Zoeken

Ik ben mij er eentje

Een wachtzaal. Zeg maar wachtkamer. Saai? Wat kan je er doen, buiten wachten? Buiten wachten? Er zijn er die dat doen. Claustrofoben bijvoorbeeld. Of rokers. Of mensen die dringend een luchtje willen scheppen of laten ontsnappen. Hier kan alles. Makelaars zouden dit vertrek omschrijven als knus, gezellig en authentiek. Ik als armetierig, klein, muf en gedemodeerd. Zelfs het schrale behangpapier heeft geen zin om hier lang te blijven.  De deur sluit niet meer. Auto's en vrachtwagens razen voorbij. Van dichtbij. Het leven is een zoektocht, maar hier hoef je niet ver te zoeken. De tocht komt me zomaar tegemoet, samen met de uitlaatgassen. Ook die van de claustrofobische man die volgens mij niet claustrofobisch is, maar eerder flatulent. Een roker is hij niet, althans geen traditionele. In gedachten zie ik een groene rookwalm uit zijn broek ontsnappen. Hij is een buitenstaander die hoe dan ook een beetje binnen blijft rondhangen. Eventuele conversaties in dit wachthol kan hij niet volgen, door het onophoudelijke geraas van het verkeer. Ik hoop voor hem dat hij wel zijn naam hoort als die afgeroepen wordt, al hoeft dat wat mij betreft niet meteen te gebeuren. Wat ben ik toch weer empathisch. Zelfs voor mensen die stinkend (en) asociaal zijn.  Die laatste eigenschap typeert ook mijn overblijvende medewachters. Het zijn eerder mediawatchers. Alle vier hebben ze uitsluitend aandacht voor hun smartphone. Uitsluitend, zich afsluitend, van alles en iedereen. Had de deur ook maar een smartphone, dan had ik tenminste geen ijskoude linkerdij en last van geur- en geluidshinder.  Asociaal is het alleszins niet, dat krakkemikkige draaihek dat zichzelf deur noemt. Het staat open voor alles en iedereen. Ook voor de vrouw die nu binnenkomt en pal tegenover me komt zitten. Geschatte afstand: 1,95 meter. Geschatte leeftijd: 48 jaar. Geschatte lichaamslengte: 1,65 meter. Ik hou van getallen. Ze ruikt naar 4711. Keuls water. Een klassieke en vertrouwde geur die alleszins heel wat aangenamer is dan (lichamelijke) uitlaatgassen. Saai wel, en inspiratieloos.  Mooi is ze niet. Ik zou haar kunnen beschrijven, tot in het kleinste detail, maar dat zou denigrerend overkomen. Dit komt misschien als een schok voor veel vrouwen, maar mannen houden van makkelijk. Een vrouw zou je doen of niet doen. Deze zou ik niet doen. Het siert haar wel dat ze niet onmiddellijk naar haar smartphone grijpt.  Ze kijkt zomaar wat rond. Naar het plafond en het afbladderende behangpapier. Niet naar mensen, zoals ik. Zo mist ze hoe de kalende man met zijn grijze snorretje rechts, voor haar links, snot uit z'n aardbeineus pulkt, het vervolgens tussen wijsvinger en duim tot een bolletje kneedt en het daarna met behulp van dezelfde vingers wegschiet. Walgelijk, want het belandt op het glazen bovenblad van het centrale tafeltje, net naast een scheef stapeltje tijdschriften dat er vermoedelijk al jaren stof ligt te verzamelen.  Zijn blik bleef en blijft op z'n schermpje gericht. Bedankt, kale neusplukker, de bijna onweerstaanbare drang die ik net had om het hoopje boekjes recht te leggen en eventueel op verschijningsdatum te rangschikken is nu helemaal verdwenen. Ik zie alleen nog dat snotbolletje. Is het nu lichtgroen of wit? Ik twijfel. Het lijkt qua vorm in elk geval op een miniatuurdruif. Zo'n witte die eigenlijk groen is. Met een zwart puntje middenin dat er een beetje uit lijkt te steken. Een neushaartje, denk ik. 'Johan!' Ik schrik me rot. Alsof het in Keulen dondert. Het onbeschreven vrouwmens van tegenover. Ze zal iemand herkend hebben. Misschien de snotschutter, of die jonge spichtige kerel ernaast die op een gele markeerstift lijkt in zijn flashy trainingspak. 'Johan! Waarom heb je niks gezegd toen ik binnenkwam? Typisch jij! Onnozelaar!' Tien ogen kijken me aan. De twee grootste zijn de hare. Het lijken wel pingpongballen. Twee seconden later kijken de acht andere gelukkig weer op hun kleine schermpjes. Het slechte nieuws was wel dat ze nu vlak naast me kwam zitten. Ik schoof instinctief een beetje op naar rechts, misschien omdat ik niet hou van te dichte nabijheid en omdat ik onderhuids vermoedde dat ze een vochtig sprekertje was, ook al omdat ze links vooraan een tand miste. Ik zou gelijk krijgen. Het was een van de weinige keren in mijn leven dat ik dat jammer vond. 'Ik, euh ...' 'Waren jullie nog lang gebleven vorige week op het feestje van Edwin? Ik vond het echt jammer dat wij naar huis moesten, 't was zo gezellig. En jij ... je was weer in topvorm! Echt jaren geleden dat ik nog zo gelachen heb! Die mop van die kikker en dat luipaard! Haha! Wat een giller! En de manier waarop jij dat dan vertelt, hé. Zo hilarisch! Ik had er achteraf buikpijn van,' sprak ze vochtig. 'Sorry, mevrouw. Ik heet Danny, niet Johan.' 'Whaaaahahaa! Mevrouw zegt ie! Jij weet ook niet van ophouden, hé! Johan, Johan, Johan toch! Jij bent me er eentje.' 'Ik ben er eigenlijk twee. Of nee. Johan en ik zijn twee verschillende personen, bedoel ik. Johan is Johan en die ken je blijkbaar, maar ik ben Danny. Danny die jou niet kent. Edwin ken ik evenmin en moppen vertellen is al helemaal niks voor mij. Ben ik heel slecht in, vooral omdat ik ze nooit kan onthouden. Soms hoor ik weleens een goede mop en dan denk ik: die ga ik onthouden. En dat lukt dus nooit. Heel frustrerend. Hoe dan ook: ik ben Danny. Niet Johan.' 'Onnozelaar! On-noo-ze-lahahaaar! Je blijft goed. Zo in je rol blijven! Het is weinigen gegeven, hoor. Danny zegt hij dan. Danny!' Een por in m'n linkerzij. En een beetje speeksel in m'n oor. De gele sportieveling rechts van ons gniffelt wat mee. Hij vindt het blijkbaar ook grappig. 'Ik kan je mijn identiteitskaart laten zien, hoor, als je wilt.'  'Dat zal wel, Johan. Dat zal wel! Jij kan alles.' En toen kwam de dokter binnen. Hij keek even rond en zei toen: 'Danny, jij bent de volgende.' Ik veerde recht en grijnsde triomfantelijk naar m'n buurvrouw. De magere jongen met z'n fluogele trainingspak deed achter m'n rug hetzelfde. 'Kom maar, Danny,' zei de dokter terwijl hij hem een schouderklopje gaf. En weg waren ze. Ik werd genegeerd. Jammer genoeg niet door iedereen. 'Whahahaaa! Johan! Niet te filmen ben jij! Echt niet te filmen!' Het daaropvolgende kwartier vertelde Marleen, want zo heette ze, lachend en speekselend over haar griepje en dat ze eigenlijk een mondmasker had moeten dragen maar dat vergeten was, over de citytrip naar Londen die ze vorig jaar gemaakt had met mijn vrouw Cindy (terwijl mijn vrouw Sabrina heet), over haar twee deugnieten van hondjes, over haar nakende tandartsbezoek en over de tijd dat we samen op school zaten.  Ik heb me op geen enkel moment verzet. Ik was Johan. Tot ze uit de wachtkamer werd geplukt door een andere dokter. Ze was blij dat we nog eens hadden kunnen bijpraten, want op het feestje vorige week was dat niet gelukt. Al dat grappen en grollen is prima, toch is het maar een façade, dat weet ze. Een rolletje dat ik speel. Fijn dat ik ook eens mezelf kon zijn. En dat ik dat altijd mócht zijn bij haar. Ze weet dat ik daar af en toe behoefte aan heb. Omdat ze me zo goed kent.  

Danny Vandenberk
0 0

Lijst van dingen die de dag een gouden randje geven

De eerste hap van een warme croissant met echte boter. Frieten van de frituur met nét iets te veel zout. Een toast met préparé op zondag terwijl ge eigenlijk “licht” ging eten. Verse pannenkoeken met gesmolten suiker die knispert. Gelukkig zijn er pannenkoeken. De korst van lasagne. Alleen de korst. Met uw vinger door de saus gaan terwijl ge zogezegd aan het afruimen zijt. Chocolade die eigenlijk “voor het bezoek” was. Een raketijsje in november. Omdat het mag. A sunday in the middle of the week.  De eerste slok koffie wanneer ge al te laat zijt. Nieuwe lakens. Zon-gedroogd. Fris als een nieuw begin. Een parkingplaats vlak voor de deur. Een dutje van twintig minuten dat voelt als een wedergeboorte. Een leeg huis met uw muziek te luid. Solden waar ge 70% korting krijgt en denkt dat ge winst maakt. (Vrouwenwiskunde.) Iemand die zegt: “Ik heb gekookt.” Een hand op uw onderrug in een drukke ruimte. Lepeltje-lepeltje terwijl het buiten regent en ge nergens moet zijn. Het moment vlak voor een kus. Dat zweven. Uw hoofd op iemands borst leggen en het ritme vertrouwen. Een man die spontaan de vuilzak buitenzet zonder zucht of PowerPoint. Een berichtje dat begint met: “Ik moest aan u denken.” Uw naam horen fluisteren. Iemand die zegt: “Ik regel dat wel.” Een applaus dat nét iets langer duurt dan beleefd. De stilte na muziek waar niemand doorheen durft te praten. Een opgegroeid kind dat onverwacht uw hand vastpakt. Een volwassen zoon die plots groter is dan gij, maar nog altijd “mama” zegt met dezelfde stem. Vriendinnen voor het leven die geen cava nodig hebben, maar weten dat het vandaag koffie moet zijn. Die niet vragen “hoe gaat het?” maar zeggen: “Kom. Zitten. Vertel.” De eerste zon op uw gezicht na weken grijs. Een lege stoel die pijn doet, maar ook bewijst dat ge kunt houden. Denken dat ge het niet meer gaat doen… en het toch doen. En heel even geloven: misschien wordt het toch nog schoon.

Katrien Daniels
37 2

Zeven zonden

Wandelweekend dag 3 Ze zijn terug thuis in de Vlaamse Ardennen. Ze ligt in bed, hij kruipt erbij en knipt het licht uit. Zo onverwacht. De routine om te lezen in bed doorbreekt hij zelden, maar als hij het doet wordt ze meteen stil. Ze luistert, voelt en kijkt in het duister. Hij ligt op zijn rug, zijn handen gevouwen. Er is rust. Hij lijkt te wachten. Ze denkt aan gisteren, aan de abdij en de pot met erwtjes die op tafel stond. Hij vroeg of ze echt waren en wou ze mee naar huis om te laten groeien. Ze nam er zeven uit het potje en stak ze in zijn borstzak. Hij vroeg of het wel genoeg was, of ze er niet beter 70 meenam of het hele potje. Ze zei: je hebt gelijk, de kans dat ze allemaal groeien is klein. Dus stak ze er nog zeven in haar broekzak om de kans te verdubbelen. Ze begint zacht te praten. Vraagt of hij weet waarom ze zeven erwtjes nam. Mijn zeven zonden, vraagt hij. Nee, dan had ik er toch zeventig meegenomen zoals je voorstelde antwoordt ze al lachend. Jij bent diegene die al lang niet meer te biecht is geweest reageert hij. Ik wou anders vandaag wel, kaatst ze terug, maar je durfde mijn biecht niet afnemen. Het is wel een kerk, die fantasieën van jou kunnen echt niet in een kerk, zegt hij alsof hij altijd de heilige is geweest, en daarbij het gaat nu toch niet, ik kan en wil het niet. Dat begrijpt ze.  Dan vertelt ze zacht dat hij haar op de zevende voor het eerst gezoend had en dat zij op een zevende verjaart en zeven altijd haar lievelingsgetal was, samen met drie en éénentwintig. En dat ze naarmate ze ouder werd ontdekte dat haar lievelingsgetallen ook magische getallen waren. Hij zegt dat zijn lievelingsgetal drie was en hij op een derde verjaart. Zij zegt: dan moeten we misschien op een éénentwintigste trouwen, maar het jaar dertig zal te vroeg zijn met al die blokkades van jou, we zullen het jaar zeventig nemen, tegen dan weet je het misschien wel. Hij lacht. Hij wacht even, dan veert hij recht en neemt zijn telefoon. Hij wil weten waarom het magische getallen zijn. Hij leest voor. De uitleg is passend voor wie zij zijn. Ze wordt slaperig en brabbelt nog: drie en zeven, het kan geen toeval zijn, we passen gewoon. Ze denkt aan de erwtjes in haar broekzak. Morgen moet ze die een veilig plaatsje geven. Mijn erwtjes ben ik kwijt, zegt hij droevig, en ik weet precies waar: bij de boomstronk waar we gerust hebben. De wandeling vandaag ging eerst weer door het bos. Het was koud, maar zonnig. Zij deed een sjaal aan, maar was meteen aan het zweten. Hij vroeg om het half uur of hij haar rugzak niet moest dragen en wist dat ze nee ging zeggen en dan volgde zijn hoofdschudden en een omhoog getrokken mondlijn omwille van haar koppigheid. Ze vond die mondlijn fijn. Die veranderde samen met zijn ogen naargelang zijn gemoed. Na een goed uur wandelen kregen ze aan de rechterzijde de weidsheid van de hoge venen te zien. Prachtig vonden ze het. Hij deed zijn hemd uit en legde het op een boomstronk om te gaan zitten turen in de verte. Zij ging naast hem zitten. Ze vertelde over haar angst van vleesetende planten en afgevroren voeten als je vast kwam te zitten in de venen. Hij deelde zijn herinneringen uit zijn kindertijd. Hij ademde diep in en zei dat hij zo graag in vrijheid en weidsheid wou leven, maar zo vast zat en geen uitweg zag. Zij wreef over zijn rug. Ze begreep hem. Bij het opstaan vielen de erwtjes uit zijn hemd, daar in niemandsland, zij waren wel ontsnapt om in de lente uit te breiden, in alle weidsheid en vrijheid, net als hun liefde.  De erwtjes liggen daar perfect zegt ze. Ze zoekt zijn hand en valt in slaap. 

Fien SB
20 2
Tip

Erwtensoep

Wandelweekend tweede dag Ze zijn op één kilometer van hun vertrekplaats. Zij herkent plots de baan. Ik ben hier al geweest, zegt ze. Gisteren had ze op kaart zitten kijken welke wandeling ze vandaag konden doen. Ze toonde welke haar interessant leek. Een wandeling van 15 kilometer, een stukje bos, een stukje langs de rivier en ook langs een abdij. Zijn interesse was meteen gewekt. Toon eens, had hij gevraagd. Ze toonde hem de foto's van de abdij en las de beschrijving: “In de abdij van Mariawald kan je nog steeds de welbefaamde erwtensoep eten.” Hij veerde enthousiast op achter zijn stuur “Het is die, het is die abdij!”. Zij voelde vuurvonkjes in haar binnenste. Ze had de abdij uit zijn jeugd waar hij vorige maand naar zocht gevonden. En hoe fijn vond ze het om hem blij te maken. Kon ze dit maar alle dagen doen! Ze komen aan op de parking. Zij gelooft haar ogen niet. Ze trilt. Haar buik voelt warm. Ik ben hier al geweest, zegt ze nog eens. Ze loopt in de richting van de abdij, als betoverd. Ze was er inderdaad al geweest, 2 zomers ervoor. Ze had haar toenmalige partner doen stoppen langs de baan omdat ze een mooie witte muur had gezien en wou weten wat daarachter zat. Hij had gereageerd dat de stopplaats niet ideaal was, maar zij wou absoluut uitstappen. Ze was langs de muur gelopen en had getrild. Ze wist niet waarom, maar ze wou hier even rondlopen. Haar partner en kinderen waren gevolgd. Ze liepen langs de abdijmuur naar boven. Daar was zij op het bankje gaan zitten. Ze was stil. Ze voelde iets maar kon dat niet delen. Ze zou wel weer horen “ben je daar weer met je rare gewaarwordingen”. Dus was ze stil en genoot van het gevoel te zweven, langs de abdij, over de uitgestrekte velden, in de zon, naar het verleden. Ze voelde liefde, de liefde die ze vaak miste. Ze lachtte naar haar kinderen. Wat was het leven mooi zo. Ze wou dat gevoel zo lang mogelijk vasthouden. Ze was thuis en ze wist niet waarom. Voor ze de plek weer verliet ging ze nog eens binnen in de kerk en keek door het raam van de cafetaria. Er was niemand. Alles was verlaten. Hij komt naast haar staan. Jouw abdij is mijn abdij, zegt ze en vertelt haar verhaal al wandelend. Er is veel zon, maar ze moeten eerst door het bos en zitten daarna aan de verkeerde kant van de vallei. Toch geniet ze. Hij is speelser vandaag. Ze kruisen een Vlaams koppel met hond. Ze praten wat over het ras en dan over de streek. Hij en de dame hebben vooral het woord. Haar introverte man kan wel heel gemakkelijk met vreemden praatjes maken en dat vindt ze fijn. Na een zin of drie doet hij het weer: hij brengt tijdens het gesprek zo subtiel zijn liefde voor haar naar boven dat ze gloeit. Hoe kan hij toch zo zacht duidelijk maken dat ze de vrouw is waarmee hij oud wil worden? Het laatste stukje is een ommegang, een klim naar boven. De zon recht in het gezicht. Ze zweten. Een zestiger komt naar beneden met een paternoster, strak gezicht. Hij zegt dat ze helemaal toe zit, madam paternoster. Zij lacht dat hij dat net moet zeggen met zijn blokkades. Dan lacht hij: “ik had die reactie zien aankomen”. Ze bekent dat zij ook zou toe zitten als hun relatie zou kapot gaan. Jij bent het, zegt ze, jij en niemand anders meer. Eindelijk zijn ze er. Hij gaat met de hond een plaatsje zoeken in de cafetaria, zij schuift aan voor zijn erwtensoep met worst. Hij zit in de zon. Ze zet de soepkom voor zijn neus, maar hij schuift hem naar het midden om met haar te delen. Zijn ogen spreken liefde en weemoed, hij neemt haar hand, zij wrijft over zijn vingers, kijkt hem in de ogen. Ze delen het abdijbier en de kaastaart. Ze voelt een gelukzalige vermoeidheid opkomen. De emoties van het goddelijke. Zijn abdij is haar abdij. Het was voorbestemd. Ze passen bij elkaar als twee erwtjes in één peul.

Fien SB
98 3

Over de helft

Wandelweekend.  Door miezerige regen een bospad 400 meter afdalen over een lengte van enkele kilometers. Even een stop in een dorpje om binnen te gluren in het leegstaand gasthof waar hij 40 jaar geleden met zijn vader kwam.  Zou dat vrouwtje nog leven? Wellicht wel, want het interieur is nog exact hetzelfde.  Zij stapt het toeristisch kantoor binnen, hij de kerk. Hij komt buiten met een rugzak vol kaarsen. Ze lacht. Eén of twee waren blijkbaar niet genoeg, de komende jaren kunnen we nog veel hulp van hierboven vragen. Heerlijk vindt ze de trekken van zijn mond en zijn pretoogjes op zo'n momenten! Ze gaan verder door het bos, helemaal naar boven nu, tot het plateau. De kilometers die volgen zijn een verademing na het gesloten bospad. Die weidsheid. Geelgroen wintergras, hier en daar kleine groepjes naaldbomen. Hij kijkt vaak naar haar, neemt haar vast. Haar hoofd is leeg, haar hart vol. Er is rust.  Ze eten iets en lachen met elkaar. Als ze terug verder lopen voelen ze de stijfheid in de benen. Zij overdrijft wat, hij lacht. Ze zijn over de helft. Ze vraagt zich af hoe het er uitziet als de brem in bloei staat. Hij vertelt over everzwijnen en over hun overwinning op beroepsmilitairen tijdens een oefening in het leger. Ze kijkt hoe hij bovenop een vervallen bunker kruipt en neemt een foto van hem rechtopstaand in de winterlucht. Ze houdt van die man.  In het verlaten dorp wordt ze niet overspoeld met gedachten aan de wereldoorlog. Ze krijgt niet dat luguber gevoel waar ze voor vreesde. Nee, in de kerk overvalt haar plots weer dat verdriet. Haar nichtje die het leven verliet. Het beeld van een trein. Haar lach die ze nooit meer zou zien. Eén, twee, drie, vier tellen inademen, vasthouden en weer uitademen. Nu niet huilen. Hij fotografeert haar, ze ziet het niet. Had ze maar een pen, dan kon ze hier wat voor haar neerschrijven op de gedenksteentjes.  Ze gaan verder, door struikgewas naar beneden, naar de kazerne waar hij sliep. Ze ziet de foto's weer voor zich. Hij in een kamer met zijn mooie kont voor de grap ontbloot, hij met baret naast zijn kameraden, hij in camouflagepak. Ze was toen vast ook verliefd geworden. De weg tussen de kazerne en de auto is lang. Ze hebben 18 kilometers in de benen. Vroeger was dit niets, maar het afgelopen jaar was zwaar en de wandelingen licht.  Ze huppelt en zwaait haar armen los. De laatste snokskes vraagt hij.  Terug bij de auto aangekomen omhelzen ze elkaar. Wat een mooie eerste dag!  

Fien SB
16 2