Zoeken

Free-fall

A freedom I had long forgotten both made me ecstatic and fear for my life. I was released into the wild without a warning. The forest breathed a sigh of relief, welcoming any new visitor indiscriminately.  Light tinted green sifted through the treetops.  There was no way to retrace my steps as nothing was left standing from where I used to come. In a world where animals could speak, I had no authority. Their breath held in an expectantly waited for me to take the first wrong turn. Power was accorded strength, violence rewarded with violence. Years of domestication had made me prey in their kingdom. Water and food were my highest priority, but hunting meant being hunted. I would have to run forever, and I had already run forever. I resigned to walk and listened for the sound of water blending with the wind. Not far off, a stream of veins flowed into a river. I yearned to bathe and forgot to drink until I sullied the water with my body. Cleanliness was an absurdity that I afforded myself as a luxury. I felt watched by benevolent eyes from above. Birds perched to behold my bath as I had done with similar condescendance. Surviving on the lowest hanging fruit, I started to forget of the sweetness in the trees I could not reach. Light green became dark green before I knew it, the cold settled in my bones and the silence of the woods interrupted with occasional hoots after nightfall. By the next morning, I stood on the edge of an open grass field. I wanted to run and catch the sun, but the fear of preying eyes kept me in the dark for another day to live.  The morrow, I watched my first hunting game. The body left bare was abandoned, its wounds bled into dirt to be reclaimed. For all the cruelty I had to bear as an insignia of humanity, the deer's rotting carcass was most composed in its decomposition. I was the last one they said. I was the lost one because I was the worst one. Redemption would be the end as this place let me live without pardon. In the days to come, I wandered and wondered of the irony through which faith kept me alive. Justice was done for, only a mind game I played  before sleeping.  Dew drips drops down the leaves crowned trees.  I was proclaimed innocent by the rain that washed away the blood stains on my hands.  The search for meaning outpaced the search for food. I struck in hunger against nature. Unyielding, it left me for dead, so I turned around and ate her. My sweet revenge rewarded with her Triumphant indifference.

elsiepelsie
0 0

Lambiorix (2)

17+ Tante Hannelore was een globetrotter. Nu woont zij in een eigen wereld waar zij gewoonweg een raadsel gebleven is. Wanneer de thermometer het een beetje warm krijgt, kleedt zij zich meestal uit, maar ik vind dat niet erg, vroeger niet en later zal dat ook zo zijn. Wij kweken samen veel in haar tuin en fruitgaard. Meloenen. Limoenen. Pompoenen. Op een dag zei ze tegen mij: Omdat je zo'n schattige oen bent, wil ik mij omringen met natuur die op -oen eindigt. Zo is dat dus gekomen, die passie voor oen. Zij heeft inmiddels ook al parelhoenen die uit eitjes kwamen. Er leven eveneens schorpioenen in een soort van couveuze. Ze perst altijd zeer graag citroenen uit en ik heb ook eens een kleine harpoen gemaakt. Wat wil je daarmee vangen?, vroeg zij mij. Onderwaterdromen? Bellen uit een dolle bron? Ze kust bovendien zeer graag Zoetjesweg. Het groen achter mijn oren. Echt. Alles wat een beetje oen in zich draagt, maakt ons werkelijk blij. Toen werd ook gelukkig, wanneer ik achttien werd en zij sprak: Nu mag dat ook, maar bevrucht mij niet. Dat is niet toegestaan. Coïtus interruptus. Ze zag het telkens in mijn ogen. De timing werd zelfs wondergoed. Ik mocht ejaculeren op haar buik. Het mocht in haar navelputje eindigen of haar borsten bekladden. Daarna dronken we samen Lambiorix. Ze bladerde echter zelden in het Maandblad van de geremde Pittemse Krulbolvrienden, die haar onverschilllig lieten en zomaar het alledaagse toelaten tot een hart, dat gaat ook niet! Zij hield immers immens veel van mij, van mijn levendige ballen, die ze wel eens zoenen wilde in die groenselhof op momenten dat ik het niet verwachtte.     uit de reeks 'Roeland Wittebolle'

Bernd Vanderbilt
0 0
Tip

Lambiorix (1)

  Het mocht niet zijn voor Carine Van Keirsbilck. Vorige week is haar poedel platgereden en tot overmaat van ramp zal er niets veranderen aan het clublogo van de Pittemse Krulbolvrienden. Het voorstel van Carine om voortaan een leeuw te laten figureren die zich aan een bolworp met waagt, werd algemeen weggelachen, unaniem verworpen. Carine stemde vóór. Als enige. Gij zijt zo zot gelijk een achterdeur, had Etienne zonder enige gêne geroepen en het moge gezegd zijn. Het is haast niet te geloven hoe die flaminganten domweg denken dat zo'n beest, dat hier nergens leeft, symbool zou kunnen staan voor eigenheid. Iedereen is zo uniek als hij of zij zelf is! Soms moet men eens op tafel kloppen, ook al zit men ergens moederziel alleen, in de uithoek van een zieke natie, aan de rand van een loom loofwoud, dicht bij de oever van een kreek vol dikkoppen, slechts wat brood van gisteren te eten. Ik, Roeland Wittebolle, ik maak een fietstocht. Zo dacht ik bij het krieken van de ochtend. Ik rijd naar zo'n landschap dat om eenvoud bedelt, eet daar een boterham aan een openbare picnictafel en stop op de terugweg bij die onvermijdbare Hannelore. Wij zij echt zot van elkaar, tante Hannelore en ik. Je mag dat gerust weten. Daarnaast en van ondergeschikt belang, maar ik vermeld het toch graag. Lambiorix is een eigen brouwsel van de Pittemse Krulbollers! Aimé is de secretaris van dat gezelschap. Het is Aimé die de clubblaadjes verstuurt en aangezien Hannelore steunend lid is, krijgt zij ook een exemplaar toegestuurd. Lambiorix dus. En Hannelore koopt dat bier ook echt voor mij. Het houdt de geest één nacht dapper en daarna mag de ziel drie etmalenlang van al zijn nietigheid genieten. Mijn allerliefste Hannelore weet dat ik zoiets gebruiken kan. Zij voelt dat altijd zo verduiveld goed aan wat ik echt nodig heb en zij kan mij beestig goed verwennen.     uit de reeks 'Roeland Wittebolle'  

Bernd Vanderbilt
44 0

Mi groot: lente in littekens

Er bestaat geen oprechte vrede in de wereld. Dat besef kwam langzaam, maar het werd duidelijker naarmate ik ouder werd. Het is de stilte na de storm. De les die muziek me, zonder woorden, leerde. Er zijn dagen dat de waarheid doorsijpelt in onverwachte momenten — zoals die ijskoude ochtend in maart. De lucht prikte aan mijn wangen en de geur van natte aarde kondigde een lente aan die nog niet zichtbaar was. De takken trilden in een bries die te kil was om geruststellend te voelen. Ik was acht en zonder besef van wat me die ochtend te wachten stond. Mijn voeten bungelden boven de vloer terwijl ik op een te grote stoel zat. Toen begonnen de eerste noten van Vivaldi’s De lente en veranderde alles. Die muziek. Ik wist niet wat ik hoorde, begreep de klanken niet, maar het was alsof een deur openging, een deur die ik nog niet had durven openen. Mi groot — helder en hoopvol, maar ook doordrenkt van een waarneming dat ik later als melancholie zou herkennen. Die noten waren niet zomaar geluiden. Ze waren een verhaal. Een geheim in klanken, dat ik voelde, maar nog niet begreep. Toen ik die avond aan mijn moeder vroeg: – Hoe kan muziek… zó voelen? – Stopte ze midden in de afwas. Ze draaide zich naar me om, haar handen nog nat van het sop. Ze keek door het raam, waar de avond langzaam verdween in een blauw dat bijna zwart was.   – Vivaldi schildert niet alleen de lente, – zei ze. – Hij legt vast wat onzichtbaar is. Wat je voelt, maar nooit hebt kunnen zeggen. – Pas jaren later begreep ik wat ze echt bedoelde. Mi groot is als een sneeuwklokje dat zich door de bevroren aarde wurmt, fragiel, maar met vastberaden kracht. Het weerspiegelt de spanning van de lente, die probeert te ontsnappen aan de kou van de winter. Het belichaamt het paradoxale van een lente die nog worstelt met de kou van de winter. Die spanning fascineerde me. En zonder dat ik het wist, werd mi groot een sleutel tot hoe ik de wereld zag. Als tiener ontdekte ik Nulla in Mundo Pax Sincera. De serene opening bood me een belofte van vrede te geven, maar die vrede was nooit eenvoudig. Het stuk zingt over schoonheid, maar ook over haar broosheid. De zang is als een ademhaling: kwetsbaar, haast breekbaar, maar toch vol kracht. Op donkere dagen luisterde ik naar dat stuk alsof het een baken was. Ik herinner me een specifieke avond. Mijn handen trilden van frustratie omdat ik de indruk had dat ik nergens paste. Terwijl de muziek speelde, voelde ik een vreemde troost. Alsof het zei: Dit gevecht is niet voor niets. De pijn hoort erbij, en dat is oké. Gaandeweg verloor ik die verbinding. Toen ik mijn twintigste naar de andere kant van de wereld verhuisde, veranderden mijn dagen in een eindeloze draaikolk van verplichtingen, mislukking, en een groeiend gevoel van leegte. Het voelde alsof ik mij niet herinnerde wie ik was, of waar ik naartoe moest. De elektrische piano in de hoek van mijn studio werd langzaam een opslagplaats kleding.  Ik herinner me die zondag nog goed, de regen tikte ritmisch tegen de ramen, alsof de wereld buiten zichzelf in de druppels verloor. Ik zat in mijn kleine studio, omringd door de stilte, mijn gedachten verdwaald als bladeren in de wind. Maar toen het geluid van Vivaldi begon te spelen, viel alles stil. Het was alsof de wereld om me heen ophield te bestaan, en ik alleen nog maar kon luisteren. De sprankelende opening raakte een diepere gevoeligheid in me die ik vergeten was. Een deel van mezelf dat ik verloren had in de chaos van tijdsdruk en verwachtingen. Voor ik het wist, zaten mijn vingers op de toetsen van de piano. Ik speelde mi groot, aarzelend maar vastberaden, en het voelde alsof ik een gesprek hervatte met een oude vriend. Mi groot leerde me een waardevolle les: wedergeboorte is geen schone lei. Het is leren leven met je littekens, terwijl je toch blijft groeien. Het is als de eerste zonnestraal na dagen van regen. Niet perfect, maar warm genoeg om je hoop terug te geven. De kracht van mi groot zit in haar balans. Ze is helder, maar niet naïef. Hoopvol, maar niet blind. Als je goed luistert, hoor je de melancholie in de harmonie. Het is het geluid van de lente die nog niet zeker weet of ze kan blijven, maar het toch probeert. Deze sensatie is een spiegel voor het leven zelf: de vreugde die alleen maar intenser voelt door de pijn die eraan voorafging. Toen ik dertig werd en mijn eigen appartement had, kocht ik een vleugelpiano piano. Niet om concerten te geven, maar om weer verbinding te maken met dat deel van mezelf. Elke ochtend speel ik de grote toonladder van mi als een manier om te mediteren. Het is een ritueel dat me herinnert aan waar ik vandaan kom en waar ik heen wil. Op een van die ochtenden, voordat ik begon met mijn vingergymnastiek, herontdekte ik Nulla in Mundo Pax Sincera. Nu begreep ik de betekenis van de woorden die ik als tiener had gevoeld, en voelde ik de waarheid in die ene zin. In de stilte van de muziek vond ik wat ik al die tijd had gemist: een gewaarwording van vrede dat niet puur was, maar geworteld in de erkenning van de pijn die ik met me meedroeg. Mi groot is meer dan een toonaard. Het is een toon die me herinnert dat het leven een cyclus is: elke winter draagt zijn eigen lente in zich. Dat elke winter een lente brengt, maar ook dat elke lente een winter in zich draagt. Het leert me dat schoonheid niet zit in perfectie, maar in veerkracht. In de kracht om op te staan en opnieuw te beginnen, keer op keer. Misschien is dat de grootste gave van muziek: dat het ons helpt te zien wie we werkelijk zijn. Voor mij is mi groot een spiegel die niet alleen mijn littekens uitbeeldt, maar ook de kracht waarmee ik ze draag. Het is de toonaard van hoop, van veerkracht en van het leven zelf.   Mephis (aka) Evelyn Mérida

Mephis
21 2
Tip

Brieven aan Layla (5)

  Op akelige dagen blijf ik buiten liggen. Mijn haar wordt langzaam gras. Als wortels lijken armen uit een schouderblad gekropen en twee handen woelen door de grond op zoek naar mollen en hun vel. Aaibaarheid is wat donkere wolken missen wanneer zonnestralen weigeren ze aan te raken. U bent zo klam, is wat de hemel zegt. Mijn hoofd beweeg ik vandaag niet. De schedel is al bijna leeggegeten door een wreed verlangen en een orebeest of tien. De specht ziet nooit zijn rood. Hij zit naast de schelp van mijn doof linkeroor. De wormen die zich met mijn dromen voedden, weten niet dat er een vogel op hen wacht. Gelijk een vrachtvliegtuig met volle buik, zal er straks gevlogen worden door de trage lucht. Vandaag lachen de bloemen niet. Het is alsof verdriet door dunne stengels stroomt naar bladeren die dat verdragen kunnen. Of liggen luizen, rupsen op de loer? Sommige dieren durven zomaar van mijn smarten eten. Echt, ze schamen zich niet eens, ze kauwen zonder gêne op de droefenis die in mijn ogen zich zo veilig voelde. Liefste Layla, was er maar een weg waarlangs de eenzaamheid vertrekken kon. In tuinen die haar borgen kunnen, in die bergen met éên arend die naar warme lagen in de hemel zoekt. Het blauw verging. Wat rest is nog die dorst naar frisse regen. Hier is het te koud, mijn schat. Ik heb nog geprobeerd mijn benen met wat animo te wekken, maar ze wilden blijven slapen.  Het voelt alsof ik reeds een eeuw die wintertenen heb en alles kraakt wanneer ik toch probeer dat hoofd te tillen. Rond mijn nek gewenteld stierf de slang die dacht dat uit hart een appelaar zou groeien.  De boomgaard heeft zijn telgen gisteren geteld. Alle stammen spraken van een opstand tegen veel te lange winters. Misschien komen ze dan toch, mijn Layla en de lente die haar blik getekend heeft tegen een achtergrond die mij begrijpen kan.     uit de reeks 'Majnun, het gebrabbel van een gek'

Bernd Vanderbilt
44 1

Cabaret Lumière

  Verlieslatend zijn is het lot van de meeste romans. De Uil wil niet dat hem dat overkomt. Zijn Fabeltjeskrant is gelukkig één groot succes. Daar staat zo veel in. De strippagina met de Pedofiele Streken van Nonkel Bob is in ieder geval zeer populair bij de smerige onderlaag. Verder, vlak vóór de doodsberichten staan de Kleine Annonces. Geesteswezen zoeken er ouderschap. Sekteleiders bieden daar slaapgelegenheden aan. Er is deze week ook een advertentie die een Revolutionair Cabaret aankondigt. Alle verdwaalden van het Gehucht hebben het gelezen. Zij kwijlen als zij daarvan dromen. De Grote Opluchting is nakend. De Trainer van de Clown heeft ingestemd. De tent waarin de Opstand zich normaal vertonen laat, is veel te klein voor gans dit Dorp. Welkom allemaal in de Theaterzaal van de Gemeenschap voor het Cabaret Lumière. Daaronder staan de datum en het uur van de Verlichting. Aan de ingang zal de Controleur zitten die door middel van een oortje in contact staat met het Beruchte Slot. In die Burcht leeft de Uil. Hij peuzelt op de muzieknoten van Nonkel Bob en andere nare overblijfselen uit duistere tijden. Daar komt anders niemand. Men beweert dat de Clown daar is opgegroeid en geschoold werd door de Trainer. In ieder geval. Hier in het Dorp is men er eindelijk klaar voor. Het moest en er mocht een einde komen aan die geestesslavernij. Het orgel staat gereed. De pijpen zullen verse buitenlucht opzuigen en de geur van muffe wierook mag verbannen worden uit de longen van de ziel. Iedereen brengt zijn geheugen mee en zal de blinde overgave mogen uitspuwen, de gal van al zijn valse geel ontdoen. Spuugzakjes en plastiek emmers zijn voorzien. De Clown zal met een Lach vol Vuur de Dorpelingen meenemen in dromen vol extase. Daarna zullen de Sterren eindelijk naderen. Het Dak van het Theater zal zich openen. De Clown zal zweven door de lucht en alle dwalingen met zich meelokken. Gefluit zal weerklinken. De ratten van het Oud Verraad, zij zullen volgen in de richting van het Zwarte Gat.     uit de reeks 'Duivelsverzen'     

Bernd Vanderbilt
0 0

De pruimen zijn gevuld met mars

  Wat de sterrenhemel en een aquarium gemeen hebben zijn de vissen. Elke dag zonder slagzin voelt zich moedeloos. Ignace beet de kop af. Het betreft geen gepekelde haring. Zout hebben wij voorbehouden voor een dode zee. Alles drijft daar zeer gelaten en de Brit die aan de klaagmuur likt is altijd grof geweest gelijk een boerenbrood. Ze hebben nu een internationaal paspoort nodig die ontaarde eilandschijters, hooligans die nimmer bedaren. Ik hoop dat ze wegblijven. Ook die wrede dromen over lome zon bij dageraad. Alfred moeit zich zelden maar wanneer het moet dan onderbreekt hij de debatten. Fish and ships. Dat is voor smeerlappen die daarmee kunnen leven. Frieten die naar vis smaken, dat is gelijk vrouw proeven die te lang in haar mossel sliep. Wat weet een gnoom van vrouwen?  Een dartel keun dat in zoete pruimen lag sudderen, is veel beter. Igance denkt een keukenprins te zijn voor daklozen met stille tongen. Zij zeggen zelden iets. Vergeten zelfs te bedelen. Nog één euro heb ik te kort voor een ticketje. Geef mij dat opdat de doembeelden mij zouden verlaten. Mijn oprechte dank aan de straatsteen bodem waarop ik dat muntje vobd en aan de linkerkant voorbij de kassa's van de zoo is het planetarium. Ik weet niet waarom, terwijl de pinguïns in een ander kot de dagen niet meer tellen. Sukkels. Een planetarium is een sterrenhemel met slechts één ster, een wees in een obscuur theater omringd door een paar dwergen. Dixit Alfred. Ja, die zoo. Antwerpen is een oord vol barbariteit en rechtse terreur. Net gelijk Elon Musk. Hij moet nu echt naar de gevangenis. Genoeg van dat neofascisme op moderne batterijen. Bovendien. Op mars is de zwaartekracht veel te laag. Melancholie maakt daar geen schijn van kans.Niets kan daar zalig wegzinken. Zelfs een luie pik kan daar geen rustig dutje doen. Na deze woorden hoest de keel van Ignace en godverdomme. Wat moet een geest soms struikelen, weer opstaan, terugkrabbelen. Heb moed en wees heldhaftig in uw zoektocht naar een rode draad. Dat is mijn advies. Laat nooit zomaar los. Dat zeg ik telkens weer aan de sterren aan de hemel aan de regen in de lucht aan de warboel van de nacht.     uit de reeks 'Waanhoop'         

Bernd Vanderbilt
0 0

Lied van vroeger

‘We doen zijn jasje uit.’Het konijn hing ondersteboven uit te druppen. Keeltje door. Mijn grootmoeder wreef het mes met haar schort proper en depte haar neus met een zakdoek. Ze was niet ontroert omdat het konijn, inmiddels zonder jasje, ondersteboven hing te bengelen. Een verkoudheid noopte haar tot het meermaals snuiten der neus. Haar bril besloeg. Buiten slurpte mist het landschap op. Ergens joeg een paard zijn dromen achterna. Ze sneed met een achteloze precisie het buikje van het beestje open. Met haar lieve, oude handen, dezelfde handen waarmee ze mij knuffelde en streelde, voelde ze aan het buikje. Alsof ze een puzzel legde zorgde ze ervoor dat de organen klaar lagen om uit de buikholte te vallen als muntjes in het lunapark. De glimlach rond haar lippen maakte het tafereel vrediger dan het was. Het routineuze waarmee ze handelde gaf het iets gevaarlijks. De buurman stookte een vuurtje in een vat. Het verbrand rubber van oude banden overstemde iedere andere geur. Ik kreeg tranen in mijn ogen. Misschien was niet enkel de rook te scherp maar ook het leven dat zich aan mij presenteerde. Kippen pikten schraal graan. Later aten we het konijn met kroketten. We dronken tafelbier, ik wou dat ik roes kon proeven. Het huishondje week niet van de tafel. Nu vraag ik me af waar ze zijn de konijnen uit mijn jeugd. De talloze gevilde beestjes. Zullen ze, ontdaan van leed, hun opwachting maken wanneer ik oversteek naar gene zijde? Zullen ze, in een tijdscapsule, me terug mee nemen naar de jaren tachtig? Toen het gat in de ozonlaag het enige gevaar was dat op ons afkwam. Toen de Sint ook mijn schoen nog vulde en zomers eindeloos leken. Toen winters koud waren en al de rest nat.

Thomas De Mulder
14 0