Zoeken

Ik stap waar ik wil en geniet met volle teugen.

Ik trek mijn stoute schoenen aan.Met veel moed ga ik op stap.Waarheen? Daarheen waar mijn ogen mijn voeten leiden.Onbezonnen maar vastberaden om een goed stuk te wandelen.Let’s walk. Romp rechtop, rasse tred, armen slingeren.Stilaan vind ik mijn cadans.Zonnestralen strelen mijn huid, een blauwe lucht stemt mij vrolijk, een fris briesje waait.Huizen, tuintjes, weiden, bosjes passeren mijn perifere gezichtsveld.De vrouw die haar ramen poetst, de man die zijn gras maait, de postbode die van postbus tot postbus bromt, bouwvakkers en een draaiende betonmolen… zijn waarneembare activiteiten. Vogeltjes die fluiten, in de verte een balkende ezel, kikkers die in een poel kwaken dat het een lust is, een koppel wilde eenden vliegen voor mijn neus, wat verder in de wei… een fazant. Door de kleine afstand en het mooie licht komt het prachtige verenkleed super mooi uit, wat een kleurenpracht.Ter hoogte van een boerderij honden die blaffen, spelende katten, geitjes die bleiten.Ik vervolg mijn weg, haastig steekt een eekhoorntje de weg over. Snel verdwijnt hij achter het groene bladerdek.De natuur leeft! De man die met zijn hond gaat wandelen, de jogger die mij kruist, auto’s die te vlug rijden, wielertoeristen die zich alleen op de weg wanen, de moeder die met een kinderbuggy op stap is… iedereen heeft een doel.Op de grond voor mijn voeten… mieren die naarstig aan het werken zijn, platgereden slakken. Ik kijk op mijn activity tracker… reeds 12.000 stappen… nog 10.000 wil ik gaan.Deze weg lijkt mij leuk… OK… ik voel mij goed.. we vervolgen onze weg… daarheen.“Goedendag” zeg ik tegen de passant, de ene zegt “dag” en de andere… kijkt stug voor zich uit.Een veld vol met gele boterbloemen… prachtig… even stoppen om een fotootje te nemen.Terwijl ik stap mijmer ik nog even na... over van alles en nog wat.Aan de kant van de weg, een koppel zittend op een bank… zij rusten uit. Of is het een leuke en romantische date?De zon staat al hoger en het is warmer… ik begin te zweten… doch af en toe zorgt een frisse wind voor afkoeling. Gelukkig maar! Bekend terrein is in zicht, plots stopt een cabrio… “deze gaat toch niet de weg vragen?” … neen, het is Luc die mij herkent heeft en een praatje doet. Dat is leuk.Nog een paar meter en ik ben thuis… 22.356 stappen duidt de activity tracker aan.Well done, een zalig gevoel.Morgen gaan we weer op stap!

Guy Van Damme
16 0

Een verboden mapje vol

Hij had me de kleren van het lijf kunnen scheuren, maar dat deed hij niet. Omzichtig maakte hij mijn jurk knoopje voor knoopje los, de minuscule knopen als kostbare munten in zijn hand. Toen ik hem zei dat ik ze nu wel over mijn hoofd kon trekken en daartoe aanstalte maakte, legde hij zijn handen op de mijne. Hij zou zijn tijd nemen, zoals hij in de chat al had beloofd. Hij pakte mij uit als een cadeautje, net zo zorgvuldig als ik mij die morgen had aangekleed. De transparante stof van mijn bh had nog weinig te verbergen. Terwijl ik een ruk gaf aan zijn broeksriem, voelde ik zijn handen nieuwsgierig bewegen over mijn lijf, van mijn onderrug naar mijn billen en weer omhoog naar de sluiting ter hoogte van mijn rug. Mijn jurk gleed van me af, terwijl mijn borstjes gans verdwenen in zijn warme handen. Ik knoopte zijn broek los en ging gehurkt voor hem zitten. Terwijl hij mijn haar nog uit mijn gezicht haalde, nam ik hem zo gretig dat de tranen meteen in mijn ogen sprongen. Ik kokhalsde zacht, eenstemmig met zijn gesteun. Met een ziltige smaak nog in mijn mond maakte ik me van hem los. Edgen, net niet. Ik voelde hem feilloos aan.  Hij beet zachtjes in mijn onderlip en ademde zoete tabak in mijn nog zoutige mond. Ik proefde met mijn ogen toe, was verrast toen hij me op het matras duwde en hij op zijn knieën naast de bedrand ging zitten, zijn hoofd tussen mijn dijen. De warme vochtigheid van zijn mond beroerde me, eerst ongeregeld en gulzig, daarna gericht en gedoseerd. Met zijn haar in de war, zijn baard morsig en snakkend naar adem, keek hij op, op zoek naar bevestiging. Een zuchtende "nog" was alles wat ik nodig had. Toen hij bij me naar binnen ging, trilden mijn benen nog na. Een voor een had hij ze op zijn schouders gelegd. Hij was groot en bonkte hard, pijnlijk en zaligmakend hard. Ik kreunde luid en instemmend. Zijn ogen zochten de mijne en even hielden ze elkaar vast. Het ritme was verstoord, nog enkele keren ging hij ver uit en met een snelle stoot terug in. Ik moest ervan lachen en hij van mijn lach. Nonchalant plofte hij zich naast me neer. Dat het de beste seks ooit was, dat we dit niet konden maken, dat het ondeugend was maar niet legitiem. Ik veerde recht en ging schrijlings op hem zitten. Als een amazone bereed ik hem. Ik zou hem temmen, hij zou haar vergeten. Mijn beide handen hadden stevig grip op zijn onderarmen, ik duwde mijn bekken naar voren en gooide mijn hoofd naar achteren. Zijn boventanden beten in zijn onderlip. Ik herkende het van zijn filmpjes, een verboden mapje vol. Dat het die dagen van de maand waren, dat hij moest oppassen, maar te laat. Een zalige, ietwat koddige glimlach verraadde het. Onze liefde was bezegeld, een pact met de duivel, de prijs altijd te hoog. 

Véronique Scheyvaerts
136 3

De gouden oorbel

Fuck, ook dat nog. Tomas gromde. Stomme Veerle. Wie gaat nu in het bos wandelen met dure juwelen? Had ze toch wel een gouden oorbel van haar overleden oma verloren. Nu kon hij die gaan zoeken. Door de invallende duisternis zag hij nauwelijks een hand voor ogen. Hij trok zijn laars los uit de modder en rilde.  Liever was hij onder een dekentje in de zetel gekropen met een grote mok warme chocolademelk en enkele speculaasjes. De gedachte daaraan maakte hem nog kwader. Op Veerle maar ook op zichzelf. Was deze zoektocht echt nodig? Waarom moet ik per se bewijzen dat ik geen minnares heb? Dat die sms’jes aan Tamara niets betekenen? Een fijn contact met je ex is toch juist goed? Wie checkt trouwens de telefoon van zijn partner?   Hij probeerde zich te herinneren hoe ze waren gelopen. Waarom hebben we niet gewoon het betonnen wandelpad gevolgd? Hij stak de lamp van zijn oude Nokia 3010 aan. Dat kon die baksteen gelukkig nog net. Hier zijn we naar rechts gegaan, dan daar naar links, hier weer een beetje naar rechts. Plots stond Tomas stil. Hoorde ik nu net geritsel? Hij draaide zich om. Niets te zien. Ik zal het me wel verbeeld hebben. Hij zette enkele stappen. Dat geritsel weer. Word ik nu gevolgd? Tomas besloot het te negeren. Straks word ik nog paranoïde. Hij stapte koppig verder. Tot hier zijn we gelopen, daarna zijn we teruggedraaid.  Zag ik nu net een flits? Hij voelde een lichte paniek opkomen en versnelde zijn pas. We liepen hier naar links, dan bogen we af en daarna terug een beetje naar rechts. Alweer een lichtstraal. Nu was hij er zeker van. Hij begon te lopen. Die oorbel kan me gestolen worden. Ik koop wel een nieuwe. Aan het pad kwam maar geen einde. Dit klopt niet. Hier zijn we nooit geweest. Die lage struikjes heb ik nog nooit gezien.                                                                                                          Tomas besloot een eindje terug te keren in de hoop een herkenningspunt te vinden. Waarom wilde ik ook alweer geen smartphone? Ik had nu wel een GPS kunnen gebruiken.                      Dat licht weer. Plots zag hij een soort kleine vuurtoren naast de weg. Het leek wel het huisje uit Hans en Grietje maar dan in steen, niet in peperkoek. Daar komt dat licht dus vandaan. Nieuwsgierig sloop Tomas dichterbij. Hij keek rond. Niemand te bespeuren.                               Is dat de deur? Hij duwde er voorzichtig tegen. Kleren en een slaapzak. Een nachttafeltje en een opengeslagen boek. Hier woont iemand. Dat kan toch niet? Tomas kon zich niet bedwingen en stapte naar binnen. Een gasstelletje en enkele blikken witte bonen in tomatensaus. Een half opgegeten stuk brood. Twee paar Dr Martens en een verscheurde foto. Wat ruikt het hier raar.                                                                                Tomas zag nog een deurtje en duwde het open. De geur werd sterker, indringender, haast niet te houden. Hij bedekte zijn mond met zijn sjaal. Is dat een lichaam, onder dat doek?  Behoedzaam ging hij dichterbij. Hij schoof het doek een beetje weg, schrok van de plotse aanblik van het bleke vrouwengezicht met wijd open ogen en deinsde achteruit. Hij draaide zich om, wilde het op een lopen zetten en zag nog net iets blinken bij het oor van de vrouw.

Melanie Huyghe
33 1

Mijn seksverslaving is de schuld van mijn grootmoeder

   Oma loopt door de moestuin die meneer Wanders onkruidvrij heeft gemaakt. Er is niemand anders te bespeuren. Ze roept mij bij zich. Ik sta wat verder naast de schommel die heen en weer slingert onder de grote eik. Ik heb een vlieger opgelaten en wacht op de juiste windvlaag. Eén vinger hou ik in de lucht. Om de richting te bepalen. Op de tippen van mijn tenen raak ik tot aan de wolken die zo laag hangen dat ze op een verdwaalde mistbank lijken die zich van uur heeft vergist, zich nestelt in de restanten van de dauw die aan de hibiscus is blijven kleven.  Oma roept mij nogmaals. Mijn naam klinkt hypnotiserend met een langgerekte ‘pfff’, uitgesproken zoals alleen zij dat kan telkens wanneer ze zegt dat er honderd pfennig in één mark gaan.    ‘Pfff. Pfff.’    Alleen zij kan de intonatie van een slangenbezweerder zonder gebit het best benaderen, haar stembanden ertoe aanzetten mijn gedachten binnen te dringen. Als een rattenvanger mij hersenloos lam te leggen, gewillig te kneden en alle nieuwe onschuldige gedachten uit te wissen alsof er nooit sprake is geweest van eerdere, vergiftigde hersenspinsels.    Wanneer ik bij de serre, waarin tomaten en komkommers vrij spel hebben, halt hou, lijken er uren te zijn verstreken. Ik draai mij om en staar naar de lucht achter mij. In het ijle niets. Mijn vlieger is verdwenen. Ik voel mij misselijk worden. Braak het blauwe bessensap, dat ik tijdens het vieruurtje bij het stuk vers gebakken stuk appelcake heb gedronken, uit. Mijn mond brandt, het speeksel heeft zich met het gegiste goedje gemengd en is zo zurig dat het glazuur van mijn voorste tanden ruw aanvoelt. Ik adem in en draai mij terug om. Oma komt vanachter de mesthoop vandaan. Ze heeft het rieten mandje met de aardappelschillen tussen haar voorschoot en buik geklemd en legt haar hand op mijn schouder. Ze kijkt over de velden die aan de moestuin grenzen en overgaan in een groen sparrenwoud.    Ze zegt dat het ons geheimpje is, dat niemand dit hoeft te weten. Ik zwijg, tel ondertussen maïskolven die op barsten staan. Het zijn er opmerkelijk meer dan vorig jaar. Misschien kan ik met oma morgen als vieruurtje popcorn maken? Geen zoute, maar die met suiker want die hebben een helende werking, brengen rust in mijn hoofd.    ‘Ooit zal je het begrijpen,’ gaat ze verder. Ik knik en pink een traan weg. Ik wil haar vragen of ik een nieuwe vlieger krijg, maar blijf zwijgen als vermoord. De velden zullen mij vannacht in slaap zingen. Zachtjes zoals het melodietje dat ik vanmorgen van een Duitse kinderserie heb opgepikt en nu als een oorworm aan mijn gemoed vreet.    In de waan dat dit alles een spel is, ga ik op mijn rug liggen en maak, zoals ik dat doe wanneer het gesneeuwd heeft, met weidse arm- en beenbewegingen een modderengel in de omgewoelde aarde naast de prinsessenbonen. Tussen de aardbeien kan het voorlopig niet meer, nu oma ze in weckpotten in de kelder heeft gestockeerd. Ik sluit mijn ogen en zie opnieuw maïskolven. Ik tel, tot ik er honderd heb. Dat moet volstaan om morgen popcorn mee te maken.

Sascha Beernaert
72 1

Fantoomkater

Naast zijn matras op de houten vloer word ik wakker met mijn ziel in de vorm van een zwart kleed opgetrokken tot onder mijn oksels. Voorzichtig adem ik de kamerlucht in door mijn neus om poolshoogte te nemen van mijn toestand.  Geen kater, wel een leegte op die plaats. Een fantoomkater, bedenk ik. Het brengt me naar de bodem van een zwembad zonder water.  Langs de trap naar beneden komt mijn droom terug.  Ik was in een miniatuurhuisje geweest, de verf aan de muren was donkergroen en bladerde af rond de miniatuurramen. Zelf moet ik een miniatuur van mezelf geweest zijn. Net zoals Vicky Pollard en haar dochter die op het tuinmuurtje zaten achteraan met een miniatuurijsje. Als ik vroeg waarom ze zo naar me lachten zei Vicky dat ik het me allemaal heb ingebeeld. Toen moet ik wakker geworden zijn. Daar ligt hij, in foetushouding, in zijn groene zetel met een hand onder zijn hoofd en zijn andere hand tussen zijn benen. Zijn boxershort die al honderd jaar te lang gedragen was deed me in gedachten google-searchen naar de herkomst van het woord. Aan de spanning in zijn armen zag ik dat hij niet dood kon zijn.  In zijn keukenkasten zoek ik naar persoonlijkheid. En ik durf het me alleen met mijn kop in de kast af te vragen, of ik het me zou kunnen hebben ingebeeld.  In een wijnglas van gisteravond laat ik water lopen uit zijn kraan. Het water dat zonder gêne stroomt herinnert me aan de seks die we gisteravond hadden. Nog voor ik er van drink duw ik het glas zacht tegen mijn mond. Zijn kussen zal ik nooit vergeten. Het glas voelt als zijn lul. Hij had niets anders dan lief voor me geweest. Vastberaden, dynamisch en keihard lief. Een beer in het wild, in eigen nest.  Ik ga even bij hem zitten, maar het lijkt hem alleen nog dieper in slaap te wiegen. Ik voel aan de volle koffietas naast hem op de grond terwijl ik mijn ogen op zijn gezicht hou. Warmer dan mijn vingers. Misschien zit hij in een miniatuurhuisje met miniatuursletjes uit één van zijn miniatuurpornofilmpjes.  Zijn kat wil naar buiten. Ik trek zijn hoodie aan en ik ga mee. In zijn tuinhuis zoek ik naar de sigaretten die hij voor zijn vrouw had verstopt. Ik vind ze direct in zijn alaambak, maar geen aansteker. Ik rook niet, maar had wel eens willen proeven van zijn vrouw te zijn.  Door het vierengedeelde raam van het tuinhuis bewaak ik met mijn wakkere ogen hoe hij zoekt naar zijn bewustzijn. Op zo’n afstand van alles en achter glas heb ik me altijd veilig gevoeld. Ik teken een levensgrote smiley in de condens op het glasraam. Was ik maar boven gebleven, en was hij maar bij me komen liggen. En deden we alles maar nog eens opnieuw. Hij zit nu rechtop en staart in zijn koffie.  Het begint te sneeuwen tussen ons. Er zijn nog sigaretten voor een hele dag en bij de tuinkaarsen vind ik lucifers. Ik blijf hier tot hij me vindt. Misschien was ik maar zijn verbeelding.     

Fanny Wildemeersch
106 3