Schaduwlopen
De held schaakt zich door de geëtste wijken,legt zijn cape bij een afgestript stuk koord;zijn twijfel is weerloos en ongehoord,met wantrouwen kan hij zich niet verrijken.
Het ongure steegje neemt hij in zich op,het daglicht lijkt tot een punt gekrompen;vleit zich, op de bladeren en lompen;en de stoel die zwijgend waakt bij de strop.
De avond schuurt, traag, zijn gedane daden,maakt hem murw voor kille beroering,en het meisje dat in een diepe slaap viel.
Wat in bevlekt katoen staat wil hij niet raden;zijn cape schuilt in de versleten voering,haar tere kus ademt nu zonder ziel.