Zoeken

De Vos en de Scheper

Er was eens een Herder en zijn Schapen.Het leven was goed, hij hoefde niet te schrapen.Een klein hutje in de bergen, ver weg van de stad.Zijn kudde zo groot,  was al wat hij had.De moedige Scheper was zijn trouwste hulp.Slangen, wolven en beren, die sloeg hij tot pulp. Op een dag keek de Vos vanuit de struiken en dacht, ‘Ik heb een Idee!’Hij benaderde enkele Schapen en zei, ‘Psst, kom eens met me mee!’‘Wat doe jij hier, Vos?’ zegt een van hen smalend. ‘Denk maar niet dat je ons aankan,’ zei een tweede, veel minder onthalend.  ‘Natuurlijk niet, vrienden,’ antwoordde de Vos.‘Veel groter en sterker zijn jullie. Als ik me misdraag ben ik zeker de klos.’‘Ik kom jullie net waarschuwen voor het echte gevaar.’‘Zie ginds, de Scheper, een Wolf in donshaar!’De Schapen bekeken elkaar en lachten het uit.Het sloeg echt nergens op, wat kwam uit die snuit.‘De Scheper beschermd ons net van rovers en andere gevaren,’ blaatte een van de rammen.‘En hoe doet hij dat?’ vroeg de Vos. ‘Met beten en schrammen!’Dat was waar, gaven ze grif toe.‘Kijk maar naar z’n lange poten en scherpe tanden. Daarin zit de clou!’De Schapen keken om en zagen nu de gelijkenis.Hadden zij het dan echt zo fout en zo mis?‘Blaffen, snauwen en bijten?’ onderbrak de Vos. ‘Wat voor een beschermer zou dat nu zo doen?‘Hij wil jullie enkel voor  zichzelf houden! En daarbij, met die stevige hoorns op jullie hoofd, hebben jullie toch geen nood aan zo’n oen?’‘Neen!’ blaatten de fiere rammen. ‘Als we samenwerken kunnen we die gemene Scheper wel verjagen en indammen!’De Vos zag dat de Schapen waren overtuigd.Hij likte zijn lippen nu het geluk hem had toegejuicht.Langer verder keuvelen had niet veel zin.Hij bedankte voor hun tijd en sloop het struikgewas weer in. De Schapen vertellenden diezelfde dag nog het nieuws aan de rest van de kudden. Wanneer ze allen stampten en stoten kon de Scheper het wel schudden.‘Maak dat je wegkomt! De Vos heeft je sluwe plannen verraden, jij wreedaard!’Verwensingen en beschimpingen waren verder de standaard.De Scheper kreeg genoeg van de onhandelbare schapen en zette het op een lopen.Dat de Herder hiervan zou horen dat konden ze in hun oren knopen.De schapen waren blij met hun overwinning en blaatten van enthousiasme.De Vos feliciteerde hen bevestigend maar met onopgemerkt sarcasme.Diezelfde avond nog sloop de Vos tussen slapende schapen en nam een van de lammetjes beet. Zijn plan was gelukt, niemand bewaakte de keet.Met sierlijke sprongen ontweek hij spottend de woedende Schapen die hem probeerden te stoppen.Zo verging het ook de volgende nachten tot de wanhoop van schapen die hij zo slinks wist te foppen. De Herder was verrast toen hij de Scheper zag liggen aan de deur.‘Mijn trouwe Scheper,’ zei de Herder terwijl hij hem over zijn kop aaide. ‘Vanwaar deze honneur?’ De Scheper keek met droeve ogen, ‘De schapen hebben zich tegen mij gekeerd en wouden mijn bescherming niet meer.’‘Maar hoe is dat kunnen gebeuren? Waarom gingen ze dan zo hard van leer?’‘De Vos heeft hen wijsgemaakt dat ikzelf een wolf ben,’ piepte de Scheper.De herder streelde peinzend zijn baard, ‘Die Vos is misschien wel kleiner dan jou maar ook veel leper.’‘Wat jij en de Wolf gemeen hebben maakt jou net de best mogelijke beschermer voor hen.’De kudde is in groot gevaar zonder jou, we moeten nu gaan, ren!’ Samen snelden de Scheper en de Herder terug naar de kudde.De Vos met zijn snode plannen kon het nu wel schudde.Ze bewogen over bergen en dalen, haastig en vlug.Spoedig vonden ze de schapen angstig en bedroeft terug.De Schapen vertelden over de list van de Vos en hoe hij de lammetjes kwam stelen.Wraak was het enige wat hun pijn kon helen.De Herder hoorde hoezeer zei spijt hadden over hoe ze zich tegenover de Scheper hadden gedragen.Die les hadden ze wel geleerd, dacht hij, tot het einde van hun dagen.Samen met de Scheper ging hij op zoek naar het hol van de Vos.Dankzij de scherpe neus van de Scheper vonden ze het hol in het donkere bos.Daar troffen ze de Vos aan in een diepe slaap, hij had een dikke buik van al de lammetjes die hij had opgegeten.Ze keerden terug naar de kudden om te overleggen wat ze zouden doen met de Vos nu hij nog lag te bekomen van zijn avondeten. ‘Begraaf hem levend in zijn hol!’ stelde iemand voor. ‘Laat ons hem doodstampen!’ riep drie anderen in koor.‘We kunnen hem ook altijd zelf opeten?’ haalden nog anderen aan.Oh jee, dacht de herder. Als die Vos de schade niet kan herstellen dan is het zeker met hem gedaan.De Herder trok zich terug van de kudde om raad te vragen aan de Uil van het bos.Hij vertelde de Uil het verhaal en vroeg wat hij moest aanvangen met die snode Vos.‘De kudde wil vergelding, dat was duidelijk, maar wat is nu de geschikte straf?’‘Had het zin om een Vos te straffen voor vossenstreken?’ zo kaatste de Uil de vraag weer af.‘Ik hoorde eens,’ zo ging hij verder, ‘over een verhaal hier ver vandaan.’‘Daar had er eens een jager iets bijzonder gedaan.’ Wanneer de Herder terugkwam vroeg hij de Scheper om hem opnieuw te vergezellen naar de Vos en zijn hol.Daar troffen ze de booswicht aan met zijn buik nog altijd even vol. ‘Dit had de Uil ooit ergens gehoord,’ fluisterde hij wanneer hij het mes aan zijn riem nam.Tot hun verbazing vond hij de lammetjes levend en wel terug met enkel hun pootjes wat stram.Voordat hij de buik weer dichtnaaide propte hij deze vol penen.Dat was toch juist, vroeg hij zich plots af, of waren het kiezelstenen?De Vos werd al jammerend wakker met zijn buik zo volgeladen.Ze hadden hem geklist en nu lamenteerde hij zijn daden.‘Dat zal je leren.’ Lachte de Herder.‘Wat ga je nu met hem aanvangen?’ snauwde de Scheper. ‘Geheid slaat hij snel weer aan het liegen en roven.’Toen de Herder antwoordde kon hij zijn oren niet geloven.‘Ongetwijfeld,’ knikte de Herder bevestigend, ‘tenzij hij daar geen reden meer toe heeft,’ en hij gaf de Scheper een aai op zijn kop.Nu gaat het komen, dacht de Vos, nu krijg ik vast klop. Nadat de lammetjes werden verenigd met de kudde en de Scheper weer zijn oude taak had opgenomen nam de Herder de Vos mee naar zijn huis.Deze was nog altijd wantrouwig en verwachtte niets pluis.‘Of je maakt dat je verdwijnt naar de andere kant van de berg,’ zo stelde hij voor. ‘Ofwel?’ onderbrak de Vos, ‘zeg het nu maar hoor.’‘Ofwel werk je voortaan voor mij’. De Vos was verbaasd en wierp vragende blikken.‘Mijn partner heeft een moestuin en ook last van kraaien die pikken.’‘Ik had gehoopt dat je met jouw talenten een trucen de kraaien kon verjagen.’‘In ruil voor een hok vol stro en eten tot het einde van jouw dagen.’De Vos was ontroerd door de genade.Misschien was het toch niet zomaar een façade?En zo gooiden ze het op een akkoord.De Herder was blij met het werk van de Vos en de Vos met zijn nieuwe oord.Enkel de kraaien die waren wat nukkig.Maar verder leefde iedereen nog lang en gelukkig.

BenB
0 1

Jij streelt de wereld + recensie Tip Van De Week

Jij streelt de wereld Jij streelt De wereld zacht Haar naam Op het papier gedrukt Lachende hondjes Zonder leiband iets Tekenen op je arm   -- recensie Tip Van De Week -- Tony Coppo tipt deze week “Jij streelt de wereld” van “Tony Coppo”.  "Tussen alle fantasierijke, bombastische en uitbundige teksten op dit platform, grijpt de eenvoud van het gedicht van Tony Coppo naar de keel. Met ‘Jij streelt de wereld’ schrijft hij een bedrieglijk simpele tekst, die niettemin een hele wereld aan betekenis oproept. Een oppervlakkige lezing laat indrukken na van identiteitscrisis, de strijd tussen mens en het woord en het verval dat daarmee gepaard gaat. Maar snel wordt duidelijk dat dit een veel persoonlijker gedicht is. De leiband in de laatste regel is een verwijzing naar ballast of trauma: mentaal afval waar de ‘jij-persoon’ geen afscheid van kan of wil nemen. De arm in dit gedicht doelt dus op het onleefbare leven van een mens. Actief en passief worden hier erg goed gebruikt. Alle werkwoorden zijn actief.  Ook de eerste zin zit vol leven en daadkracht: de aangesproken persoon streelt uit angst dat er schade zou zijn aan zijn of haar ego. Dit alles staat in contrast met het passieve vervolg van het gedicht, waarin de jij-figuur ondergaat, ‘gedrukt’ is zoals een stempel of een te vaak gebruikte stylo. De naam en het papier nemen hier de hoofdrol op en verzieken ‘de hondjes’. De versregel ‘Zonder leiband iets tekenen op jouw arm.‘ doet denken aan Willem Elsschot. Tony Coppo gebruikt materiaalmetaforen en het stadsleven om iets te zeggen over de aard van de mens. Slim om in deze zin hier het lidwoord te gebruiken en het woord ‘tattoo’ slechts te evoceren en niet daadwerkelijk neer te schrijven. Het ‘iets’ dat tekent, roept associaties op met een bloedend of rottend lichaam dat daarmee de hondjes onrustig maakt. Een kleine suggestie. In de laatste versregel was ‘jouw’ arm volgens mij treffender geweest. Het expliciet toewijzen van de arm aan de hoofdpersoon, maakt het gedicht des te pijnlijker. De draad van de eerste ( ‘jij streelt) naar de laatste versregel (‘jouw arm’) wordt hierdoor strakker gespannen. Niet alleen klankmatig [αu] is er zo een sterkere link , maar ook het contrast tussen de niet-ambigue ‘jij’ en ‘jouw’ enerzijds en het gebruik van ‘je’ (dat zowel als persoonlijk en als bezittelijk voornaamwoord kan worden gebruikt) in de rest van de tekst anderzijds wordt hier spannender. Kortom, een straf gedicht, dat door zijn lengte en eenvoud doet verlangen naar meer." Disclaimers: - Gedicht: voorpublicatie uit 'Tony Coppo - Het gat gedicht' (2022 - De Bezige Bij) - Recensie vrij naar 'Tip Van De Week' (02-06-21 Uschi Cop - Azertyfactor.be) - Literaire foto van Tony Coppo gegenereerd door GeneratePhotos (AI GAN)

TonyCoppo
119 4

Enig kind

ik hou van mijn vlammend rode rok, mijn vuurrode vest mijn koraalrode kousen je kan niet naast, niet om me heen ik ben niet zoals jij een glimp babyblauw en dan weg   mama  houdt van groen, van haar grasgroene jurk naait ze een miniversie voor mij papa houdt van donkerbruin zoals van een bast waartegen je lekker leunen kan sterk als een stam toen haar groene tak met de eerstgeborene brak   toen het kind van het eerste bed lijkbleek teruggevonden werd     Zwarte lach ik ren de trap af naar beneê want daar ligt de eerste sneeuw pa en ma hebben erin gegraaid ze hebben een witte bal gedraaid ik kijk toe en begrijp niet goed hoe  leuk het is een bal te laten groeien tot een ijsman   ma heeft de grootste klaar pa zegt: stapelen maar bal twee komt boven op bal één en dan speel ik mee: ik zoek knopen voor zijn ogen een wortel voor zijn neus Limburgse kool voor een zwarte lach   als jij er nog geweest zou zijn hadden we samen vast dubbele pret gehad maar jij ligt ergens niet eens in een graf en ik ben sinds jouw dood kind af       De rouwkaart van vader   ik lees je naam boven die van mij voor het eerst op een rouwkaart je keert hiermee het tij   boven die van mij met een kruisje erachter je keert hiermee het tij in de hemel ben je poortwachter   met een kruisje erachter jaren doodgezwegen in de hemel ben je poortwachter even na de geboorte overleden   jaren doodgezwegen je zou mijn broer zijn even na de geboorte overleden terwijl ik jarenlang dacht enig kind te zijn   je zou mijn broer zijn voor het eerst op een rouwkaart even na de geboorte overleden ik lees je naam                            

Greet Langen
0 0