Zoeken

vandaag, en andere dagen die tegen de gang van de zaken in bewegen

Ik voel me, mee met jou, moe van mezelf worden.  Het is een gevoel dat krachtiger wordt naarmate je ervan bewust wordt gemaakt. Ik kan me niet bedwingen, en ik zou wel willen maar ik kan ook niet echt op gang komen; tot op volle kracht alle zeilen bijzetten. Waar je me vindt, is waar ik besta, begrijp je dat? Het is een dag zoals alle anderen: kaal en verlaten en leeggeplukt, besta ik weer en weer en weer op dezelfde manier. Ik word woedend wanneer ik daar moeite voor doe, want net dát is reageren: echte emotie bestaansrecht gunnen, het daglicht doen zien, de touwtjes in handen doen nemen. Ik moet reageren want ik veroorzaak niets dat beter is.  Alles is beter dan dit.  Beledig me door me te ontkennen. Ik wil zelfs minachting voelen; alles heb ik over in ruil voor minder kwetsuur. Minder pijn, prangend is de lokroep van morgen al. Wil je me aub doen vertragen, want ik houd het niet langer. Het is toch duidelijk dat dit gedicht een noodkreet is? Maar wederom is het poëzie; de act van dit geschreven te hebben is dus allesbehalve overtuigend te noemen. Is het artistieke vrijheid die me dwars zit? Dankzij artistieke vrijheid heb ik geen stem.  Wel heb ik jou, die in mijn dromen naar me kijkt, door me heen zwaait met de armen, want ik ben er niet, zou er nooit geweest zijn, als ik ik niet ben. Daarbovenop is het een droom, dus was ik er sowieso niet. Vertelt dit gedicht iets over dichten of eerder over pijn, mijn pijn, die nog het luidst van al weerklinkt? Ik altijd met mijn tragische beslissingen en de ontreddering nabij: hier mag een overdreven slotzin zich toch wel beginnen aankondigen, als een soort retrospectief. Allesbehalve beter eindigt het gedicht, de show, de betovering. Lieve jou, ik ben moe. Ik kan schrijven wat ik wil, maar niet willen wat ik schrijf.

Dries Verhaegen
39 2

de dichters bezongen de luiheid, dit geschenk der Goden

  De titel is er al het verhaal volgt  Misschien moet gezuiverden er nog bij. Iedereen is al vergeten dat met de termen zuiverheid en gezondheid de nazi's miljoenen mensen hebben afgeslacht. Terwijl de toenmalige kleinburgerij er, goedkeurend, stond bij te kijken.  De nazi's hadden het ook heel graag over de gezonde hardwerkende mens. Die zoals in het verleden van geboorte tot der dood als slaaf werkt, in het verleden voor de niet hardwerkende meesters. Tegenwoordig noemt men ze aandeelhouders en zonen.Het enige verschil met het feodaal systeem is dat na de Franse revolutie de meesters niet meer uit bloedbanden bestaan maar uit diegenen die zich op een of andere manier heben opgewerkt. Al dat nutteloos gewerkt en gezwoegen uit  "arbeit maakt vrij."Het resultaat de planeet die helemaal opgewerkt is. Vernietigd door de werketos ons voorgesteld door het oude testament in het zweet uwer aanschijn zult ge uw brood verdienen.  De enige oplossing is massale meditatie.  Moeilijk voor een opgefokte mensenmassa.   Deze waanzin is de liefde voor de arbeid, de woedende hartstocht om te werkenAlle individuele en sociale ellenden zijn geboren uit zijn hartstocht voor de arbeid. Twaalf uur arbeid per dag, dat was het ideaal van de filantropen en moralisten uit de achttiende eeuw. De moderne werkplaatsen zijn ideale verbeteringshuizen geworden, waarin men de werkende massa’s opsluit, waarin men ze gedurende twaalf en veertien uur tot dwangarbeid veroordeelt, niet slechts de mannen maar ook de vrouwen en kinderen. Christus predikte in zijn bergrede de luiheid: ‘Let op de leliën des velds, hoe zij groeien: zij arbeiden niet en spinnen niet; en ik zeg u, dat zelfs Salomo in al zijn heerlijkheid niet bekleed was als een van deze? (Mattheus 6:29). Jehovah, de baardige en afstotende god gaf zijn aanbidders het verhevenste voorbeeld van de ideale luiheid: na zes dagen van arbeid rustte hij voor de eeuwigheid uit. De Grieken van het Grote Tijdvak hadden ook slechts minachting voor de arbeid; slechts aan de slaven was het toegestaan te werken: de vrije mens kende alleen de lichamelijke oefeningen en de spelen van de geest. Dit was dan ook de tijd dat men wandelde en ademde te midden van lieden als Aristoteles, Phidias, Aristophanes; dat was de tijd waarin een handvol dapperen te Marathon de horden verpletterde uit Azië dat Alexander weldra zou veroveren. De wijsgeren van de Oudheid onderwezen de verachting voor de arbeid, deze vernedering van de vrije mens — de dichters bezongen de luiheid, dit geschenk der Goden: ‘O Meliboe Deus nobis haec otia fecit’  ++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++ foto gallery VERF ED https://www.2dehands.be/q/verf+ed/ https://www.2dehands.be/q/verf+ed+rooie+flikkers+amsterdam%3a+montaigue+de+quercy%2c+frankrijk/ ¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨ Rond 1995 heb ik dat werk gemaakt. Ik noem het "altaar der culturen."Links ziet men een tv, onze gemeenschappelijke identiteit valt van het - silicium - glas - zand.De gemeenschappelijke informatiebronnen zijn verdwenen.De wijzen van vroeger opgevolgd door radio en uiteindelijk als laatste de tv die een ongeveer gemeenschappelijke boodschap uitdragen is niet meer.De informatie is versplinterd.Rechts ziet men een gietijzeren kandelaar daar in een mensenhoofd in papier. Stukken teksten. Krantenpapier "De encyclopedische mens".Gietijzer = nationalistenKandelaar = religieIn het midden staat de hedendaagse mens. Opgesloten. "de encyclopedische mens".Dit deel is gemaakt van een reclame voor lippenstift.Regeneratie KosmetikIn de dubbele wand gaan luchtbellen in het water de hoogte in.In die dubbel - transparantie - plexiglas zit diezelfde "encyclopedische mens".Het geheel staat op dunne platen, glas = chips = zand = silicium.Het geheel steunt op een gietijzeren pilaar = industriële cultuur.De gietijzeren plaat staat op de grond = landbouwcultuur.HET ALTAAR DER CULTUREN. Ik woonde toen in de Aalmoezenierstraat in Antwerpen. De jaren 90 tig.   http://www.anamorfose.be/verf/misc-images/verf-t-i-r-e      

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser.
9 0

Familiefeest

Bij mijn moeder in de familie heerst de goede gewoonte om mijlpalen te vieren. Dus toen onlangs haar jongste broer de tachtig aantikte, viel er een uitnodiging in de bus. Omdat mijn moeder niet meer zo heel mobiel is, was de uitnodiging ook aan mij gericht. Ik functioneerde als chauffeur en ondersteunende arm bij het lopen. Dat klinkt alsof ik het een opgave vond maar dat is helemaal niet waar. Ik verheugde me er op. En ik werd beslist niet teleurgesteld. Sowieso is het leuk om weer eens mensen te ontmoeten die je normaal gesproken niet zo vaak tegen komt. Sommigen geen spat veranderd, anderen stiekem toch ook wel wat ouder geworden. Waarschijnlijk denken ze van mij hetzelfde. Van dat ouder worden dan hè. Er was voor ieder wat wils. Natuurlijk begonnen we met koffie en speciaal voor de jarige ontworpen gebakjes. Heerlijk om die oudjes te zien peuzelen. En oudjes, dat klinkt misschien niet respectvol, maar zo is het absoluut niet bedoeld. Alleen was ik een van de jongere in het gezelschap. En dat wil toch ook wel wat zeggen. Later zaten de meesten heel tevreden aan een drankje. De uitgebreide lunch zorgde ervoor dat er niemand omviel. En dat mijn moeders nieuwe outfit naar de stomerij moest. Het was ook heerlijk om met mijn nicht, die ik ook al in geen eeuwen meer had gezien, bij te praten. Ook over onze moeders, zussen van elkaar, en hen goedmoedig te plagen met het feit dat ze toch echt wat ouder worden. ‘Vertelt jouw moeder ook alles een paar keer?’ ‘Oh ja, zeker. En ze is niet te stoppen, het verhaal moet worden afgemaakt.’ De jarige was echt jarig en stond in het middelpunt. Hij genoot zichtbaar. Af en toe zag ik hem heel tevreden rond kijken. Dit was dan toch allemaal maar ter ere van hem. En hij was niet de enige die genoot, ik deed dat ook, met volle teugen. Later die middag heb ik mijn moeder weer thuis afgezet. Ik geloof dat ze best moe was. En ik denk niet dat ze die middag verder nog veel gedaan heeft. Gelijk heeft ze, ze is tenslotte niet meer de jongste. Dat is niemand van haar gezin. Maar ze zijn nog best met een behoorlijk aantal, en dat kan toch niet iedereen zeggen.      

Machteld
2 1

Het eren van mijn waarheid

Waar ik in geloof, daar hangt mijn levenskwaliteit vanaf. Mijn waarheid is de vorm die ik aan mezelf en mijn realiteit geef. Het zijn de overtuigingen waarmee ik me voed of schaad. Het bepaalt de kleur en invulling van mijn leven. Mijn waarheid is alles dat ik heb. Ieders waarheid is uniek, gevormd via een persoonlijk parcours. Iemands waarheid kan psychotisch genoemd worden als deze sterk afwijkt van wat maatschappelijk aanvaard is en als deze afwijking bovendien (zelf)destructieve gevolgen heeft. Mensen hebben de neiging om elkaars waarheid (af) te keuren. Of interpreteren andermans waarheid aan de hand van fragmenten die men erover opvangt. Iemand goed kennen, staat synoniem voor bewust zijn van de reikwijdte en grenzen van iemands waarheid. Aangezien er geen handleiding voor het leven bestaat, zijn we allemaal op onszelf aangewezen om er één te schrijven. Soms ontbreekt daarvoor de moed en zelfvertrouwen en nemen we liever de handleiding van een ander over. We leven dan ook in een maatschappij die het creatief uitschrijven van een persoonlijke handleiding of waarheid ontmoedigt. Tal van verdoken alsook openlijk getoonde strategieën en systemen trachten ons af te leiden van de kern in ieder van ons. De kern waar onze persoonlijke waarheid huist. Een waarheid is iets dat gaandeweg, doorheen het vergaren van ervaring, wordt opgedaan. Het behelst een pakket aan conclusies en getrokken levenslessen. Hoe intenser of traumatischer de ervaring, des te stellig de waarheid zal zijn die zich eruit destilleert. Een waarheid is echter nooit definitief of statisch. Het uit zelfbehoud star vasthouden aan een waarheid werkt beperkend. Het proces van zelfontwikkeling of bewustzijnsverruiming bestaat uit de natuurlijke expansie van persoonlijke waarheden. Het groeiende besef dat in essentie alles waar is en dat er tegelijk geen absolute waarheid bestaat, is daar onderdeel van. Maar om vanuit eigenliefde te handelen en het leven iets minder verwarrend te maken, is het noodzakelijk om achter een persoonlijke waarheid te staan. Om die te eren en daarnaar te leven. Het telkens opnieuw op losse schroeven zetten van de eigen waarheid is zelfdestructief. Er is namelijk een wezenlijk verschil tussen zelfreflectie en zelfkritiek. Zelfreflectie houdt in dat er de bereidheid is om de reeds opgebouwde waarheid constructief aan te passen en uit te bouwen. Zelfkritiek doet het omgekeerde daar het gaat over het afbreken en verwerpen van de eigen waarheid. Het verschil tussen zelfreflectie en zelfkritiek laat zich voelen in het lichaam. Zelfkritiek is het bijtend zuur dat eigenliefde wegvreet. In mijn pakket van persoonlijke waarheden vind je de vanuit de ervaring opgedane overtuiging dat chronische zelfkritiek ook chronische fysieke kwalen kan veroorzaken. Ik heb er het raden naar welke (ongetwijfeld goedbedoelde) beweegredenen mijn innerlijke criticus heeft om mijn waarheid telkens tegen de vlakte te gooien. Die criticus is  geprogrammeerd door het onderbewustzijn en reageert primair vanuit angst voor oordeel en uitsluiting door anderen. We zijn immers als mens evolutionair geprogrammeerd om op de aanvaarding en bescherming van de groep te rekenen. De persoonlijke waarheid al dan niet durven uitspreken, draait om veiligheid. Zwijgen en een deel van onszelf verloochenen, wordt vaak als veiliger en gemakkelijker beschouwd. In bepaalde gevallen is dit inderdaad de beste optie. Maar in veel andere gevallen brengt het onderdrukken van de eigen authentieke waarheid heel wat ellende. De kans zit er echter in dat er bij het uitspreken van de persoonlijke waarheid op een muur van onbegrip of misinterpretatie wordt gebotst. De meest liefdevolle en verbinding zoekende inspanningen kunnen als onzin of manipulatie worden afgedaan. Soms moet je besluiten dat jouw waarheid geen bodem vindt om in te wortelen of niet gezien kan worden door een ander. En dat het geen zin heeft om jezelf en je goede intenties te bewijzen. Dan rest er niets anders dan te aanvaarden dat je niet gezien wordt zoals je werkelijk bent en daar vrede in vinden. We noemen ons gelijkgestemd met iemand als de persoonlijke waarheden overeenstemmen. Als er bevestiging en herkenning gevonden wordt, wat een gunstig effect heeft op het zelfbeeld en zelfvertrouwen. Gelijkgestemdheid voelt daarom aan als helend en opbeurend. In tijden dat de natuurlijke dualiteit als polariteit wordt opgevoerd en vanzelfsprekendheden wegvallen, kunnen we ons daaraan optrekken. Uit respect voor mezelf wil ik achter mijn zelf- en wereldbeeld staan en ernaar handelen. Als ik niet gebukt wil gaan onder zwaarte en kwalen, dien ik dat te doen. Op een gegeven moment moet er een streep getrokken worden onder de som aan conclusies en levenslessen, met een persoonlijke waarheid als resultaat. En is het niet meer nodig om te twijfelen aan die uitkomst. Wetende dat er verder gebouwd kan worden vanaf dit punt. Maar wees maar zeker dat ik hierin word uitgedaagd. Dat er telkens als ik denk te weten wie ik ben een test op mijn pad gegooid wordt waardoor ik weer begin te twijfelen. En de angst voor verlies en afwijzing de kop op steekt. Nu wil ik mezelf voornemen om te stoppen met de zelfsabotage, met die energievretende zelftwijfel. Ik wil mijn waarheid zien als een uniek perspectief dat evenwaardig is tussen alle andere. Ik wil in mezelf blijven geloven wanneer anderen dat niet meer doen. Het is allemaal gemakkelijker gezegd dan gedaan, maar ik heb vertrouwen in de nieuwe oefeningen en kansen die zich aandienen om hierin te groeien. Moeilijke uitdagingen zoals conflicten met naasten maken in mij de vastberadenheid wakker om dit te doen (en schrijven).

KarolienDeman
21 2

Gustaaf gaat naar een lezing

Gustaaf drinkt zijn vierde en laatste tas koffie van de dag. Rond zeven uur doet hij zijn zware, leren jas aan. Hij twijfelt tussen zijn gele petje en zijn grijze petje. Hij gaat naar een lezing. Misschien wordt het een soort van gesprek. Het onderwerp: schoonheid en toeval.   Marie start vroegtijdig met een anekdote over een duif die op Art Brussels kunstwerken in een Japanse galerij ondergescheten heeft. Ze voegt eraan toe: ‘Hier gebeuren dingen.’ Ze bedankt de bib van T. voor het mooie salon en de ontvangst. Haar gesprekspartner tijdens deze lezing is kunsthistorica Leen die op haar beurt ook start met een dankwoordje. ‘Dank u voor de uitnodiging.’ Ze feliciteert Marie ook met haar lichtvoetige boek. Na roze, lichtblauw en rococo is het de beurt aan Marie om felicitaties te geven. Ze feliciteert haar gesprekspartner met een ‘Proficiat’ omdat ze in Basel echt getroffen werd door een kleine Vincent van Gogh. In tegenstelling tot bij Rubens stonden er geen mollige mensen op. ‘Opeens snap je het,’ zegt Leen. Naadloos gaat het over naar de Lentefee.    Na een uitgebreide uitweiding over Breughel, details, de papieren krant, traagheid, de Altiora-uitgeverij, ophouden, Eugène van Mieghem, concentratie en observeren doet Marie een bekentenis. ‘Ik ga niet naar de coiffeur. Ik doe dat zelf. Kijken, observeren kan een tekst worden. Het doelloos tot iets komen.’ Daarna heeft ze een vraag: ‘Is dat toeval?’ Leen negeert de vraag en gaat door over erotische en esthetische maniëristen die akelig perfect schilderijen fabriceerden, waardoor ze in Firenze belandde. Via de Kempen en een groot oom kunstenaar komen ze tot de lievelingskleur van Leen: geel. Marie geeft toe: ‘Ik had bijna mijn geel kostuum aangedaan.’ Gustaaf heeft Marie al een keertje in dat ribfluwelen, kanariegele kostuum gezien. Langs rododendrons, de tuin van het ouderlijk huis, natuurfragmenten, een atleet-verzetsman uit 1899 en zo meer komen we bij een order van een overleden vader: ‘Kom we gaan wandelen!’ Leen is het niet volledig eens met de opvatting van Marie dat de natuur een troostend effect heeft en ja, ook rustgevend is.  De kunsthistorica doet een filosofische bekentenis: ‘Binnen de week ben ik opgegeten!’ Het verbaast Gustaaf dat Marie daar geen humoristisch kwinkslag aangeeft, maar hij vindt het wel een leuk gesprek.   Marie laat erg rustig en aandachtig haar gesprekspartner aan het woord die nog meegeeft dat ze: ‘in de lente altijd vogels hoort.’ Hoe ze beiden tot het volgende onderwerp komen, weet Gustaaf niet meer; de zee en het verhaal van Tristan en Isolde die niet per toeval liefdesdrank drinken, maar per vergissing. In een boek met een weinig originele titel ‘La plage d’Ostende.’ komt een personage voor, een jonge vrouw die verliefd wordt op een oudere kunstschilder. Om hem te verleiden gaat ze zich kleden in zijn kleurenpalet. Ze doet dat heel slim en geraffineerd. Uiteraard loopt het slecht af. Gustaaf vindt het een leuk idee voor een prozastukje of een kortverhaal, maar twijfelt of dat boek een goed boek is. Hij fantaseert even, maar blijft luisteren.    Ondertussen zijn we wel aan een leuk onderwerp toegekomen: kledij. Na een biezonder korte opmerking over de Lentefee volgt een hilarische anekdote over de koningin van Denemarken, Margerete, een kettingroker, maar dat wordt niet vermeld. De koningin had een keer een eigen regenkostuum ontworpen door twee toile cirées, een geel en één met een bloemetjesmotief, aan elkaar te naaien. ‘Het zag er goed uit,’ weet Leen. Marie merkt laconiek op: ‘Als ge dan toch koningin zijt? Wat houdt u tegen?’ Gustaaf vindt dit het hoogtepunt tot nog toe. Hij zit al gans de tijd lichtjes te gniffelen, nu moet hij even hardop lachen. Leen houdt van goed geklede mensen op straat. Opnieuw heeft ze een leuke opmerking in petto. In het Victoria en Albert museum in London zag ze een keer een collectie van een dame die uit elke haute couture presentatie het lelijkste stuk had gekozen. Gustaaf glimlacht. Er volgt een kort woordje van Marie over het kostuum dat ze vanavond draagt en dat Gustaaf al weet. Wat hij niet wist is dat kunstenares Frieda zelf in eerste instantie reageerde met een: ‘Is dat niet een beetje overdreven?’ Waarop Marie toegeeft: ‘Ik had er in die mate zin in …, Ik vind dat zo plezant …, Er zal zich een speciale gebeurtenis voordoen.’ Gustaaf vindt het magnifiek. Hij zit opnieuw te gniffelen en amuseert zich. Leen meldt nog even dat er in Afrika stammen zijn die het fenomeen ‘kledij’ niet kenden.   Via een korte omweg over boeken, ‘Lolita’ van Nabokov en ‘Oud papier’ van Leen, komen we bij het onderwerp: het tot leven wekken van personages en het belangrijkste boek van de avond: ‘Het boek van schoonheid en toeval’. Leen bewierookt dat; ‘je durft dat!’, ‘Goed gedaan op een onnadrukkelijke en natuurlijke manier’, ‘ik hoor AMVK praten’, ‘geen notities en je kan dat allemaal onthouden!’, poëtisch, … Gustaaf weet dat het een biezonder boek is, want het is het enige boek in de bib van T. waarvan er een exemplaar bij Nederlands Romans staat en een exemplaar bij Non-Fictie Kunst. Dankzij Liliane Saint Pierre komen we bij religieus textiel en de drijfveren van Marie om dat boek te maken. Gustaaf begrijpt het als volgt. Als kind moest Marie zich regelmatig verdedigen in de familie. Doordat de omgeving rustiger werd, en zijzelf misschien ook, durfde ze onbevreesd al die mensen te benaderen. ‘Uw vraag richten tot iemand’, ‘Wat heb ik te verliezen?’, en een overtuigd: ‘Ik ga dat proberen.’ Leen luistert niet aandachtig, want ze vervolgt met een detail over de huwelijksjurk van Fabiola, een ontwerp van Balenciaga. Gustaaf wordt ook een beetje onaandachtzaam, want er volgt een lang relaas over familienamen en meer bepaald die van Leen. We komen tot een middeleeuwse mystica die op extreme wijze pestlijders verzorgde, Danny Devos, een Ursullinnenklooster, een fichebak, revolutionaire heilige-levens, de vraag: ‘Geen kamelen?’, een boekenkast uit de jaren zeventig, tekeningen met een BIC die mooi, blauw produceert, en tot slot de vaststelling: ‘we kunnen nog uren doorgaan.’ Gustaaf is blij dat het einde in zicht is.    Marie gaat een stukje voorlezen uit haar boek. Mooi zo, denkt Gustaaf. Er staat een lampje en Leen vraagt zich hardop af of lezen bij zo weinig licht wel kan. Marie zegt gedecideerd: ‘Het gaat lukken.’ En ‘Ik zoek het stukje in het park.’ Eerst is er nog een leuke intro over Liliane Saint Pierre, die na wat twijfelen zelf ook vol overgave had gemeld: ‘Ik kom naar Willebroek!’ Gustaaf legt zijn notitieboekje weg en luistert ontroert en aandachtig. Het is inderdaad poëtisch, met oog voor detail, een beschrijving van een natuurlijk verloop van een eenvoudige en oprechte ontmoeting tussen twee mensen. Opnieuw denkt Gustaaf: ‘mooi zo!’ en ‘ik hoop dat ik op een dag dat boek kan ruilen tegen een dwaas kunstwerkje van eigen hand.’ Hij weet niet goed hoe zich te gedragen en vraagt zich af of hij de twee gesprekspartners nu uitgebreid moet begroeten, feliciteren en danken. Het beperkt zich tot een wat weifelend handjesgeschud en een sociaal verantwoord: ‘Ik kijk er al naar uit!’ Het compliment als zou hij veel verbeelding hebben heeft hij niet verstaan. Bij het passeren van café Barzoen hoort hij live rock ’n roll muziek. Hij verlaat het cultuurhuis rokend met nog steeds een glimlach op de lippen.                    

Hubert Grimmelt
7 0

Kaatje van Gogh

Een tijdje geleden heb ik met Stef een workshop schilderen gevolgd bij de Hondenschool waar ik met Stef en Kaatje kwam. Stef heeft jarenlang behendigheidslessen gevolgd en Kaatje moest natuurlijk naar puppycursus en de cursus Gehoorzame Huishond. Als ik dat vertel tegen mensen, beginnen ze direct te lachen. Maar Kaatje luistert heus wel goed hoor. Ze is alleen af en toe een stout meisje. Dus toen ik de aankondiging zag voor een nieuwe schilderworkshop, heb ik me gelijk samen met Kaatje aangemeld. Het schilderij dat ik met Stef had gemaakt, was super en ik was benieuwd hoe dat samen met Kaatje zou gaan. Die is wat onbesuisder dus de uitdaging leek me wel wat groter. Kaatje vond het sowieso al geweldig dat ze mee mocht. In de auto zitten vindt ze wat minder. Niet dat ze bang is, of ziek, maar het is een ernstige zaak. Ze zat heel bedachtzaam mee te kijken. Totdat ze zag waar we naar toe gingen. Toen was het enthousiasme nauwelijks te onderdrukken. Want de dame die de hondenschool leidt, is absoluut favoriet bij Kaatje. Dan ziet ze niemand verder staan. En daar gingen we nu naar toe, ze had het heus wel in de gaten. Na de enthousiaste begroetingen en het kennis maken met de andere honden was het dan zo ver. Ik deed verf op het doek, dat ging in een plastic zak en Kaatje mocht er overheen stappen. En met haar neus snuffelen om zo de snoepjes van het doek af te halen. Het is echt zo leuk om te doen. Je bepaalt zelf de kleuren maar de hond maakt er een heel eigen compositie van. Als ik om me heen keek, zag ik heel veel verschillende honden met heel veel verschillende manieren van schilderen. Sommigen stapten heel bedachtzaam over het doek. Anderen gingen er op zitten of liggen. Kaatje moest ik natuurlijk in bedwang houden. Die zou in haar enthousiasme alle verf vertrapt hebben. Want wat niemand voor elkaar kreeg, lukte Kaatje wel. Ondanks alle voorzorgsmaatregelen zat er toch lichtblauwe verf in haar zwarte vacht. Ze was ook behoorlijk bekaf toen ze thuis kwam. Al die indrukken, het was veel. Maar, de schilderijen zijn mooi geworden. Ze liggen nu in de garage te drogen. En nu ga ik op zoek naar mooie lijsten. Want ze verdienen zeker een mooi plaatsje aan de muur.    

Machteld
0 1

Chaos.

Ik heb verschillende kerenIn mijn levenDe chaosBinnen gelatenIedere keerHerstelde ordeZichOndertussenWas mijn levenWelTotaal een andere weg ingeslagen.Was mijn horizon compleetVerandert. ....................................................................................... In de chineese taal bestaat het woord ongeluk niet. Ze noemen het NIEUWE KANSEN. **************************************************************************************** Foto VERF ED: julien schoenaerts foto gallery VERF ED  https://www.2dehands.be/q/verf+ed/ https://www.2dehands.be/q/verf+ed+rooie+flikkers+amsterdam%3a+montaigue+de+quercy%2c+frankrijk/ **************************************************************   Rond 1995 heb ik dat werk gemaakt. Ik noem het "altaar der culturen."Links ziet men een tv, onze gemeenschappelijke identiteit valt van het - silicium - glas - zand.De gemeenschappelijke informatiebronnen zijn verdwenen.De wijzen van vroeger opgevolgd door radio en uiteindelijk als laatste de tv die een ongeveer gemeenschappelijke boodschap uitdragen is niet meer.De informatie is versplinterd.Rechts ziet men een gietijzeren kandelaar daar in een mensenhoofd in papier. Stukken teksten. Krantenpapier "De encyclopedische mens".Gietijzer = nationalistenKandelaar = religieIn het midden staat de hedendaagse mens. Opgesloten. "de encyclopedische mens".Dit deel is gemaakt van een reclame voor lippenstift.Regeneratie KosmetikIn de dubbele wand gaan luchtbellen in het water de hoogte in.In die dubbel - transparantie - plexiglas zit diezelfde "encyclopedische mens".Het geheel staat op dunne platen, glas = chips = zand = silicium.Het geheel steunt op een gietijzeren pilaar = industriële cultuur.De gietijzeren plaat staat op de grond = landbouwcultuur.HET ALTAAR DER CULTUREN. Ik woonde toen in de Aalmoezenierstraat in Antwerpen. De jaren 90 tig.   http://www.anamorfose.be/verf/misc-images/verf-t-i-r-e  

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser.
10 0

Bezoekuur

Mijn telefoon ligt op de salontafel. Met tegenzin pik ik hem op en doe “slide-to-open”. Twijfelend druk ik op het telefoonicoontje opdat het toetsenbord zich aan mij vertoont.  Mijn vingers wegen elk 10 kilo. Gelukkig heb ik enkel mijn duim nodig om een nummer in te toetsen. Dat is mijn kleinste vinger en die weegt dus samen met mijn pink het minst. Voor ik het telefoonnummer in tik, druk ik 0 0 3 2. Kwestie van het gesprek nog wat langer uit te stellen. De derde nul moet ik nu laten vallen, maar dat geeft niet, een klein beetje verlies heb je altijd. “Vitas Sint-Niklaas, intensieve zorgen” weerklinkt het door de speaker. Mijn ruggengraat trilt, waardoor maagsappen hun weg naar boven tot in mijn strottenhoofd vinden. Dat zal iets met sonische golven te maken hebben bedenk ik me net. Ik slik wat zuur door, en antwoord:“Euh, Hallo. Ik wil graag een afspraak maken om mijn mama te bezoeken. Kan dat om 18.30 uur?” Wanneer ik de parking oprijd, moet ik een ticketje nemen. Dit is een gevaarlijke plaats bedenk ik, er lopen veel voetgangers en er is heel wat geroezemoes. Dat er nog niet meer ongelukken gebeurd zijn voor die kliniek, dat snap ik niet. Ironisch wel, een plaats waar zovelen gaan omdat ze op één of andere manier kapot zijn, maar er geraken is opzich levensgevaarlijk. Ik kan niet opkijken tijdens het wandelen in de gang, een diep schuldgevoel omarmt me en ik wil niemand in de ogen zien. Aan mijn hoofd hangt een ketting met bal, ik schop hem schoorvoetend verder. Met tegenzin schuifel ik door de lange hal en neem ik de trap. Trappen zijn gezonder dan liften. Terwijl mijn maagsappen terug mijn strottenhoofd verblijven, kom ik een man tegen in een witte doktersjas. Hij bekijkt me alsof ik een crimineel ben, hoewel ik hem schuchter groet. De man houdt duidelijk niet van bezoekers in zijn gezondheidsinstituut. Zou dat komen omdat we niet mogen weten hoeveel geld zij hier verdienen aan menselijk leed? Dokters hebben mij de laatste jaren een degout gegeven vrees ik. Zogenaamde genezende heren en vrouwen die hun verpleging nog niet eens correct willen betalen, laat staan behandelen.  Aangekomen in de wachtkamer van I.Z. neem ik nog even plaats om naar de kapotte tv en het mottige klokje te staren. In mijn hoofd praat ikzelf constant door, het is een litanie die mij schuldgevoelens geeft om dan plotsklaps om te schakelen in lofzang. Op dit moment had ik mezelf nog nooit ontmoet en begreep ik ook nog niets van geloof. Atheïst tot in de kist, als het ware. De interne monologen die ik ervaar zijn als sedatie tijdens een operatie. Je bent er wel, maar voelt het toch niet. De klok slaat 18.35, shit! Ik moet echt naar binnen. Met tegenzin neem ik de telefoon van de hoorn om me kenbaar te maken aan het secretariaat. “Hoi Mama” Fluister ik zachtjes eenmaal aangekomen in haar kamer. De imposante machines die haar in leven houden piepen en pompen en gonzen door mijn hoofd. Mijn eigen hartslag hoor ik in mijn oren suizen, terwijl die van mijn moeder - op de achtergrond - veel trager en stiller klinkt.  Viktor de verpleger stapt binnen en geeft me de dagelijkse uitleg. Hij spreekt met fluwelen woorden, en een volle hollandse stem.  Hij vertelt dat mama het ‘goed’ doet...Ik wil hem uitschelden: “Hoezo, goed!? Motherfucker lach je ermee ofzo? Mijn mama ligt hier al een maand in coma door jullie toedoen, ze doet het goed. Flikker op met uw zever, mottige klootzak!”Dat zeg ik uiteraard niet, want Viktor is echt een hele lieve man die goed voor mijn moeder zorgt. Ik hoor niet meer wat hij zegt, want het is toch elke dag dezelfde treut en denk aan die man op de trap met zijn witte gewaad. Misschien heeft hij mijn mama halfdood gemaakt?. Het gebeurt wel vaker dat ik niet hoor wat Viktor of de verpleging me vertelt. Mijn hoofd ‘phased’ naar een andere plaats, en mijn interne ik schreeuwt op dat moment om aandacht, zo luid, dat alles rondom me stil wordt. Zo stil als mijn mama. Elke dag praat ik een beetje met haar. Sommige dagen vertel ik veel, andere dagen krijg ik geen woord over mijn lippen. Toch ligt ze elke dag te luisteren. Spreken kan ze natuurlijk niet met die dikke darm door haar strot. Haar toestand voelt luguber aan, ze doet me denken aan mijn mémé toen die stierf op palliatieve zorgen. Mama was een hele mooie fiere vrouw die bijna op pensioen kon gaan, na meer dan 30 jaar onderbetaald te zijn door haar ex-man, mijn vader.Nu lag ze daar, met meters kabels verbonden naar een kak- en piszak en een berg luide machines. Daarnaast hadden ze ook nog eens haar borst afgenomen en woog ze nog 43kg. Wanneer je haar matras lateraal bekeek, zag je ze bijna niet liggen. Enkel haar scherpe magere neus en hoge jukbeenderen staken uit. “Ik ben vandaag gaan wandelen met Juul, dat vond hij heerlijk. Hij heeft zich liggen rollen in een duivenkakje, de viezerik” Plots,zie ik twee mondhoeken zachtjes omhoog trekken. De rode opgezette huid rond haar hoge jukbeenderen beweegt enkele millimeters.Ik beeld me in dat ze dit gehoord heeft en werkelijk lacht en maak deze gedachte zo sterk in mijn hoofd dat ik weer moed krijg om nog te praten. Het lukt niet, tranen gutsen uit mijn ogen en ik kan wederom niet meer spreken. Zo snel als ik kan ren ik het ziekenhuis uit. Ik betaal €1.80 parkeergeld en rijdt de gevaarlijke straat over, huiswaarts. Al meer dan €200 parkeergeld heb ik betaald in de tijd dat ze hier aanwezig is, pieker ik in de wagen. Ongeveer 168 uren gaan voorbij. Elk uur is zo lang als een streng draad die je terug moet opbollen. Dag in, dag uit, hetzelfde ritueel al 3 maanden. De voorbereidingen voor mijn mama haar dood die heb ik in mijn hoofd reeds honderd keren overlopen. Ik wil het niet toelaten of neerpennen op papier, want dat maakt het te echt. Dagelijks praat mijn interne stem op me in. “Je bent niet klaar om je mama te verliezen knul”. Iedereen die ik ken of tegenkom wil steeds over haar praten, want ze was geliefd. Maar dat wil ik niet, ik wil liefst niets vertellen. Als men vraagt hoe het nu met haar gaat, zeg ik steeds: “Nog altijd in coma hé”. En dan is daar die dag. Zoals gewoonlijk sta ik naast haar ziekenhuisbed, te kijken naar de schermpjes omdat haar aanzicht me teveel pijn doet. In mijn brein heb ik een notitieboekje waar ik alle getallen die ik op de monitors heb gezien neerpen. Zo kan ik zelf beslissen of ik verschil zie in haar toestand, in plaats van naar Viktor te luisteren.Als wonder wordt mama toch terug wakker uit haar winterslaap. Ze probeert haar ogen te openen en te praten, maar dat lukt niet. Het hoopje mens dat nog resteert na meer dan 60 jaar leven en meer dan een maand coma doet mij sidderen. Alles binnenin mij schreeuwt, ik ervaar alle gevoelens die ik ooit heb gevoeld opnieuw. Ik ben niet blij, niet verdrietig, niet angstig, ik ben niets. Mijn benen zetten het op een lopen, gelukkig zijn mijn schoenen aan de grond gelijmd. Ik zak in elkaar en huil als een onzekere baby van 36 jaar.   Intussen is mijn moeder 6 maanden thuis, na haar coma is zij nog een 3 tot 4-tal maanden in het ziekenhuis gebleven om te revalideren en nog wat extra operaties. Sinds zij thuis is, bezoek ik haar niet elke dag meer. Ik probeer één keer per week langs te gaan, maar mis regelmatig de courage en bel dan af. Ik bewaar een ongezonde afstand van haar, omdat ik als de dood ben om dit overnieuw mee te maken. Volgens mij is mijn schuldgevoel inmiddels groter geworden dan mijn liefde voor haar.  Ik ben een kutzoon.En nu ik dat besef, beloof ik om haar vaker te bezoeken.

Lijpe Lou
9 0