Zoeken

de rol van je leven

Sofia dacht niet dat ze het ouderschap had onderschat. Ze was wel totaal onvoorbereid voor hoeveel lawaai erbij kwam kijken. Immers, als je de strenge psycho-, peda- en andere argusogen op Instagram moest geloven was er behoorlijk wat mis met je als je kind langer dan tien seconden op een dag lichtjes jammerde. Sofia had al deze informatie rond hechting en trauma's als een spons in zich opgeslagen: liet je je baby in vreemde handen achter, al was het maar om zelf eens een warme tas koffie te drinken, dan was je als moeder geen stuiver waard.    En dus zat Sofia met haar drie maanden ouden dochter in een draagzak op het toilet, vertwijfeld heen en weer wiebelend in de hoop het eeuwige gekrijs toch even te temperen. Of jogde ze de trap op en af tot het minimensje in slaap viel, om de rest van de avond stokstijf op de sofa door te brengen, het geluid van de tv op stil zodat ze zeker niet meer wakker zou worden. Het kwam niet eens in haar op om haar dochter ingeduffeld in een bedje te proberen leggen - immers, mensen waren dragers en zij, Sofia, wilde toch alleen maar het allerbeste voor haar kind?    Vroeger deden ze dit toch ook?    Want oh, god: het gekrijs. Ze was zo onvoorbereid geweest op het gekrijs.Het kon natuurlijk alleen maar aan haar liggen - ook al zei elke dokter, elke osteopaat en elke natuurhelende reiki dat ze deed wat ze kon, aangezien Laurie bleef schreeuwen kon dat onmogelijk de waarheid zijn.    "Ik denk dat je te hoge verwachtingen van haar hebt," zei haar vriend, Jeroen, terwijl hij op zijn gemakje zijn trui over zijn hoofd trok. "Ze huilt toch helemaal niet zoveel?"    Hij plantte een kus op Sofia's wang, op Lauries bezwete hoofdje, en haastte zich toen naar de hal. "De plicht roept!"    De plicht, dacht Sofia wrang, riep altijd net iets luider wanneer Laurie zich brullend en krijsend tegen een nieuw rompertje probeerde te verzetten. De plicht begon ook pas te roepen twintig minuten voor Jeroens uren begonnen te lopen, wanneer hij zijn bed uit rolde en dan snel-snel moest douchen en vertrekken. Sofia had dan vaak al meer dan een uur een kwade baby aan de borst - maar daar kon hij toch niet mee helpen, dus waarom zou hij opstaan?    Opnieuw een ochtend waarop hij vertrok voor ze gedoucht was. Alweer een dag die ze in pyjama, met ongewassen haar en een collectie koortsblazen zou voortbrengen, de gordijnen gesloten zodat geen enkele Instamoeder kon zien hoe hard ze faalde in het enige wat vanzelf zou moeten gaan, het enige waar ze volgens het oerinstinct goed voor was.    Toen ze de voordeur hoorde dichtslaan, legde Sofia haar hoofd naast haar dochter op het verschoningkussen, en huilde met haar mee.

Anke Vandoolaeghe
7 1

En de handjes tegen elkaar

Kent u dat? Zo'n klote optreden met zweverig vioolgeneuzel waardoorheen iemand de toetsen van de piano vaker verkeerd indrukt dan juist. En als zure slagroom op de beschimmelde taart, kweelt een zanger onbegrijpelijke zinnen uit zijn strot. Vooral erg diepe, filosofische teksten. Metafysisch. En meer van dat.   Ga weg zou je zeggen, sluip naar de zijkant en verdwijn. Maar dat kan niet. Sterker nog, ik ga straks een staande ovatie geven. Mijn derde om precies te zijn, en helaas, daarna volgen meer ovaties. Staand en enthousiast.   Het zit namelijk zo: Naast mij zit Floortje.    Wie is Floortje, vraag u? Zij is sinds het eerste jaar van onze studie het meisje dat altijd straalt. Waar een licht vanuit gaat dat nooit dooft. Niet zo'n fel licht dat de omgeving verblindt, maar een zacht licht dat je verwarmt.    En gisteren, na twee jaar rustig opbouwen met samen studeren, werkgroepje-hier-opdrachtje-schrijven-daar, "oh, wat een toeval! Doe je ook aan Middeleeuws hofdansen?" en meer onverdachte toenaderingen, stemde ze eindelijk toe. Ik mocht met haar eten, na de voorbereiding voor het werkcollege. En 's avonds, zei ze, "wist ze nog een mooie bijeenkomst met muziek. Het begint om negen uur, is dat niet te laat?"    Dus u begrijpt: tussen die kutzooi zit ik met kramp in mijn ruggengraat te wachten tot het ophoudt.    En Floortje? Zij straalt naast mij op een manier zoals ik zelden zie, die verdwijnt bijna in het geluid. Genieten is niet het goede woord, dat omschrijft niet wat naast mij plaatsvindt. Ze houd mijn hand vast, kijkt mij tussen de nummers aan en zucht iets van: "Precies raak, toch?" en "Hoe kan hij dit zo verwoorden," en "Voel je je nu ook zo een? Echt samen?"   Het publiek heeft al twee keer een staande ovatie gegeven. En ik? Sukkelhans-de-ondergetekende klapte netjes mee, met het kontje van de stoel en een rechte rug. Of zo u wilt: een slappe rug, rechte ruggen klappen niet. Dit gebeurt vaker. Twee weken geleden bij een gastcollege waar ik vlak voor het einde wakker werd. Wat de afgelopen droogte is voor gras en bos, zo vergeeld maakte die docent mijn geest. Maar onze professor vooraan klapte enthousiast, stond op van zijn stoel en draaide rond, spiedend door de collegezaal. Of een keer bij een concert van de Bachvereniging. Mooi hoor, daar niet van, maar geen idee of het écht goed was. Voor mij zat mijn saxofoonleraar, en die heeft conservatorium, die zal het wel weten: Hij omhoog, ik omhoog en wapperde netjes mijn handjes tegen elkaar. Morgen, om kwart over tien, hebben we een werkcollege single case study methodologie, en ik hoop dat we samen daar naartoe fietsen, Floortje mag bij mij achterop de bagagedrager. En ik hoop dat we voor die fietstocht samen ontbijten, en ik hoop dat we voor dit ontbijt al verzamelen. Als u begrijpt wat ik bedoel.   Het vierde zweverige zeiklied is afgelopen, ze laat mijn hand los.   Sorry, ook ik schuif mijn stoel naar achter en daar gaan we weer.   In de literatuur heet dit probleem "The Standing Ovation Problem". Voor de geïnteresseerde lezer: Miller, John & Page, Scott. (2004). The Standing Ovation Problem. Complexity. 9. 8-16. 10.1002/cplx.20033. 

MCH
16 1

Oorlogseend

Ik spring in het zwembad. ‘Niet springen,’ schreeuwt mam. Het water ramt de rand, terwijl mam blijft blaffen. Ik neem meneer Kwak en zwem door het opgeblazen kasteel. Ik kom aan bij de troonzaal. Ik zet meneer Kwak op zijn troon. De koning bibbert. Mijn zusje klimt voorzichtig op het laddertje en voelt met haar teen in het water. Een aanval uit het noorden! Ik sluip naast de ommuring tot heel dicht bij de poort. Ik leun achterover op mijn handen, zodat ik precies een tafel ben. Met mijn gezicht juist boven het water, neem ik haar in het vizier. Mijn voeten gaan van de grond en ik trappel in het water. Een water aanval doet het altijd. Blus het vuur van de duivelin! Mijn zusje schreeuwt. Koud? Je komt van het noorden! ‘Stop met pesten,’ roept mam. Het water drupt van mijn zusjes gezicht. Het zijn tranen. Huh, waarom lacht ze, nu? Ze wijst met haar vinger: ‘Badeend.’ Nee! Meneer Kwak verdwijnt achter een golf. Hij verdrinkt als ik hem niet red. Met mijn raketmotor spurt ik naar koning Kwak. Mam schreeuwt: ‘Stop met wild te zijn!’ Ik spring op de paardenstal van de ridders, en grijp naar meneer Kwak. Hij gaat kopje onder. Nee, niet de koning! Ik zal wraak nemen op de vurige tante. Ik grijp mijn opgeblazen zwaard. Ik sta recht en loop met zware benen naar de vijand. Ze gooit met de ridderkamer. ‘Stop met de burcht te verwoesten, godzilla!’ ‘Ik ben geen zilla,’ schreeuwt ze naar me. ‘Ten aanval!’ Ik spring op haar. Belletjes stijgen achter haar op. Ze gaat haar scheet-turbo-motor gebruiken! Zo snel als ik kan, spring ik op mijn paard. Ik duw me zo snel mogelijk vooruit: ‘Aanvallen!’ O nee, ze heeft geteleporteerd. Ik kan niet stoppen, de golven dragen me naar de omwalling. De muren beven en plots ontstaat er een scheur. Een aardbeving? Nee, een waterbeving! Het kasteel stort in. Oh nee, de golven vallen het nabije keizerrijk aan. De keizerin valt van haar ligstoel. Ze verklaart de oorlog. Het einde van koninkrijk Kwak.

Kim Stessens
23 1

Gruyère

  Omdat hij in die gaten wil slapen, de leegaard, het vetzakske. Of omdat hij muizen wil kweken en ze dan ruilen met een ekster tegen zilver, de smerige kapitalist. Zo is het gebeurd. Omdat ik het bos in wilde. Omdat ik weg moest. De laatste daden die ik verricht heb in de normale wereld waren die van grafschennis en muiterij aan boord van een papieren vliegdekschip. De moord die ik had moeten plegen om ervan af te zijn, het is er niet van gekomen. Ik heb hem losgelaten omdat hij erom smeekte. Ik was een zwakkeling, even banaal als de ajuinringen in een hamburger. Des vaders zerk heb ik geopend. Dat was op een domme donderdag. Om te spuwen en te plassen op zijn kist en voordat ik het wist of goed besefte zaten die wormen weer in mijn hoofd. Aderlating, zweepslagen op de eigen rug. Niets had geholpen. Ik was een niemendal gebleven. Er is de schrijdende tijd en het benul dat deze wereld een planeet der vreemden is, kwam tot mij toen ik nog een kleuter was, toen een tuinkabouter tegen mij sprak. Hij leek mij toen nog niet zo echt. De waarheid en de wezenlijke kosmos hebben mij later omarmd als een natte inktvis. Zo ging het en normaal zou ik nu Layla aanroepen. Doch ik, deserteur uit het Leger des Onheils, ik houd ervan. Van deze stilte, de verweesdheid en ik heb het hem beloofd. Aan Alfred. Nu zijn frietkot afgebrand is en hij gewoon weer kabouter is in dit bos. Dat ik een bol gruyère zal meebrengen. In ruil voor een bed. Voor zijn gaten, voor zijn muizen, voor geen gezaag enwat zaagsel in een zak wordt mijn matras en hij, hij was een rotzak mijn vader. In vergelijking met hem is Alfred best nog uit te staan. Hij heeft mij niet getekend op de wanden van mijn eigen grot die ik niet eens gevonden heb.     uit de reeks 'Alfred Frietkabouter' of 'Majnun, het gebrabbel van een gek'... kies maar.

Bernd Vanderbilt
4 0

De zetel

Ronnie keek haar aan met nieuwsgierige ogen. Het was de eerste keer in drie maanden dat ze Netflix op pauze zette en zich uit de zetel hees. Ze liep in zijn jogging de voordeur uit om de post te halen, want mensen die hun post bijhouden hebben het voor mekaar. De pakjesbrievenbus was gedegradeerd tot een dit-huis-is-onbewoonbaar-verklaarde brievenbus omdat de kubus tot de nok was volgepropt. Ze wrikte de zware stapel halfnatte post uit de brievenbus en slofte in zijn teenslippers naar de voordeur. Met een zucht slenterde ze door de hal de witte trap op naar haar werkkamer. Ronnie spurtte haar achterna om het opnieuw tot leven gekomen baasje aan te moedigen. Het baasje vond het belangrijk om bij iedere nieuwe ontmoeting te benadrukken dat het “Ronnie met ie-ee en niet met een ypsilon was”. Het was haar man die vorig jaar de oprit opreed en haar onhandig een handdoek overhandigde met daarin een klein bolletje wol, haar nieuwe vriend met pluimstaart maar zonder ypsilon.Ze opende de deur naar haar werkkamer. De avond viel en ze wist dat het warme avondlicht zich langzaam zou verplaatsen over de fristiroze muur met de zandkleurige zetel waar hij uren had gekletst met haar. Haar man had er geen problemen mee dat ze op de bovenverdieping in elke kamer minstens één muur in het fristiroze liet schilderen. Ze voelde zich schuldig. Alsof zijn dood de roze muren plots rechtvaardigde. Ze plofte de berg post op het bureau, tegenover de zetel waar hij zat. De zetel waar hij met de handen achter het hoofd zorgeloos en langgerekt lag te kletsen met haar. De zetel was er nog. Ze hoorde het ene lachsalvo na het andere bij de buren. De buren die ze niet kende maar ze kende wel hun gesprekken. Over hoe bitcoin de beste investering is, dat we straks kleren kopen in de metaverse en Tesla, omdat het Tesla is. Ronnie brieste misnoegd wanneer ze te luid lachten. Even snel sprong hij op de zetel, snuffelend naar verdwenen geuren en begon te knikkebollen. Ze scande de post: een eerste herinnering, allerlaatste herinnering, geboortekaartje en verschillende oude nummers van De Tijd die meer weg hadden van een aquarel dan een krant. Ze keek zoekend rond in de kamer, hoorde enkel nog hem lachen en besloot dat de post en het leven nog even konden wachten. Ze opende haar laptop en begon te schrijven aan een brief naar de man op de zetel. 

Astrid T
4 2

Koffie

"Alleen kan een mens niet biljarten. Hij zette z'n pet op en ging." Toon Hermans, Café Biljart   Mis je haar, Peter? Ik had er nog niet bij stilgestaan of ik haar miste of niet. Het voelde wat onwezenlijk, zo die eerste schoolweek zonder mijn vaste maatje, maar toen Stefanie de vraag stelde, kwam het gemis keihard binnen. Ja, eh. Ik zie het aan je ogen. Het is niet hetzelfde om hier zo alleen mijn koffietje te drinken, echt niet. Katrien en ik waren al tientallen jaren als twee collegiale handen op één buik. De laatste vijf jaren hadden we als leerkracht allebei gevraagd om het eerste lesuur niet te moeten lesgeven. Dan konden we hier samen een koffie komen drinken voor we aan onze dag begonnen. Hier was de koffie immers veel lekker en gezelliger dan in de leraarskamer. Het was als een soort van stilte voor de storm, we konden even ademhalen voor de hectiek van de dag het zou overnemen. Door de deur van brasserie ’t Sujet zag ik het wat gezette silhouet van Gerard verschijnen. Hij stak zijn hand op, ik stak mijn hand op. Volgende week had ik een afspraak bij hem om te kijken hoe het met mijn depressie gesteld was. Best dat ik dan dit gevoel van ontheemding ook even ter sprake zou brengen. Ik moest vechten tegen mijn tranen. Zou dat normaal zijn, of had dat ook met mijn depressie te maken? Stefanie zette zich op de stoel vlak voor me waar normaal Katrien altijd zat. Ze keek me recht in de ogen. Blauw. Katrien had grijsgroene ogen. Dat was anders. Katrien had ook nooit een open decolleté aan en zat mooi recht. Doordat Stefanie wat voorovergebogen zat, dwaalde mijn blik al te gemakkelijk naar haar grotere borsten. Tine had me in het begin dat we samen waren verteld dat elke vrouw dat onmiddellijk doorhad als een man naar hun borsten keek. Het kon me niet zoveel schelen, maar richtte mijn blik toch weer op haar gezicht. Dat was licht opgemaakt, de lippen waren subtiel gestift. Katrien maakte zich zelden op, af en toe een lijntje om haar ogen. Ze had ook echte natuurlijke krullen, terwijl Stefanie haar steile haar in een staartje droeg. Het waren twee totaal andere vrouwen, maar beiden mooi in hun eigen opzicht. Nochtans zou Stefanie nooit de rol van Katrien kunnen overnemen. Al was het maar dat Stefanie hier werkte achter de toog. ’s Morgens zette ze de koffietjes klaar die de obers vervolgens de zaal in droegen, maar nu zag ik dat Ruben even haar plaats had ingenomen. Fijn dat ze dat deden, maar dat zouden ze zeker niet elke dag doen. Katrien was trouwens onvervangbaar. Hoe gaat het eigenlijk met jou, Peter? Stefanie bleef me indringend aankijken. Het ging wel. Er waren nog heel wat moeilijke momenten, maar mijn vrouw was heel begripsvol en de collega’s ook wel eigenlijk. Ik had wel nooit gedacht dat een burn-out en een depressie zo ingrijpend konden zijn. Zelf had ze ook een paar moeilijke periodes gekend, zei ze. Of ik wist dat zij ook in het onderwijs had gestaan, maar dat ze er wat gedegouteerd uitgestapt was? Het zou een te lang verhaal zijn om te vertellen. Dat hield ze voor een andere keer. Hier zat ze goed. Het had eventjes geduurd, maar nu kon ze het met haar baas Luuk vaak regelen dat ze de kinderen wat vaker zag. Haar man, die les gaf in een andere school, ving de kinderen vlak na schooltijd op en zij kon tegen 18u stoppen en dan kon ze hen nog helpen met hun huiswerk en zo. In het begin dat ze hier werkte, lag dat moeilijk, maar nu niet meer. Vandaar dat ze elke ochtend de zaak opende. Dat werkte voor haar het beste. Of ik ook al aan een job buiten het onderwijs gedacht had. Ik denk niet dat ik iets anders kan. Ach, natuurlijk wel. Het hielp om je blik af en toe te verruimen. Dat deed Katrien toch ook. Zij is niet voor niets aan een andere carrière begonnen. Ze moest eens andere lucht hebben. Dat klopte als een bus en dat wist ik maar al te goed. Hoe vaak hadden we het er hier met elkaar over gehad. De laatste maanden voortdurend. Ik had alleen niet door dat Katrien het effectief zou doen, van werk veranderen. Mij hier alleen achterlaten in een periode dat ook ik het moeilijk had. Niet dat ik het haar kwalijk nam. Ik besefte maar al te goed dat ieder zijn eigen leven leidde en ik wist dat de depressie die me omknelde ervoor zorgde dat ik mij bijna halsstarrig aan bepaalde personen vastklampte. De weinige echte vrienden die ik had, leken voor mij in deze toestand wel een soort bezit, een reddingsboei waar ik voortdurend beroep moest op kunnen doen. Dat ging natuurlijk niet, zo werkte het niet. Katrien had het ook waarlijk moeilijk en eigenlijk moest ik haar bewonderen voor de moed die ze had om voor een andere job te kiezen. Het was die moed en energie die mij voorlopig nog niet gegund was. Misschien moest ik daar ook niet op wachten en actief op zoek gaan. Ik zuchtte en voelde me moe bij de gedachte alleen al. Waarom stop je niet gewoon even met lesgeven en probeer je iets anders. Met proberen is niks mis. Ik zeg maar iets: in een winkel staan, bij tuinaannemers, die schreeuwden voor extra werkkrachten of zelfs vrijwilligerswerk… Is hier geen werk voor mij, Stefanie? Katrien en ik lachte er soms mee. Als we het beu zijn bij ons in school, dan komen we hier voor Luuk werken. Die is goed voor zijn personeel. Dat klopt. Ik werk hier graag, maar in het begin was het wel pittig. Voorlopig is er geen vacature. Heb je graag dat ik er iets van zeg tegen Luuk? Nee, laat maar. Ik denk niet dat in de horeca werken iets voor mij is.  ’s Morgens was het hier rustig genoeg, zoals ik hier zat, maar tegen de middag en avond was het veel te druk. Ik zou gek worden van al die drukte. Te veel indrukken. En ’s avonds was ik zo moe, zo moe. En dan zou ik de kindjes vaak niet zien. Nee, hier werken dat ging ik niet doen. Het was voor haar kindjes dat Katrien ander werk wou. In school was ze voortdurend kinderen in het gareel aan het houden en aan het foeteren. Zo veel dat ze thuis van haar eigen kindjes niks meer kon verdragen en bij het minste ontplofte. Dat wou ze niet meer: te veel voor andermans kinderen zorgen en de zorg van Bauke en Nienke niet meer aankunnen. Dat was de omgekeerde wereld. Bovendien vond ze het moeilijk om de leerlingen nog te motiveren voor Frans. Ze deden het gewoon niet graag en zij had er de energie niet meer voor om ertegenin te gaan. Ze verviel steeds vaker in een cynische houding en dat was niks voor haar. Het was zo erg dat ze niet meer overweg kon met haar rechtstreekse vakcollega’s die zo computeranalfabeet waren dat ze ook voortdurend aandacht en hulp nodig hadden. Zij zat in een straatje waar ze dringend uit moest. Ik knikte dan en begreep het, maar besefte niet hoezeer ze het meende en hoe zwaar het me zou vallen als ze effectief de overstap naar de privé maakte. En het viel me zwaarder dan ik wou toegeven. Dat voelde ik nu des te meer. Met mijn vrouw durfde ik het er niet over hebben, zij hoorde me al genoeg klagen en zagen. Ik wou niet dat ze zich vanalles in het hoofd zou halen en jaloers zou worden op Katrien. Ook al was ze een knappe vrouw en sympathiek en ook al waren er lustgevoelens, dat wou niet zeggen dat ik het te ver zou laten komen. Te veel gedoe en te vermoeiend, te veel mogelijke schuldgevoelens en gewoon allemaal te ingewikkeld. Niks voor mij. Ik zag Tine te graag, veel te graag. Elke avond fluisterde ik in haar slapende oor dat ik van haar hield. Heel veel. En ik meende het, dan ging ik haar toch zoiets niet aandoen. Nooit van mijn leven. Bovendien had ik niet de indruk dat Katrien enige gevoelens voor mij koesterde. Ik was voor haar een veilige gesprekspartner op dat gebied, vrees ik. Waarom ga je niet gewoon naar een interimkantoor en zeg je dat je eens wat ander werk wilt. Dat is vaak fysiek werk in de productie, maar andere lucht is andere lucht. Ik weet het niet, Stefanie. Ik weet het niet. Ze keek me aan met die grote, staalblauwe ogen. Het leken wel spiegels. Waarom waren die prachtige ogen zo bezorgd om mij, vroeg ik mij af. Op mijn gsm verscheen een whatsappje. Het was een foto van een bureau waarop een laptop en een tweede scherm te zien waren. Er stond een lege mok koffie naast. “De ochtend zonder jou,” stond erbij geschreven. Wat moest ik daar nu op antwoorden? Stefanie legde haar hand op mijn onderarm en zei dat ze me ging laten. Ze nam haar plaats weer in achter de toog en Ruben vertrok met een volle plateau naar het terras. Ik legde de juiste hoeveelheid munten op tafel, aarzelde en legde er tien cent extra bij. Merci voor de babbel, Stefanie! Dat is graag gedaan, Peter. En ze knipoogde. Waarom knipoogde ze? De psychiater stak zijn hand op toen ik hem passeerde bij het naar buiten gaan. Ik knoopte mijn jas dicht en dacht dat het misschien niet zo’n goed idee was om hier zo alleen te zitten elke ochtend.

Hans Van Ham
22 0

Koning Heldernacht

  Op de bodem van de slotgracht met haar zwaan of twee, daar wacht de sidderaal, daar liggen ze bij duisternis, de lijken hand in hand. Als ik maar heel even rust mocht zijn, weg kon uit de burcht van Koning Heldernacht. Helaas. Nog zelden heerst de eenvoud van de maan. Bedaar en sus de schemer. Zwijg nu, kikkers. Kwaak niet uit de modder over bange dagen. Er is een gier geland en dat was gisteren, toen klein geluk zijn hol niet vond, een dood konijn nog uit één oog kon zien, hoe uit de hemel zwarte regen viel. Het parelgras verloor zijn groen. Een laagje teer ligt op het hart van onze bloemen. Mijn schat, in onze tuin, die liefde voor ons scheppen zou, trachten drie vuurvliegjes de bui te overleven. Het einde lonkt. Altijd. Ze weten het. Zo ook de visser op de oever met zijn lege aangezicht. Hij vroeg mij eens of ik de wormen, die zich in mijn darmen voeden met de onverteerde droesem, aan hem schenken kan. Domme kranigheid en het verzuim te sterven. Ze hebben tijd gestolen van een staande klok. Het ding heeft ooit een winter lang de wereld heen en weer geslingerd. Ze tikt nog steeds. In de hal van het fort, met scherpe torens, scheve spitsen en volg je de trap, durf je langs die manke treden, dan vind je in zijn kop een hele hoop scharminkels. Het zijn schrale skeletten van de fantasie, fantomen die gescheurde kleren dragen. Ze wijzen je de weg. Naar zijn troon, naar die koning met zijn zieke tronie. Heldernacht? Te troebel is zijn blik en aan een draad daar hangen ze te drogen voor zijn natte mond, wanneer de duisternis haar gal uitspuwt. Het is sprot met rode ogen. Het zijn vodden die graag mottengaten wilden omdat aangetaste stof hen beter past. Uitgekleed zijn alle dromen en de waan ligt poedelnaakt aan zijn voeten. Of ik hem strelen wil. Of ik zijn bulten aaien wil en de koning lacht veel groener dan het parelgras.  De lijken hebben grijs gestolen van een tortelduif en zeggen het. Allemaal. Dat ik best meekom naar die bodem, die geneugten van de sidderaal. Het is voorbij, mijn lieveling. Zoek mij niet meer. De zwanen drijven naast elkaar. Slechts op prentkaartjes van het kasteel. Mijn ogen zijn te moe. De wormen willen mij. Mijn hart is voor de gier.     een sprookje uit de reeks 'Majnun het gebrabbel van een gek'

Bernd Vanderbilt
8 1

Over dialogen

Ik leg geërgerd een boek weg. Geen gewoon boek, het is een bestseller (New York Times Best Sellers List!), geschreven door een bestsellerauteur. En ik lees geen woord meer.    De schildering van het decor is fraai en vakkundig, ik zie geregeld goede actie afgewisseld met nuttige achtergrondinfo en over de bladzijden trippelen redelijk tot best wel interessante personen die worstelen met spannende problemen op weg naar een ongetwijfeld spetterende ontknoping op pagina vierhonderdeenenzestig.   En toch, bij pagina eenenveertig, na de eerste alinea van hoofdstuk drie, zucht ik en sla deze pagina op pagina veertig. Ik schuif het boek weg, pak mijn telefoon en scroll naar mijn bankrekening, dit was weer zonde van mijn geld.   De reden? Tenenkrommende dialogen. Vanaf pagina 3, de tweede pagina van het eerste hoofdstuk, is het jeuk-aan-de-ruggengraat-gevend erg. Opvallend dat ook bestsellerschrijvers soms de personen verschrikkelijk laten praten. Je vraagt je soms af waarom ze hun mond open trekken. Een of twee keer in een boek, daar kan ik overheen komen. Maar bijna elk gesprek is niet te lezen. En ik erger mij zo, dat ik het hier van mij af schrijf.     Dialogen: basics in elke lesboekje over schrijven.    U hoeft niet verder te lezen als u bekend bent met de principes van het schrijven van een goede dialoog. Dit schrijfsel voegt niets toe aan wat u weet (of zou moeten weten) over gesprekken op papier. En toch, blijkbaar denkt menig verhalenschrijver: die basistheorie (in elk schrijfboek herhaald) is niet voor mij, mijn geneuzel is wél belangwekkend. Nou, nee dus. 1 Dialogen zijn ongezond strak afgetrainde uittreksels van de gesproken werkelijkheid. Uitspreeksels zonder een greintje vet, en als je het goed beschouwd onnatuurlijk. 2En deze afgetrainde uitspreeksels houden een hete bal vast. Ze pakken de bal, laten even de spieren zien of doen een klein kunstje en gooien zo snel mogelijk de bal door, voordat de handen verbranden. De ontvanger wil zo mogelijk nog korter een pirouette doen en voordat de draai volledig is, pakt de eerste de bal weer af. Dit wordt een wedstrijd. Een echte wedstrijd van de bal pakken, een kunstje doen en doorgeven die handel.    Wij lezers, als kijkers naar het spel, willen een echte strijd, geen demonstratiepotje van klunzen die op een mooie zomeravond voor de ontspanning een balletje hooghouden. Nee, een strijd tussen deze uitspreeksels op het scherpst van de snede . Altijd vlijmscherp. Elk woord en elke reactie snijdt door het papier. Alsof je leven ervan afhangt.  3De uitspreeksels hebben verschillende kleren aan, afhankelijk van de situatie. Een vrolijke rok, serieus kostuum, grappige hoed, droevige pandjesjas, oppervlakkig T-shirt met krullend borsthaar of decolleté, diepzinnig gewaad, of wat voor broek, shirt of sok dan ook. Maar altijd nauwsluitend, zonder franjes: de spieren en opgezwollen aderen blijven zichtbaar. Een ruimzittend kledingstuk laat de drager struikelen.    Struikelende zinnen, of een fladderend loszittend stuk gesproken stof beneemt de lezer het plezier van de strijd. Een lezer wil geen gefladder, de lezer wil de bal zien schieten. 4De dialoog, net als bij een wedstrijd, wordt boeiend voor de lezer vanaf de aftrap of service (of welke sportvergelijking u wilt maken). Het inspelen en warmlopen is volledig oninteressant. Voor de wedstrijd zijn de lichamen gehuld in trainingspakken, soms zelfs met een gekleurd hesje en praten met de trainer, geven een hand aan de scheidsrechter en rommelen in de tas op zoek naar de waterfles. Slaapverwekkend en een onnodige afleiding van je verhaal en de voortgang stopt, alsof je met je racefiets in de modder vast komt te zitten.    Elke eerste uitgesproken zin is een snoeiharde service van de hete bal, de kale spieren bollen en geven een zwieper waar het uitspreeksel aan de overzijde van het net niet van terug heeft.   Hebben ze ruzie? Voor de eerste zin die u schrijft hebben de personages de inleidende beschietingen al gedaan. U begint bij de hoogtepunten. Vraagt uw personage een lening? De voorstelrondes, achtergrond checks zijn gedaan en het kopje koffie is neergezet: U begint met de afwijzing. Alles daarvoor is geneuzel. 5De lezer wil ook maar één wedstrijd per keer bekijken. Beschrijf wat de afgetrainde uitspreeksels belangrijk vinden en hou je hieraan. Bij teveel verschillende ballen die alle kanten opvliegen, waarbij de spelers tussen-hupjes maken en een spagaatje hier-en-daar, verliest de lezer het overzicht en de aandacht. De lezer staat halverwege op en loopt naar de kantine om het op een zuipen te zetten.    Dat de fiets van de hoofdpersoon onder het raam bij de bank staat wil niet zeggen dat het merk en het genot van wielrennen een onderwerp van gesprek moet zijn: De afwijzing van de lening, daar gaat het om. 6Wat wel leuk is, als je met de bal tovert. Soms is het balletje weg, je leest aan de bewegingen af dat de bal ergens is, en waar. Een schaduw vliegt langs en achter de rug wordt iets opgevangen. Maar de bal direct zien, nee, dat lukt niet. Om dit te bereiken, moeten de uitspreeksels nog strakker en nog onnatuurlijker zijn afgetraind.    Dat de lening wordt afgewezen omdat de beoogde lener de vrouw van de bankdirecteur heeft genomen op het toilet van het dorpshuis, terwijl de directeur in de grote zaal Sinterklaas speelde voor de kinderen uit de buurt, wordt slechts gesuggereerd, niet gezegd. Zo, ik ben het kwijt.  Als u het tot hier hebt volgehouden, hoeft u geen slecht gesprek meer op papier te zetten en stopt u, net als ik, met lezen bij tenenkrommende dialogen.    En als u denkt, "wat ik aan uitweidingen, stopwoorden en extra's in mijn dialogen stop zijn wel geslaagd," of "iedereen zit er wel op te wachten," of "het is echt belangrijk om te weten wat er allemaal vooraf gebeurde," of "zo laat ik karakter zien," of "zie mij nou eens die personages literair laten praten" .  .  .   Wordt wakker! Het boeit helemaal niemand!

MCH
44 0