Zoeken

De geur van een Palaroid

Cadzand is altijd een goed idee. Als ik het gevoel heb dat de wereld precies een spelletje speelt waarvan iedereen de regels kent, behalve ik. Als ik weer dat kind ben dat op de speelplaats net iets te laat vraagt of het nog mag meedoen. Of wanneer alles zo hard begint te roepen dat ik mezelf niet meer goed hoor. Dan rij ik naar Cadzand. Daar kunt ge ademen. Echt ademen. Er zijn polders, fietspaden, duinen en van die houten palen op het strand die daar al decennialang staan. Wind? Prima. Storm? Ook goed. Hoogwater? Kom maar op. Ze lijken zich nergens druk om te maken. Alsof ze willen zeggen: Rustig maar, meisje. De zee heeft al erger gezien. Daarom hou ik zo van Cadzand. Maar er is meer. Tussen die duinen en die polders ligt een heel album vol Polaroids van mijn kindertijd. Van die foto's met afgeronde witte randjes, waarvan de kleuren stilaan zijn vervaagd. Waarop ik rondloop met een blond vlaskopje, een sponsen shortje, een Mickey Mouse T-shirt en knieën die nooit helemaal genezen zijn. Foto's waarop de zon altijd schijnt, vakanties eindeloos duren en niemand ooit op de klok kijkt. Op camping De Hoogte. In een stacaravan. Bij bomma en bompa. Daar hoefde ge nooit te vragen of ge mocht meedoen. Ge pakte uw fiets en tegen dat ge aan het einde van de camping waart, waart ge alweer iemand tegengekomen. We reden urenlang rondjes zonder bestemming, gewoon omdat het kon. Tegen de avond verzamelde iedereen zich aan de petanquebaan. De volwassenen gooiden met bloedernstige gezichten metalen ballen naar een klein houten balletje. En wij stonden erachter alsof België elk moment olympisch goud kon winnen. Ge had niet veel nodig in de jaren tachtig. Als het donker werd, doken we ergens een caravan binnen om Super Mario Bros te spelen. Of te kijken hoe iemand anders speelde. Dat weet ik eigenlijk niet meer.  Dat was vakantie. Maar van al die Polaroids is er één die altijd scherper is gebleven dan de rest. Die van de ochtenden. Elke ochtend stond bompa als eerste op. Hij bakte spek. Nog voor mijn ogen goed open waren, kroop die geur al door de caravan. Een mengeling van een beslapen hoofdkussen, warme caravan, koffie en spek dat lag te sissen in een pan waarvan geen enkele cardioloog vandaag nog de inhoud zou goedkeuren. Mijn zus en ik kwamen dan in ons zomerslaapkleedje aangeschuifeld. Bompa keek naar de pan. Dan naar ons. Wij naar de pan. Hij schoof de pan een beetje dichterbij en zei samenzweerderig: "Dopt er maar eens in." Alsof hij ons zojuist had ingewijd in een geheim genootschap. Wij pakten onze boterham en dopten die schaamteloos in het warme spekvet. Bompa keek goedkeurend toe. In de jaren tachtig bestond cholesterol volgens mij gewoon nog niet. Vandaag is Cadzand veranderd. Veel zelfs. Er zijn prachtige appartementen gekomen. Mooie restaurants. Strandpaviljoens waar ge dingen kunt bestellen waarvan mijn bompa waarschijnlijk eerst drie keer zou gevraagd hebben wat het precies was en daarna toch gewoon een koffie zou genomen hebben. Wanneer ik daar ben, stop ik nog altijd aan camping De Hoogte. Ik parkeer mijn auto en loop een beetje verlegen de camping op. Alsof iemand elk moment kan vragen wat ik daar eigenlijk kom doen. En eerlijk? Ik zou het antwoord niet goed weten. Even kijken. Even ruiken. Want het vreemde is: het ruikt daar nog altijd naar vroeger. De beits van de grote schuur wanneer ge binnenkomt. Het rubber van de banden aan de speeltuin. De caravans die warm worden in de zon. Gras. Polder. Een beetje zee. En ergens tussen al die geuren.. het spek van bompa. Geuren zijn vreemde dingen. Ze trekken zich niets aan van tijd. Ze sleuren u zonder waarschuwing veertig jaar terug. Plots zijt ge geen vrouw meer die met een hoofd vol zorgen naar Cadzand is gereden. Ge zijt weer dat meisje met een blond vlaskopje, een sponsen shortje en een Mickey Mouse T-shirt. En ge zit met een stuk brood in uw hand te wachten tot bompa heel even glimlacht en de pan naar u toe schuift om te doppen. Bompa zei eigenlijk nooit dat hij ons graag zag. Dat deden mannen van zijn generatie niet. Die bakten spek. Die repareerden uw fiets. Die wachtten tot iedereen aan tafel zat. Die legden zonder iets te zeggen het beste stukje op uw bord. En die keken. Met zo'n blik waarvan ge als kind nog niet wist dat ge hem later uw hele leven zou proberen terug te vinden. Misschien rij ik daarom nog altijd naar Cadzand. Niet voor de zee,  maar omdat daar nog altijd een klein stukje wereld bestaat waar ze niet zeggen dat ze u graag zien. Ze bakken spek en ze schuiven de pan een beetje dichterbij.

Katrien Daniels
38 4

Viswijven

Op kot leert ge al snel dat er twee soorten mensen bestaan. Mensen die hun leven op orde hebben. En mensen zoals ik. Els hoorde zonder enige twijfel bij de eerste categorie. De kamer recht tegenover de mijne. Zij had een bed dat opgemaakt was. Ik had een bed waarvan ge soms niet meer wist welke kant boven lag. Zij had yoghurt in de koelkast die niet over datum ging. Ik had vooral goede bedoelingen en een collectie koffietassen met een biologisch experiment onderaan. Els kon zonder moeite een weekmenu maken. Ik leefde volgens het gastronomische principe: we zien wel. Wij hadden een waterdicht plan voor als onze studies grandioos zouden mislukken. Wij gingen surimi, garnalen en wulken verkopen aan de kaai van Oostende. Niet zomaar een viskraam. Wij gingen de twee gezelligste viswijven van de kaai worden. Mensen zouden eigenlijk geen garnalen komen kopen. Ze zouden blijven plakken voor de sfeer. Voor een babbeltje. Voor een gratis levensadvies tussen de wulken. Achteraf bekeken hadden we geen flauw idee hoe ge een viskraam runt. Maar we waren er wel rotsvast van overtuigd dat we fantastische viswijven zouden zijn. Het is er nooit van gekomen. Wij konden uren praten. Over alles en niks. En vooral over dingen die een normaal mens nooit bedenkt. Toen mijn goudvis stierf, vonden wij dat een begrafenis op zijn plaats was. Niet zomaar een minuut stilte boven de wc-pot. Nee. Een plechtigheid. Met speeches. En omdat een goede uitvaart ook een koffietafel verdient, aten wij achteraf fishsticks.  En dan was er het Songfestival. Volgens Els en mij is het nog altijd een schande dat de finale geen officiële betaalde feestdag is. Ge kunt toch niet verwachten dat mensen de dag nadien productief zijn nadat ge tot één uur 's nachts hebt gediscussieerd over de puntentelling van Moldavië?  Dat soort avonden. Van die avonden die ge later onmogelijk kunt uitleggen zonder dat iemand zich zorgen begint te maken. En daarna gebeurde wat altijd gebeurt. Het leven. Voor Els ging dat wonderwel volgens plan. Ze bouwde samen met haar vriendin een warm en rustig leven uit. Zo'n huis waar ge spontaan uw schoenen wilt uitdoen. En vier prachtige dochters die het bewijs zijn dat sommige dromen gewoon uitkomen. Ik maakte van mijn leven eerder een opstapeling van plots uit een weekendfilm. Met iets te veel onverwachte wendingen, een paar personages die ge halverwege liever had herschreven en gelukkig ook af en toe een scène waarvan ge denkt: daarvoor kijkt een mens nu televisie.   En wij. Wij bleven elkaar horen. Soms zat er een paar maanden tussen. Soms nog wat langer. Maar dat bleek nooit een probleem. Een vriendschap tussen twee toekomstige viswijven heeft blijkbaar maar een halve pannenkoek nodig om opnieuw midden in een gesprek te belanden dat dertig jaar geleden even was onderbroken. Els heeft trouwens altijd volgehouden dat ze eigenlijk met mij had moeten trouwen. Dat ik ooit wel zou inzien dat mannen mij vooral veel kopzorgen hebben bezorgd en dat zij al die tijd gewoon geduldig op mij heeft gewacht. Ik heb haar beloofd dat ik haar haar zin geef. Later. In het woonzorgcentrum. Dan racen we met onze scootmobielen door de gangen, leiden we de nachtwakers af zodat we nog uren kunnen babbelen en doen we alsof we opnieuw op kot zitten. En daarna eten we fishsticks. Dat viskraam....Dat vind ik nog altijd een gemiste kans.

Katrien Daniels
100 1

Geblokkeerd!

Ik heb iemand geblokkeerd. Kijk. Het is eruit. Alleen al die zin voelt alsof ik iets moet opbiechten. Alsof ik moet toegeven dat ik ananas op mijn pizza leg. Of applaudisseer wanneer het vliegtuig geland is. Zo'n bekentenis waarvan ge weet dat de helft van de mensen u vanaf nu een beetje anders bekijkt. Ik ben namelijk helemaal geen blokkeerder. Ik ben iemand die nog zwaait naar mensen die mij al lang niet meer zien. Ik ben van "we moeten dat ooit nog eens gaan drinken", ook al weten we allebei dat dat nooit gaat gebeuren. Ik ben van recht in elkaars ogen kijken, zelfs als dat lastig is. Van deuren die zachtjes dichtvallen. Niet van diegene die ge met een stamp moet dichttrekken terwijl er langs de andere kant nog iemand roept. Ik ben zelfs slecht in WhatsApp-groepen verlaten. Ge kent dat wel. Zo'n oudergroep van de lagere school waar uw kind intussen al lang afgestudeerd is. Of de groepschat om de barbecue van de familie te organiseren. De barbecue die uiteindelijk nooit is doorgegaan omdat nonkel Jos corona had, tante Rita ruzie kreeg met de schoonzus en sindsdien alleen nog iemand "proficiat" stuurt als er een jarige is. Ik blijf daar dan gewoon in zitten. Uit beleefdheid. Alsof iemand op een dag wakker wordt en denkt: amai... Katrien heeft de groep verlaten. Dat doet toch een beetje pijn. Dat is mijn niveau van conflictvermijding. Ik geloof nogal in afscheid nemen zonder brokken. In elkaar nog kunnen groeten. In een knikje op straat. In een oprechte "zorg goed voor uzelf". Ge moet niet met iedereen vrienden blijven, maar ge moet ook niet doen alsof iemand plots nooit bestaan heeft. Dat was toch het plan. Tot mijn gsm besliste dat we een andere richting uitgingen. Ping. Een kwartier later. Ping. Nog eens een kwartier later. Ping. Op den duur begon ik mijn telefoon scheef te bekijken. Ik hoorde hem trillen terwijl hij stil lag. Fantoomtrillingen bestaan blijkbaar echt. Elke melding voelde alsof er iemand aan mijn voordeur stond die bleef aanbellen terwijl ge de gordijnen al dicht hebt gedaan, de lichten uit zijn en ge ondertussen al in uw pyjama met een zak chips in de zetel zit. Ge probeert dat eerst beleefd op te lossen. Dan duidelijk. Dan antwoordt ge niet meer. En uiteindelijk voert ge discussies met uzelf. "Misschien moet ik toch nog één keer antwoorden." "Nee, want dan begint het weer." "Ja, maar misschien begrijpt hij het nu." Dat "misschien" is trouwens een gevaarlijk woord. Er zijn relaties op gebouwd, oorlogen mee begonnen en vrouwen die daardoor om half drie 's nachts nog altijd wakker liggen. Ik heb zelfs eerst gegoogeld of iemand ziet dat hij geblokkeerd is. Niet omdat ik van gedacht wilde veranderen, wel omdat ik mij al op voorhand schuldig voelde. Dat type mens ben ik dus. Iemand die zich zorgen maakt over de gevoelens van iemand die haar al een hele nacht wakker houdt. Dus heb ik het gedaan. Ik drukte op blokkeren. Niet met veel overtuiging. Eerder met dezelfde tristesse waarmee ge eindelijk dat kamerplantje weggooit waarvan ge al drie maanden zegt: "Nee, nee... die trekt nog wel bij." Terwijl er eigenlijk alleen nog een zielige bruine stengel in de pot staat. En toen... Stilte. Het gekke is dat ik daar niet blij van werd. Eerder een beetje verdrietig. Want ik blijf geloven dat de mooiste eindes degene zijn waarbij ge elkaar jaren later nog eens tegenkomt aan de kassa van de Colruyt. Allebei een veel te grote zak kattenbakvulling in de kar. Ge glimlacht. Ge zegt "alles goed?" en ge meent dat ook. Zonder verwijten. Zonder theater. Gewoon twee mensen die ooit een stukje van elkaars verhaal waren. Maar niet elk verhaal krijgt zo'n einde. Sommige mensen blijven zo lang op uw deur kloppen dat ge uiteindelijk de bel moet afzetten. Niet omdat ge hen haat, maar omdat ge ook nog een beetje graag thuiskomt bij uzelf. 

Katrien Daniels
112 1

achter een zee van vuur

Ik had gezien hoe het zich manifesteerde, doorheen het waterland roerde, ruraal hoe het troosteloze meanders zoogde, onder mistige dekens, in verstrengelingen opging   Ik had gemerkt hoe het zich vermenigvuldigde, over weidse velden plaveide, in zigzag een moederinstinct aan de dag legde, hoe het stukjes gras baarde, zaailingen omarmde   Ik wou iemand vertellen over de glooiende ontroering, valavond, dauw onder klompen hoopte op de getuigenis van een bloedmaan, de aanwezigheid van de kiekendief   Ik kende de plekjes, naar welke akker het terug zou keren, kende het ontluikende riet waar het zich verscholen zou houden, en ik wist dat het geluid zou uitstoten, ingehouden   Ik wist dat waden aan een verzande einder vluchtig was, maar zwemmen in moeras eeuwig dat juffers onuitwisbare herinneringen voeden, onkruid onopgemerkt uitdooft   Ik zag hoe schaduwen hun paringsdans in een knoop legden, hun begerige ogen verhulden hoe een fragiel wezen de oever lijmde, heftig wapperend, een spoor van gelukzaligheid   Ik wist wanneer ik de treurwilg diende te spiegelen, diende te oogsten, kon laten begaan de aanblik naar verlangen overhelde, er aardse kluiten nodig waren, verankeringen   Ik kneedde de rivier naar mijn evenbeeld, over schokkende vleugels, nestdrang legde de beginselen van een geboorte in de strijd, voldaan naar lucht happend   Ik aanhoorde de lokroep die zich aan de horizon had vastgebeten, om leven op te wekken klauwend in een poging bewustzijn open te breken, de ultieme daad van overgave   Ik besefte tijdig dat een stad niet gedijt onder betonnen stolpen, dat vlees verschrompelt, kasseien tot mos verkleuren, in het vacuüm van de dageraad het onbestemde weerkaatst 

Sascha Beernaert
0 0

Prachtige wallen (deel 1)

13 januari 2014   Ik heb geen naam, geen leeftijd, geen geslacht, geen thuis, geen verleden, geen toekomst. Of het is te zeggen: ik heb elke dag een andere naam, een andere leeftijd, een andere thuis. En een andere enzovoort. Elke dag word ik wakker als een ander persoon, in een ander bed, in een ander huis, in een ander leven. Soms ben ik een boekenwurm die gepest wordt op de lagere school, een week later ben ik de pestkop. Soms ben ik de president van Amerika, een week later die van Rusland. Soms lig ik op de afdeling Palliatieve Zorgen in een ziekenhuis in Litouwen, en dan zit mijn familie naast me, naast mijn sterfbed, en zitten ze daar met tranen in de ogen en houden ze mijn hand vast en fluisteren troostende woorden, en kan het me eigenlijk geen bal schelen dat ik daar lig, want morgen lig ik er toch niet meer. En de dag erna lig ik er dan inderdaad niet meer, maar ben ik de verpleegster, of de moeder naast het sterfbed, of dan ben ik gewoon de voorzitster van een breiclub in Borgworm. Soms word ik wakker op mijn verjaardag – nu ja, iemands verjaardag… Dan wachten er cadeaus, een taart, een kus van mijn man of vrouw, af en toe zelfs een stomende seksbeurt, een soort onenightstand met de liefde van mijn leven, de liefde van mijn leven voor die dag althans. Soms moet ik mijn vader begraven, een pakkende toespraak geven over een man die ik nooit heb gekend, voor een menigte mensen die ik nooit heb gekend. Soms word ik wakker op vakantie, klaar voor een dagje genieten aan de Spaanse kust. Soms wacht er mij een zware dag op het werk, en verongeluk ik op weg naar kantoor. De rest van de dag breng ik in coma door, een dagje vrijaf, wat extra tijd om bij te slapen. Vraag me niet wanneer ik geboren ben. 1963? 1827? 1713? Ik heb geen flauw idee. Dit is al zo lang aan de gang dat ik niet meer weet wie ik in essentie ben of was. Een 37-jarige poetsvrouw uit Rwanda? Een professor in de endocrinologie uit Tilburg? Een blinde concertpianist uit Boedapest? Een postzegelverzamelaar uit Boekelo? Eigenlijk is het net alsof ik een meervoudige persoonlijkheidsstoornis heb, alleen heb ik een eindeloos scala aan alter ego's en verandert mijn persoonlijkheid met de regelmaat van de klok. Het voelt aan alsof deze identiteitscrisis – als ik het zo mag noemen – al eeuwen aan de gang is, en nog wel een paar eeuwen voort gaat duren. Ik heb het eeuwige leven, en ik ben het beu. Begrijp me niet verkeerd: ik wil niet dood, maar ik zou graag eens drie dagen op rij in hetzelfde lichaam willen doorbrengen. Kijk, soms word ik wakker als eindejaarsstudent, en leg ik die dag een beslissend examen af. En nooit weet ik een week later of ik geslaagd ben. Natuurlijk vraag je je af wat mij dat hele examen kan schelen, en je hebt gelijk: dat eventuele diploma wordt niet door mijn neus geboord, want een week later ben ik een volledig andere student, of een leraar, of de directeur, of een peuter in peuterklas, druk in de weer verf en plasticine. Vroeger kon dat soort dingen me inderdaad geen bal schelen. Ik heb nog eens een volledig examen lang op elke vraag geantwoord met hetzelfde standaardzinnetje: Zie cursus, pagina… Ook heb ik tijdens vrijpartijen met universiteitsstudentes geweigerd een condoom te gebruiken, omdat ik wist dat ik bij een eventuele zwangerschap de pampers niet zou moeten verversen, ik het huilende kind om drie uur 's nachts niet opnieuw in slaap zou moeten sussen, ik de kleine niet naar de balletschool of voetbalclub zou moeten brengen. Een keer werd ik wakker als een Irakese Imam met een dagelijkse column in de plaatselijke krant. Nou, daar heb ik mooi gebruik van gemaakt door een pleidooi voor het homohuwelijk te schrijven. Moet ik nog steeds om gniffelen af en toe, ben benieuwd wat die Imam de volgende dag allemaal – letterlijk en figuurlijk – naar het hoofd geslingerd heeft gekregen. Daar heb ik om eerlijk te zijn nog steeds geen spijt van, maar van die examens en zwangerschappen dus wel. Tenslotte heb ik misschien wel mensenlevens overhoop gegooid, toekomstplannen in rook doen opgaan. Daarom probeer ik nu altijd mijn best te doen op een examen of belangrijke vergadering. En breng ik de kinderen plichtsgetrouw naar de balletschool of voetbalclub. Maar ik blijf dus wel zitten met die absolute zinloosheid. Nooit pluk ik de vruchten van mijn gedrag, nooit zie ik de gevolgen van mijn daden. Ik leef nooit ergens naar toe, heb nooit toekomstplannen. Elke nieuwe dag maakt mijn vorige zinloos. Tijd dat daar verandering in komt. Ik wil wel eens een normaal leven leiden. Een identiteit hebben. Weten wat het betekent om mij te zijn. Zonder spiegel weet ik namelijk niet hoe ik eruitzie. Of mijn ogen bruin of blauw zijn. En zonder identiteitskaart ken ik mijn volledige naam niet. Ik begin het ook beu te worden om telkens weer datzelfde zinnetje te moeten horen van mijn toevallige familie of collega's. 'Je bent jezelf niet vandaag.' Inderdaad. Dat ben ik nooit. Ik weet niet wie mezelf is. Vandaar dat ik heb besloten om de volgende dagen sloten koffie te drinken. Mijn lichaam van de dag vol te pompen met cafeïne, in de hoop dat ik 's avonds de slaap niet zal kunnen vatten. Want het is in mijn slaap dat ik telkens van lichaam en leven verander. Wie weet… blijf ik wel een paar dagen dezelfde persoon, als ik erin slaag om telkens het nachtje door te steken.   24 januari 2014   Eindelijk! Het is gelukt! Ik ben vandaag nog steeds dezelfde man die ik gisteren was! Doodop, vermoeid, maar nog steeds dezelfde man als gisteren. Leraar geschiedenis op een middelbare school, 40 jaar, getrouwd, vader van twee dochters. Mark Desmet, dat is mijn naam! Mark Desmet! Een doordeweekse naam, een naam die absoluut niet tot de verbeelding spreekt, een naam die je zó weer vergeten bent. En toch is het de mooiste naam die er ooit heeft bestaan, het mooiste klankenspel dat ons alfabet al heeft voortgebracht. Want het is mijn naam! Mijn naam! Hallo wereld, ik ben Mark Desmet! Tussen 13 en 23 januari ben ik zoals gewoonlijk telkens als een andere persoon wakker geworden. Alle koffie ten spijt. Het probleem was dat ik telkens een nogal veeleisende job had. De ene dag chirurg, de andere piloot, de dag daarna diplomaat op een of ander belangrijk congres. Een voor een en stuk voor stuk veeleisende banen die heel wat energie vreten, en ervoor zorgen dat je 's avonds als een blok in slaap valt. Tot vandaag. Het is me gelukt, ik heb het nachtje doorgestoken. Wallen onder de ogen? Jazeker. Maar het zijn mijn wallen, de mooiste wallen die ik ooit heb gezien. Zo meteen vertrek ik naar school. Als de meest gemotiveerde leerkracht die het mensdom ooit heeft voortgebracht.   25 januari 2014 Nog steeds Mark Desmet. Nog steeds dezelfde wallen onder dezelfde ogen. Prachtige wallen, ronduit prachtig. Mijn vrouw, mijn vrouw, was er deze ochtend over aan het zagen aan de ontbijttafel. Ze zei dat ik me beter moest verzorgen, dat een leraar een verzorgd uiterlijk moet hebben, zodat hij discipline en autoriteit uitstraalt voor de klas. Ik gaf haar gelijk. Roemde haar woorden. Sprak lovend over haar wijsheid, haar inzicht in de subtiele mechanismen van het sociale verkeer, haar oog voor de eigenaardigheden van de menselijke interactie. Ik zei dat ik zo blij was, mezelf zo gelukkig prees, dat zij mijn vrouw was, zij en niemand anders. En toen kreeg ik een koffiekop naar mijn hoofd geslingerd… Blijkbaar botert het al een tijdje niet zo goed meer tussen Mark Desmet en zijn vrouw, en dacht ze dat ik het sarcastisch bedoelde. Heb me het huwelijk er wel uitgekozen…   26 januari 2014   De koffie blijft wonderen doen. Al drie nachten niet geslapen. Al een halve week Mark Desmet. Ook al een halve week geen seks. Elke dag ruzie dat wel, maar van goedmaakseks lijkt mijn vrouw nog nooit gehoord te hebben. Toch zie ik haar graag. Magda. Lieve Magda. Wat geniet ik van onze ruzies! Als ze echt kwaad wordt, zie je telkens dezelfde ader verschijnen boven haar linkerooghoek. Een pompend, zwellend monster. Waar ik enorm gesteld op aan het raken ben. Het geeft zo'n intiem gevoel om diezelfde ader dag na dag te zien terugkeren, om het gezicht van mijn vrouw, van mijn vrouw, elke dag wat beter te leren kennen, met al haar tics en onvolmaaktheden. Eindelijk leer ik eens iemand kennen, raak ik vertrouwd met een gezicht, begint iemand anders een rol van betekenis te spelen in mijn leven. Ach Magda, koffiekopslingerend serpent, zeurend takkewijf, lelijke feeks, ik hou van je. Met hart en ziel.   27 januari 2014   Het slaapgebrek begint stilaan zijn tol te eisen. Ik was vandaag te moe om van mijn geruzie met Magda te genieten. De afgelopen dagen heb ik me geweldig geamuseerd met het verzinnen van snedige replieken en gevatte antwoorden op haar gekanker en gezeur en gezaag en geklaag. Het was net schaken. Of schermen met woorden. Elke belediging moest teruggekaatst worden, elk verwijt gepareerd. Ik zag het als een soort sport, een verbale krachtmeting, net zoals een politiek debat, een oefening in welsprekendheid en retoriek. En het moet gezegd: Magda is een geweldige sparringpartner. Ze zou gerust een scheldwoordenboek kunnen samenstellen met haar uitgebreide kennis van de Nederlandse schuttingtaal. Ik moest het onderste uit de kan halen om me in een discussie met haar recht te houden. En dat deed ik dan ook, ze bracht het beste in me naar boven. Maar vandaag lukte het niet. Te vermoeid. Slappe concentratie. Zware oogleden. Trillende handen. Ik was geen partij. En zo is er voor haar natuurlijk ook niks aan. Geen uitdaging meer. Arme Magda, ik heb haar teleurgesteld vandaag. Gefaald als echtgenoot. Hopelijk lukt het morgen wat beter.

nEMO
0 0

Aan een Rotvaart Nergens Heen -- de "ik"-versie. Hoofdstuk 4: Voorbereiding

Hoofdstuk 4: Voorbereiding Zoals ik eerder schreef, was het uitreiken van de brievenpost – wat de meeste mensen te zien krijgen en ook waar ze spontaan aan denken als je hen vraagt een postbode te schetsen in hun gedachten – slechts een klein deeltje van de baan als postbode. Het voorbereidend werk nam minstens evenveel tijd in beslag, zeker als je nieuw was. Je moest je ronde sorteren en je overlastzakken op tijd klaar krijgen en dat van een resem straten waar je in je hele korte leven nog nooit geweest was. Zeker in mijn geval – van thuis naar Bijstand en terug naar huis. Bijstand was, voor de mensen die Kortrijk niet kennen, de school die in de Sint-Jansstraat lag, palend aan de Veemarkt (of Koeiemart zoals wij dat noemen). De school bestaat nu niet meer, opgeslorpt door het winkelcentrum K in Kortrijk. Maar goed, daardoor kende ik de Veemarkt van Kortrijk heel goed maar je moest me nergens elders droppen of ik vond de weg niet meer terug. Het uitreiken van je post duurde ook lang, maar dat kon je inkorten door nergens te stoppen “voor een dreupel” zoals men het ons vaak zou vragen. Of het nu Nieuwjaar was of niet. Pa zoop er niet naast en na negentien jaar kon ik eindelijk begrijpen waarom. Maar dat is naast de kwestie. Het voorbereidend werk was zowat het meest geestdodende dat je je kan voorstellen. Beeld je maar eens in, je bent een jonge gast van een jaar of acht-negentien en je zit daar tussen een hoop venten die wel eens je vader konden geweest zijn – letterlijk of figuurlijk. En je neemt een brief in je handen en steekt hem tussen twee blokken op een tafel. Dan neem je een andere brief en steek je die er voor of er achter. En nog één. En nog één. En nog één en ga zo maar door tot je een vijftigtal brieven – de post voor de pare kant van de Weversstraat voor die dag, zo bleek later – in je poten hebt, waar je mentor een elastiekje rond doet en dat aan de kant zet. Volgende stapel. En de volgende. Enzovoort, tot alle brieven waren weg gesorteerd. Daarna was het de beurt aan de zogenaamde platte stukken, dat zijn grote A4-formaten of dikke boeken of alles wat eigenlijk groter is dan een brief en kleiner dan een pakketje. Die gingen dan in de postzak eens de overlastzakken klaar waren en in de containers lagen om opgevoerd te worden. Zo had ik op die dienst twee zulke plaatsen: Vlaanderenstraat 5 en Ringlaan 34, ofte het befaamde shoppingcenter. Daar lagen dan op mooie dagen één of liefst zelfs géén zakken. Echter gebeurde het vaker dat er twee of drie zakken per plaats lagen. Daar het december was, betekende dat extra veel werk. De feestdagen waar ik eerder onverschillig naar keek – bij ons thuis was er maar geld en animo voor fondue zowel op Kerst- als Oudejaarsavond – begon ik nu hartsgrondig te haten. Je moest maar zorgen dat je ronde rond raakte, en als je over je uren zat, en als beginneling was dat vaak zo, kreeg je niets extra’s, behalve gezaag van de rekenplichtige van de afsluit of een model 9.

Miguel
0 0

Aan een Rotvaart Nergens Heen -- de "ik"-versie. Hoofdstuk 3: Intermezzo

Hoofdstuk 3: Intermezzo 1 Het zou wel eens tijd zijn dat ik het postkantoor waar dit zich voor een groot deel afspeelt, eens beschrijf. We schrijven begin jaren 2000. Eind 2001 om precies te zijn. De postmannenzaal was nog niet vergeven van de computers en van laptops had nog niemand gehoord. Er waren twee kleuren prominent aanwezig; grijs van de betonnen vloer en groen van de muur, dat gebroken werd door er twee schakeringen van te gebruiken. Donkergroen onderaan voor een meter of twee en dan de rest tot aan het hoge plafond een lichtere tint. Naar de straatkant waren er hoge ramen ook tot aan het plafond reikten. Dezelfde ramen waren er aan de overkant van de zaal, en die gaven uit op een klein, schamel parkinkje, dat voor de helft overdekt was door een golfplaat die z’n beste tijd al dertig jaar geleden gehad heeft en waar de vlugste postbodes bij regenweer hun fiets konden parkeren. Terug in de postmannenzaal waren er vakken van alle slag. Kasten om grote stukken in te sorteren en kleinere briefkasten in een u-opstelling met een hoge bureaustoel in het gat van de “u”. Aan elk van die opstellingen was een hoge staander waar een bak post in bevestigd was. Naar de ramen toe waren de zogenaamde “casiers”, d.w.z. werkposten waar de post werd gesorteerd. De werkposten zagen er uit als tafels met daarboven naar de postman gericht een rek bestaande uit verschillende vakken. Daarin werden de grote stukken gesorteerd per straat of straatdeel. Op tafel werden de brieven gesorteerd, ook per straat of straatdeel. Daarna werden de brieven tussen twee gietijzeren blokken per huisnummer gesorteerd om er pakjes van te maken die ofwel in een brieventas – een ransel zoals we zegden – ofwel een speciaal daartoe voorziene zak, een overlast zak, werden gedeponeerd, die dan door de chauffeurs op verschillende plaatsen in de stad werden afgezet. De postmannen zelf waren overwegend mannelijk, ongeveer drie mannen tegenover één vrouw. De omgeving was dan ook mannelijk in al zijn aspecten – schunnige liedjes vlogen over en weer, zeker wanneer de andere kant de tekst moest aanvullen. Scheten werden zonder gêne gelaten en er werd stevig geboerd en gevloekt. Ik schat de gemiddelde postman toen een jaar of veertig, maar als je negentien bent, lijkt iedereen wel oud. Het waren ook niet alleen postmannen die daar rondwaarden. Ook bedienden waren er meer dan genoeg, net als chefs en zelfs een kantoorjongen, wiens taak het was op speciale dagen de Belgische vlag uit te hangen en de bloemen water te geven. Er was zelfs een blinde vrouw die iets deed in het postkantoor, wat juist en wat haar naam was, dat weet ik niet meer, maar in één of andere dienst stond vermeld dat degene die die dienst uitvoerde, haar moest gaan afhalen aan het station en die kreeg daar ook de voorziene tijd voor. Veel meer valt er niet te vertellen over hoe het in zijn werk gaat binnen in het postkantoor, niettegenstaande dat dat eigenlijk datgene is dat het meeste tijd in beslag neemt, zeker als je nieuw bent. De echte actie is wel het eigenlijke op baan zijn. De meeste mensen denken dat als je postbode bent, je maar je postzak te nemen hebt en “van schreef tot schreef te gaan tot je zak leeg is”. Helaas. In mijn jaren in Kortrijk 1, 1ste afdeling waren de schunnige liedjes zingen het meest promiscue dat wij deden. Zeemansverhalen over postmannen die overal wel iemand zitten hadden, zijn vooral dat, zeemansverhalen, verteld door het publiek. Intercollegiale relaties daarentegen waren wel meer frequent. Nog steeds geen schering en inslag, maar het gebeurde wel. Iedereen wist het wel van deze of gene die wel eens heeft gerollebold met zus of zo in een postbestelwagentje, maar dat werd opvallend discreet gehouden. Je vroeg er niet naar, niemand zei iets maar je hoorde het wel altijd.

Miguel
0 0