Ik had er eigenlijk niet zo veel zin in, maar als ik een eigen mening wou, moest ik maar doen als Jimmy – ik wist het gat van de timmerman zijn. Het gat van de timmerman is de voordeur. Het waren de laatste dagen van mijn zorgeloze adolescentie, die toch maar erg kort had geduurd. Mijn studiegenoten van het secundair kregen uitstel tot executie van wel drie tot soms vijf jaar en meer, maar voor mij was de bittere realiteit zo dichtbij dat ik diens hete adem kon ruiken en het rook niet al te fris. Een beetje zoals Roger, mijn grootvader en de vader van mijn vader. Roger Sabbe, nu reeds een paar jaar overleden, was een man die uit vierkanten leek te bestaan, een illusie niet geholpen door het constant dragen van geruite houthakkershemden en brillen met vierkanten monturen. Die wordt hier iets verderop in het WZC De Korenbloem verzorgt in afwachting van zijn voor velen niet te vroege heengaan. Net zoals pa ma en mezelf onder de knoet probeert te houden met veelvuldig gebrul had ook pepe Roger daar wel een handje van weg. Inclusief op zijn eigen zoon, die het vaak te verduren kreeg als er geen jonge verpleegster was op wie hij zijn frustratie kon botvieren. Talloze dessertjes zijn zo al tegen het raam gekwakt.

Miguel
0 1

De geheime afspraak

Ik denk dat gepensioneerden een geheime afspraak hebben. Niet op papier. Er wordt geen brief gestuurd en ge zult er ook geen WhatsApp-groep van vinden. Maar ik ben er zeker van dat iemand u op uw laatste werkdag even apart neemt. "Nog één ding," fluistert hij. "En ge houdt dit onder ons. Zeg het vooral niet tegen de werkende mensen. Laat hen maar denken dat de zomer in juli begint. Maar de hele maand juni... is de zee van ons." Sinds ik dat weet, kan ik het niet meer níét zien. Terwijl de rest van Vlaanderen zich nog een ongeluk werkt om alles afgewerkt te krijgen voor het bouwverlof, studenten blokken of net bekomen van hun examens en gezinnen aftellen naar de grote vakantie, hebben de gepensioneerden de kust al lang ingenomen. Niet luid. Niet opvallend. Gewoon. Ik ontdekte het per ongeluk. Een paar dagen Middelkerke in juni en meteen had ik het gevoel dat ik ergens was binnengelopen waar ik eigenlijk geen lid van was. Niemand stuurde me weg, maar iedereen leek de spelregels te kennen. Ze wandelen zonder bestemming. Ze kiezen altijd een tafeltje met zicht op zee. Ze bestellen zonder op de klok te kijken. En een aperitief om elf uur? Dat blijkt gewoon een uur te zijn. Daar zit Rosa. Naast Herman. Herman morst zijn fruitsap. Twee keer. Rosa schuift zwijgend een servetje naar hem toe. Ze kijkt niet eens op. Ge ziet dat liefde na vijftig jaar misschien niet meer bestaat uit grote verklaringen, maar uit weten waar de servetten liggen. Een paar tafeltjes verder zit Denise. Lippen gestift, haar alsof ze straks op televisie moet komen. Nog altijd even kwik als vroeger. Alleen wordt ze wat spraakzamer na haar aperitief. Maar dat is haar gegund. Misschien is dat wel het mooiste aan ouder worden. Dat ge eindelijk moogt uitweiden. Dat niemand nog zegt dat ge moet afronden omdat de volgende vergadering begint. En dan André en Willy. Ze kijken naar de zee. Of toch... dat denk ik. Misschien kijken ze wel gewoon naast elkaar. Zoals mensen die al zo lang samen zijn dat stilte geen leegte meer is, maar een taal. Er is iets raars met tijd aan zee in juni. Ze gaat er niet trager. Ze wordt gewoon minder belangrijk. Niemand zegt dat hij nog snel ergens naartoe moet. Misschien is dat wel wat pensioen echt is. Niet stoppen met werken, maar stoppen met haasten. Ik zat daar tussen hen en besefte plots dat ik niet naar oude mensen zat te kijken. Ik keek naar later. Naar ons. Ik probeerde ons uit. Zoals ge een zetel uitprobeert in een meubelwinkel. Zouden wij ook al om elf uur aperitieven? Zou jij nog altijd beweren dat de garnaalkroketten hier beter zijn dan elders? Zou ik nog altijd zeggen dat ik geen honger heb om vervolgens de helft van uw bord leeg te eten? En zouden we nog altijd discussiëren over mijn haar? Ge vraagt nu al geregeld wanneer ik het nog eens blond ga kleuren. Ik antwoord steevast dat ik dat niet ga doen. Ik vermoed dat we die discussie tegen dan nog altijd voeren. Alleen zal het ondertussen nog grijzer zijn. Ik hoop dat ik dan nog altijd even koppig ben. En gij ook. Dat ge nog altijd dezelfde mop vertelt waarvan ik de clou al ken nog voor ge eraan begint. Dat ik eerst met mijn ogen draai. En vijf minuten later toch weer lach. Dat we met onze rollators veel te fanatiek over de dijk racen en valsspelen in de bochten. En dan komt er, heel even, een gedachte binnen die ik liever niet heb. Want statistisch gezien is er een kans dat één van ons daar alleen zit. Dat ik uw naam zeg. En even naar de hemel kijk. Of gij de mijne. Dat kan ook.  Ik laat die gedachte niet lang blijven. Wij zitten daar samen. Met twee lichtblauwe windbrekers. Een aperitief om elf uur. En alle tijd van de wereld. Misschien is dat uiteindelijk wat liefde is. Niet dat ge elkaar jong houdt. Maar dat ge oud genoeg moogt worden om elkaars gewoontes, koppigheden, verhalen en rimpels te verzamelen. Tot ze allemaal deel worden van wie ge samen zijt. En ergens, op een terras in Middelkerke, midden in juni, kijkt ge plots naar mij. Naar wie ik ooit was. Naar wie ik geworden ben. En zegt ge: "Schat... ge zijt beeldig met grijs haar."

Katrien Daniels
40 3

Jardin Secret

Je zilte geur vult de kamer. Je staart uit het raam dat uitkijkt over de ontwakende stad. De schemering geeft je de energie terug die je die nacht kwijtspeelde. Je gloeit in je grijze kamerjas, waaronder je naakte lichaam schuilt. Je hoort het water stromen in de douche. Het was 05:05 en je was wakker, je hand op haar heup en je blik op haar gesloten ogen en de warme lippen die je nooit zou kussen maar het toch deed. Ze vroegen naar meer. Hoe ben je hier verzeild geraakt? Ze begon haar verhaal met haar sombere jeugd, en toen nam ze je mee naar haar libertijnse vrijgezellenbestaan. Je was geprikkeld, je wou meer weten, omdat je ooit had willen ervaren wat zij had gehad. Er was iets in haar woorden, in haar blik, er was een onaards soort vuur dat zij aanwakkerde en waar jij je aan wilde verbranden. En nu sta je daar, met je blik op de anonieme stad. Ooit had je trouw gezworen aan een ander, maar nu zou je trouw zweren aan de vrijheid die ze je liet voelen. De uren in haar armen, in haar warme, gulle lichaam waren genoeg om je te laten geloven dat het leven helemaal anders moet. Je zit zo diep in je gedachten dat je niet opmerkt dat ze ondertussen opnieuw bij je in de kamer is. Op blote voeten sluipt ze op je af, ze schat haar prooi in. Ze peilt naar jouw vermoeidheid na een bijna slapeloze nacht. Ze stapt op je af en komt naast je staan, in een grijze kamerjas. Haar ogen zoeken de jouwe. Ze vragen om opnieuw te volgen. Om de slaap op te zoeken, de zoete slaap van de dageraad in de eerste stralen van de zon. Je volgt, je stapt naar het bed. Je voeten op het hoogpolig tapijt. Je zinkt weg in haar hemel nog voor je haar aanraakt. Ze ontdoet je in stilte van het enige stukje stof dat je nog aan hebt. Zij steekt gelijk over. Op haar rug zitten kleine rode krassen, ze stralen de tedere pijn uit van je gretigheid. Het bed lonkt. Je hebt haar op haar woorden geloofd, en op haar daden, en nu weet je niet meer hoe je jezelf uit haar moet losmaken. Ze blijft je intrigeren, ze vertelt niet alleen met woorden, je weet nu beter. Je wil verhalen blijven halen uit haar gedachten, je wil één van haar zoetste herinneringen worden, je wil dat ze één van haar vele levens aan je wijdt. Je wil dat zij jouw geheime tuin blijft waarin je kan blijven plukken van haar sappige, soms bittere vruchten. Je wil haar. Je weet niet meer hoe je hier gekomen bent. En waar je nu naartoe moet. Dus je begint opnieuw met het aanbidden van haar lichaam, in de ijdele hoop te weten te komen waar haar weg naartoe zal leiden.   

Jolien Van de Velde
1 0

Een Vlaamse eskimo met mediterrane ambities

Ik heb altijd kou!  Regen en wind zijn mijn natuurlijke vijanden. In de winter horen een fleecedeken en een kersenpittenkussen tot mijn basisuitrusting. Vergeet sexy lingerie. Wie mij op een koude avond richting slaapkamer ziet trekken, ziet geen vrouw maar een expeditielid. Twee lagen kousen, een pyjama, een fleecevest en een kap op mijn hoofd. Ik slaap alsof ik elk moment door een sneeuwstorm verrast kan worden. Ik droom dus al jaren van het zuiden. Van een leven op de tonen van de soundtrack van La Vita è Bella. Van linnen kleedjes. Van lange tafels onder witte schaduwdoeken. Van stokbrood, kaas uit de streek, tomaten uit de tuin en een grote schaal salade. Van rosé die koud genoeg is om kleine levensvragen op te lossen. Van droog gras, lavendel en krekels die ergens in de verte hun beste leven leiden. In mijn hoofd ben ik zo'n Italiaanse vrouw van onbepaalde leeftijd. Zo eentje die moeiteloos mooi oud wordt. Met een strohoed, bruine armen en een geheim familierecept voor limoncello. Maar dagen zoals vandaag? Dagen zoals vandaag zijn geen Toscane. Dagen zoals vandaag zijn een middeleeuwse straf. Om acht uur 's morgens heeft het al de temperatuur van een aangename fietstocht midden op de namiddag. Ge stapt buiten en het is alsof iemand een haardroger in uw gezicht houdt. Mijn huid staat drie maten te klein. Mijn bloed voelt aan als warme confituur. Ik ben ervan overtuigd dat mijn aders elk moment kunnen openspringen als overvolle tuinslangen. Mijn lichaam vraagt niet om water. Mijn lichaam vraagt om een infuus. Een baxter Aquarius citroen. Een intraveneuze Calippo. Desnoods een Raketijsje rechtstreeks in de bloedbaan. Vooral dat laatste. Mijn gedachten bestaan vandaag voor negentig procent uit Raketijsjes. Altijd al meer dan gezond was, maar vandaag in hoeveelheden die ergens tussen zwangerschap, verslaving en religieuze roeping liggen. Ik zou een diepgaand gesprek over de zin van het leven onderbreken voor een Raketijsje. Ik zou familiegeheimen verklappen. Mijn pincode geven. Mijn plaats afstaan in de wachtrij van de bakker. Geef mij gewoon iets met drie kleuren en een houten stokje. Wat het extra onrechtvaardig maakt, is dat er op zulke dagen nog gewerkt moet worden. Dat mensen verwachten dat ge nadenkt. Dat ge vergadert. Dat ge mails leest. Dat ge beslissingen neemt. Dit zijn geen werkdagen, dit zijn overlevingsdagen. Hitte is fantastisch als ge onder een olijfboom een salade maakt terwijl een vrolijke soundtrack speelt en iemand u een glas rosé aanreikt. Hitte is aanzienlijk minder charmant als ge een Excelbestand moet openen of een vergadering moet volgen terwijl uw hersenen de consistentie hebben aangenomen van lauwwarme pudding. Rond de middag begon ik te begrijpen waarom mensen in zuiderse landen een siësta hebben uitgevonden. Dat is geen culturele gewoonte. Dat is een humanitaire maatregel. En ergens tussen mijn derde fles water, mijn vijfde natte washandje en mijn zevende verlangen naar een Raketijsje viel het kwartje. Misschien droom ik niet van het zuiden. Misschien droom ik van het leven dat ik met het zuiden associeer. Van traagheid. Van lange avonden. Van mensen die blijven zitten als de koffie op is. Van tomaten die naar tomaten smaken. Van tijd. Misschien ben ik helemaal geen Italiaanse. Misschien ben ik gewoon een Vlaamse eskimo met mediterrane ambities. En dat is helemaal niet erg. Zeker niet als er thuis een goede airco draait en een lange tafel staat te wachten én waar tomaten echt naar tomaten smaken.  

Katrien Daniels
42 4

De treden zullen niet meer weten wie je bent

Ik sta in het huis waar we lang samen gewoond hebben. Na een lange werkdag en een avondspits van jewelste. Ik geraak niet verder dan de hal. De geur is veranderd. Alsof je hier nooit geweest bent. Het ruikt naar mij, naar kattenbak en ik merk ook toetsen appelshampoo op, waarschijnlijk afkomstig van de handdoek die ik vanmorgen nog snel in de gang over de trap heen drapeerde bij het vertrekken.  Toen je vertrok nam je meer mee dan ik aanvankelijk dacht. Planten, meubels, je geur, de recepten die je me nooit uitgelegd had, je aanwezige ouders, je ongevraagde meningen en oplossingen voor alles waar ik gewoon een knuffel voor wou. De stapel leeggoed die razendsnel leek te groeien, de chaos in de papiermand en vaatwas. De orde op alle oppervlakken. De T uit “thuis”.  Je liet me achter in het huis, een woning, een gebouw. Zonder ziel. Zonder liefde. Met onvolledige inboedel.  Wist je dat -naast de geur van een huis- ook de klank zo vreselijk verandert na iemands vertrek? Alsof alles een echo, elke klank een schaduw, heeft? Soms lijkt het een voordeel, dan lijk ik door de herhaling minder alleen.  Ik zet me neer op de trap en trek mijn schoenen uit. Nu je er niet meer bent hoeven die niet in de kast op stok gezet te worden. Ik laat ze van de trede vallen en kijk hoe ze daar roerloos blijven liggen.  De trap kraakt wanneer ik me langzaam rechttrek. Het heeft naast iets geruststellend ook iets heel zwaar. Want jouw gekraak - de trage passen, zwaarder dan de mijne, gedecideerd - die zal de trap nooit meer verspreiden. Ze blijven wel kraken. Zonder jou.  “Het is hier weer akelig stil, vind je niet?” “...” “Je zou denken dat het wel went, na zo’n tijd, maar dat is voorlopig nog niet het geval, vrees ik.”  “...” “Weet je nog hoe het vroeger was? Het gekraak groeide mee in het tempo van de kinderen. Tot het stilaan wegebde toen ze hun eigen weg vonden.” Ik kijk er melancholisch bij, mijn ogen zoeken de muur af naar de vegen van kinderhandafdrukjes die ik nooit afgekuist heb. Er moet toch iets overblijven van het gezinsleven dat zich hier jarenlang afgespeeld heeft.  De kat maakt zijn intrede, vlijt zich tegen mijn been aan en verliest daarbij heel wat vacht die zich aan mijn bezwete been hecht.  “Miauw.” “Gelukkig ben jij er nog.”   - - - De tekst waarmee we aan de slag gingen:   Straffeloos - Toon Tellegen   Ik zal je vergeten en weer ontmoeten Ik zal je vergeten, ontmoeten en weer vergeten En ik zal je weer ontmoeten   Ik zal je vergeten en weer vergeten en weer vergeten ik zal wandelen door dozijnen parken lichtgroene, violette en roze parken, onopvallend in de regen   ‘s Avonds zal ik je weer vergeten   De treden zullen niet meer weten wie je bent Maar ze zullen kraken De voordeur zal weer aarzelen.

annakdotes
8 0

De gemiste roeping

Luister, lieve kindertjes, naar het korte sprookje van het spookje. Lang, heel lang geleden, toen ik nog jong en onschuldig was, zat ik zomaar wat rond te kijken. Mama deed de was. De behendigheid waarmee ze dat deed, zal ik nooit vergeten. Zo rustgevend, dat hele proces van vies en vuil naar proper en net, van chaos naar geordend, via de wasmachine naar de wasdraad naar het strijkijzer of de tafel en uiteindelijk kreukloos opgeborgen in de kleerkast ...  Ze propte de wasmachine niet vol, maar ze 'vlijde' het wasgoed er zachtjes in. De was ophangen gebeurde niet aan een zijden draadje maar aan een ziedend tempo, in volle concentratie, met twee vliegensvlugge handen, heel af en toe met één oog dichtgeknepen en met één wasknijper in de mond. Na positieve weerberichten van haar weergoden Pien of Pelleboer op de radio was het zover. Tenzij er geen wolkje aan de lucht en dus geen risico was, al heb ik haar meer dan eens naar buiten zien spurten nadat er geheel onverwachte druppeltjes op het keukenraam pletsten. De schuld van Pien en Pelleboer, die hun goddelijke status dan 'weer' voor een tijdje verloren. De regen hield haar niet tegen om de was alsnog geordend en gestructureerd van de draad te halen. De volle wasmand waarmee ze daarna naar binnen kwam gelopen, zag er nog steeds keurig uit. Zo typisch. Bij een ander is perfectionisme goed te verdragen, bij iemand waar je van houdt is het wondermooi om te zien. Het prachtigste was het plooien. De behendigheid waarmee ze dat deed was werkelijk adembenemend. Ware kunst vond ik dat. Hoewel ze het ongelooflijk eenvoudig deed lijken, durfde ik er zelf nooit aan te beginnen. Pas nu, een paar decennia later, plooi ik af en toe hooguit een handdoekje of een paar sokken. Omdat ik van mezelf weet dat ik niet de handigste ben en omdat het contrast met mijn moeder me op zulke momenten telkens weer parten speelt. Zo ben ik, de perfectionist die lijdt aan een verlammende variant. Ik kan het nooit even perfect, waarom zou ik er dan aan beginnen? Het wordt immers sowieso een teleurstelling.  Vol bewondering keek ik toe. Het stapeltje gevouwen beddengoed klom het hoogst. Ineens stropte het behaaglijke plooiritme, bij een wit laken dat aan de randjes een beetje uitgerafeld was. Ze plooide het desondanks mooi op, maar net iets minder onberispelijk dan anders. Daarna legde ze het wat apart op de rand van de tafel, bijna vlak voor m'n neus. Ondertussen mompelde ze iets over papa, knippen, vodden om zijn fiets te kuisen en dat hij toch nooit iets kon weggooien. 'Dat hij er zijn plan mee trekt,' grolde ze nog na. Ze hield ervan om tegen zichzelf pratend de was te doen, maar té lang moest het nu ook weer niet duren. Dan werd ze een tikkeltje sikkeneurig en verlangde ze naar een kopje koffie.  'Mag ik dat afgekeurde laken niet hebben?' vroeg ik plots. Ze keek me aan alsof ze niet eens gemerkt had dat ik in haar nabijheid vertoefde. Met grote ogen, alsof ik net m'n eerste woordjes had gezegd. Verrast, verbaasd en op een vreemde manier een beetje vrolijk. 'Jij? Wat kan jij daar mee doen?' 'Spookje spelen,' zei ik resoluut. 'Ik knip er gewoon twee gaten in om door te kijken. Hoe moeilijk kan het zijn?'  Het was niet zomaar een ingeving. Spoken fascineerden me. In mijn fantasie konden ze vliegen, onzichtbaar worden, door muren lopen en mensen schrik aanjagen.  Mama lachte en gooide het laken in mijn richting, waarna ik de schaar nam en naarstig en vol ongeduld aan het karweitje begon. Bij het eerste gat dat ik wilde knippen liep het al helemaal mis. Veel te groot. Ik kon er mijn hoofd wel doorheen steken. Dat deed ik dan ook.  Ik ging rechtstaan en opeens scheen de zon felle stralen op m'n gelaat. Het leek een verheven moment, hét tijdstip voor een ingeving. Ik word priester, dacht ik. Spelenderwijs.  Spook of priester, wat maakt het ook uit? In de voetsporen van Jezus kan het ook best fijn zijn. Je kon hem misschien wel vergelijken met een spook. Jezus kon ook vliegen, anders was hij nooit in de hemel geraakt. En zich onzichtbaar maken was evenmin een probleem, want tijdens eucharistievieringen zei de pastoor altijd dat hij bij ons was, terwijl ik 'm nooit heb gezien. Door muren lopen en de mensen schrik aanjagen? Piece of cake voor Jezus. Gelovige mensen zijn immers godvrezend. Dat waren ze vast niet zonder reden. Nog veel meer dan spoken kon hij. Van water wijn maken bijvoorbeeld. Kon ik dat ook maar. Verder dan druiven pletten met m'n blote voeten was ik nooit geraakt, ook al omdat ons ma pas naar de markt was geweest, me betrapte in de badkuip met de pas aangekochte tros witte druiven en me ogenblikkelijk een andere fruitsoort liet ontdekken. De muilpeer.  Daar stond ik dan. Danny de priester in zijn kazuifel. Om het helemaal af te maken haalde ik mijn vaders rode sjaal uit z'n kleerkast en drapeerde die rond m'n schouders. Dit werd serieus. Ik speelde geen priester meer, nee, ik wás een priester. Ons ma leek mijn roeping wel goed te keuren en stemde in met mijn verzoek om nog een tweede laken te gebruiken als tafelkleed voor de tuintafel, mijn altaar. Mijn dikke sprookjesboek met 365 verhalen ('Een sprookje voor elke dag van het jaar') zette ik geopend op een boekstaander. Het was de bijbel waaruit ik mijn evangelie zou voorlezen. Ik profiteerde van de situatie door een kommetje chips (normaal voorbehouden voor weekendavonden) als schaal hosties te gebruiken en de mooie pseudosacrale beker die ik van mijn meter had gekregen voor mijn eerste communie vulde ik met cola, mijn miswijn. Zo was ik er helemaal klaar voor. Daar stond ik dan. Maar wat nu? Uiteindelijk wist ik niet zo veel van eucharistievieringen. Tijdens zondagse kerkbezoeken lette ik eigenlijk nooit op. Dagdromen ja, zoals steeds, en mensen observeren. Meisjes vooral, als die er waren. Wat ik wel eens gehoord had, was dat er gesproken werd over vergeven en vergeten. Dat wist ik nog, dat je dat als goede christen moest kunnen. Vergeten had ik al lang onder de knie. Mijn hoofd speelde voortdurend met pietluttigheden en raakte soms zo vol dat de ogenschijnlijk belangrijkere dingen er af en toe pardoes uit geknikkerd werden, of ik dat nu wilde of niet. Dat vergeten zat dus wel snor.  En vergeven? Ook daar was ik een kei in. Een tijdje geleden hadden we nog Chinees gegeten. Was ik dol op. Eerst garnalen in looksaus en daarna babi pangang. Achteraf lag dat hele zootje nogal zwaar op de maag. Toen ik eindelijk een verlossend, niet zo geluidloos maar nog veel minder geurloos scheetje had geproduceerd, riep onze pa dat ik heel het huis had vergeven. Een natuurtalent, zoals ik al min of meer zei. Zo moeilijk kan zo'n mis dus niet zijn, besloot ik, en ik brabbelde en zong zomaar wat in de rondte. Met m'n handen gespreid las ik voor uit mijn grote sprookjesboek en te gepasten tijde, of om eerlijk te zijn vooral te ongepasten tijde, vrat ik van de chipserige hosties en zoop ik van de miscola.  Zonder publiek stelde het geen zak voor, dus een weekje later, na nog wat oefenen, besloot ik de missionarishouding aan te nemen om een vriendenkliekje van twee straten verderop te bekeren en te amuseren. De voorstelling in hun tuin, met tuintafel, sprookjesboek, kom chips en beker cola was een voltreffer. Ze lagen immers al in een deuk toen ik m'n kazuifel met sjaal aantrok en deed alsof mijn beker gevuld was met echte miswijn. Als priester focuste ik instinctief op de kleine kantjes van het mens-zijn met veel lust voor alcohol en vrouwelijk schoon. Ik veinsde dat ik dronken was en klokte sloten cola achterover. Wat later, net na een uitgebreide preek over zondig onzedig gedrag, wreef ik begerig over de ontblote linkerknie van een van de twee kortgerokte meisjes uit het publiek. En het mocht! Ik deed het nog een keertje, nog langzamer, met m'n tong ostentatief uit m'n bek bungelend, omdat ik zogezegd dronken was. Priestertje spelen was nog leuker dan doktertje spelen! 'Geweldig, Danny!' lachte de oudste en grootste van m'n gelovigen achteraf, toen we voor het zingen de ingebeelde kerk uitgingen. Hij sloeg z'n arm om me heen. 'Kom eens even mee.' Ik gehoorzaamde en liep hem achterna tot achter hun huis. Daar verkocht hij me een flinke stomp in m'n maag. 'Je hebt je eerste en laatste mis hier opgedragen, vies ventje, en in het vervolg blijf je met je vunzige poten van m'n zus, of je volgende mis wordt je eigen begrafenis. Begrepen?'  Dat had ik. Een paar dagen later was onze pa vodden aan het knippen van mijn priestergewaad en nu stond hij er de velgen van zijn fiets mee op te blinken.  En ik? Ik keek nog wat verder rond. Mijmerend over m'n relatief korte verleden en m'n hopelijk nog lange toekomst. Nog geen idee wat ik later worden wilde. Alleszins geen priester. Geen meisjes? Geen seks? Daar heeft niemand celibaat bij.

Danny Vandenberk
0 0

Het Meirregat

Ik woon in de Berkestraat. Dat is een straat waar ge niet graag een tegenligger tegenkomt. Niet omdat de mensen hier onvriendelijk zijn, maar omdat de straat op sommige plaatsen ongeveer even breed is als een politieke consensus. Ge moet er uw plan trekken. Gelukkig hebben wij hier merregaten. Voor wie niet van den buiten is: een merregat is een uitsparing in de kant van de weg. Een plaats waar ge u even kunt inschieten zodat een tegenligger kan passeren. Letterlijk betekent het het gat van de merrie. Waarom precies, weet ik niet. Sommige woorden zijn te schoon om kapot te analyseren. Mijn tante, die ook mijn buurvrouw is, kent de straat zoals een schipper zijn rivier kent. Elke bocht. Elke haag. Elke put die al twintig jaar gerepareerd zou worden. En vooral: elk merregat. Als er een tegenligger aankomt, heeft zij de situatie al opgelost voor ik doorheb dat er een probleem is. "Die kan daar in." Of: "Nee, wacht gij maar. Verderop is er plaats genoeg." Ze zegt dat met dezelfde vanzelfsprekendheid waarmee ge zegt dat water nat is. En dan zijn er de mensen die hier niet moeten zijn. Mensen met een gps. Mensen die denken dat elke straat hetzelfde werkt. Mensen die midden op de baan blijven staan kijken alsof ze zonet in een natuurdocumentaire zijn terechtgekomen. Mijn tante krijgt daar zenuwen van. Niet omdat ze die mensen iets misgunt. Maar omdat ze de gebruiksaanwijzing van de straat niet kennen. Dat is wat een merregat eigenlijk is: een stukje lokale wijsheid. Een ongeschreven afspraak. Een manier om tegen elkaar te zeggen: ik maak even plaats zodat wij allebei verder kunnen. Hoe ouder ik word, hoe meer ik denk dat het leven vol merregaten zit. Op het werk bijvoorbeeld. Ge hebt collega's die overal rechtdoor willen. Hun idee. Hun planning. Hun waarheid. Ze rijden een vergadering binnen alsof ze een voorrangsweg hebben aangelegd speciaal voor zichzelf. En ge hebt collega's die de merregaten kennen. Die weten wanneer ze moeten spreken en wanneer ze beter luisteren. Die begrijpen dat ge niet elk gelijk moet binnenhalen om samen vooruit te geraken. Dat zijn meestal ook de mensen bij wie ge graag binnenstapt. Omdat ge weet dat er plaats is. Vriendschap werkt zo. Liefde ook. Ge leert elkaars merregaten kennen. De gevoelige plekken. De oude pijn. De onderwerpen waar ge beter wat trager rijdt. En familie misschien nog het meest: in elke familie rijdt wel eens iemand te snel door de bocht. Wordt er al eens getoeterd. Wordt er al eens achteruit gestoken waar dat eigenlijk niet meer kan. Maar de families die blijven werken, zijn vaak de families waar nog iemand weet waar de merregaten liggen. Waar nog iemand bereid is een beetje op te schuiven. Niet om te verliezen. Niet om ongelijk te krijgen. Maar omdat de relatie belangrijker is dan de discussie. Misschien is dat ook waarom mijn tante zich zo stoort aan mensen die hier niet moeten zijn. Niet omdat ze tegen vreemden is. Maar omdat ze weet wat ge alleen leert door ergens lang genoeg te blijven. Dat samenleven niet draait om wie het midden van de baan krijgt. Maar om weten waar ge een beetje plaats kunt maken. En eerlijk? Dat zouden ze niet alleen in de Berkestraat mogen leren. Ge zou ervan verschieten hoeveel miserie er opgelost raakt als mensen het merregat weten zijn.

Katrien Daniels
53 6

TE BERCHEM MIJN LAND

1. ACROBATEN   Spreekt de olifant de kamer aan, dan spreekt ze over trauma; Ongetwijfeld methaforisch ‘balancerend’, Dalai lama; Triomfantelijk verbouwereerd, ‘Ganesha’ onzer fauna; Ik was nooit omsingeld door een ‘slurfen-trio’ in de sauna.    Een Tom Frantzen performance van een ‘bronze’ in balance; Acrobatische malchance; “iets geschiedenis” (je pense);   Olifantelijk, daar staat ze; Sta je even stil, dan praat ze; Methaforisch te verstaan ze blijkt er “Speelsheid in Nuance”     2. GRENSPAAL ‘DE HAND’   Mijn mensen in Berchem, ze kennen Anvers; Entrepreneurs, want ze drijven commerce; Kleine gemeenschap, maar rijk en divers; Met fierlijke trots in dit Vlaamse gewest;   Blauwe arduinse  Begroetende hand; Rechter noch Linker, Eenzijdige kant; Grenzen bepalend, Opsplitsende rand; Brouwertjes Koninck te Berchem, mijn land.    Hoog-Symboliek en Mystiek is de hand; Zeg me, wat is er toch weer aan de hand? Krijgen we tóch weer een golfje hitte, schiet Koninkje Albert vanzelf in brand.          3. MADONNA OP ZUIL   Prima Madonna  Uit nineteen-o’-five; Scultuur-aanschouwelijk Schijnbaar ‘Alive’; Sierlijk figuur en Gedressed in gewaad; Beeld in mijn straat en de zuil is haar plaats;   Spreek geen ‘Latijnse’ Maar ‘sprekend gelaat’; Hoog op haar sokkel, Ik weet waar ze staat; ‘Moeder van God’,  Die geen zondes begaat; Zwijgend in stilte, Waardoor ze niet praat;   Hartje te Berchem, Ze straalt mijn geloof; Religieus tintje, Maar ben filosoof; Geeft ze je hoop nog een sprankeltje hoop? Prima Madonna, Ze is niet te koop. 

Smalle
0 0