Zoeken

Prachtige wallen (deel 2)

28 januari 2014 Geen verbetering vandaag. Voel me belabberd. Cafeïne lijkt niet meer te helpen. Concentratie is nu echt nul. Kan nergens nog mijn hoofd bijhouden. Ga vanavond weer slapen, deze situatie is niet langer houdbaar. Ik weet nu echter dat het kan, een paar dagen in hetzelfde lichaam rondlopen. Experiment geslaagd en voor herhaling vatbaar. Ga haar wel missen, Magda. Het was een eer om een paar dagen Mark Desmet te mogen zijn. 29 januari 2014 Shit. Fuck. Godverdomme. Ik ben nog steeds Mark Desmet. Gisteren als een blok in slaap gevallen en tot mijn verbazing in hetzelfde bed weer wakker geworden, naast dezelfde vrouw. Betekent dit dat ik nu voor eeuwig Mark Desmet ga blijven? Nee, toch? Dat geruzie was leuk voor een paar dagen, omdat ik wist dat er een einde aan zou komen, en het dus als een spelletje kon zien. Maar nu lijkt het erop dat ik vastzit in dit lichaam, in dit huwelijk, in dit leven. In mijn leven… Elke dag wakker worden naast Magda Desmet, voor de rest van mijn leven… ik… fuck… 30 januari 2014 Weeral wakker geworden in hetzelfde bed. Dit begint stilaan eng te worden. Vroeger bestond ik eigenlijk niet. Er was geen mezelf, geen vaste identiteit. Ik was een soort acteur die elke dag een andere rol kreeg, elke dag een ander personage mocht vertolken. Nu niet meer. Ik speel niet meer Mark Desmet, ik ben Mark Desmet. Ik speel niet meer de echtgenoot van Magda Desmet, ik ben de echtgenoot van Magda Desmet. Ik speel niet meer de vader van twee dochters, ik ben de vader van twee dochters. Wat een knoeiboel. Alles gaat me vanaf nu persoonlijk aan. Ik heb opeens verantwoordelijkheid. Kijk, vroeger deed ik ook mijn best om alles goed te doen. Test wiskunde? Ik studeerde me kapot. Dochter in het ziekenhuis? Ik bleef de hele dag bij haar. Topsporter aan de vooravond van een groot kampioenschap? Ik trainde me suf. Omdat ik meeleefde met de personages die ik vertolkte, net zoals je meeleeft met de personages uit een boek of film. De volgende dag zou ik niks meer met mijn vorige identiteit te maken hebben, maar ik dwong mezelf mijn medeleven te tonen. Omdat die mensen het verdienden de vruchten van hun arbeid te plukken, omdat ze het me nooit zouden vergeven als ik hun vrienden of familie zou teleurstellen. Toch voelden hun lichamen nooit aan als mijn lichaam, hun jobs nooit als mijn job, hun zussen nooit als mijn zussen. Net zoals een acteur met een valse snor nooit vergeet dat hij een valse snor draagt. Uiteindelijk hoefde ik me nergens zorgen over te maken. Er waren geen gevolgen. Maakte ik ruzie met mijn vrouw, dan was ik het niet die het de volgende dag met haar zou moeten goedmaken. Zakte ik voor een examen, dan was ik het niet die een herexamen zou moeten afleggen. Ik deed natuurlijk mijn stinkende best, maar dat was het dan ook. Meer kon ik niet doen. Angst voor de toekomst was er niet; die lag elke dag ergens anders, en had nooit iets met het heden of verleden te maken. Arm gaan slapen en rijk opstaan, als man in bed gaan en als vrouw wakker worden, het kon allemaal. En daardoor kon geen enkele tegenslag me raken, want mij overkwam nooit iets, het overkwam mijn personage. Dat lijkt nu veranderd. Ik ben Mark Desmet.  En Mark Desmet zit in de knoei. Zijn huwelijk vertoont barsten. Zijn vrouw wil dat ze een relatietherapeut opzoeken. Terwijl hij niet eens weet waarom ze ruzie maken, wanneer ze ermee zijn begonnen. Omdat zijn verleden – zijn verleden als Mark Desmet – maar een paar dagen oud is en zijn geheugen niet verder strekt. Ik weet Godverdomme niet eens hoelang ik al getrouwd ben. Of we ooit werkelijk gelukkig geweest zijn. Hoe moet ik dan in Godsnaam weten of deze relatie nog te redden valt? 31 januari 2014 Vandaag was mijn oudste dochter jarig. Ik had natuurlijk geen flauw idee. Hoe zou ik ook moeten? Maar ja, probeer dat eens uit te leggen. 'Papa is eigenlijk een soort persoonlijkheidskameleon, hij is al duizenden keer van identiteit veranderd. En normaal gezien zou hij dat nog duizenden keren doen. Alleen zit hij nu vast. In dit rothuwelijk. Met je vuilbekkende moeder. Snap je? Eigenlijk ben ik je papa niet. Eerder een acteur in papakostuum, een acteur die vastzit in dat papakostuum.' Denk niet dat dochterlief zo tevreden zou zijn met die uitleg. Acht jaar. Zo oud is ze vandaag geworden. En ze wil niet meer met me praten. Dat zijn al twee vrouwen in dit huis. 1 februari 2014 Beginnen roken vandaag. Tegen de stress. Zo aan de praat geraakt met een van mijn collega's, de lerares wiskunde. Ze vroeg zich af wie die gruwelijke afbeeldingen van kapotte longen en verrotte tanden had gekozen die op de achterkant van elk pakje sigaretten prijken. 'Dat moet toch een sadist zijn? Mensen willen waarschuwen voor de gezondheidsrisico's, daar is op zich niks mis mee. Maar dit… Alsof rokers niet weten dat tabak schadelijk voor de longen is. Dit is gewoon treiteren. De niet-roker die zich beter voelt – moreel verheven – dan zijn rokende medemens en ervan geniet om hem met het vingertje te kunnen wijzen. Kijk eens wat er met je longen gaat gebeuren, kijk dan. En hier, zo gaan je tanden eruit zien, ja, zo ja, wen maar aan het zicht, je gaat het elke dag in de spiegel zien. Hoe kan je nu van dat soort werk genieten?' Wist zij veel. Ik heb die foto's gekozen. Een paar jaar geleden, toen ik voor een dag in het lichaam zat van een reclameman wiens bureau door de overheid gecontacteerd was. Echt genoten heb ik niet van die opdracht. Evenmin gewalgd. Zoveel indruk maken die foto's nu eenmaal niet op iemand die elke dag een ander paar longen heeft. Is nu wel anders, moet ik zeggen. Gruwelijke foto's. Complimenten aan mezelf. 2 februari 2014 Wat zou er met de vorige Mark Desmet gebeurd zijn, de man wiens plaats ik heb ingenomen? Zou hij nu ook mijn plaats hebben ingenomen? En elke dag in een ander lichaam wakker worden? En ervan genieten? Zich bevrijd voelen? Of zou hij zijn oude leven missen? Zijn job, zijn vrouw, zijn dochters. Hoeveel Mark Desmets zouden mij eigenlijk al voorgegaan zijn? En zou Magda Desmet de eerste en enige Magda Desmet zijn? Hoeveel acteurs en actrices als mij zouden er eigenlijk rondlopen? Of ben ik de enige? Was ik de enige? Durf het Magda niet vragen, krijg zo al genoeg koffiekoppen naar mijn kop geslingerd. 3 februari 2014 Je raadt het nooit. Was vandaag de verjaardag van mijn andere dochter. Vijf jaar. Wist ik natuurlijk ook niks van. Zij wil wel nog met me praten. Schat van een meisje. 4 februari 2014 Vandaag voor het eerst naar de relatietherapeut geweest. Daar moesten we tegen elkaar zeggen wat ons dwarszat. Ik mocht beginnen. En zat met mijn mond vol tanden. Het is me namelijk nog steeds niet duidelijk waarover we eigenlijk ruzie hebben. Omdat ik nog nooit een gesprek heb kunnen voeren met Magda. Of ze zit op me te schelden, of ze negeert me. Eén van die twee. Maar een echt gesprek hebben we nog niet achter de rug. Geen flauw idee wat ze me kwalijk neemt, of wat ik haar kwalijk zou moeten nemen. Dus flapte ik maar iets uit. 'Kan me niet eens herinneren wanneer we voor het laatst seks hebben gehad.' 'Tja, ik voel me de laatste tijd niet meer aangetrokken tot jou.' 'En waarom? Wat is er veranderd?' 'Kom nou, je weet goed genoeg waarom. En dan ga je ook nog een beetje beginnen roken… ' 'Tegen de stress. De stress die jij me bezorgt!' 'Ik bezorg jou stress? Ja, draai het maar om... Het is allemaal mijn schuld, zeker?' 'Jij bent de degene die altijd aan het schelden slaat!' 'Heb ik dan geen reden misschien?' 'Ja, zeg dan eens welke reden! Hoe moet ik weten wat er scheelt als jij niet tegen me praat?' 'Je weet heel goed wat je hebt misdaan!' 'Nee, dat weet ik niet.' 'Oh, je gaat je overspel ontkennen dan? Prachtig, dat ontbrak er nog aan…' 'Ik…' En toen was Magda de deur uit, woedend. Mark Desmet heeft zijn vrouw dus bedrogen. En ik mag het in zijn plaats goedmaken. Geweldig… En dan had die therapeut nog het lef om me geld te vragen voor die sessie. Ik heb nu wel meer begrip voor Magda. Alleen kan ik haar dat moeilijk zeggen. 'Schat, ik ben het met je eens, die Mark Desmet is een gigantische klootzak.' 'Jij bent Mark Desmet.' 'Oh ja.' Zou haar nochtans zo graag troosten. Arme Magda, eigenlijk valt ze nog wel mee. Die relatietherapie was ook haar initiatief, toont toch aan dat ze moeite wil doen om onze relatie te redden, Mark Desmet wil vergeven. Heb me misschien vergist in haar, lang niet zo'n takkewijf als ik dacht. Ondertussen praat mijn oudste dochter alweer tegen me. Toch één lichtpuntje.

nEMO
0 0

Piu ping ping!

Mijn benen zinderen nog na van de blauwe plek, die samen met alle andere schrammen en regenboogkleuren het slagveld vormt van mijn onhandigheid. Fietsen. Ik moet doorfietsen. De rode lichten negeer ik. Een Nederlandse vrouw schelt me uit voor krapul omdat ik haar afsnijdt. Ik excuseer me niet, noch geef ik haar een repliek. Geen tijd, choose your battles. Net te laat. Ik vloek. Dat gaat van mijn loon en mijn prestatiescore af. Nu ik er ben, kan ik me rustig installeren. Wat water drinken, die granola reep die al twee weken in mijn rugzak zit wordt mijn brunch. De zonnecrème geeft me spookachtige schijn. Mijn hoofd is bedekt onder de kap van mijn fietshelm. Mensen kijken me raar aan als ze passeren. Tenslotte sta ik op het voetpad, onder een brug. Ik kijk raar terug. Wat maakt het uit. Ze kunnen toch voorbij? Of is het eerder omdat het knaloranje t-shirt slobbert rond mijn kleine lijf, onder het heuptasje en mijn fietsbroekje bijna bedekt. Mijn lijfje dat in mijn grote, uitvouwbare matchende oranje LazyFoods rugzak zou passen. Een grap waar menig, vooral witte Vlaamse mannen in de 50, zich heel erg mee vermaakten.  Piu ping ping! Mijn eerste order. Meteen al de supermarkt op de top van de boerentoren. Die sky-markets poppen als paddenstoelen uit de grond. Met de betonstop mogen er geen gronden meer ingenomen worden; dus bouwen ze maar in de hoogte.  Met een zacht gezoem activeer ik de vliegfunctie. Het bezorgd me nog steeds tuimelaars in mijn maag. Gewoon ga ik dit nooit worden. Met een klein hartje zorgen de blazers dat ik opstijg. Ik vlieg de tunnel uit. Tweede versnelling. Derde. De weg ken ik uit mijn hoofd. Daken, nog meer daken. Turnhoutsebaan. Het dak van het oude gerechtshof van Borgerhout. Centraal station. Rooseveltplaats, bussen, vliegende steppen… Ik kijk even op de app of ik juist zit. De vliegende brommer leek van nergens te komen. Met alle macht rem ik. Mijn fiets begint plots te trillen. Piu ping pong! Anti-bots modus geactiveerd.  Voor mijn hersenen begrijpen wat er gebeurd fiets ik dwars door de brommer heen. Alsof we beiden niet  meer uit materie bestaan. De persoon op de brommer is alweer weg. Een muur komt op me af. Voor mijn ogen zie ik mijn leven voorbij flitsen. De muur lijkt van lucht te bestaan, en ik fiets er dwars doorheen. Eindelijk kan ik vaart minderen en lijken mijn remmen toch te werken en kom ik tot stilstand. Ik bevind me in een slaapkamer. Alles is roos en Barbie. Duizenden poppenhoofdjes staren me aan. Een meisje gilt haar longen eruit. Ik begin ook te gillen. Tot we uitgegild hebben kan ik enkel vragen of ze me kan helpen uit haar huis te geraken. Ze wijst me haar huis uit, een gedoe met trappen, en veel schrammen later. Piu ping ping! Het lijkt erop dat je al even stilstaat. Als alles goed is, ga dan verder richting de supermarkt. Ik denk dat ik me ziek meld voor de rest van de dag.       

Janan
4 0

Het boek van Wolfstee

Die dag fietsen Mare en ik pas veel later naar huis dan normaal.  De lucht voelt ook anders.  Alsof er iets staat te gebeuren.  Tegen dat we de brug aan de Nete willen oversteken is het al aan het schemeren. Het water ligt er stil bij.  De maan weerspiegelt op het oppervlak.  Plots zie ik iets, een klein lichtje. Bewegend boven het water. ‘Mare, kijk’ fluister ik. Ik wil me net naar haar omdraaien wanneer ik een zachte plof hoor, gevolgd door een vloek en dan een korte gil. Ik rem en gooi mijn fiets op de grond om te kijken wat er gebeurt is. Mare ligt languit op de grond, haar fiets bovenop haar. ‘Alles ok?’ Vraag ik haar voorzichtig. Een korte kreun is het antwoord. Ik neem de fiets van haar over en zie onmiddellijk het probleem.  Haar band is gescheurd. ‘Tanne …’ Mare brengt het er op fluistertoon uit. ‘Heb jij dat ook gezien?’ ‘Wat gezien?’ Vraag ik verbaasd. ‘Dat licht boven het water. Het zweefde boven de Nete. Plots vloog het mijn richting uit en een seconde later knapte mijn band. Het dringt tot me door dat ze hetzelfde lichtje bedoelt dan wat ik net ook zag.  Maar dat kan toch niets met haar band te maken hebben? Bedenkelijk knik ik ter bevestiging. We staren allebei naar de Nete, rechts van ons. ‘Kijk’ fluistert ze ‘daar heb je het weer.’  Het lichtje verplaatst zich nu richting de brug.  ‘Ik denk dat het wil dat we het volgen.’ Het geluid dat uit mijn keel komt klinkt erg schor. Alsof er een brok vastzit. Het kleine, magische, lichtje gaat nu richting het bos. ‘Maar, Tanne, het bos is donker en eng. Mama zegt altijd dat het gevaarlijk is in het bos wanneer het donker is. Dat mogen we echt niet doen.’  Ik zie de angst in haar ogen. Toch zegt alles binnen in me dat we het moeten volgen. ‘Kom’ ik neem haar hand vast ‘we gaan kijken!’ Ondanks de schrik die ze uitstraalt trek ik haar mee. De brug over, richting het bos. ‘Ik blijf bij je, er gaat ons heus niets gebeuren.’ Ik probeer mijn tweelingzus met een vastberaden gezicht aan te kijken. Om haar ervan te overtuigen dat ik zelf niet bang ben. Maar vanbinnen voel ik me net iets minder stoer. ‘En onze fietsen dan?’ Stamelt ze. ‘Die laten we hier wel liggen. Niemand komt hier als het donker is. We halen ze straks wel op.’ Zeg ik schouderophalend.  Terwijl we het bos inlopen schrik ik van iets dat rakelings voorbij me vliegt. Ik draai me om en zie een Havik op de grond zitten, tussen zijn poten zie ik nog net de staart van een rat bewegen. Ik voel Mare’s lichaam trillen maar toch besluit ik verder te wandelen. Het licht achterna. Wanneer het plots van het pad afwijkt twijfel ik toch even of we het wel moeten blijven volgen. De nieuwsgierigheid wint het van de angst en ik loop er achteraan.  Met een bevende Mare naast me. Zo diep zijn we nog nooit de bossen in gelopen. Zelfs niet op klaarlichte dag. Voor ons zie ik een klein houten huis, het lijkt uit het niets te verschijnen. Het ziet er erg oud uit. Met houten muren en een rieten dak. Ik zie één raam en een zware houten deur. Ondanks dat ik geen licht zie branden moet er wel iemand binnen zijn, want door de schoorsteen dwarrelt rook naar buiten. Het lichtje is vlak voor de deur gestopt. Mare grijpt mijn arm nog steviger vast. ‘Tanne’ haar stem is bijna geluidloos, ‘je gaat toch niet naar binnen gaan? Wie weet wie daar woont. Alleen een gek woont zo diep in het bos.’  Ik moet een glimlach onderdrukken voor haar woordkeuze, maar eigenlijk heeft ze wel een beetje gelijk, toch voel ik dat het moet. ‘Sorry zus, ik voel dat we dat toch moeten doen. Iets of iemand wacht op ons.’ Mijn stem klinkt vastberadener dan ik me voel. Terwijl ik de deur open duw zie ik het lichtje doven.  Binnen schijnt een lichte gloed. Hij is afkomstig van de open haard die zachtjes brand. Verder kan ik niets ontwaren. Ik zie niemand in de kamer dus doe ik een stap naar voren om beter te kunnen rondkijken. Mare volgt met op de voet. Achter haar valt de deur met een klap toe, waardoor ze een klein sprongetje maakt en tegen me opbotst.  Dan hoor ik een warme stem uit de hoek van de kamer komen ‘Welkom’. Het geluid vult de hele ruimte. De warmte ervan dringt door in mijn hele lichaam. Ik kijk opzij, naar Mare die naast me is komen staan. Ze staart me aan. In haar ogen zie ik een gloed waardoor ik weet dat ze het ook gevoeld heeft.  In mijn ooghoek zie ik uit het donker een kleine vrouw naar voren stappen. Ze draagt een lange jurk en haar grijze haar zit in een losse knot. En in het haar zie ik een kleine bril, met ronde glazen zitten. ‘Welkom Tanne, Welkom Mare’  ‘Hoe weet u onze namen?’ Stamel ik een beetje verbaasd.  ‘Ik weet veel Tanne’ antwoord ze met een warme stem. Dan stelt ze zichzelf voor. ‘Ik ben Josyne. En ik ben blij dat ik het bij het rechte eind had. Jullie zijn degene die ik zoek.’ ‘Degene die u zoekt?’ Het is alsof Mare uit haar angstige trance ontwaakt.  Haar stem is plots heel fel, en ik zie in haar ogen de nieuwsgierigheid opborrelen.  ‘Ja Mare, en het feit dat jullie hier staan, bewijst dat.’ ‘Heeft u ons dan naar hier gelokt?’ Nu ben ik het die op felle, verbaasde toon reageer. ‘Had dat lichtje er iets mee te maken?’ ‘Dat is inderdaad wat ik heb gedaan. Maar alleen doordat jullie de gave hebben konden jullie het lichtje zien.’ ‘Wat voor gave?’ Mare barst nu helemaal van de nieuwsgierigheid en kan zichzelf amper nog bedwingen. Ik merk aan haar houding dat ze nu het hele verhaal wil weten, alle angst lijkt verdwenen te zijn. ‘De gave die nodig is om mij op te volgen.’ De stem van Josyne klinkt nog steeds zacht en warm, maar ook erg uitgeput. Ik bekijk haar een beetje beter, het lijkt alsof ze in de laatste minuten ineens twintig jaar ouder is geworden. Plots ziet ze er heel oud uit. Haar schouders zijn gaan hangen, haar gezicht staat vol rimpels en haar grijze haar is spierwit geworden. Ze staat helemaal voorover gebogen en ik zie dat ze niet meer recht kan blijven staan. Snel neem ik de stoel die ik achter haar had zien staan en schuif hem dichterbij. Met een licht geforceerde duw dwing ik haar om even te gaan zitten. Met een plof laat ze zich vallen. ‘Dank je’ zucht ze vermoeid. ‘Het lijkt erop dat jullie net op tijd zijn. Ik heb alle kracht die ik nog in me had opgespaard tot ik jullie zou vinden.’  Ze draait zich om richting de hoek van de kamer en wijst ergens naar. ‘Neem dat boek eens.’ Ik loop in de richting naar waar ze wijst en zie een héél oud boek liggen. Er staan tekens op die ik niet kan lezen. Wanneer ik het wil vastnemen ontstaan er een soort gloed omheen. Het boek lijkt wel licht te geven. Snel trek ik mijn hand terug en kijk Josyne verbaasd aan. ‘Niet bang zijn.’ Hoor ik haar zwak zeggen ‘ dat is normaal, dat wil zeggen dat het boek nu bij jullie hoort. Het wordt jullie binnenkort allemaal wel duidelijk.’ Terwijl ze dat zegt sterft haar stem weg.  Toch een beetje angstig neem ik het boek op, ik wil me niet verbranden. Onmiddellijk voel ik de warmte door mijn lichaam stromen. Het is dezelfde warmte die ik daarstraks ook al leek te voelen. Ik loop er mee naar Mare, met een schittering in haar ogen kijkt ze me aan, alsof het de grootste schat is die ze zich kon wensen. ‘Mag ik het vasthouden?’ Fluistert ze. Snel geef ik het boek aan haar aan en draai me dan om naar Josyne voor meer uitleg.  Haar ogen vallen bijna toe van vermoeidheid. Mare ziet het ook en met het boek in haar handen geklemd stoot ze me aan. ‘Zullen we morgen terugkomen? Ze is doodop. Zolang ze geen fut heeft gaat ze ons toch niets meer vertellen.’ ‘Wat doen we met het boek?’ Fluister ik. ‘Meenemen’ ze zegt het zo kordaat dat ik er van schrik. ‘Ik voel gewoon dat het moet. Het boek wil het zo.’ Antwoord ze wanneer ze me bedenkelijk haar kant ziet opkijken. Een boek kan niets willen, wil ik nog antwoorden maar hou me snel in, want uiteindelijk voelde ik ook dingen die niet normaal zijn. Door mijn gevoel zijn we hier in het huis. Ik kijk nog even naar Josyne die in een diepe slaap lijkt te verkeren dus geef ik Mare gelijk en vertrekken we zo stil als we kunnen. Ik trek zachtjes de deur achter me toe en begin in het bos te turen naar de weg terug. ‘Ik heb geen enkel idee van waar we gekomen zijn’ zucht ik diep. Het bos strekt zich helemaal uit richting Vorselaar en Herentals. Ik zou niet weten welke kant ik op moet naar huis. Mare ziet mijn vertwijfelde blik en laat een diepe zucht ontsnappen. En dan roept ze plots enthousiast ‘Daar’ en wijst richting het bos. Ik volg haar hand en dan zie ik het ook, een klein lichtje tussen de bomen.’ Zou het ons de weg uit het bos wijzen?’ Vraagt ze. ‘Ik weet het niet, maar laten we het gewoon volgen. Zelf vinden we de weg toch niet terug. En als Josyne het lichtje gebruikte om ons hierheen te lokken dan gok ik dat ze er ook voor zal zorgen dat we terug naar huis raken.’  Het lichtje loodst ons tussen de bomen door, tot we terug op het pad zijn. Nog geen tien minuten later staan we opnieuw naast onze fietsen. Aan de rand van het bos. Het lichtje is verdwenen maar het boek dat Mare dicht tegen zich aandrukt is het bewijs dat dit geen droom was.

S.J. Elisa
8 0

Prachtige wallen (deel 1)

13 januari 2014   Ik heb geen naam, geen leeftijd, geen geslacht, geen thuis, geen verleden, geen toekomst. Of het is te zeggen: ik heb elke dag een andere naam, een andere leeftijd, een andere thuis. En een andere enzovoort. Elke dag word ik wakker als een ander persoon, in een ander bed, in een ander huis, in een ander leven. Soms ben ik een boekenwurm die gepest wordt op de lagere school, een week later ben ik de pestkop. Soms ben ik de president van Amerika, een week later die van Rusland. Soms lig ik op de afdeling Palliatieve Zorgen in een ziekenhuis in Litouwen, en dan zit mijn familie naast me, naast mijn sterfbed, en zitten ze daar met tranen in de ogen en houden ze mijn hand vast en fluisteren troostende woorden, en kan het me eigenlijk geen bal schelen dat ik daar lig, want morgen lig ik er toch niet meer. En de dag erna lig ik er dan inderdaad niet meer, maar ben ik de verpleegster, of de moeder naast het sterfbed, of dan ben ik gewoon de voorzitster van een breiclub in Borgworm. Soms word ik wakker op mijn verjaardag – nu ja, iemands verjaardag… Dan wachten er cadeaus, een taart, een kus van mijn man of vrouw, af en toe zelfs een stomende seksbeurt, een soort onenightstand met de liefde van mijn leven, de liefde van mijn leven voor die dag althans. Soms moet ik mijn vader begraven, een pakkende toespraak geven over een man die ik nooit heb gekend, voor een menigte mensen die ik nooit heb gekend. Soms word ik wakker op vakantie, klaar voor een dagje genieten aan de Spaanse kust. Soms wacht er mij een zware dag op het werk, en verongeluk ik op weg naar kantoor. De rest van de dag breng ik in coma door, een dagje vrijaf, wat extra tijd om bij te slapen. Vraag me niet wanneer ik geboren ben. 1963? 1827? 1713? Ik heb geen flauw idee. Dit is al zo lang aan de gang dat ik niet meer weet wie ik in essentie ben of was. Een 37-jarige poetsvrouw uit Rwanda? Een professor in de endocrinologie uit Tilburg? Een blinde concertpianist uit Boedapest? Een postzegelverzamelaar uit Boekelo? Eigenlijk is het net alsof ik een meervoudige persoonlijkheidsstoornis heb, alleen heb ik een eindeloos scala aan alter ego's en verandert mijn persoonlijkheid met de regelmaat van de klok. Het voelt aan alsof deze identiteitscrisis – als ik het zo mag noemen – al eeuwen aan de gang is, en nog wel een paar eeuwen voort gaat duren. Ik heb het eeuwige leven, en ik ben het beu. Begrijp me niet verkeerd: ik wil niet dood, maar ik zou graag eens drie dagen op rij in hetzelfde lichaam willen doorbrengen. Kijk, soms word ik wakker als eindejaarsstudent, en leg ik die dag een beslissend examen af. En nooit weet ik een week later of ik geslaagd ben. Natuurlijk vraag je je af wat mij dat hele examen kan schelen, en je hebt gelijk: dat eventuele diploma wordt niet door mijn neus geboord, want een week later ben ik een volledig andere student, of een leraar, of de directeur, of een peuter in peuterklas, druk in de weer verf en plasticine. Vroeger kon dat soort dingen me inderdaad geen bal schelen. Ik heb nog eens een volledig examen lang op elke vraag geantwoord met hetzelfde standaardzinnetje: Zie cursus, pagina… Ook heb ik tijdens vrijpartijen met universiteitsstudentes geweigerd een condoom te gebruiken, omdat ik wist dat ik bij een eventuele zwangerschap de pampers niet zou moeten verversen, ik het huilende kind om drie uur 's nachts niet opnieuw in slaap zou moeten sussen, ik de kleine niet naar de balletschool of voetbalclub zou moeten brengen. Een keer werd ik wakker als een Irakese Imam met een dagelijkse column in de plaatselijke krant. Nou, daar heb ik mooi gebruik van gemaakt door een pleidooi voor het homohuwelijk te schrijven. Moet ik nog steeds om gniffelen af en toe, ben benieuwd wat die Imam de volgende dag allemaal – letterlijk en figuurlijk – naar het hoofd geslingerd heeft gekregen. Daar heb ik om eerlijk te zijn nog steeds geen spijt van, maar van die examens en zwangerschappen dus wel. Tenslotte heb ik misschien wel mensenlevens overhoop gegooid, toekomstplannen in rook doen opgaan. Daarom probeer ik nu altijd mijn best te doen op een examen of belangrijke vergadering. En breng ik de kinderen plichtsgetrouw naar de balletschool of voetbalclub. Maar ik blijf dus wel zitten met die absolute zinloosheid. Nooit pluk ik de vruchten van mijn gedrag, nooit zie ik de gevolgen van mijn daden. Ik leef nooit ergens naar toe, heb nooit toekomstplannen. Elke nieuwe dag maakt mijn vorige zinloos. Tijd dat daar verandering in komt. Ik wil wel eens een normaal leven leiden. Een identiteit hebben. Weten wat het betekent om mij te zijn. Zonder spiegel weet ik namelijk niet hoe ik eruitzie. Of mijn ogen bruin of blauw zijn. En zonder identiteitskaart ken ik mijn volledige naam niet. Ik begin het ook beu te worden om telkens weer datzelfde zinnetje te moeten horen van mijn toevallige familie of collega's. 'Je bent jezelf niet vandaag.' Inderdaad. Dat ben ik nooit. Ik weet niet wie mezelf is. Vandaar dat ik heb besloten om de volgende dagen sloten koffie te drinken. Mijn lichaam van de dag vol te pompen met cafeïne, in de hoop dat ik 's avonds de slaap niet zal kunnen vatten. Want het is in mijn slaap dat ik telkens van lichaam en leven verander. Wie weet… blijf ik wel een paar dagen dezelfde persoon, als ik erin slaag om telkens het nachtje door te steken.   24 januari 2014   Eindelijk! Het is gelukt! Ik ben vandaag nog steeds dezelfde man die ik gisteren was! Doodop, vermoeid, maar nog steeds dezelfde man als gisteren. Leraar geschiedenis op een middelbare school, 40 jaar, getrouwd, vader van twee dochters. Mark Desmet, dat is mijn naam! Mark Desmet! Een doordeweekse naam, een naam die absoluut niet tot de verbeelding spreekt, een naam die je zó weer vergeten bent. En toch is het de mooiste naam die er ooit heeft bestaan, het mooiste klankenspel dat ons alfabet al heeft voortgebracht. Want het is mijn naam! Mijn naam! Hallo wereld, ik ben Mark Desmet! Tussen 13 en 23 januari ben ik zoals gewoonlijk telkens als een andere persoon wakker geworden. Alle koffie ten spijt. Het probleem was dat ik telkens een nogal veeleisende job had. De ene dag chirurg, de andere piloot, de dag daarna diplomaat op een of ander belangrijk congres. Een voor een en stuk voor stuk veeleisende banen die heel wat energie vreten, en ervoor zorgen dat je 's avonds als een blok in slaap valt. Tot vandaag. Het is me gelukt, ik heb het nachtje doorgestoken. Wallen onder de ogen? Jazeker. Maar het zijn mijn wallen, de mooiste wallen die ik ooit heb gezien. Zo meteen vertrek ik naar school. Als de meest gemotiveerde leerkracht die het mensdom ooit heeft voortgebracht.   25 januari 2014 Nog steeds Mark Desmet. Nog steeds dezelfde wallen onder dezelfde ogen. Prachtige wallen, ronduit prachtig. Mijn vrouw, mijn vrouw, was er deze ochtend over aan het zagen aan de ontbijttafel. Ze zei dat ik me beter moest verzorgen, dat een leraar een verzorgd uiterlijk moet hebben, zodat hij discipline en autoriteit uitstraalt voor de klas. Ik gaf haar gelijk. Roemde haar woorden. Sprak lovend over haar wijsheid, haar inzicht in de subtiele mechanismen van het sociale verkeer, haar oog voor de eigenaardigheden van de menselijke interactie. Ik zei dat ik zo blij was, mezelf zo gelukkig prees, dat zij mijn vrouw was, zij en niemand anders. En toen kreeg ik een koffiekop naar mijn hoofd geslingerd… Blijkbaar botert het al een tijdje niet zo goed meer tussen Mark Desmet en zijn vrouw, en dacht ze dat ik het sarcastisch bedoelde. Heb me het huwelijk er wel uitgekozen…   26 januari 2014   De koffie blijft wonderen doen. Al drie nachten niet geslapen. Al een halve week Mark Desmet. Ook al een halve week geen seks. Elke dag ruzie dat wel, maar van goedmaakseks lijkt mijn vrouw nog nooit gehoord te hebben. Toch zie ik haar graag. Magda. Lieve Magda. Wat geniet ik van onze ruzies! Als ze echt kwaad wordt, zie je telkens dezelfde ader verschijnen boven haar linkerooghoek. Een pompend, zwellend monster. Waar ik enorm gesteld op aan het raken ben. Het geeft zo'n intiem gevoel om diezelfde ader dag na dag te zien terugkeren, om het gezicht van mijn vrouw, van mijn vrouw, elke dag wat beter te leren kennen, met al haar tics en onvolmaaktheden. Eindelijk leer ik eens iemand kennen, raak ik vertrouwd met een gezicht, begint iemand anders een rol van betekenis te spelen in mijn leven. Ach Magda, koffiekopslingerend serpent, zeurend takkewijf, lelijke feeks, ik hou van je. Met hart en ziel.   27 januari 2014   Het slaapgebrek begint stilaan zijn tol te eisen. Ik was vandaag te moe om van mijn geruzie met Magda te genieten. De afgelopen dagen heb ik me geweldig geamuseerd met het verzinnen van snedige replieken en gevatte antwoorden op haar gekanker en gezeur en gezaag en geklaag. Het was net schaken. Of schermen met woorden. Elke belediging moest teruggekaatst worden, elk verwijt gepareerd. Ik zag het als een soort sport, een verbale krachtmeting, net zoals een politiek debat, een oefening in welsprekendheid en retoriek. En het moet gezegd: Magda is een geweldige sparringpartner. Ze zou gerust een scheldwoordenboek kunnen samenstellen met haar uitgebreide kennis van de Nederlandse schuttingtaal. Ik moest het onderste uit de kan halen om me in een discussie met haar recht te houden. En dat deed ik dan ook, ze bracht het beste in me naar boven. Maar vandaag lukte het niet. Te vermoeid. Slappe concentratie. Zware oogleden. Trillende handen. Ik was geen partij. En zo is er voor haar natuurlijk ook niks aan. Geen uitdaging meer. Arme Magda, ik heb haar teleurgesteld vandaag. Gefaald als echtgenoot. Hopelijk lukt het morgen wat beter.

nEMO
0 0

De laatste bron

Elias Elias tuurt naar beneden. Begin mei en geen sprietje groen. De velden zijn leeg. Hier en daar staat een bladerloze boom. In het midden van het eiland lag vroeger een groot meer. Nu is er een donkere krater, kilometers diep en breed, maar er staat nauwelijks water in. Aan de westkant van het eiland liggen enkele ouderwetse aquapods aangemeerd. Vanaf de haven kronkelt een weg door de uitgedroogde velden en rondom het meer tot aan een dicht bebouwd centrum. Op die weg nadert langzaam een zwarte autopod. Als zijn voeten de grond raken, gespt hij zijn mobipod los. Iets verder ligt zijn materiaalpod al op de grond. Nadat hij ze allebei ingeplugd heeft, zet hij zijn zuurstofmasker af en hapt naar adem. De hitte slaat vol in zijn gezicht. Het is hier heter dan op het vasteland en het zweet druppelt onmiddellijk langs zijn slapen. Gelukkig is dit volgens Annika een korte opdracht: enkele waterstalen nemen en een kort verslag schrijven over de bron op Brunnvik. De zwarte autopod stopt vlak voor zijn voeten. Terwijl de materiaalklep en de deur aan de passagierszijde openen, hoort hij een automatische stem: ‘Stap in Elias Rayburn. Autopod X14 rijdt je naar Karl Fisker. Beheerder van het eiland.’ Na een korte rit parkeert de autopod voor een blinkende, metalen kubus. Raamloos. Hij stapt uit. Als hij het gebouw nadert, opent een donkere, verticale gleuf. Geluidloos. Binnen ruikt het naar verse regen. De ijskoude verkoelende luchtstroom stopt eindelijk het zweten. In de inkomhal groeien bomen en planten, maar er is niemand te zien. Tot een man uit een nis in de muur tegenover hem stapt.  In zijn schaduw loopt een beveiliger met snor. ‘Welkom. We zijn verheugd dat je er bent. Pak eerst je bagage uit. Thor, mijn assistent, zal je naar een rustpod met bureau brengen.’ De kamer is spartaans ingericht met een bed zonder laken of kussen. Aan de andere kant van de slaapplaats hangt een bureau met op het bureaublad een groot model communicator. Op het moment dat Elias zijn hand erboven houdt, licht die op en verschijnt er op het scherm een mededeling: ‘Welkom, Elias. Alles wat je nodig hebt, regel je hier.’ Hij leunt tegen de muur. Het oppervlak wordt een fractie warmer alsof het gebouw zijn aanwezigheid registreert. Voor de vorm opent hij op de tablet het dossier over Brunnvik: de redding van Brunnvik, de klimaatinstallaties, de energiecentrales, de bescherming tegen de gevolgen van de Grote Droogte. De droge opsomming  wijkt enigszins af van wat zijn grootvader hem vertelde. Hij bracht als kind vaak de zomer door bij zijn grootouders en had uren geluisterd naar de verhalen over hoe Brunnvik was vóór AquaViridis. Brunnvik bezat een uitzonderlijke ondergrondse zoetwaterbron die een groot meer vormde. Deze waterreserve was een van de laatste veilige drinkwaterbronnen van Denemarken. Na de Eerste Grote Droogte had de overheid grote ontziltingsinstallaties op de Oostzee gebouwd. Pas achteraf bleek dat het ontzilte water ongeschikt was als drinkwater. Het bevatte chemicaliën en bovendien was het radioactief. Wie ervan dronk, betaalde daar jaren later de prijs voor, maar vaak was de keuze snel gemaakt als iemand moest kiezen tussen sterven van dorst of sterven door langzame vergiftiging. Na de Eerste Grote Droogte had AquaViridis een overeenkomst afgesloten met het eiland om de bron te exploiteren en zo het vasteland van water te voorzien. Via een onderzeese HydroLink werd het water naar Denemarken getransporteerd. Sindsdien was ook op Brunnvik water geen vanzelfsprekendheid meer. Elke verbruikte druppel werd geregistreerd en moest betaald worden. Veel gezinnen moesten kredieten afsluiten om drinkbaar water te kunnen kopen. AquaViridis had dankzij deze deal de exclusieve rechten op het beheer van de bron verkregen. Elias’ grootouders en vele anderen hadden zich aanvankelijk hevig verzet tegen de privatisering van hun drinkwater, maar AquaViridis beloofde als tegenprestatie Brunnvik te beschermen tegen de steeds grilliger wordende gevolgen van de klimaatverandering. Het bedrijf beloofde nieuwe microgrid-energiecentrales die Brunnvik onafhankelijk zouden maken van het energienetwerk op het vasteland. Daarnaast installeerde het klimaatschermen rond de kwetsbaarste gebieden van het eiland om de kracht van extreme stormen en vernietigende hagelbuien af te zwakken. Langs de kust bouwden ze stormbarrières om de stijgende zeespiegel en de steeds zwaardere stormvloeden tegen te houden. Elias typt een opdracht op de tablet: ‘Transport naar de bron.’ Als hij met de beheerder en zijn assistent bij het meer aankomen, ziet het er nog erger uit dan vanuit de lucht. Wat ooit een helder, bruisend meer was, is nu een grote, uitgeholde poel met donker, roestkleurig water. Het water stinkt en er zit geen beweging in. Elias moet zich inhouden om niet te braken door de combinatie van de loden hitte  en de rottende geur. Karl Fisker steekt zijn handen in zijn zakken. ‘Dit is alles wat er nog is. Toen AquaViridis hier kwam, dacht ik dat ze ons zouden beschermen. Dat ze een oplossing zouden brengen. Ondertussen  verdwijnt onze watervoorraad en zijn mijn mensen wanhopig. Ik zag een eilandbewoner die probeerde zijn eigen urine te filteren met een oud laken. Jullie zeggen dat dit tijdelijk is, maar sommige mensen beginnen te denken dat er iets anders aan de hand is.’ ‘En jij, Karl? Wat denk jij dat er aan de hand is?’ ‘Ik denk dat er dingen zijn die wij niet begrijpen, Elias.’ Thor komt dichter staan. Elias probeert Karl verder uit te vragen, maar er komt geen woord meer uit. Ze blijven een tijd naar het water staren. Net voor ze terugrijden haalt Elias een monsterprobe uit zijn rugzak om stalen te nemen voor de analysator op het vasteland. Met een tik op zijn communicator schuift een telescopische arm geruisloos uit tot op het wateroppervlak. Aan het uiteinde opent een transparante capsule die zich automatisch vult. Daarna schuift ze terug in de probe. Een tweede controlecapsule zakt dieper voor nog een watermonster. Terug in het gebouw drinkt hij in zijn kamer een nutriëntenshake. Als hij zich neerlegt op het bed, daalt het deken neer. Het hoofdeinde van het bed komt enkele centimeters naar omhoog en vormt een perfect hoofdkussen. Elias kan de slaap niet vatten en besluit op zijn eentje te voet terug te keren naar de bron. Buiten is het doodstil. De hitte is omgeslagen in bittere kou. De bron ligt verder dan hij zich herinnert. Als hij bij het meer aankomt lijkt er deze keer wel beweging in te zitten, maar de zwavelgeur is weg. Dan valt hem opeens een zilverkleurige antenne op dicht bij de oever. Vanaf de antenne loopt een draad naar een enorm blok metaal op de oever.  Zijn vingers glijden over het metaal dat slijmerig aanvoelt en begint te trillen als hij het aanraakt. Het water klotst heftig heen en weer. Op het moment dat hij zich bukt om het tafereel vast te leggen op zijn communicator, voelt hij iets kouds tegen zijn rug drukken: ‘Je had niet moeten terugkeren, jongen.’ ‘ Manipuleren jullie de bron?’ Karl haalt diep adem en kijkt naar het water: ‘Ik heb gedaan wat we moesten doen om te overleven. AquaViridis zal onze gemeenschap vernietigen als het contract niet nageleefd wordt.’ Elias wil achteruit stappen, weg van het ondertussen kolkende water, maar hij kan zich niet bewegen, omdat een flinterdunne nanodraad zijn lichaam inpakt. Daarna schopt iemand hem onderuit en valt zijn bovenlichaam in de stinkende modder aan de oever. Hij kan met geen mogelijkheid zijn hoofd nog omhoog tillen. Karl wijst Thor naar een plek wat verderop en vraagt hem om de terreinprinter te activeren. Een raster van groene laserpunten projecteert een rechthoek op de grond. Daarna komt de robotgraafmachine tot leven en die hapt met één vloeiende beweging een keurige, rechthoekige vorm uit de grond. Binnen enkele seconden gaapt een kuil van menselijk formaat. Vervolgens commandeert Thor de machine om het lichaam uit het water te trekken, in de put te dumpen en de kuil te vullen. Nadien verstuurt Karl een beveiligd bericht:  ‘Probleem opgelost. Situatie onder controle. Geen verdere tussenkomst nodig.’ Hij kijkt omhoog naar de hemel. De regen is intussen veranderd in poedersneeuw. Het probleem is tijdelijk opgelost.   Gunnar Gunnar roept het dossier van Elias Rayburn op. Het bericht over het ongeluk van de expert komt van de beheerder van het eiland, Karl Fisker : ‘Aan de rand van de bron werd het lichaam van Elias Rayburn gevonden. Waarschijnlijk uitgegleden en verdronken tijdens een avondwandeling.’ Gunnar zucht, als hoofd arbeidsongevallen moet hij een plaatsverslag opmaken van elk dodelijk werkongeval. Er zit niets anders op dan de oversteek van Kopenhagen naar  Brunnvik te maken. Met een ouderwetse ijsbreker om de Oostzee open te breken, want op dagen met temperaturen onder de 25 graden Celsius zijn de mobipods onbetrouwbaar. Tijdens de overtocht staart hij naar het giftige zwarte oppervlak dat zich eindeloos uitstrekt. In de haven aan de kade wacht een potige kerel hem op. De man begint onmiddellijk naar een ouderwets fossiel model autopod te lopen: ‘Karl verwacht je.’ In de kubus staat  Karl in de inkomhal. Strak in het pak. Gespannen kaakspieren, zijn handen stevig in de zakken van zijn jas. Nog maar een schim van de joviale aanvoerder van het voetbalteam. ‘Gunnar, oude makker. Hoe is de situatie in Kopenhagen? Minder rellen door de kou hoorde ik.’  Zonder een antwoord af te wachten, glijdt zijn blik naar de chauffeur die nog steeds zwijgend achter Gunnar staat: ‘Heeft Thor zich al voorgesteld? Hij durft de regels van de etiquette weleens vergeten.’ Thor antwoordt met een kort gesnuif. Gunnar vraagt om de plaats van het ongeval te bekijken. Als hij terug naar buiten wil stappen, legt Karl een hand op zijn schouder: ‘De situatie is iets gecompliceerder dan wat ik in mijn rapport vermeld heb.’ ‘Hoe bedoel je?’ vraagt Gunnar terwijl hij instapt. Karl mompelt dat het straks duidelijker zal worden en zwijgt vervolgens de rest van de rit. Zodra Gunnar uitstapt, slaat een muur van hitte hem tegemoet. Nog maar pas had hij vanaf de ijsbreker naar de dichtgevroren zee gekeken; hier trilt de lucht boven de rotsen. Hij moet kokhalzen. De verstikkende geur van rotte eieren vult zijn longen. De bron ligt er even zwart bij als het water van de zee. Karl haalt een klein apparaat uit zijn zak dat zacht begint te zoemen. Aan de oever schuift een antenne omhoog. Het donkere water begint langzaam helder te worden en het water stijgt. Het is alsof iemand een raam heeft opengezet, want de zwavelgeur trekt weg Gunnar staart naar de antenne: 'Wat is dit?' 'Een onderhoudsprocedure,' antwoordt Karl. 'De sensoren moeten af en toe gekalibreerd worden.' Hoe meer het waterniveau stijgt hoe helderder het water wordt. Geen spoor meer van de zwarte smurrie die hij daarnet zag. Hij kijkt Karl aan: 'Nee... Jullie hebben verdomme met de bron geknoeid! En Elias wist het!’ Karl zegt niets. ‘Jullie hebben hem vermoord.' Karl haalt diep adem:  ‘We moesten iets doen om het hier leefbaar te houden. Na de Derde Droogte werd water steeds duurder. We wilden onze bron opnieuw zelf controleren. Mijn mensen sterven van dorst, maar we zitten vast aan het contract. Jij weet wat het is om te beslissen wie leeft en wie sterft. Ik kon niet toelaten dat Elias alles naar buiten bracht.’ Gunnar voelt de woede opborrelen: ‘En jullie dachten dat daarmee het probleem opgelost was.’ ‘We zaten vast, Gunnar. Als Elias had gepraat, was het gedaan geweest met dit eiland.’Karl kijkt hem nu strak aan. 'Gebruik je verstand, Gunnar. Je weet hoe het eraan toe gaat op het vasteland. Droogte, wanhoop, mensen die elkaar verscheuren om een paar druppels water. Waarom zou je tegen de stroom ingaan? We kunnen dit regelen.' Hij laat een korte stilte vallen. 'En ik heb die beelden nog altijd. Jij die met je dienstbadge de Hydrobot voor het zwembad van je dochter manipuleert. Denk je dat je carrière dat overleeft?' Gunnar grijpt naar zijn communicator. 'Elias is dood, Karl. Dit is moord. Dat moet ik rapporteren.' Karl spreekt nu met een waarschuwende blik in de ogen: ‘Ja, ik ken je. Jij bent een man die de regeltjes wil volgen. Maar dat kan gevaarlijk zijn. Zowel voor ons als voor jou, Gunnar. Het eiland beschermt zijn mensen. Geen wateroorlogen, geen chaos, geen honger. Je kunt daar deel van uitmaken. Waarom zou je het jezelf moeilijk maken, als je het zo veel makkelijker kunt krijgen?’ ‘Ik laat me niet omkopen.’ Karl lacht scherp:  ‘Je snapt het niet, Gunnar. Je denkt toch niet dat al die tekorten toevallig zijn? Er is genoeg water. Schaarste is een keuze van de overheid omdat dat macht en geld oplevert. Je kunt blijven vechten tegen het systeem. Je weet dat ik gelijk heb. Je bent alleen te koppig om dat toe te geven.’ Thor komt ondertussen dichterbij en slaat zijn arm dwingend om Gunnar heen. ‘Dit is je enige kans. Denk er even goed over na, Gunnar. Je weet wat er kan gebeuren met mensen die antwoorden vinden.’ Gunnar wringt zich los uit de bankschroefgreep van Thor. ‘Je hebt gelijk over één ding. Het eiland biedt bescherming. Maar tegen welke prijs? Ik wil niet opgesloten zitten in jullie leugens, Thor.’ Gunnar draait zich om en stapt weg van de bron die nu volledig helder is. Terug naar Kopenhagen. Hoeveel dorstige monden zullen er daar morgen zijn? Volgende week? Over een jaar? Zijn pas hapert heel even. Thor zet een stap vooruit, maar Karl houdt hem met opgestoken hand tegen: 'Nee.' Thor fronst. 'Hij weet te veel. Dan blijft er maar één oplossing.' 'Wis de laatste achtenveertig uur,' zegt Karl zacht. 'Meer niet.' 'Dat is een risico.' 'Dat is een bevel.' De communicator schiet een verdovingspuls af. Gunnars benen knikken weg. Pas uren later komt hij op de ijsbreker bij bewustzijn.  Zijn hoofd bonst. Boven zijn rechterslaap voelt hij een bobbel. Als hij op zijn communicator kijkt, ziet hij dat hij achtenveertig uur offline was. Aan de kade in Nyhavn staat een lange rij mensen met jerrycans zwijgend te wachten. Een Hydrobot rijdt langzaam vooruit. De ene telescopische arm klikt zich vast op een jerrycan, een andere arm scant de chip in het oor van een vrouw om het verschuldigde bedrag af te schrijven. Daarna pompt hij het waterrantsoen over. Plots blijft de arm steken. Een monotone stem galmt over de kade: ‘Onvoldoende krediet. Het actuele watertarief overschrijdt uw beschikbare saldo.' 'Jullie kunnen de prijs toch niet elk uur veranderen,’ roept de vrouw met een halfvolle jerrycan. Achter haar klinkt ondertussen geschreeuw. Iemand roept dat de tank van de Hydrobot bijna leeg is.  De rij verandert in een kolkende zee van zwaaiende armen. Jerrycans vallen op de grond en worden platgetrapt. Het water stroomt over het asfalt. Mensen werpen zich op hun knieën om het met hun handen op te scheppen. Sommigen likken het van de straat. Gunnar blijft staan kijken naar de menigte. Hij heeft het gevoel dat hij hen iets moet vertellen, maar hoe hard hij ook denkt,  zijn geheugen blijft leeg.  

HildeDS
0 0

De stoel in de kamer (kort verhaal)

    DE STOEL IN DE KAMER              Voor allen die nog steeds dagdromen.   Inleiding    Ik schrijf graag verhalen, enkel is het soms moeilijk om er eentje af te maken of er aan te beginnen.  Daarom is dit verhaal anders, dit verhaal is een droom een duistere maar ook fijne. Het kan zijn dat je niet goed mee bent. Dat mag en kan. Het verhaal bevat veel wijsheid.    Ik hoop dat het je iets bijdraagt. Want soms kan dromen nodig zijn.   Hoofdstuk 1 — De Dimensie Zonder Zorgen     We stappen niet door een deur. Er is geen klik, geen overgang, geen moment waarop ik kan zeggen hier begon het. De dimensie zonder zorgen ligt naast de onze, dun als een ademhaling die je pas hoort wanneer alles stilvalt.   Tijd bestaat hier, maar hij dringt zich niet op. Hij beweegt zonder te duwen. Gedachten komen op, kijken even rond, en lossen weer op voordat ze gewicht krijgen. De lucht voelt lichter, niet omdat ze anders is, maar omdat ze niets van me vraagt.   Voor me tekent zich iets groots af. Geen gebouw, geen berg, geen vorm die ik kan vastpakken. Het is een aanwezigheid. Groot doordat ze niets wil. Ze eist geen aandacht en juist daarom kan ik haar niet negeren.   Ik wandel verder. Niet naar haar toe en ook niet van haar weg er door heen. Met elke stap zie ik meer de achtergrond. Wat overblijft is eenvoud. Adem. Beweging zonder doel.   Dan verschijnt de eik.   Hij staat er alsof hij hier altijd al hoorde. De stam is breed, ruw, getekend door lijnen die niets uitleggen. De kruin spreidt zich uit als een dak dat niemand bezit. Er is geen wind, en toch bewegen de bladeren zacht, alsof ze zich iets herinneren wat ik vergeten ben.   Ik leg mijn hand op de schors. Ze is koel en echt. Op het moment van aanraking verandert niet de boom, maar mijn gewicht. Gedachten worden lichter. Mijn lichaam blijft staan, maar iets in mij laat los.   De vlammen komen zonder geluid. Ze verteren niet; ze tonen. Bladeren worden licht. Wortels lichten op onder de aarde, dieper dan ik dacht dat mogelijk was. Wanneer het vuur zakt, blijft er geen as achter, maar ruimte.   Uit die ruimte vormt zich een poort.   Ze nodigt niet uit en ze waarschuwt niet. Ze is. Achter me blijft de dimensie zonder zorgen intact. Voor mij ligt de mogelijkheid.   Ik blijf staan op de grens en weet: dit is geen einde. Dit is het begin van aandacht.           Hoofdstuk 2 — De Eik en het Vuur   De eik staat dichterbij dan ik verwacht. In deze dimensie betekent afstand niets; dingen zijn nabij omdat ze dat mogen zijn. Wanneer ik om de stam heen loop, voel ik hoe de ruimte zich aanpast aan mijn bewegingen, niet andersom.   De schors is gegroefd en ruw. Mijn hand volgt de lijnen zonder doel, alsof ze leest wat niet geschreven is. Ik voel geen boodschap, geen inzicht dat benoemd wil worden. Alleen aanwezigheid. Dit moment vraagt niets van me.   Wanneer het vuur ontstaat, is er geen paniek. De vlammen komen op wanneer adem in koude lucht zichtbaar wordt. Ze likken langs de stam zonder woede, zonder haast. Het hout verkleurt niet meteen; eerst licht het op van binnenuit, alsof de boom al die tijd iets heeft gedragen dat nu eindelijk ruimte krijgt.   De hitte bereikt mijn huid niet. Ik blijf staan, verbaasd over hoe rustig mijn lichaam reageert. Bladeren veranderen in licht. De kruin opent zich. Wat brandt, brandt omdat het klaar is om los te laten.   Onder de grond tekenen de wortels zich, gloeiend, dieper dan ik ooit had vermoed. Ze verdwijnen niet. Ze laten zich zien. Dan zakt het vuur weg.   Wat overblijft is geen leegte, maar ademende ruimte. Uit die ruimte vormt zich een opening. Geen snijrand, geen constructie — eerder een herinnering aan waar de stam ooit stond.   De eik is geen eik meer.   Hij is een poort.   Ik voel geen drang om te bewegen. Geen stem die zegt dat ik moet gaan. De poort draagt geen belofte en geen dreiging. Ze bestaat naast mij, geduldig, alsof ze weet dat oversteken alleen betekenis heeft wanneer het vanzelf gebeurt.   Achter me blijft de rust intact. Voor me ligt iets wat nog geen vorm heeft aangenomen.   Ik adem in.           Hoofdstuk 3 — De Poort   Ik weet niet wanneer ik besluit te bewegen. Er is geen moment van keuze dat zich aandient als een knoop in mijn maag of een stem in mijn hoofd. Mijn lichaam doet eenvoudig wat hier logisch is. Ik volg mijn hand.   Wanneer ik dichterbij kom, verandert de poort subtiel. Ze wordt minder omlijnd, dieper, alsof afstand hier geen vaste maat kent. Wat zich aan de andere kant bevindt, toont zich niet als een landschap maar als een oppervlak — rimpelend, donker.   Het lijkt op water.   Niet helder, niet stromend. Zwart, stroperig, als een zee die te veel heeft opgenomen om nog iets terug te geven. Het oppervlak beweegt traag. Geen golven, maar kringen, alsof ademhaling onder een te dikke huid plaatsvindt.   Ik reik uit en raak het aan.   Mijn vingers verdwijnen er niet in. Ze blijven rusten op het oppervlak, gedragen. Het water wijkt niet; het onthoudt. Waar ik het raak, blijven rimpels zichtbaar, langer dan logisch is. Het voelt niet koud. Het heeft de temperatuur van een lichaam.   Ik denk aan alles wat mensen achterlaten zonder afscheid. Woorden die nooit zijn uitgesproken. Lasten die van hand tot hand gaan zonder ooit echt gedragen te worden. Het water draagt het zonder protest.   Dan begint het te bewegen.   Niet naar mij toe, maar van mij af. De rimpels strekken zich uit en worden stroming. Het zwarte water vindt richting en vloeit de poort in, alsof het daar altijd al naartoe hoorde. Wat vervuild was, wordt niet gezuiverd — het wordt verplaatst.   Wanneer het oppervlak verdwijnt, blijft helderheid achter. Geen glans, geen beloning. Alleen ruimte.     Ik volg mijn hand verder en stap over de grens.   Er is geen schok. Geen overgang. Ik merk pas dat ik erdoor ben wanneer ik besef dat de poort  geen poort meer is. Ze bestaat niet achter me en niet voor me. Ze heeft haar functie verloren.   Wat zich opent is geen wereld maar een toestand. Ik sta recht zonder moeite. Adem gaat vanzelf. Gedachten komen op en lossen weer op zonder iets achter te laten.   Dan trekt de ruimte zich samen.   Een stoel verschijnt.   Boven de stoel brandt een enkel lampje.   De rest is donker. Te donker….           Hoofdstuk 4 — De Kamer met de Stoel   De kamer heeft geen wanden die ik kan volgen met mijn ogen. Donkerte vult de ruimte zonder zwaar te zijn, alsof ze hier thuishoort. Het enige wat zich duidelijk aftekent is de stoel, eenvoudige, houten poten, een rechte rugleuning. Boven hem hangt het lampje, klein en on-afgeschermd. Het licht valt recht naar beneden, zonder schaduw te zoeken.   Ik blijf staan waar ik ben. De ruimte tussen mij en de stoel voelt groter dan de afstand doet vermoeden. Alsof er iets tussen zit dat niet zichtbaar wil worden.   Wanneer ik begin te lopen, verandert er niets. Geen alarm, geen stem, geen beweging. Mijn voetstappen maken geen geluid. Pas wanneer ik de stoel bijna kan aanraken, stopt mijn lichaam abrupt.   De klap is dof.   Niet pijnlijk, maar onmiskenbaar. Mijn borst botst tegen iets wat niet bestaat. Ik zet instinctief een stap terug en adem scherp in. Voor me is nog steeds leegte. Geen glans, geen trilling. Alleen weerstand.   Ik probeer het opnieuw. Voorzichtig dit keer. Mijn hand vooruit, mijn schouder iets gedraaid. Weer dezelfde onzichtbare grens. Ze wijkt niet. Ze reageert niet.   Er komt irritatie op. Een oude reflex. Als iets niet meegeeft, moet je harder duwen.   Ik neem afstand, span mijn spieren en ren.   De impact is sterker. Mijn lichaam veert terug alsof ik tegen een muur van steen ben gelopen. De lucht wordt uit mijn longen geslagen. Ik zak door mijn knieën en blijf even zitten, duizelig, meer verbaasd dan gekwetst.   De stoel staat er nog steeds. Onbewogen. Het lampje flikkert niet eens.   Ik lach kort. Zonder humor.   Langzaam kom ik overeind. Ik weet dat kracht hier niets oplost. Dat heb ik al gevoeld. Toch is er iets anders wat ik nog niet geprobeerd heb.   Ik strek mijn arm uit en breng mijn wijsvinger naar voren. Niet duwend, niet tastend. Alleen aanwezig. Het puntje van mijn vinger raakt de ruimte waar mijn lichaam eerder werd tegengehouden.   Er gebeurt niets.       Dan verschijnt er een barst.   Ze is klein, nauwelijks groter dan een haarscheur in glas. Ze licht even op en verdwijnt weer bijna direct. Maar ik heb haar gezien. En dat is genoeg.   In die fractie van een seconde, precies waar de barst zich vormde, zie ik iets anders.   Iemand zit op de stoel.   Een figuur, vaag omlijnd, maar onmiskenbaar aanwezig. Hij kijkt recht naar me. Zijn mondhoeken trekken omhoog in een glimlach die geen spot draagt, maar ook geen geruststelling.   Voor ik iets kan zeggen, breekt de grond onder mijn voeten weg.   De kamer kantelt niet. Ze laat los.   Ik val.             Hoofdstuk 5 — De Val   Er is geen wind wanneer ik val. Geen suizen, geen versnelling die mijn maag achterlaat. Het voelt eerder alsof de wereld onder mij oplost en ik simpelweg vergeet waar beneden is.   Ik probeer mijn lichaam te spannen, maar er is niets om tegen te werken. Armen en benen verliezen hun betekenis. Tijd rekt zich uit zonder traag te worden; elke seconde is volledig aanwezig, maar nergens op gericht.   Gedachten komen in fragmenten. Beelden zonder volgorde. De eik. Het vuur. De stoel. De glimlach.   Dan verandert de temperatuur.   Koude bijt niet meteen. Ze kondigt zich aan als afstand. Mijn huid herinnert zich plots dat ze grenzen heeft. De leegte krijgt textuur. Ik voel iets onder me verschijnen nog vóór ik het zie.   Ik kom neer.   Zacht.   Mijn voeten raken vaste grond, die meegeeft maar niet breekt. Alsof ik word opgevangen door iets dat me al verwachtte. Ik zak een fractie door mijn knieën en blijf staan.   Rondom mij ontvouwt zich een landschap dat zich niet haast om begrepen te worden.   Sneeuw.   Niet vallend, niet stormend. Ze ligt overal, dik en onaangeroerd, als een stilte die is blijven liggen na een zin die niemand heeft afgemaakt. De lucht is zwaar van mist. Bij elke ademhaling trekt de kou diep mijn borst in, scherp maar helder.   Ik kijk om me heen en zie geen horizon. Alles verdwijnt na enkele meters in een grijze waas. Geluid wordt hier gedempt nog voor het kan ontstaan. Zelfs mijn adem lijkt beleefd te fluisteren.     Ik kijk naar boven.   Een enkele sneeuwvlok dwarrelt omlaag, langzaam genoeg om haar reis te volgen. Ze draait, vangt licht dat er nauwelijks is, en komt recht voor mijn gezicht tot stilstand.         Ze landt niet op mijn huid.   Ze rust op iets oud.   Ik volg haar blik omlaag en zie steen onder mijn handen. Verweerd, gebarsten, bedekt met rijm. Een vorm die hier thuishoort.   Een grafsteen.   Ik veeg met mijn mouw voorzichtig de sneeuw weg. Letters komen tevoorschijn, diep gegraveerd, zonder naam, zonder datum.   Er staat slechts één zin.   Jij beslist.   De woorden geven geen antwoord. Ze wachten.   Achter mij hoor ik zachte voetstappen.           Hoofdstuk 6 — De Getuige   De voetstappen komen niet dichterbij. Ze bewegen langs me heen, alsof mijn aanwezigheid hier geen gewicht heeft. Ik draai me om en zie een gestalte uit de mist tevoorschijn komen.   Hij is lang. Zijn schouders dragen een donkere mantel die zwaar oogt, ondanks de stilte van de sneeuw. Zware laarzen drukken zich af in het witte oppervlak zonder geluid te maken. In zijn handen houdt hij bloemen vast, eenvoudig, licht van kleur, alsof ze hier niet thuishoren en daarom juist opvallen.   Zijn hoofd is bedekt met een kap. Waar een gezicht zou moeten zijn, is schaduw. Geen leegte, maar afwezigheid alsof zijn trekken zich hebben teruggetrokken om niet herkend te hoeven worden.   Hij loopt door me heen.   Er is geen botsing, geen kou, geen rilling. Alleen het besef dat mijn lichaam hier geen barrière vormt. Ik voel me niet onzichtbaar, eerder transparant. Als glas dat alles ziet maar zelf niet wordt gezien.   De gestalte knielt bij de grafsteen. Zorgvuldig legt hij de bloemen neer. Zijn bewegingen zijn langzaam, respectvol, zonder haast. Iemand die dit eerder heeft gedaan.   Ik wil iets zeggen. Zijn naam roepen.  Ik stel vragen die al te lang in mijn leven zijn. Maar mijn mond blijft gesloten. Niet omdat ik het niet probeer — omdat geluid hier geen toegang heeft.   Hij staat weer op en blijft een moment stilstaan. Zijn hoofd kantelt licht, alsof hij luistert naar iets wat niet in deze ruimte klinkt.   Dan draait hij zich om en loopt weg, terug de mist in.   Iets in mij trekt samen.     Geen verdriet dat zich aandient als pijn, maar herkenning. Een zekerheid zonder bewijs. Ik ken hem.   Of kende.   Wanneer hij volledig is verdwenen, blijft de stilte achter, zwaarder dan voordien. De grafsteen lijkt groter nu hij niet meer wordt bezocht. De woorden die  “jij beslist” hebben niets veranderd, maar ze wegen meer.   Dan breekt een geluid door de mist.   Laag.   Ruw.   Een grom.         Hoofdstuk 7 — De Jacht   Het gegrom zwelt aan, niet in volume maar in nabijheid. Het beweegt door de mist zoals kou zich verplaatst: onzichtbaar tot het je bereikt. Mijn spieren spannen zich zonder dat ik daarom vraag. Een oud instinct neemt het over.   Uit de waas stapt een vorm die zich eerst laat voelen voordat hij zichtbaar wordt. Schouders laag, kop vooruit, bewegingen vloeiend en doelgericht. De wolf komt tevoorschijn alsof hij altijd al hier liep en ik hem nu pas toelaat .   Zijn vacht is donker, nat van sneeuw die niet smelt. Tanden lichten op wanneer hij zijn bek opent, niet in een grom maar in een belofte. In zijn ogen pompt hij iets zwarts, dikker dan woede, alsof hij wordt aangedreven door een honger die geen einde kent.   Hij kijkt niet naar mij.   Dat besef komt tegelijk met de sprong.   De wolf schiet langs me heen, zo dichtbij dat ik de luchtverplaatsing voel. Hij snijdt door mijn ruimte alsof ik er niet ben. Achter mij klinkt een scherp, licht geluid — een schrikreactie die nauwelijks tijd krijgt om vorm te krijgen.   Een konijntje schiet op uit de sneeuw. Zijn ogen wijd, zijn poten razendsnel. Hij aarzelt geen moment en vlucht de mist in, waar wit en grijs hem meteen opslokken.   De wolf volgt niet.   Hij landt, draait zijn kop en kijkt me één tel aan. Niet vijandig. Niet begrijpend. Zijn blik glijdt door me heen zoals alles hier lijkt te doen. Dan verdwijnt ook hij, geruisloos, alsof hij nooit meer was dan een gedachte die zichzelf heeft opgegeven.   De stilte keert terug, maar ze is veranderd.   Iets in mij breekt open.   Ik voel verdriet opkomen zonder de oorzaak die ik kan aanwijzen. Niet om het dier, niet om de jacht die geen jacht werd. Het is ouder, dieper. Het verdriet van niet kunnen ingrijpen. De getuigen zijn zonder rol.   Mijn knieën geven mee. Ik kniel in de sneeuw en laat het toe.           Tranen vallen.   Ze klinken niet nat of zacht, maar zwaar, dof — als aanslagen op een piano waarvan de toetsen te lang niet zijn aangeraakt. Elke druppel raakt een andere snaar. Samen vormen ze iets wat geen melodie wil zijn, maar wel gehoord moet worden.   De grond onder mij begint te bewegen.   Niet schokkend, maar golvend, alsof de sneeuw haar vaste vorm opgeeft. De mist trekt samen, de lucht verdicht zich. De wereld vervormt rond het geluid van mijn huilen.   Wanneer ik weer opkijk, is de sneeuw verdwenen.   Voor me opent zich een ruimte.           Hoofdstuk 8 — Tranen als Toetsen   De ruimte die zich vormt is hoog en diep tegelijk. Muren zijn er wel, maar ze doen geen moeite om zichtbaar te zijn. Alles wat telt bevindt zich in het midden.   Een piano.   Ze staat alleen, zwart en glanzend, alsof ze het licht verzamelt dat hier nauwelijks bestaat. De klep is open. De snaren binnenin trillen zacht, nog voordat iemand ze aanraakt, als een lichaam dat zich herinnert hoe ademhaling werkt.   Achter de piano zit een man.   Hij draagt zwart, eenvoudig, zonder versiering. Zijn houding is recht, maar niet strak. Iemand die niet optreedt, maar aanwezig is. Zijn handen rusten boven de toetsen zonder ze te raken. Hij wacht niet op stilte. Hij wacht op waarheid.   Ik besef niet waar ik sta. De sneeuw is weg, maar de kou zit nog in mijn borst. Mijn ogen branden. Wat ik heb verloren weet ik niet, maar het gemis klinkt nog na.   Dan laat de man zijn handen zakken.   De eerste aanslag is laag en zwaar. Niet luid, niet zacht. Juist. De toon vult de ruimte zonder haar te bezetten. Hij blijft hangen, zoekt geen vervolg.   De volgende noot sluit aan, niet als antwoord maar als erkenning. Langzaam ontstaat een patroon dat geen melodie wil zijn. Het is een gesprek zonder woorden. Elke noot zegt: ik hoor je.   Ik voel hoe mijn adem zich aanpast aan het ritme. Hoe mijn schouders zakken. Hoe het verdriet niet verdwijnt, maar vorm krijgt. De klanken vangen het op, dragen het verder dan ik kan.   Meer toetsen klinken. Hogere nu. Lichter. Niet vrolijk, maar hoopvol op een manier die geen belofte doet. De muziek bouwt niets op en breekt niets af. Ze is.   Rondom mij verschijnt publiek.     Stoelen vullen zich langzaam, rij na rij. Mensen nemen plaats zonder geluid, zonder gezichten die ik herken. Ze zitten recht, aandachtig, alsof ze begrijpen dat dit geen voorstelling is.   Wanneer het laatste akkoord wegsterft, blijft er stilte over die niet leeg is.   Dan staat iemand op.   Eén paar handen begint te klappen.   Een tweede.   De zaal volgt.       Hoofdstuk 9 — De Laatste Rij   Het applaus groeit niet in volume, maar in aanwezigheid. Handen bewegen synchroon zonder haast, alsof iedereen begrijpt dat dit moment niet versneld mag worden. Ik blijf staan waar ik ben. Mijn lichaam voelt lichter, maar niet leeg.   Mijn blik glijdt langs de rijen. Gezichten blijven vaag, niet omdat ik ze niet kan zien, maar omdat ze geen aanspraak maken op herkenning. Dit publiek is hier om te dragen, niet om gezien te worden.   Helemaal achteraan, op de laatste rij, zit iemand die niet mee klapt.       Hij leunt iets voorover, handen losjes op zijn knieën. Zijn houding is ontspannen, vertrouwd. Wanneer onze blikken elkaar kruisen, trekt zijn mondhoek omhoog in een glimlach die geen uitleg nodig heeft.   Er gaat geen schok door me heen. Geen openbaring. Alleen een rustige zekerheid, alsof een gedachte die ik lang heb vermeden eindelijk besluit te blijven.   De pianist staat op en buigt licht. Het applaus zwakt af, dooft niet, maar wordt herinnerd. Stoelen beginnen leeg te lopen zonder beweging. Mensen lossen op waar ze zitten, alsof ze nooit iets anders waren dan aandacht.   Het licht verandert.   Niet abrupt. Het trekt zich terug. De piano verliest haar glans en wordt onderdeel van de ruimte. De rijen verdwenen. De laatste rij blijft het langst bestaan.   Wanneer ik weer kijk, is de man verdwenen.   Wat achterblijft is geen gemis.   Het is richting.       Hoofdstuk 10 — De Kamer keert terug   De richting die achterbleef, vraagt geen beweging. Ze vraagt aandacht.   Wanneer ik haar volg, verandert de ruimte niet plotseling. Ze verschuift zoals een herinnering dat doet wanneer je haar opnieuw bezoekt: eerst vaag, dan scherper, dan onmiskenbaar.   Het licht trekt samen tot één punt.   Het lampje.       Ik sta weer in de kamer. Of misschien is de kamer nooit weggeweest en heb ik haar slechts even losgelaten. De donkerte voelt nu vertrouwd aan, niet leeg maar dragend. De stoel staat op dezelfde plek als voorheen, onbewogen, geduldig.   Ik loop naar voren en deze keer is er geen weerstand. Geen onzichtbare muur, geen klap. Mijn voeten brengen me moeiteloos tot vlak voor de stoel. Ik blijf staan. Niet omdat ik niet durf te zitten, maar omdat dat niet is wat hier van me gevraagd wordt.   De lucht beweegt.   Iemand staat naast me.   Ik draai mijn hoofd en zie hem. De man uit de laatste rij. Zijn lange jas is er nog, maar hij draagt hem open. Hij neemt geen ruimte in, hij deelt haar.   We kijken samen naar de stoel.   Hij spreekt niet meteen. Wanneer hij dat wel doet, is zijn stem laag en helder, zonder echo. Alsof hij altijd al hier heeft geklonken.   “Je bent ver gekomen,” zegt hij.   "Ik wil antwoorden, maar woorden vormen zich niet. Niet omdat ze ontbreken, maar omdat ze niet nodig zijn."   Hij knikt, alsof hij dat begrijpt.   “Dit is geen plek om te blijven,” zegt hij dan. “Ook geen plek om te vermijden.”   Hij legt zijn hand niet op mijn schouder. Hij hoeft me niet aan te raken om nabij te zijn.   Het lampje flikkert even.   De stoel kraakt zacht, alsof hij zich herinnert waarvoor hij is gemaakt.    Dan kijkt de man me aan.   En dan stelt hij de vraag die altijd hier heeft gewacht.   “En wat nu?”   “Opa?"    

Xander Herman
0 0