Zoeken

Heel wat

Niemand heeft het gemerkt. Dat is goed en niet goed. Dus ja : ik was het. Ik zat in het restaurant aan een tafeltje met mijn man en schoonvader. Na al die tijd. Niemand zag het. Ik weet niet meer hoe het moet. Maar ik probeer. We zaten vlak bij de deur. Ik kon weg wanneer ik maar wilde. Er was iets met het licht : te geel denk ik. Een mannenstem denderde door Nina Simone. Ik probeerde mij te focussen op het gesprek aan onze tafel. ' Hebben we al gegeten ?' vroeg mijn schoonvader. Ja, dat hadden we. Mijn hart bonsde. ' Je doet het goed ' kalmeerde ik mezelf. Aan de bar krijste een vrouw een gat in mijn trommelvlies. ' Hebben we al gegeten ? ' vroeg mijn schoonvader weer. Mijn kleine hersenen draaiden even om hun as. ' Blijven ademen ' zei ik tegen mezelf. 'Ik zal een foto nemen ' zei ik. Ik deed een paar passen achteruit en tikte op de rode cirkel. Daarna toonde ik hem de foto. ' Ben ik die oude man ?' ' Ja ', zei ik ' en je ziet er jong uit voor je leeftijd'. Ben ik deze vrouw die aan tafel zit met haar man en schoonvader ? Ja. Deze mensen zijn waar. Deze twee mannen maken geen deel uit van de leugen. Twee pijlers. Dat is heel wat, gezien de feiten. ' Hebben we een paraplu bij ? ' vroeg mijn schoonvader. ' Daar ' antwoordde mijn man en wees naar de paraplubak bij de ingang. Later liet ik de regen tegen mijn huid kletsen. Deze waarheid moet in mijn gezicht gekletst worden. Ik moet de leugen nog meer beseffen. Iemand moet de leugen uit mij zuigen en mij injecteren met de waarheid. De waarheid moet in mijn bloedbaan geraken. Dan kan ze gaan stromen. Pas dan kan ik worden wie ik ben.

Ann Henri
20 2

Life is pain au chocolat

Ik nam een kartonnen doos en sneed met een breekmesje de zijkant eraf. Met een zwarte alcoholstift blokletterde ik PARIS op het afgesneden stuk. Ik twijfelde of ik een hartje als puntje op de i zou zetten, maar bedacht dat het niet noodzakelijkerwijs mijn kansen op een lift zou vergroten en besloot om het niet te doen.  Het was een typisch herfstige novemberdag waarop je zonder op je horloge te kijken niet kon weten of het ochtend, avond of gewoon pal op de middag was. De afgevallen bladeren en de modder opgespat van tussen de straatstenen vormden een massa als papier-maché waarin de afdrukken van mijn voetzolen nog tot de volgende stortbui zichtbaar zouden blijven. Ik stapte naar de oprit van de autostrade. Ik had niets meer bij dan de kleren aan mijn lijf, de muts op mijn hoofd en een rugzak met een enkele propere slip en een toilettas met onbeduidende inhoud. Natuurlijk was er ook het kartonnen bord. Parijs, oftewel het New York van Europa, de stad die nooit slaapt en waar al je dromen uitkomen. De oprit was een haakse bocht naar rechts met aan de rechterkant ervan een parkje met niet meer dan wat gras en op regelmatige afstand van elkaar wat bomen. Er was geen speeltuig of een bank waardoor het vooral werd gebruikt als hondenwei en als het binnenste van een spiraal leek te worden opgevreten door de bocht die het hele lapje groen omsloot. Onder een boom vatte ik post, het bord voor mijn borstkas gedrukt alsof ik een statement wilde maken. Een auto vertraagde. Ik zag in de rode Ford Fiësta een man en een vrouw naar elkaar kijken. De vrouw schudde haar hoofd alsof het een teken was om te acceleren en weg waren ze. De man had er niet onaardig uitgezien. En ik net iets te veel wat de vrouw betrof. Een monovolume stopte. Vader, moeder en op de achterbank twee dreumesen van een jaar of vier. Uit de luidsprekers klonken de jankende stemmetjes van K3. Papa draaide aan de volumeknop, terwijl mama het woord nam. Ze konden me meenemen tot in Rijsel. Met een half oog op de kleuters, bedankte ik vriendelijk. Het teleurstellende oooh vanop de achterbank werd door het opgaande raampje gesmoord. Een grote, zwarte Range Rover parkeerde zich gezwind voor mijn neus. Het passagiersraam ging naar beneden en half leunend over de middenconsole een lichaam, een arm die de deur van binnenuit al voor me opende. Met mijn rugzak op mijn schoot ging ik aarzelend op de lederen fauteuil zitten. Het leek of de rugleuning me omarmde en mijn dijbenen werden gestreeld door het zitvlak. Ik keek opzij, recht in zijn ogen. Een brede glimlach die zijn tanden ontblootte, begroette me. "Parijs?" vroeg hij terwijl de richtingaanwijzer knipperde en hij al bezig was in te voegen. Ik knikte in de bocht van de oprit.  Hij zou die maand nog zevenenvijftig worden, wou niet veel kwijt over zijn relatiestatus - die zonder trouwring beslist een situationship was - en had een job waar hij wel een uur over had verteld maar waarvan ik de eigenlijke inhoud niet echt begreep. Hij moest ervoor in Parijs zijn en het was waarschijnlijk goed betaald.  Zijn huid was gaaf en gebruind, hij was kalend en had zijn baard netjes getrimd. Hij droeg een zwarte, klassieke merinowollen trui met daaronder een netjes gestreken wit linnen hemd en een beige chino. Zijn handen rustten relaxed op het stuur. Hij vertelde over zijn eerste huwelijk, zijn vorige relaties, zijn kinderen, zijn werk en vroeg mij helemaal niets. Ik was er en luisterde. Ik knikte, zuchtte mee en stemde in. Na een uur of twee zei ik dat ik moest plassen. Hij stopte bij een tankstation en terwijl ik op het toilet zat, kocht hij twee chocoladebroodjes die we in de auto opaten. Ik gooide het papieren zakje in de vuilbak en we reden verder. Het begon te regenen en de ruitenwissers zwiepten heen en weer op de enorme voorruit. Ik viel in slaap. Toen ik wakker werd, stonden we stil. Het regende intussen zo hard dat ik niets zag behalve het water dat met gulpen over de ruiten stroomde. "Ik wou je niet wakker maken," zei hij, "maar het is onverantwoord om verder te rijden." Om zijn woorden kracht bij te zetten, legde hij zijn hand op mijn been. Ik keek van de hand, naar zijn gezicht en weer terug. Hij glimlachte bijna verontschuldigend en ik kon niet anders dan zijn gebaar bevestigen door ook mijn hand op zijn been te leggen. In een zwarte Range Rover, op een parkeerstrook ergens tussen Antwerpen en Parijs, zaten we met gekruiste armen minutenlang naast elkaar. Ik weet niet meer wie het eerst bewoog. Het doet er ook niet toe. Zijn hand bewoog naar de rand van mijn jeans terwijl de mijne zijn kruis omklemde. Met een enkele beweging haalde hij de knoop uit het knoopsgat en trok hij de rits omlaag. Mijn schaamhaar kwam in een klein toefje vanonder het elastiek van mijn slip. Hij boog zijn bovenlichaam over de middenconsole en terwijl hij zachtjes in het vrijgekomen vlees beet, schoof hij via een hendel mijn stoel traag naar achteren. Met de hiel van mijn ene voet ontdeed ik mijn andere voet van een schoen, ik stak mijn bekken omhoog en duwde mijn jeans en slip omlaag. Hij keek op en ik knikte. Met zijn tong tussen wijs- en middenvinger befte hij me ritmisch klaar. Terwijl mijn onderbuik nog naklopte, stapte hij uit en niet veel later zat hij doornat op zijn knieën voor me. Ik legde mijn voeten op het dashboard en met een druk op een knop voelde ik mijn bovenlichaam onderuit en tegelijk naar beneden zakken. Gulzig kwam hij bij me binnen. Zijn hardheid klopte in mijn binnenste. Bij elke stoot kreunde hij zacht. "Ik ga komen," fluisterde hij in mijn oor. Schokkend, met gesloten ogen en rechte schouders kwam hij klaar. De stortbui was over. Hij ritste zijn gulp dicht en ging terug achter het stuur zitten. Een klein uur later reden we langs de Seine. Ter hoogte van de Eiffeltoren zette hij zich aan de kant, boog hij over me en opende de deur. Ik griste mijn rugzak nog vanonder de passagiersstoel voor hij even gezwind vertrok als hij gekomen was. Zijn roman werd een bestseller. Wist ik dat hij ook schreef en dat dit schamele kortverhaal verbleekt tegen zijn relaas. Ach, eigenlijk is seks met geen woorden te beschrijven. Ook de zijne niet.

Véronique Scheyvaerts
32 0

Brooddronken, deel 2, hoofdstuk 10

10   Kwart voor vier. Gepiep. Het alarm. In de kamer naast die van hem. Jimmy drukt zijn hoofdkussen tegen zijn oren. Het onvermijdelijk gedreun op de geplaagde balken van het huis, met linoleum er over, komt dichter.  ‘Werk aan de winkel!’ roept Reginald, vanuit de deuropening. ‘Ge kunt zien dat ge binnen vijf minuten beneden staat, of ’t zal uwen besten niet zijn!’ De zware stappen klinken weer verder. De trap krijgt de volle laag. De accordeondeur gaat open en wordt heel hard dichtgegooid, zodat het huis er van davert. Alsof het huis zelf ook schrik heeft van Reginald of de gevolgen voor Jimmy als hij niet spoorslags beneden is. Het is donker in de overloop. Jimmy knipt het licht aan en wrijft zich de slapers uit de ogen. Hij strompelt naar beneden. Voetje voor voetje gaat hij richting de trap. Zijn arm zoekt de leuning. Als hij van de trap zou donderen, denkt Reginald vast dat hij het met opzet heeft gedaan en krijgt hij er nog een pak rammel bovenop. Zijn hoofd draait. Zou hij dan toch niet beter eens nippen van het flesje… Neen, denkt hij, hij wordt niet zijn vader. Hij is niet zijn vader. Hij is halverwege de trap wanneer de accordeondeur openvliegt. ‘Is het tegen uw kloten misschien, lamzak?’ vraagt Reginald. ‘Toen ik uw leeftijd had hé, zat ik in Brussel rond dat uur al brieven te sorteren.’ Jimmy gaapt. ‘Ja, met een stuk in uw kloten petanque spelen, zeker.’ ‘Niet te arrogant hé, manneke!’ ‘Ge weet geeneens wat arrogant zijn betekent,’ zegt Jimmy, ‘ge gebruikt het gewoon omdat het stoer klinkt en op agressief gelijkt.’ Reginald geeft Jimmy een klap tegen het achterhoofd. ‘Hoor ik u nog? En wast u. Ge stinkt.’ Een kattenwasje later zit Jimmy aan de ontbijttafel. Het hele gebeuren is een identieke herhaling van wat zich op 24 december, zijn eerste werkdag, afspeelde. De fles cognac die soldaat wordt gemaakt. Het doosje Caprice des Dieux. Dáár zit de verandering, denkt Jimmy, het stuk kaas is iets kleiner dan maandag. Misschien is het zelfs een ander, dat al zo verminderd is. Reginald ademt Caprice des Dieux, als het geen whisky of Camelsigaretten zijn. Het lijkt alsof maandag zo veraf is, en het is nog maar drie dagen geleden, denkt Jimmy. De tafel wankelt terwijl brooddozen worden aangesleept om gevuld te worden. Jimmy slaat een elastiek rond zijn oude brooddoos van Petit Beukelaer, die hij nog heeft van toen hij nog naar school ging – wat waren die jaren zoet – maar die ook zijn beste tijd heeft gehad. ‘Moet ge geen teugsje hebben?’ vraagt Reginald terwijl hij met de fles zwaait. Jimmy denkt dat als hij ook een dronkaard zou worden, hij het perfect met zijn vader zou kunnen vinden. Met z’n tweetjes zich in de vernieling drinken. Wat een feest, denkt hij. ‘Neen.’ ‘…’ Reginald vult nog twee glaasjes die hij achterover kapt. Daarna is zijn heupfles aan de beurt. ‘Tegen de delirium,’ zegt hij, terwijl hij de kurk op de fles duwt. ‘Kom, we zijn weg. Morgen staan we vijf minuten eerder op, treuzelaar.’ Ze staan allebei recht. Een nieuw ritueel ontvouwt zich. Eéntje dat zich nog vaak zal herhalen, zolang Reginald werkt. En vast na zijn pensioen ook nog, omdat hij er plezier in schept de dromen en verlangens van zijn zoon te vertrappelen. Jimmy wandelt naar de kaai, waar hij zijn fiets heeft gesloten. Hij staat er nog. Hij opent het slot en slaat zijn been over het zadel. De pijn, die voorheen sluimerde, steekt de kop op. De tocht naar het postkantoor wordt aangevat. Wanneer het tweetal door de Jakob Van Arteveldestraat rijdt, richting de Groeningekouter, zijn er al, of nog, mensen op de baan. Jongelui, niet ouder dan éénentwintig jaar, die rotzooien en tegen de bomen in het park pissen. ‘Hey, facteur!’ roept één van hen, ‘moet ge werken, dé?’ Het groepje vindt het dolkomisch, alsof ze denken de grap van de eeuw uitgevonden te hebben. ‘Bende lamzakken,’ zegt Reginald op nauwelijks hoorbare toon, ‘in mijnen tijd, het zou geen waar geweest zijn. Studenten, luiszakken. Om op te spuwen.’ ‘Billy is ook student, pa,’ zegt Jimmy. ‘Juist daarmee. Ik ben blij dat ik één van mijn zonen heb kunnen redden van een leven vol… lamzakkerij.’ Het duo komt aan bij het postkantoor. De grote metalen schuifpoort gaat opzij voor de twee mannen en verbergt zich langs de zijmuur van de garage. De fietsen worden in de kleine onoverdekte parkeerplaats achtergelaten. Reginald wandelt naar Jimmy’s vervangpostfiets. Hij trekt een paar keer aan de rem. ‘Ge gaat wel een beetje bendiger mogen zijn met uw frings,’ zegt hij, ‘anders gaat ge niet toekomen met uw toelage, ne keer dat ge uw eigen velo hebt.’ ‘Hoe weet gij dat? Heeft Bruno weer niet kunnen zwijgen?’ Reginald draait zich naar Jimmy. ‘Het is heel simpel. Als ge meerdere keren per maand door uw fringkabel zit, gaat ge mogen bijleggen. Iedere maand krijgen we een toelage voor herstel van onze fietsen. En als ge bendig zijt op uw fiets, dan hebt ge er aan over. Anders moogt ge bijleggen.’ De twee Sabbes gaan het kleine trapje omhoog naar de lift, die weer buiten dienst is. ‘Godverdomme, hé,’ zegt Reginald terwijl hij de liftdeur op een vuistslag trakteert, ‘die klotelift is er weer aan. Bende. Dan gaan we maar met de trap moeten, hé, godverdomme.’ Ze vatten de lange tocht naar de postmannenzaal die op de tweede verdieping ligt, aan. Wanneer ze op de eerste verdieping aankomen, passeert Louis van de nachtsortering, met een pan van een gereputeerd merk in de hand. Overduidelijk verdonkeremaand. ‘Maken die hier nu al eiers gereed ook, in de nacht?’ vraagt Jimmy. ‘Neen. Hoogstwaarschijnlijk is dat een pan uit een pak die geweigerd werd. Maar als ge verstand hebt, schoolmeesterke, houdt ge uw bakkes daarover. De nacht, dat is één blok en als ge die gasten begint te kloten, gaat ge mogen véél keer naar andere casiers hun post brengen en die van u ophalen. Want ze gaan alles verkeerd steken, als ge gaat gaan janken tegen den inspecteur, die daar toch al garantie van weet.’ ‘Maar dat is toch diefstal?’ zegt Jimmy, terwijl ze de trap naar de tweede verdieping nemen. ‘En dan. Denkt ge dat ik nog nooit eens de regels heb overtreden?’ antwoordt Reginald, ‘vergeet niet dat ge eigenlijk niet moogt gokken als ge bij De Post werkt.’ ‘Ooit schrijf ik hier een boek over,’ zegt Jimmy en hij duwt de deur van de postmannenzaal open. De rook prikt in zijn ogen. Dit went nooit. ‘Ooit,’ zegt Reginald, ‘gaat gij een vaste ronde hebben. En gaat ge vast benoemd zijn. Maar zet dat boek maar uit uw kop, schoolmeesterke.’ Hij gaat naar zijn werkpost, Jimmy naar die van dienst 18. Daar aangekomen, legt Jimmy zijn brooddoos op het tafelblad. ‘Gaat ge eens uw stuitendoos elders leggen,’ zegt Bruno, die net alle werkposten heeft geleegd, ‘goeiemorgen.’ ‘Goeiemorgen.’ Jimmy neemt een pakje brieven in de hand. Bruno staat aan de kant, kijkend hoe Jimmy te werk gaat. ‘Is het vandaag niet uw feestdag?’ zegt Bruno. ‘Neen, ik verjaar op Kerstdag.’ ‘Ja, neen, ge hebt hem dus niet vits?’ Jimmy kijkt niet meer, zijn ogen gefocust op het raster voor hem. Het gaat hem steeds beter af en meer en meer poststukken vinden in één keer de weg naar het juiste gat, al is the proof of the pudding nog steeds in the eating en wordt de kwaliteit van de voorbereiding afgetoetst aan de lengte van de postronde. Hoe meer omrijden en hoe langer op baan, hoe slechter de voorbereiding. ‘Neen, Bruno, ik heb hem niet vits.’ Bruno lacht. ‘Den achtentwintigsten is ’t onnozel kinderkesdag hé,’ zegt hij. ‘Dat zou grappig zijn, Bruno, mochten we vandaag den achtentwintigsten zijn. We zijn vandaag den zevenentwintigsten.’ Bruno gaat naar de muur het dichtst van de werkpost, waar een wulpse, naakte dame zich rond de decembermaand kronkelt. ‘Ah ja. Tiens,’ zegt hij. Door de grote ramen die qua hoogte de volledige postmannenzaal beslaan, maakt het ochtendgloren zijn intrede. Het is de luwte tussen twee feestdagen door, quasi net in het midden doorsneden op 27 december, met Kerstavond achter zich en Oudjaar voor zich, ontwaakt de stad in een ritme van pseudo-normaliteit. De late beslissers wat eindjaarinkopen betreft, zij het nu eten of cadeautjes, liggen nog in hun bed, maar de leverancier van het hotel recht tegenover het postkantoor bezet de hele baan met zijn vrachtwagen, iets wat de weinige chauffeurs die op dit ontiegelijk uur al op baan zijn, maar weinig zint. De draaiende motor van de vrachtwagen verstomt het geluid van de toeterende burgermannetjes, maar ook de radio in het kantoor. Even iets anders dan kerstmuziek, denkt Jimmy. Nu de radio stiller staat, is het gewrijf van de brieven die in volgorde worden gestoken en het kletteren van de sorteerblokken goed hoorbaar, met af en toe het gekraak van een forse wind en de opmerking dat de mollen aan het blaffen zijn. Postman José zegt dat de mollen aan het kraaien zijn, maar hij is van Ieper. In Kortrijk blaffen de mollen. Tot groot jolijt van de minder mature collega’s. Chef Rik komt achter Jimmy staan. ‘En, hoe stelt ge ‘t?’ vraagt hij, op een toon waarvan Jimmy terecht vermoedt dat het geen peiling is naar de vooruitgang van zijn opleiding, maar een poging om het ijs te breken om hem met een opdracht op te zadelen. ‘Bwa. Dat gaat, hé.’ Jimmy kijkt niet om en houdt zijn blik op zijn brieven gericht. Weversstraat twee, vier, zes, acht, tien, zesentwintig, tweeëndertig, tweeëndertig A en tweeëndertig B. Dat stuk van de straat is gesorteerd en Jimmy slaat er een elastiek rond. ‘Sabbe, ge moet kijken naar mij als ik tegen u bezig ben.’ ‘Sorry, chef,’ zegt Jimmy en hij draait zich richting chef Rik. Chef Rik glimlacht, waardoor er wat assen van zijn sigaret op de grond vallen. ‘Weet gij de Watertorenstraat zijn, Sabbe?’ vraagt hij. ‘Ja, dat weet ik zijn,’ antwoordt Jimmy. ‘Ja, wie?’ ‘Ja, chef.’ ‘Ge gaat Ringo uit zijn bed moeten gaan bellen,’ zegt Rik, ‘hij is hier nog niet.’ Bruno onderbreekt. ‘Kan er niemand anders gaan, chef?’ vraagt hij. Chef Rik schudt het hoofd. ‘Neen, hij moet gaan. Ik kan niemand missen.’ Bruno zucht. ‘Hoe moet ik hem de kneepjes van ’t vak leren als gij hem iedere keer van mij wegtrekt?’ ‘Ik stel geen vragen,’ antwoordt Rik, ‘ik geef orders. Directe orders. Zwijg als ge mij tegenspreekt of ’t is een model 9. Kunt ge oud en nieuw gaan vieren in X.’ ‘Ja, chef. Ge hebt het gehoord, hé, Jimmy. Teure maar Ringo gaan wakker bellen. Watertorenstraat 24. En doet uw wanten aan, ’t is beestekoud buiten.’ ‘Oké, Bruno,’ antwoordt Jimmy. ‘En niet treuzelen want er ligt hier nog werk voor u. Ik weet perfect hoe ver het is van hier tot aan de Watertorenstraat.’ Jimmy beent de postmannenzaal uit. Hij neemt zijn postfiets en rijdt de Grote Markt door de Leiestraat naar beneden, over de Leie naar het toepasselijk genoemde Overleie, op weg naar de Watertorenstraat. Het is koud, hij is nog niet over de brug in de Budastraat of zijn handen worden al gevoelloos. Wanneer hij aankomt in de Watertorenstraat, aan het huis waar hij zou moeten aanbellen, zet hij zijn fiets aan de gevel. Het is nog steeds donker en de straatverlichting doet het niet meer zo goed. Jimmy drukt op de bel. Er hangt een blaadje onder de belknop, maar het is te donker om te kunnen zien wat er op gekrabbeld staat. Er komt geen reactie. Jimmy klopt met gebalde vuisten op de deur. Het licht op de eerste verdieping knipt aan. Een man schuift het gordijn van het raam een ietsje opzij. Daarna dooft het licht weer uit. Jimmy probeert nog eens door met zijn fietssleutel op het raam van de benedenverdieping te tikken. Geen antwoord. Onverrichterzake springt Jimmy terug op zijn fiets en rijdt langs het Astridpark terug naar het postkantoor.

Miguel
9 0

Betaalde liefde 1

Naakt stond Arie voor de spiegel in de badkamer. De spiegel reflecteerde tot net onder zijn borst. De spiegel gaf hem altijd een vertekend beeld van zichzelf. Een beeld dat de spiegel in de lift van zijn appartementsgebouw wel correct weergaf. Daar zag hij in het felle licht elk mankement, elke oneffenheid en bovenal zijn te dikke buik. Zeker dertig kilogram zou hij eigenlijk moeten vermageren, althans volgens zijn moeder, die er vaak met hem probeerde over te praten, maar wat hij resoluut weigerde. Hij walgde van zichzelf als hij in die spiegel keek, daarom probeerde hij hem tegenwoordig te mijden, wat niet eenvoudig was, want de spiegel besloeg heel de achterste wand van de lift. Bijna dwangmatig gingen zijn ogen altijd weer naar zijn reflectie. Nog steeds kon hij maar moeilijk geloven dat die vreemde man, met te dikke buik, te gele tanden, te brede neus en meestal ongeschoren, ook werkelijk hem was. Arie wist wel dat het niet heel veel uitmaakte hoe hij eruitzag, ongetwijfeld zou ze al veel erger hebben meegemaakt, maar toch maakte de afspraak hem onzeker. Was het niet des mensen om leuk gevonden te willen worden, en neen, niet alleen vanbinnen, maar ook vanbuiten? Een doos zonder mooie verpakking, bleef gewoon een lelijke doos. Arie ging op zijn tenen staan en staarde in de spiegel naar beneden. Op die manier kon hij tot net aan zijn benen zien. Als het kopje van een treurig mopshondje rustte zijn pik tegen zijn balzak. Hij had een kleine penis, niet dat hij al veel penissen had gezien, behalve dan die van de mannen in de pornofilmpjes waarmee hij zich aftrok. Hij hoopte dat ze er niet mee zou lachen, zelfs niet glimlachen, want dan zou hij doodgaan van schaamte. Veel ervaring had hij trouwens niet in de liefde. Hij was zijn maagdelijkheid verloren toen hij als zestienjarige met zijn ouders naar Portugal was geweest en daar een schone had ontmoet met heel wat meer ervaring dan hij, maar na die zomer had hij nooit meer een vriendinnetje gehad. Toen hij in zijn eerste jaar aan de universiteit had gezeten, had hij het wel geprobeerd. Hij had gedacht dat het nu wel eens tijd werd om zoals iedereen te doen. Steeds maar weer moest hij denken aan de spreuk: Doe maar normaal, dat is al gek genoeg. Zijn klasgenoten leken wel vriendinnen bij de vleet te hebben. Klasgenoten waarmee hij geen contact had trouwens. Arie was gewoon een zonderlinge jongen die zelden door iemand werd opgemerkt. De poging zijn bestaan te verrijken met een ander was vreselijk geweest. Arie kon nog steeds zijn hart in zijn keel horen bonzen, hij kon nog voelen hoe het bloed naar zijn hoofd stroomde. Ze heette Anne, was bloedmooi met lang blond, ragfijn haar en blauwe ogen, helwitte tanden, en zeker een hoofd groter dan hij. Ze was slank geweest, zoals een mannequin, bijna te slank. Elke jongen van de eerste Bachelor kunstwetenschappen geilde op haar. Het was in de salto geweest in de Overpoort waar de muziek altijd veel te luid stond en het vol dronken studenten liep. Ook Arie was dronken geweest. Nuchter zou hij het helemaal niet gedurfd hebben. Hij had er een halve bak bier doorgedronken en een halve pak Marlboro doorgerookt voordat hij eindelijk de moed bij elkaar had geschraapt om naar haar toe te stappen. Al vanaf zijn eerste woord was het duidelijk op haar gezicht te lezen geweest dat ze zijn gezelschap niet echt kon waarderen, maar Arie was zo met zichzelf en met wat hij wilde zeggen bezig geweest, dat hij het niet eens had opgemerkt. Op een gegeven moment had ze hem haar gezicht toegewend en hem midden in een zin afgekapt: “Ben jij een stalker ofzo, je zit me al twee uur aan te staren van aan de overkant. Laat me met rust, creap!” had ze gezegd. Van de les had ze hem duidelijk niet herkend. Ze had haar drankje gepakt en was naar de andere kant van de toog gelopen. Die nacht had hij zich, door de drank en de vernedering, in slaap gehuild. Een week later was hij gestopt met zijn studie. Niemand die hem zou missen. De enige vrouw die van hem hield was zijn moeder. Hoe zielig hij dat ook vond, het was de waarheid. Arie controleerde zijn tanden die hij net gepoetst had. In het vage licht van het peertje boven de lavabo zagen ze er minder gelig uit dan ze werkelijk waren. Hij hoopte maar dat ze het niet vervelend vond dat hij rookte. In de slaapkamer had hij voordat hij in bad was gegaan, zijn kleren klaar gelegd: een zwarte geklede broek en een effen zwart hemd. Veel tijd had hem dat niet gekost, zijn kast hing vol zwarte broeken en zwarte hemden en T-shirts. Elke keer als hij met zijn moeder ging shoppen drong ze aan dat hij eens iets anders kocht dan zwart, maar Arie vond het gemakkelijk zo: iedereen stond met zwart en zo werd in een leven dat bestond uit kiezen, toch één keuze beperkt. Nadat hij was aangekleed, liep hij naar de huiskamer en stak nerveus een sigaret op. Volgens de klok die aan de muur recht tegenover de televisie hing, had hij nog vijf minuten. Toen de klok 20,00 uur aangaf, begon Arie nog nerveuzer te worden en ijsbeerde hij door zijn huiskamer, hij hield nu eenmaal van stiptheid. Drie minuten later ging de bel. Hij rende zowaar naar de voordeur. “Hey”, werd hij begroet door een verleidelijk glimlachende dame van midden dertig. “Hallo”, antwoordde hij hees, en ging opzij zodat ze naar binnen kon stappen. Geen uitleg nodig. Beiden wisten wat ze hier kwam doen. Terwijl hij de deur sloot taxeerde hij haar ongemerkt van top tot teen. Natuurlijk had hij de seksuele dienstverleenster zelf uit een serie foto’s mogen kiezen, en had hij op het kantoor van Aditi ook met haar gesproken, kort, een half uurtje, maar toch was het nog helemaal anders als hij die persoon ook daadwerkelijk alleen moest ontmoeten. Ze had zich keurig opgedoft, zag hij. Bij het gesprek op Aditi had hij duidelijk zijn wensen over haar kledij en make-up geventileerd. Hij wilde absoluut verhinderen dat ze er zou uitzien als zo’n straathoertje dat je in verschillende Hollywoodfilms kon zien. “Wil je iets drinken”, vroeg hij hakkelend, en vervloekte de heesheid in zijn stem. Hij moest wel als een oud, ziek, oversekst mannetje klinken. Zwierig draaide ze zich naar hem om. Ze was echt wondermooi. Hij had haar uitgekozen op basis van haar ogen en haar glimlach, en hij werd niet teleurgesteld. Die aspecten van iemands gezicht waren ontelbaar belangrijk voor de autistische Arie, voor wie de meeste gezichten iets bedreigends hadden, een bedreiging die hem letterlijk kon doen toeklappen. “Ja, graag,” zei ze, “heb je rode wijn?” Ze had een hele fijne, meisjesachtige stem. Helemaal niet zoals je zou verwachten dat een prostituee klonk, en daar was hij blij om. Inwendig corrigeerde hij zichzelf. De seksuele dienstverleensters van Aditi wensten geen prostituee, of erger nog, een hoer, genoemd te worden. Maar wat was het verschil, allebei werden ze betaald voor intimiteit? Was het dan de overtuiging die hen onderscheidde? Zonder te antwoorden liep hij naar de keuken en kwam met een glas tot de rand gevuld met rode wijn terug. Ze had zich inmiddels in de zetel gezet. Keurig met haar benen over elkaar. Vertwijfeld keek ze naar het glas dat hij voor haar op de zwarte salontafel zette. Door zijn nervositeit vergat hij er een onderleggertje onder te plaatsen. “Mij dronken voeren is niet nodig hoor”, zei ze sarcastisch, wijzend naar het overvolle glas. “Sorry”, antwoordde hij en keek schuldbewust naar zijn voeten. “Is maar een grapje.” Ze zweeg. Ongegeneerd taxeerde ook zij hem, maar toch gaf het hem niet zo’n ongemakkelijk gevoel als dat bij vele mensen wel het geval was. “Waarom kom je niet naast me zitten?” vroeg ze liefjes. Arie staarde nog steeds naar zijn voeten. “Ik heb dit nog nooit gedaan”, zei hij hulpeloos en schuifelde, tergend langzaam, naar de zetel als een kat die net iets van de tafel had gestoten en door zijn baasje op het matje werd geroepen. Met een keurig afstandje tussen hen in zette hij zich naast haar. Glimlachend keek ze hem aan. Hij merkte dat haar benen trilden. Ze schuifelde wat dichter naar hem toe. Hij moest de neiging ondedrukken de afstand niet meteen terug groter te maken. Ze legde één van haar handen op zijn dij, amper centimeters van zijn kruis. Het brandde door zijn broek en hij voelde hoe zijn penis aantrad. Met haar andere hand streelde ze de linkerkant van zijn gezicht. Meteen ging er een trilling door hem heen. Hij was niet meer gewend aangeraakt te worden. “Kus me”, zei ze, en hij merkte dat ook haar stem hees was geworden. Hij voelde hoe haar hand de binnenkant van zijn dij streelde. Tot halverwege zijn knie en terug naar boven tot vlak bij zijn kruis, de toppen van haar vingers raakten steeds even zijn penis aan. Hij onderdrukte een snik en voelde tranen in zijn oogkassen branden. De enige manier waarop hij kon antwoorden op de hunkering die hij al zo’n lange tijd had gevoeld, en waarop niemand antwoord leek te kunnen geven. “Hey, het is oké”, fluisterde ze, en drukte haar lippen zacht op de zijne. Hij smaakte de wijn en resten van haar lippenstift. Zo’n intense verbondenheid had hij niet verwacht te voelen. En meteen werd hij verliefd op iemand die zijn verlangen wel kon stillen maar hem nooit meer zou kunnen geven dan een momentopname. De tranen stroomden nu uit zijn ogen, tranen die ze wegkuste. Ondertussen bleef ze zijn dij strelen. Hij had inmiddels een volle erectie. Het schuren tegen zijn onderbroek deed zelfs pijn. Er ging zoveel door zijn hoofd. Hij wilde zo graag een waardige minnaar zijn, maar hij kreeg geen beweging in zijn lichaam, zodat hij passief haar zoenen accepteerde. En haar strelen enkel beantwoordde met het verzwaren van zijn ademhaling. Hij voelde hoe ze friemelde om eerst zijn riem en daarna zijn broek los te maken. Ze glimlachte wanneer hij naar adem snakte toen ze zijn penis in haar hand nam. Ondertussen bleef ze hem zoenen: op zijn wangen, zijn ogen, zijn neus, zijn lippen… Een kreun ontsnapte hem wanneer ze hem begon af te trekken. Eerst traag, dan snel, dan weer traag. Ze wist precies wanneer ze moest vertragen en wanneer ze weer kon versnellen. Zo stelde ze het ejaculeren steeds weer uit. Zeker een kwartier balanceerde hij op de rand van klaarkomen. Hij verwachtte dat ze opnieuw zou vertragen, maar ze begon hem nog sneller af te trekken, tot hij het niet meer hield en voelde hoe zijn grijswitte massa door zijn penis werd gestuwd en in de vrije lucht explodeerde als vuurwerk. Nog nooit was hij zo intens klaargekomen. “Sorry”, zei hij zacht en verborg zijn ogen achter zijn handen. Hij had haar willen stoppen toen hij had gevoeld dat het dreigde te laat te worden, maar hij had zo gehunkerd naar klaarkomen, dat hij het woord “stop” niet over zijn lippen had gekregen. Hij voelde zijn lichaam stuipen terwijl ze de resten zaad uit zijn penis perste. Even bleven zo zitten; zijn handen voor zijn gezicht, haar lippen dicht tegen zijn oor en haar hand rond zijn slapper wordende penis. “Heb je een handdoekje”, zei ze daarna zacht, met haar lippen tegen zijn oor, terwijl ze zijn nu slappe penis losliet. Opgelucht dat hij aan iets anders kon denken dan zijn schaamte, stond Arie op, knoopte zijn broek terug dicht en rende zowat naar de badkamer. Ze zag er hulpeloos uit hoe ze daar in de zetel zat, haar hand voor zich uit om zijn vocht nergens aan af te vegen. Bedeesd gaf hij haar de handdoek en bleef kijken hoe ze eerst haar hand afveegde en daarna de rest van de sporen van hun daad van de rand van de tafel veegde. Zuchtend legde ze de handdoek naast zich en keek hem dan bemoedigend glimlachend aan waardoor hij meteen weer zijn ogen neersloeg. Op geen enkele manier deed ze vermoeden dat ze het walgelijk vond, en daar was hij haar dankbaar voor. Langzaam nipte ze van haar wijn. “Vond je het fijn?” vroeg ze na een tijdje. “Ja… Maar wel een beetje egoïstisch van me...” “Hoe bedoel je?”, vroeg ze verbaasd. “Wel, ik liet jou al het werk doen.” Weer die bemoedigende glimlach. God, wat hield hij van die glimlach, er stak zoveel warmte in dat hij er zich zelfs op een ijskoude winterdag aan zou kunnen warmen. “Dat geeft toch niet? Je mag gerust ook even aan jezelf denken hoor.” Arie beantwoordde aarzelend haar glimlach met de zijne, waarbij hij er nauwkeurig op lette zijn tanden niet te tonen, waardoor zijn glimlach meer weg had van een pijnlijke grimas. “Kom je nog even bij me zitten?” Gehoorzaam ging hij naast haar zitten. Met de hand waarmee ze hem had afgetrokken dwong ze hem haar aan te kijken. “Wel, ik vond het fijn.” Zachte kuste ze hem op de lippen. Nog zeker een kwartier, de tijd die het haar kostte om het glas wijn uit te drinken, bleven ze zo naast elkaar zitten. Dichter naast elkaar dan hij met de meeste mensen kon verdragen, laat staan met mensen die hij nauwelijks kende. Haar arm hing slap over zijn dij. Nog steeds voelde hij haar huid branden op de zijne door zijn broek heen. Spreken deden ze niet meer. Dat hoefde voor Arie ook niet. Hij genoot gewoon van het samenzijn, van de illusie geliefd te zijn. Ze rook heerlijk, een combinatie van parfum en zeep. Soms boog hij zich even naar haar toe om aan haar haar te ruiken. Daarvan moest ze giechelen. Ze giechelde als een verlegen schoolmeisje dat voor het eerst verliefd was. De leegte die ze achterliet nadat ze vertrokken was, bleek al van de eerste seconde ondraaglijk.

Malakh Ahavah
70 1