Zoeken

Piu ping ping!

Mijn benen zinderen nog na van de blauwe plek, die samen met alle andere schrammen en regenboogkleuren het slagveld vormt van mijn onhandigheid. Fietsen. Ik moet doorfietsen. De rode lichten negeer ik. Een Nederlandse vrouw schelt me uit voor krapul omdat ik haar afsnijdt. Ik excuseer me niet, noch geef ik haar een repliek. Geen tijd, choose your battles. Net te laat. Ik vloek. Dat gaat van mijn loon en mijn prestatiescore af. Nu ik er ben, kan ik me rustig installeren. Wat water drinken, die granola reep die al twee weken in mijn rugzak zit wordt mijn brunch. De zonnecrème geeft me spookachtige schijn. Mijn hoofd is bedekt onder de kap van mijn fietshelm. Mensen kijken me raar aan als ze passeren. Tenslotte sta ik op het voetpad, onder een brug. Ik kijk raar terug. Wat maakt het uit. Ze kunnen toch voorbij? Of is het eerder omdat het knaloranje t-shirt slobbert rond mijn kleine lijf, onder het heuptasje en mijn fietsbroekje bijna bedekt. Mijn lijfje dat in mijn grote, uitvouwbare matchende oranje LazyFoods rugzak zou passen. Een grap waar menig, vooral witte Vlaamse mannen in de 50, zich heel erg mee vermaakten.  Piu ping ping! Mijn eerste order. Meteen al de supermarkt op de top van de boerentoren. Die sky-markets poppen als paddenstoelen uit de grond. Met de betonstop mogen er geen gronden meer ingenomen worden; dus bouwen ze maar in de hoogte.  Met een zacht gezoem activeer ik de vliegfunctie. Het bezorgd me nog steeds tuimelaars in mijn maag. Gewoon ga ik dit nooit worden. Met een klein hartje zorgen de blazers dat ik opstijg. Ik vlieg de tunnel uit. Tweede versnelling. Derde. De weg ken ik uit mijn hoofd. Daken, nog meer daken. Turnhoutsebaan. Het dak van het oude gerechtshof van Borgerhout. Centraal station. Rooseveltplaats, bussen, vliegende steppen… Ik kijk even op de app of ik juist zit. De vliegende brommer leek van nergens te komen. Met alle macht rem ik. Mijn fiets begint plots te trillen. Piu ping pong! Anti-bots modus geactiveerd.  Voor mijn hersenen begrijpen wat er gebeurd fiets ik dwars door de brommer heen. Alsof we beiden niet  meer uit materie bestaan. De persoon op de brommer is alweer weg. Een muur komt op me af. Voor mijn ogen zie ik mijn leven voorbij flitsen. De muur lijkt van lucht te bestaan, en ik fiets er dwars doorheen. Eindelijk kan ik vaart minderen en lijken mijn remmen toch te werken en kom ik tot stilstand. Ik bevind me in een slaapkamer. Alles is roos en Barbie. Duizenden poppenhoofdjes staren me aan. Een meisje gilt haar longen eruit. Ik begin ook te gillen. Tot we uitgegild hebben kan ik enkel vragen of ze me kan helpen uit haar huis te geraken. Ze wijst me haar huis uit, een gedoe met trappen, en veel schrammen later. Piu ping ping! Het lijkt erop dat je al even stilstaat. Als alles goed is, ga dan verder richting de supermarkt. Ik denk dat ik me ziek meld voor de rest van de dag.       

Janan
4 0

Het boek van Wolfstee

Die dag fietsen Mare en ik pas veel later naar huis dan normaal.  De lucht voelt ook anders.  Alsof er iets staat te gebeuren.  Tegen dat we de brug aan de Nete willen oversteken is het al aan het schemeren. Het water ligt er stil bij.  De maan weerspiegelt op het oppervlak.  Plots zie ik iets, een klein lichtje. Bewegend boven het water. ‘Mare, kijk’ fluister ik. Ik wil me net naar haar omdraaien wanneer ik een zachte plof hoor, gevolgd door een vloek en dan een korte gil. Ik rem en gooi mijn fiets op de grond om te kijken wat er gebeurt is. Mare ligt languit op de grond, haar fiets bovenop haar. ‘Alles ok?’ Vraag ik haar voorzichtig. Een korte kreun is het antwoord. Ik neem de fiets van haar over en zie onmiddellijk het probleem.  Haar band is gescheurd. ‘Tanne …’ Mare brengt het er op fluistertoon uit. ‘Heb jij dat ook gezien?’ ‘Wat gezien?’ Vraag ik verbaasd. ‘Dat licht boven het water. Het zweefde boven de Nete. Plots vloog het mijn richting uit en een seconde later knapte mijn band. Het dringt tot me door dat ze hetzelfde lichtje bedoelt dan wat ik net ook zag.  Maar dat kan toch niets met haar band te maken hebben? Bedenkelijk knik ik ter bevestiging. We staren allebei naar de Nete, rechts van ons. ‘Kijk’ fluistert ze ‘daar heb je het weer.’  Het lichtje verplaatst zich nu richting de brug.  ‘Ik denk dat het wil dat we het volgen.’ Het geluid dat uit mijn keel komt klinkt erg schor. Alsof er een brok vastzit. Het kleine, magische, lichtje gaat nu richting het bos. ‘Maar, Tanne, het bos is donker en eng. Mama zegt altijd dat het gevaarlijk is in het bos wanneer het donker is. Dat mogen we echt niet doen.’  Ik zie de angst in haar ogen. Toch zegt alles binnen in me dat we het moeten volgen. ‘Kom’ ik neem haar hand vast ‘we gaan kijken!’ Ondanks de schrik die ze uitstraalt trek ik haar mee. De brug over, richting het bos. ‘Ik blijf bij je, er gaat ons heus niets gebeuren.’ Ik probeer mijn tweelingzus met een vastberaden gezicht aan te kijken. Om haar ervan te overtuigen dat ik zelf niet bang ben. Maar vanbinnen voel ik me net iets minder stoer. ‘En onze fietsen dan?’ Stamelt ze. ‘Die laten we hier wel liggen. Niemand komt hier als het donker is. We halen ze straks wel op.’ Zeg ik schouderophalend.  Terwijl we het bos inlopen schrik ik van iets dat rakelings voorbij me vliegt. Ik draai me om en zie een Havik op de grond zitten, tussen zijn poten zie ik nog net de staart van een rat bewegen. Ik voel Mare’s lichaam trillen maar toch besluit ik verder te wandelen. Het licht achterna. Wanneer het plots van het pad afwijkt twijfel ik toch even of we het wel moeten blijven volgen. De nieuwsgierigheid wint het van de angst en ik loop er achteraan.  Met een bevende Mare naast me. Zo diep zijn we nog nooit de bossen in gelopen. Zelfs niet op klaarlichte dag. Voor ons zie ik een klein houten huis, het lijkt uit het niets te verschijnen. Het ziet er erg oud uit. Met houten muren en een rieten dak. Ik zie één raam en een zware houten deur. Ondanks dat ik geen licht zie branden moet er wel iemand binnen zijn, want door de schoorsteen dwarrelt rook naar buiten. Het lichtje is vlak voor de deur gestopt. Mare grijpt mijn arm nog steviger vast. ‘Tanne’ haar stem is bijna geluidloos, ‘je gaat toch niet naar binnen gaan? Wie weet wie daar woont. Alleen een gek woont zo diep in het bos.’  Ik moet een glimlach onderdrukken voor haar woordkeuze, maar eigenlijk heeft ze wel een beetje gelijk, toch voel ik dat het moet. ‘Sorry zus, ik voel dat we dat toch moeten doen. Iets of iemand wacht op ons.’ Mijn stem klinkt vastberadener dan ik me voel. Terwijl ik de deur open duw zie ik het lichtje doven.  Binnen schijnt een lichte gloed. Hij is afkomstig van de open haard die zachtjes brand. Verder kan ik niets ontwaren. Ik zie niemand in de kamer dus doe ik een stap naar voren om beter te kunnen rondkijken. Mare volgt met op de voet. Achter haar valt de deur met een klap toe, waardoor ze een klein sprongetje maakt en tegen me opbotst.  Dan hoor ik een warme stem uit de hoek van de kamer komen ‘Welkom’. Het geluid vult de hele ruimte. De warmte ervan dringt door in mijn hele lichaam. Ik kijk opzij, naar Mare die naast me is komen staan. Ze staart me aan. In haar ogen zie ik een gloed waardoor ik weet dat ze het ook gevoeld heeft.  In mijn ooghoek zie ik uit het donker een kleine vrouw naar voren stappen. Ze draagt een lange jurk en haar grijze haar zit in een losse knot. En in het haar zie ik een kleine bril, met ronde glazen zitten. ‘Welkom Tanne, Welkom Mare’  ‘Hoe weet u onze namen?’ Stamel ik een beetje verbaasd.  ‘Ik weet veel Tanne’ antwoord ze met een warme stem. Dan stelt ze zichzelf voor. ‘Ik ben Josyne. En ik ben blij dat ik het bij het rechte eind had. Jullie zijn degene die ik zoek.’ ‘Degene die u zoekt?’ Het is alsof Mare uit haar angstige trance ontwaakt.  Haar stem is plots heel fel, en ik zie in haar ogen de nieuwsgierigheid opborrelen.  ‘Ja Mare, en het feit dat jullie hier staan, bewijst dat.’ ‘Heeft u ons dan naar hier gelokt?’ Nu ben ik het die op felle, verbaasde toon reageer. ‘Had dat lichtje er iets mee te maken?’ ‘Dat is inderdaad wat ik heb gedaan. Maar alleen doordat jullie de gave hebben konden jullie het lichtje zien.’ ‘Wat voor gave?’ Mare barst nu helemaal van de nieuwsgierigheid en kan zichzelf amper nog bedwingen. Ik merk aan haar houding dat ze nu het hele verhaal wil weten, alle angst lijkt verdwenen te zijn. ‘De gave die nodig is om mij op te volgen.’ De stem van Josyne klinkt nog steeds zacht en warm, maar ook erg uitgeput. Ik bekijk haar een beetje beter, het lijkt alsof ze in de laatste minuten ineens twintig jaar ouder is geworden. Plots ziet ze er heel oud uit. Haar schouders zijn gaan hangen, haar gezicht staat vol rimpels en haar grijze haar is spierwit geworden. Ze staat helemaal voorover gebogen en ik zie dat ze niet meer recht kan blijven staan. Snel neem ik de stoel die ik achter haar had zien staan en schuif hem dichterbij. Met een licht geforceerde duw dwing ik haar om even te gaan zitten. Met een plof laat ze zich vallen. ‘Dank je’ zucht ze vermoeid. ‘Het lijkt erop dat jullie net op tijd zijn. Ik heb alle kracht die ik nog in me had opgespaard tot ik jullie zou vinden.’  Ze draait zich om richting de hoek van de kamer en wijst ergens naar. ‘Neem dat boek eens.’ Ik loop in de richting naar waar ze wijst en zie een héél oud boek liggen. Er staan tekens op die ik niet kan lezen. Wanneer ik het wil vastnemen ontstaan er een soort gloed omheen. Het boek lijkt wel licht te geven. Snel trek ik mijn hand terug en kijk Josyne verbaasd aan. ‘Niet bang zijn.’ Hoor ik haar zwak zeggen ‘ dat is normaal, dat wil zeggen dat het boek nu bij jullie hoort. Het wordt jullie binnenkort allemaal wel duidelijk.’ Terwijl ze dat zegt sterft haar stem weg.  Toch een beetje angstig neem ik het boek op, ik wil me niet verbranden. Onmiddellijk voel ik de warmte door mijn lichaam stromen. Het is dezelfde warmte die ik daarstraks ook al leek te voelen. Ik loop er mee naar Mare, met een schittering in haar ogen kijkt ze me aan, alsof het de grootste schat is die ze zich kon wensen. ‘Mag ik het vasthouden?’ Fluistert ze. Snel geef ik het boek aan haar aan en draai me dan om naar Josyne voor meer uitleg.  Haar ogen vallen bijna toe van vermoeidheid. Mare ziet het ook en met het boek in haar handen geklemd stoot ze me aan. ‘Zullen we morgen terugkomen? Ze is doodop. Zolang ze geen fut heeft gaat ze ons toch niets meer vertellen.’ ‘Wat doen we met het boek?’ Fluister ik. ‘Meenemen’ ze zegt het zo kordaat dat ik er van schrik. ‘Ik voel gewoon dat het moet. Het boek wil het zo.’ Antwoord ze wanneer ze me bedenkelijk haar kant ziet opkijken. Een boek kan niets willen, wil ik nog antwoorden maar hou me snel in, want uiteindelijk voelde ik ook dingen die niet normaal zijn. Door mijn gevoel zijn we hier in het huis. Ik kijk nog even naar Josyne die in een diepe slaap lijkt te verkeren dus geef ik Mare gelijk en vertrekken we zo stil als we kunnen. Ik trek zachtjes de deur achter me toe en begin in het bos te turen naar de weg terug. ‘Ik heb geen enkel idee van waar we gekomen zijn’ zucht ik diep. Het bos strekt zich helemaal uit richting Vorselaar en Herentals. Ik zou niet weten welke kant ik op moet naar huis. Mare ziet mijn vertwijfelde blik en laat een diepe zucht ontsnappen. En dan roept ze plots enthousiast ‘Daar’ en wijst richting het bos. Ik volg haar hand en dan zie ik het ook, een klein lichtje tussen de bomen.’ Zou het ons de weg uit het bos wijzen?’ Vraagt ze. ‘Ik weet het niet, maar laten we het gewoon volgen. Zelf vinden we de weg toch niet terug. En als Josyne het lichtje gebruikte om ons hierheen te lokken dan gok ik dat ze er ook voor zal zorgen dat we terug naar huis raken.’  Het lichtje loodst ons tussen de bomen door, tot we terug op het pad zijn. Nog geen tien minuten later staan we opnieuw naast onze fietsen. Aan de rand van het bos. Het lichtje is verdwenen maar het boek dat Mare dicht tegen zich aandrukt is het bewijs dat dit geen droom was.

S.J. Elisa
0 0

Prachtige wallen (deel 1)

13 januari 2014   Ik heb geen naam, geen leeftijd, geen geslacht, geen thuis, geen verleden, geen toekomst. Of het is te zeggen: ik heb elke dag een andere naam, een andere leeftijd, een andere thuis. En een andere enzovoort. Elke dag word ik wakker als een ander persoon, in een ander bed, in een ander huis, in een ander leven. Soms ben ik een boekenwurm die gepest wordt op de lagere school, een week later ben ik de pestkop. Soms ben ik de president van Amerika, een week later die van Rusland. Soms lig ik op de afdeling Palliatieve Zorgen in een ziekenhuis in Litouwen, en dan zit mijn familie naast me, naast mijn sterfbed, en zitten ze daar met tranen in de ogen en houden ze mijn hand vast en fluisteren troostende woorden, en kan het me eigenlijk geen bal schelen dat ik daar lig, want morgen lig ik er toch niet meer. En de dag erna lig ik er dan inderdaad niet meer, maar ben ik de verpleegster, of de moeder naast het sterfbed, of dan ben ik gewoon de voorzitster van een breiclub in Borgworm. Soms word ik wakker op mijn verjaardag – nu ja, iemands verjaardag… Dan wachten er cadeaus, een taart, een kus van mijn man of vrouw, af en toe zelfs een stomende seksbeurt, een soort onenightstand met de liefde van mijn leven, de liefde van mijn leven voor die dag althans. Soms moet ik mijn vader begraven, een pakkende toespraak geven over een man die ik nooit heb gekend, voor een menigte mensen die ik nooit heb gekend. Soms word ik wakker op vakantie, klaar voor een dagje genieten aan de Spaanse kust. Soms wacht er mij een zware dag op het werk, en verongeluk ik op weg naar kantoor. De rest van de dag breng ik in coma door, een dagje vrijaf, wat extra tijd om bij te slapen. Vraag me niet wanneer ik geboren ben. 1963? 1827? 1713? Ik heb geen flauw idee. Dit is al zo lang aan de gang dat ik niet meer weet wie ik in essentie ben of was. Een 37-jarige poetsvrouw uit Rwanda? Een professor in de endocrinologie uit Tilburg? Een blinde concertpianist uit Boedapest? Een postzegelverzamelaar uit Boekelo? Eigenlijk is het net alsof ik een meervoudige persoonlijkheidsstoornis heb, alleen heb ik een eindeloos scala aan alter ego's en verandert mijn persoonlijkheid met de regelmaat van de klok. Het voelt aan alsof deze identiteitscrisis – als ik het zo mag noemen – al eeuwen aan de gang is, en nog wel een paar eeuwen voort gaat duren. Ik heb het eeuwige leven, en ik ben het beu. Begrijp me niet verkeerd: ik wil niet dood, maar ik zou graag eens drie dagen op rij in hetzelfde lichaam willen doorbrengen. Kijk, soms word ik wakker als eindejaarsstudent, en leg ik die dag een beslissend examen af. En nooit weet ik een week later of ik geslaagd ben. Natuurlijk vraag je je af wat mij dat hele examen kan schelen, en je hebt gelijk: dat eventuele diploma wordt niet door mijn neus geboord, want een week later ben ik een volledig andere student, of een leraar, of de directeur, of een peuter in peuterklas, druk in de weer verf en plasticine. Vroeger kon dat soort dingen me inderdaad geen bal schelen. Ik heb nog eens een volledig examen lang op elke vraag geantwoord met hetzelfde standaardzinnetje: Zie cursus, pagina… Ook heb ik tijdens vrijpartijen met universiteitsstudentes geweigerd een condoom te gebruiken, omdat ik wist dat ik bij een eventuele zwangerschap de pampers niet zou moeten verversen, ik het huilende kind om drie uur 's nachts niet opnieuw in slaap zou moeten sussen, ik de kleine niet naar de balletschool of voetbalclub zou moeten brengen. Een keer werd ik wakker als een Irakese Imam met een dagelijkse column in de plaatselijke krant. Nou, daar heb ik mooi gebruik van gemaakt door een pleidooi voor het homohuwelijk te schrijven. Moet ik nog steeds om gniffelen af en toe, ben benieuwd wat die Imam de volgende dag allemaal – letterlijk en figuurlijk – naar het hoofd geslingerd heeft gekregen. Daar heb ik om eerlijk te zijn nog steeds geen spijt van, maar van die examens en zwangerschappen dus wel. Tenslotte heb ik misschien wel mensenlevens overhoop gegooid, toekomstplannen in rook doen opgaan. Daarom probeer ik nu altijd mijn best te doen op een examen of belangrijke vergadering. En breng ik de kinderen plichtsgetrouw naar de balletschool of voetbalclub. Maar ik blijf dus wel zitten met die absolute zinloosheid. Nooit pluk ik de vruchten van mijn gedrag, nooit zie ik de gevolgen van mijn daden. Ik leef nooit ergens naar toe, heb nooit toekomstplannen. Elke nieuwe dag maakt mijn vorige zinloos. Tijd dat daar verandering in komt. Ik wil wel eens een normaal leven leiden. Een identiteit hebben. Weten wat het betekent om mij te zijn. Zonder spiegel weet ik namelijk niet hoe ik eruitzie. Of mijn ogen bruin of blauw zijn. En zonder identiteitskaart ken ik mijn volledige naam niet. Ik begin het ook beu te worden om telkens weer datzelfde zinnetje te moeten horen van mijn toevallige familie of collega's. 'Je bent jezelf niet vandaag.' Inderdaad. Dat ben ik nooit. Ik weet niet wie mezelf is. Vandaar dat ik heb besloten om de volgende dagen sloten koffie te drinken. Mijn lichaam van de dag vol te pompen met cafeïne, in de hoop dat ik 's avonds de slaap niet zal kunnen vatten. Want het is in mijn slaap dat ik telkens van lichaam en leven verander. Wie weet… blijf ik wel een paar dagen dezelfde persoon, als ik erin slaag om telkens het nachtje door te steken.   24 januari 2014   Eindelijk! Het is gelukt! Ik ben vandaag nog steeds dezelfde man die ik gisteren was! Doodop, vermoeid, maar nog steeds dezelfde man als gisteren. Leraar geschiedenis op een middelbare school, 40 jaar, getrouwd, vader van twee dochters. Mark Desmet, dat is mijn naam! Mark Desmet! Een doordeweekse naam, een naam die absoluut niet tot de verbeelding spreekt, een naam die je zó weer vergeten bent. En toch is het de mooiste naam die er ooit heeft bestaan, het mooiste klankenspel dat ons alfabet al heeft voortgebracht. Want het is mijn naam! Mijn naam! Hallo wereld, ik ben Mark Desmet! Tussen 13 en 23 januari ben ik zoals gewoonlijk telkens als een andere persoon wakker geworden. Alle koffie ten spijt. Het probleem was dat ik telkens een nogal veeleisende job had. De ene dag chirurg, de andere piloot, de dag daarna diplomaat op een of ander belangrijk congres. Een voor een en stuk voor stuk veeleisende banen die heel wat energie vreten, en ervoor zorgen dat je 's avonds als een blok in slaap valt. Tot vandaag. Het is me gelukt, ik heb het nachtje doorgestoken. Wallen onder de ogen? Jazeker. Maar het zijn mijn wallen, de mooiste wallen die ik ooit heb gezien. Zo meteen vertrek ik naar school. Als de meest gemotiveerde leerkracht die het mensdom ooit heeft voortgebracht.   25 januari 2014 Nog steeds Mark Desmet. Nog steeds dezelfde wallen onder dezelfde ogen. Prachtige wallen, ronduit prachtig. Mijn vrouw, mijn vrouw, was er deze ochtend over aan het zagen aan de ontbijttafel. Ze zei dat ik me beter moest verzorgen, dat een leraar een verzorgd uiterlijk moet hebben, zodat hij discipline en autoriteit uitstraalt voor de klas. Ik gaf haar gelijk. Roemde haar woorden. Sprak lovend over haar wijsheid, haar inzicht in de subtiele mechanismen van het sociale verkeer, haar oog voor de eigenaardigheden van de menselijke interactie. Ik zei dat ik zo blij was, mezelf zo gelukkig prees, dat zij mijn vrouw was, zij en niemand anders. En toen kreeg ik een koffiekop naar mijn hoofd geslingerd… Blijkbaar botert het al een tijdje niet zo goed meer tussen Mark Desmet en zijn vrouw, en dacht ze dat ik het sarcastisch bedoelde. Heb me het huwelijk er wel uitgekozen…   26 januari 2014   De koffie blijft wonderen doen. Al drie nachten niet geslapen. Al een halve week Mark Desmet. Ook al een halve week geen seks. Elke dag ruzie dat wel, maar van goedmaakseks lijkt mijn vrouw nog nooit gehoord te hebben. Toch zie ik haar graag. Magda. Lieve Magda. Wat geniet ik van onze ruzies! Als ze echt kwaad wordt, zie je telkens dezelfde ader verschijnen boven haar linkerooghoek. Een pompend, zwellend monster. Waar ik enorm gesteld op aan het raken ben. Het geeft zo'n intiem gevoel om diezelfde ader dag na dag te zien terugkeren, om het gezicht van mijn vrouw, van mijn vrouw, elke dag wat beter te leren kennen, met al haar tics en onvolmaaktheden. Eindelijk leer ik eens iemand kennen, raak ik vertrouwd met een gezicht, begint iemand anders een rol van betekenis te spelen in mijn leven. Ach Magda, koffiekopslingerend serpent, zeurend takkewijf, lelijke feeks, ik hou van je. Met hart en ziel.   27 januari 2014   Het slaapgebrek begint stilaan zijn tol te eisen. Ik was vandaag te moe om van mijn geruzie met Magda te genieten. De afgelopen dagen heb ik me geweldig geamuseerd met het verzinnen van snedige replieken en gevatte antwoorden op haar gekanker en gezeur en gezaag en geklaag. Het was net schaken. Of schermen met woorden. Elke belediging moest teruggekaatst worden, elk verwijt gepareerd. Ik zag het als een soort sport, een verbale krachtmeting, net zoals een politiek debat, een oefening in welsprekendheid en retoriek. En het moet gezegd: Magda is een geweldige sparringpartner. Ze zou gerust een scheldwoordenboek kunnen samenstellen met haar uitgebreide kennis van de Nederlandse schuttingtaal. Ik moest het onderste uit de kan halen om me in een discussie met haar recht te houden. En dat deed ik dan ook, ze bracht het beste in me naar boven. Maar vandaag lukte het niet. Te vermoeid. Slappe concentratie. Zware oogleden. Trillende handen. Ik was geen partij. En zo is er voor haar natuurlijk ook niks aan. Geen uitdaging meer. Arme Magda, ik heb haar teleurgesteld vandaag. Gefaald als echtgenoot. Hopelijk lukt het morgen wat beter.

nEMO
0 0

De laatste bron

Elias Elias tuurt naar beneden. Begin mei en geen sprietje groen. De velden zijn leeg. Hier en daar staat een bladerloze boom. In het midden van het eiland lag vroeger een groot meer. Nu is er een donkere krater, kilometers diep en breed, maar er staat nauwelijks water in. Aan de westkant van het eiland liggen enkele ouderwetse aquapods aangemeerd. Vanaf de haven kronkelt een weg door de uitgedroogde velden en rondom het meer tot aan een dicht bebouwd centrum. Op die weg nadert langzaam een zwarte autopod. Als zijn voeten de grond raken, gespt hij zijn mobipod los. Iets verder ligt zijn materiaalpod al op de grond. Nadat hij ze allebei ingeplugd heeft, zet hij zijn zuurstofmasker af en hapt naar adem. De hitte slaat vol in zijn gezicht. Het is hier heter dan op het vasteland en het zweet druppelt onmiddellijk langs zijn slapen. Gelukkig is dit volgens Annika een korte opdracht: enkele waterstalen nemen en een kort verslag schrijven over de bron op Brunnvik. De zwarte autopod stopt vlak voor zijn voeten. Terwijl de materiaalklep en de deur aan de passagierszijde openen, hoort hij een automatische stem: ‘Stap in Elias Rayburn. Autopod X14 rijdt je naar Karl Fisker. Beheerder van het eiland.’ Na een korte rit parkeert de autopod voor een blinkende, metalen kubus. Raamloos. Hij stapt uit. Als hij het gebouw nadert, opent een donkere, verticale gleuf. Geluidloos. Binnen ruikt het naar verse regen. De ijskoude verkoelende luchtstroom stopt eindelijk het zweten. In de inkomhal groeien bomen en planten, maar er is niemand te zien. Tot een man uit een nis in de muur tegenover hem stapt.  In zijn schaduw loopt een beveiliger met snor. ‘Welkom. We zijn verheugd dat je er bent. Pak eerst je bagage uit. Thor, mijn assistent, zal je naar een rustpod met bureau brengen.’ De kamer is spartaans ingericht met een bed zonder laken of kussen. Aan de andere kant van de slaapplaats hangt een bureau met op het bureaublad een groot model communicator. Op het moment dat Elias zijn hand erboven houdt, licht die op en verschijnt er op het scherm een mededeling: ‘Welkom, Elias. Alles wat je nodig hebt, regel je hier.’ Hij leunt tegen de muur. Het oppervlak wordt een fractie warmer alsof het gebouw zijn aanwezigheid registreert. Voor de vorm opent hij op de tablet het dossier over Brunnvik: de redding van Brunnvik, de klimaatinstallaties, de energiecentrales, de bescherming tegen de gevolgen van de Grote Droogte. De droge opsomming  wijkt enigszins af van wat zijn grootvader hem vertelde. Hij bracht als kind vaak de zomer door bij zijn grootouders en had uren geluisterd naar de verhalen over hoe Brunnvik was vóór AquaViridis. Brunnvik bezat een uitzonderlijke ondergrondse zoetwaterbron die een groot meer vormde. Deze waterreserve was een van de laatste veilige drinkwaterbronnen van Denemarken. Na de Eerste Grote Droogte had de overheid grote ontziltingsinstallaties op de Oostzee gebouwd. Pas achteraf bleek dat het ontzilte water ongeschikt was als drinkwater. Het bevatte chemicaliën en bovendien was het radioactief. Wie ervan dronk, betaalde daar jaren later de prijs voor, maar vaak was de keuze snel gemaakt als iemand moest kiezen tussen sterven van dorst of sterven door langzame vergiftiging. Na de Eerste Grote Droogte had AquaViridis een overeenkomst afgesloten met het eiland om de bron te exploiteren en zo het vasteland van water te voorzien. Via een onderzeese HydroLink werd het water naar Denemarken getransporteerd. Sindsdien was ook op Brunnvik water geen vanzelfsprekendheid meer. Elke verbruikte druppel werd geregistreerd en moest betaald worden. Veel gezinnen moesten kredieten afsluiten om drinkbaar water te kunnen kopen. AquaViridis had dankzij deze deal de exclusieve rechten op het beheer van de bron verkregen. Elias’ grootouders en vele anderen hadden zich aanvankelijk hevig verzet tegen de privatisering van hun drinkwater, maar AquaViridis beloofde als tegenprestatie Brunnvik te beschermen tegen de steeds grilliger wordende gevolgen van de klimaatverandering. Het bedrijf beloofde nieuwe microgrid-energiecentrales die Brunnvik onafhankelijk zouden maken van het energienetwerk op het vasteland. Daarnaast installeerde het klimaatschermen rond de kwetsbaarste gebieden van het eiland om de kracht van extreme stormen en vernietigende hagelbuien af te zwakken. Langs de kust bouwden ze stormbarrières om de stijgende zeespiegel en de steeds zwaardere stormvloeden tegen te houden. Elias typt een opdracht op de tablet: ‘Transport naar de bron.’ Als hij met de beheerder en zijn assistent bij het meer aankomen, ziet het er nog erger uit dan vanuit de lucht. Wat ooit een helder, bruisend meer was, is nu een grote, uitgeholde poel met donker, roestkleurig water. Het water stinkt en er zit geen beweging in. Elias moet zich inhouden om niet te braken door de combinatie van de loden hitte  en de rottende geur. Karl Fisker steekt zijn handen in zijn zakken. ‘Dit is alles wat er nog is. Toen AquaViridis hier kwam, dacht ik dat ze ons zouden beschermen. Dat ze een oplossing zouden brengen. Ondertussen  verdwijnt onze watervoorraad en zijn mijn mensen wanhopig. Ik zag een eilandbewoner die probeerde zijn eigen urine te filteren met een oud laken. Jullie zeggen dat dit tijdelijk is, maar sommige mensen beginnen te denken dat er iets anders aan de hand is.’ ‘En jij, Karl? Wat denk jij dat er aan de hand is?’ ‘Ik denk dat er dingen zijn die wij niet begrijpen, Elias.’ Thor komt dichter staan. Elias probeert Karl verder uit te vragen, maar er komt geen woord meer uit. Ze blijven een tijd naar het water staren. Net voor ze terugrijden haalt Elias een monsterprobe uit zijn rugzak om stalen te nemen voor de analysator op het vasteland. Met een tik op zijn communicator schuift een telescopische arm geruisloos uit tot op het wateroppervlak. Aan het uiteinde opent een transparante capsule die zich automatisch vult. Daarna schuift ze terug in de probe. Een tweede controlecapsule zakt dieper voor nog een watermonster. Terug in het gebouw drinkt hij in zijn kamer een nutriëntenshake. Als hij zich neerlegt op het bed, daalt het deken neer. Het hoofdeinde van het bed komt enkele centimeters naar omhoog en vormt een perfect hoofdkussen. Elias kan de slaap niet vatten en besluit op zijn eentje te voet terug te keren naar de bron. Buiten is het doodstil. De hitte is omgeslagen in bittere kou. De bron ligt verder dan hij zich herinnert. Als hij bij het meer aankomt lijkt er deze keer wel beweging in te zitten, maar de zwavelgeur is weg. Dan valt hem opeens een zilverkleurige antenne op dicht bij de oever. Vanaf de antenne loopt een draad naar een enorm blok metaal op de oever.  Zijn vingers glijden over het metaal dat slijmerig aanvoelt en begint te trillen als hij het aanraakt. Het water klotst heftig heen en weer. Op het moment dat hij zich bukt om het tafereel vast te leggen op zijn communicator, voelt hij iets kouds tegen zijn rug drukken: ‘Je had niet moeten terugkeren, jongen.’ ‘ Manipuleren jullie de bron?’ Karl haalt diep adem en kijkt naar het water: ‘Ik heb gedaan wat we moesten doen om te overleven. AquaViridis zal onze gemeenschap vernietigen als het contract niet nageleefd wordt.’ Elias wil achteruit stappen, weg van het ondertussen kolkende water, maar hij kan zich niet bewegen, omdat een flinterdunne nanodraad zijn lichaam inpakt. Daarna schopt iemand hem onderuit en valt zijn bovenlichaam in de stinkende modder aan de oever. Hij kan met geen mogelijkheid zijn hoofd nog omhoog tillen. Karl wijst Thor naar een plek wat verderop en vraagt hem om de terreinprinter te activeren. Een raster van groene laserpunten projecteert een rechthoek op de grond. Daarna komt de robotgraafmachine tot leven en die hapt met één vloeiende beweging een keurige, rechthoekige vorm uit de grond. Binnen enkele seconden gaapt een kuil van menselijk formaat. Vervolgens commandeert Thor de machine om het lichaam uit het water te trekken, in de put te dumpen en de kuil te vullen. Nadien verstuurt Karl een beveiligd bericht:  ‘Probleem opgelost. Situatie onder controle. Geen verdere tussenkomst nodig.’ Hij kijkt omhoog naar de hemel. De regen is intussen veranderd in poedersneeuw. Het probleem is tijdelijk opgelost.   Gunnar Gunnar roept het dossier van Elias Rayburn op. Het bericht over het ongeluk van de expert komt van de beheerder van het eiland, Karl Fisker : ‘Aan de rand van de bron werd het lichaam van Elias Rayburn gevonden. Waarschijnlijk uitgegleden en verdronken tijdens een avondwandeling.’ Gunnar zucht, als hoofd arbeidsongevallen moet hij een plaatsverslag opmaken van elk dodelijk werkongeval. Er zit niets anders op dan de oversteek van Kopenhagen naar  Brunnvik te maken. Met een ouderwetse ijsbreker om de Oostzee open te breken, want op dagen met temperaturen onder de 25 graden Celsius zijn de mobipods onbetrouwbaar. Tijdens de overtocht staart hij naar het giftige zwarte oppervlak dat zich eindeloos uitstrekt. In de haven aan de kade wacht een potige kerel hem op. De man begint onmiddellijk naar een ouderwets fossiel model autopod te lopen: ‘Karl verwacht je.’ In de kubus staat  Karl in de inkomhal. Strak in het pak. Gespannen kaakspieren, zijn handen stevig in de zakken van zijn jas. Nog maar een schim van de joviale aanvoerder van het voetbalteam. ‘Gunnar, oude makker. Hoe is de situatie in Kopenhagen? Minder rellen door de kou hoorde ik.’  Zonder een antwoord af te wachten, glijdt zijn blik naar de chauffeur die nog steeds zwijgend achter Gunnar staat: ‘Heeft Thor zich al voorgesteld? Hij durft de regels van de etiquette weleens vergeten.’ Thor antwoordt met een kort gesnuif. Gunnar vraagt om de plaats van het ongeval te bekijken. Als hij terug naar buiten wil stappen, legt Karl een hand op zijn schouder: ‘De situatie is iets gecompliceerder dan wat ik in mijn rapport vermeld heb.’ ‘Hoe bedoel je?’ vraagt Gunnar terwijl hij instapt. Karl mompelt dat het straks duidelijker zal worden en zwijgt vervolgens de rest van de rit. Zodra Gunnar uitstapt, slaat een muur van hitte hem tegemoet. Nog maar pas had hij vanaf de ijsbreker naar de dichtgevroren zee gekeken; hier trilt de lucht boven de rotsen. Hij moet kokhalzen. De verstikkende geur van rotte eieren vult zijn longen. De bron ligt er even zwart bij als het water van de zee. Karl haalt een klein apparaat uit zijn zak dat zacht begint te zoemen. Aan de oever schuift een antenne omhoog. Het donkere water begint langzaam helder te worden en het water stijgt. Het is alsof iemand een raam heeft opengezet, want de zwavelgeur trekt weg Gunnar staart naar de antenne: 'Wat is dit?' 'Een onderhoudsprocedure,' antwoordt Karl. 'De sensoren moeten af en toe gekalibreerd worden.' Hoe meer het waterniveau stijgt hoe helderder het water wordt. Geen spoor meer van de zwarte smurrie die hij daarnet zag. Hij kijkt Karl aan: 'Nee... Jullie hebben verdomme met de bron geknoeid! En Elias wist het!’ Karl zegt niets. ‘Jullie hebben hem vermoord.' Karl haalt diep adem:  ‘We moesten iets doen om het hier leefbaar te houden. Na de Derde Droogte werd water steeds duurder. We wilden onze bron opnieuw zelf controleren. Mijn mensen sterven van dorst, maar we zitten vast aan het contract. Jij weet wat het is om te beslissen wie leeft en wie sterft. Ik kon niet toelaten dat Elias alles naar buiten bracht.’ Gunnar voelt de woede opborrelen: ‘En jullie dachten dat daarmee het probleem opgelost was.’ ‘We zaten vast, Gunnar. Als Elias had gepraat, was het gedaan geweest met dit eiland.’Karl kijkt hem nu strak aan. 'Gebruik je verstand, Gunnar. Je weet hoe het eraan toe gaat op het vasteland. Droogte, wanhoop, mensen die elkaar verscheuren om een paar druppels water. Waarom zou je tegen de stroom ingaan? We kunnen dit regelen.' Hij laat een korte stilte vallen. 'En ik heb die beelden nog altijd. Jij die met je dienstbadge de Hydrobot voor het zwembad van je dochter manipuleert. Denk je dat je carrière dat overleeft?' Gunnar grijpt naar zijn communicator. 'Elias is dood, Karl. Dit is moord. Dat moet ik rapporteren.' Karl spreekt nu met een waarschuwende blik in de ogen: ‘Ja, ik ken je. Jij bent een man die de regeltjes wil volgen. Maar dat kan gevaarlijk zijn. Zowel voor ons als voor jou, Gunnar. Het eiland beschermt zijn mensen. Geen wateroorlogen, geen chaos, geen honger. Je kunt daar deel van uitmaken. Waarom zou je het jezelf moeilijk maken, als je het zo veel makkelijker kunt krijgen?’ ‘Ik laat me niet omkopen.’ Karl lacht scherp:  ‘Je snapt het niet, Gunnar. Je denkt toch niet dat al die tekorten toevallig zijn? Er is genoeg water. Schaarste is een keuze van de overheid omdat dat macht en geld oplevert. Je kunt blijven vechten tegen het systeem. Je weet dat ik gelijk heb. Je bent alleen te koppig om dat toe te geven.’ Thor komt ondertussen dichterbij en slaat zijn arm dwingend om Gunnar heen. ‘Dit is je enige kans. Denk er even goed over na, Gunnar. Je weet wat er kan gebeuren met mensen die antwoorden vinden.’ Gunnar wringt zich los uit de bankschroefgreep van Thor. ‘Je hebt gelijk over één ding. Het eiland biedt bescherming. Maar tegen welke prijs? Ik wil niet opgesloten zitten in jullie leugens, Thor.’ Gunnar draait zich om en stapt weg van de bron die nu volledig helder is. Terug naar Kopenhagen. Hoeveel dorstige monden zullen er daar morgen zijn? Volgende week? Over een jaar? Zijn pas hapert heel even. Thor zet een stap vooruit, maar Karl houdt hem met opgestoken hand tegen: 'Nee.' Thor fronst. 'Hij weet te veel. Dan blijft er maar één oplossing.' 'Wis de laatste achtenveertig uur,' zegt Karl zacht. 'Meer niet.' 'Dat is een risico.' 'Dat is een bevel.' De communicator schiet een verdovingspuls af. Gunnars benen knikken weg. Pas uren later komt hij op de ijsbreker bij bewustzijn.  Zijn hoofd bonst. Boven zijn rechterslaap voelt hij een bobbel. Als hij op zijn communicator kijkt, ziet hij dat hij achtenveertig uur offline was. Aan de kade in Nyhavn staat een lange rij mensen met jerrycans zwijgend te wachten. Een Hydrobot rijdt langzaam vooruit. De ene telescopische arm klikt zich vast op een jerrycan, een andere arm scant de chip in het oor van een vrouw om het verschuldigde bedrag af te schrijven. Daarna pompt hij het waterrantsoen over. Plots blijft de arm steken. Een monotone stem galmt over de kade: ‘Onvoldoende krediet. Het actuele watertarief overschrijdt uw beschikbare saldo.' 'Jullie kunnen de prijs toch niet elk uur veranderen,’ roept de vrouw met een halfvolle jerrycan. Achter haar klinkt ondertussen geschreeuw. Iemand roept dat de tank van de Hydrobot bijna leeg is.  De rij verandert in een kolkende zee van zwaaiende armen. Jerrycans vallen op de grond en worden platgetrapt. Het water stroomt over het asfalt. Mensen werpen zich op hun knieën om het met hun handen op te scheppen. Sommigen likken het van de straat. Gunnar blijft staan kijken naar de menigte. Hij heeft het gevoel dat hij hen iets moet vertellen, maar hoe hard hij ook denkt,  zijn geheugen blijft leeg.  

HildeDS
0 0

De stoel in de kamer (kort verhaal)

    DE STOEL IN DE KAMER              Voor allen die nog steeds dagdromen.   Inleiding    Ik schrijf graag verhalen, enkel is het soms moeilijk om er eentje af te maken of er aan te beginnen.  Daarom is dit verhaal anders, dit verhaal is een droom een duistere maar ook fijne. Het kan zijn dat je niet goed mee bent. Dat mag en kan. Het verhaal bevat veel wijsheid.    Ik hoop dat het je iets bijdraagt. Want soms kan dromen nodig zijn.   Hoofdstuk 1 — De Dimensie Zonder Zorgen     We stappen niet door een deur. Er is geen klik, geen overgang, geen moment waarop ik kan zeggen hier begon het. De dimensie zonder zorgen ligt naast de onze, dun als een ademhaling die je pas hoort wanneer alles stilvalt.   Tijd bestaat hier, maar hij dringt zich niet op. Hij beweegt zonder te duwen. Gedachten komen op, kijken even rond, en lossen weer op voordat ze gewicht krijgen. De lucht voelt lichter, niet omdat ze anders is, maar omdat ze niets van me vraagt.   Voor me tekent zich iets groots af. Geen gebouw, geen berg, geen vorm die ik kan vastpakken. Het is een aanwezigheid. Groot doordat ze niets wil. Ze eist geen aandacht en juist daarom kan ik haar niet negeren.   Ik wandel verder. Niet naar haar toe en ook niet van haar weg er door heen. Met elke stap zie ik meer de achtergrond. Wat overblijft is eenvoud. Adem. Beweging zonder doel.   Dan verschijnt de eik.   Hij staat er alsof hij hier altijd al hoorde. De stam is breed, ruw, getekend door lijnen die niets uitleggen. De kruin spreidt zich uit als een dak dat niemand bezit. Er is geen wind, en toch bewegen de bladeren zacht, alsof ze zich iets herinneren wat ik vergeten ben.   Ik leg mijn hand op de schors. Ze is koel en echt. Op het moment van aanraking verandert niet de boom, maar mijn gewicht. Gedachten worden lichter. Mijn lichaam blijft staan, maar iets in mij laat los.   De vlammen komen zonder geluid. Ze verteren niet; ze tonen. Bladeren worden licht. Wortels lichten op onder de aarde, dieper dan ik dacht dat mogelijk was. Wanneer het vuur zakt, blijft er geen as achter, maar ruimte.   Uit die ruimte vormt zich een poort.   Ze nodigt niet uit en ze waarschuwt niet. Ze is. Achter me blijft de dimensie zonder zorgen intact. Voor mij ligt de mogelijkheid.   Ik blijf staan op de grens en weet: dit is geen einde. Dit is het begin van aandacht.           Hoofdstuk 2 — De Eik en het Vuur   De eik staat dichterbij dan ik verwacht. In deze dimensie betekent afstand niets; dingen zijn nabij omdat ze dat mogen zijn. Wanneer ik om de stam heen loop, voel ik hoe de ruimte zich aanpast aan mijn bewegingen, niet andersom.   De schors is gegroefd en ruw. Mijn hand volgt de lijnen zonder doel, alsof ze leest wat niet geschreven is. Ik voel geen boodschap, geen inzicht dat benoemd wil worden. Alleen aanwezigheid. Dit moment vraagt niets van me.   Wanneer het vuur ontstaat, is er geen paniek. De vlammen komen op wanneer adem in koude lucht zichtbaar wordt. Ze likken langs de stam zonder woede, zonder haast. Het hout verkleurt niet meteen; eerst licht het op van binnenuit, alsof de boom al die tijd iets heeft gedragen dat nu eindelijk ruimte krijgt.   De hitte bereikt mijn huid niet. Ik blijf staan, verbaasd over hoe rustig mijn lichaam reageert. Bladeren veranderen in licht. De kruin opent zich. Wat brandt, brandt omdat het klaar is om los te laten.   Onder de grond tekenen de wortels zich, gloeiend, dieper dan ik ooit had vermoed. Ze verdwijnen niet. Ze laten zich zien. Dan zakt het vuur weg.   Wat overblijft is geen leegte, maar ademende ruimte. Uit die ruimte vormt zich een opening. Geen snijrand, geen constructie — eerder een herinnering aan waar de stam ooit stond.   De eik is geen eik meer.   Hij is een poort.   Ik voel geen drang om te bewegen. Geen stem die zegt dat ik moet gaan. De poort draagt geen belofte en geen dreiging. Ze bestaat naast mij, geduldig, alsof ze weet dat oversteken alleen betekenis heeft wanneer het vanzelf gebeurt.   Achter me blijft de rust intact. Voor me ligt iets wat nog geen vorm heeft aangenomen.   Ik adem in.           Hoofdstuk 3 — De Poort   Ik weet niet wanneer ik besluit te bewegen. Er is geen moment van keuze dat zich aandient als een knoop in mijn maag of een stem in mijn hoofd. Mijn lichaam doet eenvoudig wat hier logisch is. Ik volg mijn hand.   Wanneer ik dichterbij kom, verandert de poort subtiel. Ze wordt minder omlijnd, dieper, alsof afstand hier geen vaste maat kent. Wat zich aan de andere kant bevindt, toont zich niet als een landschap maar als een oppervlak — rimpelend, donker.   Het lijkt op water.   Niet helder, niet stromend. Zwart, stroperig, als een zee die te veel heeft opgenomen om nog iets terug te geven. Het oppervlak beweegt traag. Geen golven, maar kringen, alsof ademhaling onder een te dikke huid plaatsvindt.   Ik reik uit en raak het aan.   Mijn vingers verdwijnen er niet in. Ze blijven rusten op het oppervlak, gedragen. Het water wijkt niet; het onthoudt. Waar ik het raak, blijven rimpels zichtbaar, langer dan logisch is. Het voelt niet koud. Het heeft de temperatuur van een lichaam.   Ik denk aan alles wat mensen achterlaten zonder afscheid. Woorden die nooit zijn uitgesproken. Lasten die van hand tot hand gaan zonder ooit echt gedragen te worden. Het water draagt het zonder protest.   Dan begint het te bewegen.   Niet naar mij toe, maar van mij af. De rimpels strekken zich uit en worden stroming. Het zwarte water vindt richting en vloeit de poort in, alsof het daar altijd al naartoe hoorde. Wat vervuild was, wordt niet gezuiverd — het wordt verplaatst.   Wanneer het oppervlak verdwijnt, blijft helderheid achter. Geen glans, geen beloning. Alleen ruimte.     Ik volg mijn hand verder en stap over de grens.   Er is geen schok. Geen overgang. Ik merk pas dat ik erdoor ben wanneer ik besef dat de poort  geen poort meer is. Ze bestaat niet achter me en niet voor me. Ze heeft haar functie verloren.   Wat zich opent is geen wereld maar een toestand. Ik sta recht zonder moeite. Adem gaat vanzelf. Gedachten komen op en lossen weer op zonder iets achter te laten.   Dan trekt de ruimte zich samen.   Een stoel verschijnt.   Boven de stoel brandt een enkel lampje.   De rest is donker. Te donker….           Hoofdstuk 4 — De Kamer met de Stoel   De kamer heeft geen wanden die ik kan volgen met mijn ogen. Donkerte vult de ruimte zonder zwaar te zijn, alsof ze hier thuishoort. Het enige wat zich duidelijk aftekent is de stoel, eenvoudige, houten poten, een rechte rugleuning. Boven hem hangt het lampje, klein en on-afgeschermd. Het licht valt recht naar beneden, zonder schaduw te zoeken.   Ik blijf staan waar ik ben. De ruimte tussen mij en de stoel voelt groter dan de afstand doet vermoeden. Alsof er iets tussen zit dat niet zichtbaar wil worden.   Wanneer ik begin te lopen, verandert er niets. Geen alarm, geen stem, geen beweging. Mijn voetstappen maken geen geluid. Pas wanneer ik de stoel bijna kan aanraken, stopt mijn lichaam abrupt.   De klap is dof.   Niet pijnlijk, maar onmiskenbaar. Mijn borst botst tegen iets wat niet bestaat. Ik zet instinctief een stap terug en adem scherp in. Voor me is nog steeds leegte. Geen glans, geen trilling. Alleen weerstand.   Ik probeer het opnieuw. Voorzichtig dit keer. Mijn hand vooruit, mijn schouder iets gedraaid. Weer dezelfde onzichtbare grens. Ze wijkt niet. Ze reageert niet.   Er komt irritatie op. Een oude reflex. Als iets niet meegeeft, moet je harder duwen.   Ik neem afstand, span mijn spieren en ren.   De impact is sterker. Mijn lichaam veert terug alsof ik tegen een muur van steen ben gelopen. De lucht wordt uit mijn longen geslagen. Ik zak door mijn knieën en blijf even zitten, duizelig, meer verbaasd dan gekwetst.   De stoel staat er nog steeds. Onbewogen. Het lampje flikkert niet eens.   Ik lach kort. Zonder humor.   Langzaam kom ik overeind. Ik weet dat kracht hier niets oplost. Dat heb ik al gevoeld. Toch is er iets anders wat ik nog niet geprobeerd heb.   Ik strek mijn arm uit en breng mijn wijsvinger naar voren. Niet duwend, niet tastend. Alleen aanwezig. Het puntje van mijn vinger raakt de ruimte waar mijn lichaam eerder werd tegengehouden.   Er gebeurt niets.       Dan verschijnt er een barst.   Ze is klein, nauwelijks groter dan een haarscheur in glas. Ze licht even op en verdwijnt weer bijna direct. Maar ik heb haar gezien. En dat is genoeg.   In die fractie van een seconde, precies waar de barst zich vormde, zie ik iets anders.   Iemand zit op de stoel.   Een figuur, vaag omlijnd, maar onmiskenbaar aanwezig. Hij kijkt recht naar me. Zijn mondhoeken trekken omhoog in een glimlach die geen spot draagt, maar ook geen geruststelling.   Voor ik iets kan zeggen, breekt de grond onder mijn voeten weg.   De kamer kantelt niet. Ze laat los.   Ik val.             Hoofdstuk 5 — De Val   Er is geen wind wanneer ik val. Geen suizen, geen versnelling die mijn maag achterlaat. Het voelt eerder alsof de wereld onder mij oplost en ik simpelweg vergeet waar beneden is.   Ik probeer mijn lichaam te spannen, maar er is niets om tegen te werken. Armen en benen verliezen hun betekenis. Tijd rekt zich uit zonder traag te worden; elke seconde is volledig aanwezig, maar nergens op gericht.   Gedachten komen in fragmenten. Beelden zonder volgorde. De eik. Het vuur. De stoel. De glimlach.   Dan verandert de temperatuur.   Koude bijt niet meteen. Ze kondigt zich aan als afstand. Mijn huid herinnert zich plots dat ze grenzen heeft. De leegte krijgt textuur. Ik voel iets onder me verschijnen nog vóór ik het zie.   Ik kom neer.   Zacht.   Mijn voeten raken vaste grond, die meegeeft maar niet breekt. Alsof ik word opgevangen door iets dat me al verwachtte. Ik zak een fractie door mijn knieën en blijf staan.   Rondom mij ontvouwt zich een landschap dat zich niet haast om begrepen te worden.   Sneeuw.   Niet vallend, niet stormend. Ze ligt overal, dik en onaangeroerd, als een stilte die is blijven liggen na een zin die niemand heeft afgemaakt. De lucht is zwaar van mist. Bij elke ademhaling trekt de kou diep mijn borst in, scherp maar helder.   Ik kijk om me heen en zie geen horizon. Alles verdwijnt na enkele meters in een grijze waas. Geluid wordt hier gedempt nog voor het kan ontstaan. Zelfs mijn adem lijkt beleefd te fluisteren.     Ik kijk naar boven.   Een enkele sneeuwvlok dwarrelt omlaag, langzaam genoeg om haar reis te volgen. Ze draait, vangt licht dat er nauwelijks is, en komt recht voor mijn gezicht tot stilstand.         Ze landt niet op mijn huid.   Ze rust op iets oud.   Ik volg haar blik omlaag en zie steen onder mijn handen. Verweerd, gebarsten, bedekt met rijm. Een vorm die hier thuishoort.   Een grafsteen.   Ik veeg met mijn mouw voorzichtig de sneeuw weg. Letters komen tevoorschijn, diep gegraveerd, zonder naam, zonder datum.   Er staat slechts één zin.   Jij beslist.   De woorden geven geen antwoord. Ze wachten.   Achter mij hoor ik zachte voetstappen.           Hoofdstuk 6 — De Getuige   De voetstappen komen niet dichterbij. Ze bewegen langs me heen, alsof mijn aanwezigheid hier geen gewicht heeft. Ik draai me om en zie een gestalte uit de mist tevoorschijn komen.   Hij is lang. Zijn schouders dragen een donkere mantel die zwaar oogt, ondanks de stilte van de sneeuw. Zware laarzen drukken zich af in het witte oppervlak zonder geluid te maken. In zijn handen houdt hij bloemen vast, eenvoudig, licht van kleur, alsof ze hier niet thuishoren en daarom juist opvallen.   Zijn hoofd is bedekt met een kap. Waar een gezicht zou moeten zijn, is schaduw. Geen leegte, maar afwezigheid alsof zijn trekken zich hebben teruggetrokken om niet herkend te hoeven worden.   Hij loopt door me heen.   Er is geen botsing, geen kou, geen rilling. Alleen het besef dat mijn lichaam hier geen barrière vormt. Ik voel me niet onzichtbaar, eerder transparant. Als glas dat alles ziet maar zelf niet wordt gezien.   De gestalte knielt bij de grafsteen. Zorgvuldig legt hij de bloemen neer. Zijn bewegingen zijn langzaam, respectvol, zonder haast. Iemand die dit eerder heeft gedaan.   Ik wil iets zeggen. Zijn naam roepen.  Ik stel vragen die al te lang in mijn leven zijn. Maar mijn mond blijft gesloten. Niet omdat ik het niet probeer — omdat geluid hier geen toegang heeft.   Hij staat weer op en blijft een moment stilstaan. Zijn hoofd kantelt licht, alsof hij luistert naar iets wat niet in deze ruimte klinkt.   Dan draait hij zich om en loopt weg, terug de mist in.   Iets in mij trekt samen.     Geen verdriet dat zich aandient als pijn, maar herkenning. Een zekerheid zonder bewijs. Ik ken hem.   Of kende.   Wanneer hij volledig is verdwenen, blijft de stilte achter, zwaarder dan voordien. De grafsteen lijkt groter nu hij niet meer wordt bezocht. De woorden die  “jij beslist” hebben niets veranderd, maar ze wegen meer.   Dan breekt een geluid door de mist.   Laag.   Ruw.   Een grom.         Hoofdstuk 7 — De Jacht   Het gegrom zwelt aan, niet in volume maar in nabijheid. Het beweegt door de mist zoals kou zich verplaatst: onzichtbaar tot het je bereikt. Mijn spieren spannen zich zonder dat ik daarom vraag. Een oud instinct neemt het over.   Uit de waas stapt een vorm die zich eerst laat voelen voordat hij zichtbaar wordt. Schouders laag, kop vooruit, bewegingen vloeiend en doelgericht. De wolf komt tevoorschijn alsof hij altijd al hier liep en ik hem nu pas toelaat .   Zijn vacht is donker, nat van sneeuw die niet smelt. Tanden lichten op wanneer hij zijn bek opent, niet in een grom maar in een belofte. In zijn ogen pompt hij iets zwarts, dikker dan woede, alsof hij wordt aangedreven door een honger die geen einde kent.   Hij kijkt niet naar mij.   Dat besef komt tegelijk met de sprong.   De wolf schiet langs me heen, zo dichtbij dat ik de luchtverplaatsing voel. Hij snijdt door mijn ruimte alsof ik er niet ben. Achter mij klinkt een scherp, licht geluid — een schrikreactie die nauwelijks tijd krijgt om vorm te krijgen.   Een konijntje schiet op uit de sneeuw. Zijn ogen wijd, zijn poten razendsnel. Hij aarzelt geen moment en vlucht de mist in, waar wit en grijs hem meteen opslokken.   De wolf volgt niet.   Hij landt, draait zijn kop en kijkt me één tel aan. Niet vijandig. Niet begrijpend. Zijn blik glijdt door me heen zoals alles hier lijkt te doen. Dan verdwijnt ook hij, geruisloos, alsof hij nooit meer was dan een gedachte die zichzelf heeft opgegeven.   De stilte keert terug, maar ze is veranderd.   Iets in mij breekt open.   Ik voel verdriet opkomen zonder de oorzaak die ik kan aanwijzen. Niet om het dier, niet om de jacht die geen jacht werd. Het is ouder, dieper. Het verdriet van niet kunnen ingrijpen. De getuigen zijn zonder rol.   Mijn knieën geven mee. Ik kniel in de sneeuw en laat het toe.           Tranen vallen.   Ze klinken niet nat of zacht, maar zwaar, dof — als aanslagen op een piano waarvan de toetsen te lang niet zijn aangeraakt. Elke druppel raakt een andere snaar. Samen vormen ze iets wat geen melodie wil zijn, maar wel gehoord moet worden.   De grond onder mij begint te bewegen.   Niet schokkend, maar golvend, alsof de sneeuw haar vaste vorm opgeeft. De mist trekt samen, de lucht verdicht zich. De wereld vervormt rond het geluid van mijn huilen.   Wanneer ik weer opkijk, is de sneeuw verdwenen.   Voor me opent zich een ruimte.           Hoofdstuk 8 — Tranen als Toetsen   De ruimte die zich vormt is hoog en diep tegelijk. Muren zijn er wel, maar ze doen geen moeite om zichtbaar te zijn. Alles wat telt bevindt zich in het midden.   Een piano.   Ze staat alleen, zwart en glanzend, alsof ze het licht verzamelt dat hier nauwelijks bestaat. De klep is open. De snaren binnenin trillen zacht, nog voordat iemand ze aanraakt, als een lichaam dat zich herinnert hoe ademhaling werkt.   Achter de piano zit een man.   Hij draagt zwart, eenvoudig, zonder versiering. Zijn houding is recht, maar niet strak. Iemand die niet optreedt, maar aanwezig is. Zijn handen rusten boven de toetsen zonder ze te raken. Hij wacht niet op stilte. Hij wacht op waarheid.   Ik besef niet waar ik sta. De sneeuw is weg, maar de kou zit nog in mijn borst. Mijn ogen branden. Wat ik heb verloren weet ik niet, maar het gemis klinkt nog na.   Dan laat de man zijn handen zakken.   De eerste aanslag is laag en zwaar. Niet luid, niet zacht. Juist. De toon vult de ruimte zonder haar te bezetten. Hij blijft hangen, zoekt geen vervolg.   De volgende noot sluit aan, niet als antwoord maar als erkenning. Langzaam ontstaat een patroon dat geen melodie wil zijn. Het is een gesprek zonder woorden. Elke noot zegt: ik hoor je.   Ik voel hoe mijn adem zich aanpast aan het ritme. Hoe mijn schouders zakken. Hoe het verdriet niet verdwijnt, maar vorm krijgt. De klanken vangen het op, dragen het verder dan ik kan.   Meer toetsen klinken. Hogere nu. Lichter. Niet vrolijk, maar hoopvol op een manier die geen belofte doet. De muziek bouwt niets op en breekt niets af. Ze is.   Rondom mij verschijnt publiek.     Stoelen vullen zich langzaam, rij na rij. Mensen nemen plaats zonder geluid, zonder gezichten die ik herken. Ze zitten recht, aandachtig, alsof ze begrijpen dat dit geen voorstelling is.   Wanneer het laatste akkoord wegsterft, blijft er stilte over die niet leeg is.   Dan staat iemand op.   Eén paar handen begint te klappen.   Een tweede.   De zaal volgt.       Hoofdstuk 9 — De Laatste Rij   Het applaus groeit niet in volume, maar in aanwezigheid. Handen bewegen synchroon zonder haast, alsof iedereen begrijpt dat dit moment niet versneld mag worden. Ik blijf staan waar ik ben. Mijn lichaam voelt lichter, maar niet leeg.   Mijn blik glijdt langs de rijen. Gezichten blijven vaag, niet omdat ik ze niet kan zien, maar omdat ze geen aanspraak maken op herkenning. Dit publiek is hier om te dragen, niet om gezien te worden.   Helemaal achteraan, op de laatste rij, zit iemand die niet mee klapt.       Hij leunt iets voorover, handen losjes op zijn knieën. Zijn houding is ontspannen, vertrouwd. Wanneer onze blikken elkaar kruisen, trekt zijn mondhoek omhoog in een glimlach die geen uitleg nodig heeft.   Er gaat geen schok door me heen. Geen openbaring. Alleen een rustige zekerheid, alsof een gedachte die ik lang heb vermeden eindelijk besluit te blijven.   De pianist staat op en buigt licht. Het applaus zwakt af, dooft niet, maar wordt herinnerd. Stoelen beginnen leeg te lopen zonder beweging. Mensen lossen op waar ze zitten, alsof ze nooit iets anders waren dan aandacht.   Het licht verandert.   Niet abrupt. Het trekt zich terug. De piano verliest haar glans en wordt onderdeel van de ruimte. De rijen verdwenen. De laatste rij blijft het langst bestaan.   Wanneer ik weer kijk, is de man verdwenen.   Wat achterblijft is geen gemis.   Het is richting.       Hoofdstuk 10 — De Kamer keert terug   De richting die achterbleef, vraagt geen beweging. Ze vraagt aandacht.   Wanneer ik haar volg, verandert de ruimte niet plotseling. Ze verschuift zoals een herinnering dat doet wanneer je haar opnieuw bezoekt: eerst vaag, dan scherper, dan onmiskenbaar.   Het licht trekt samen tot één punt.   Het lampje.       Ik sta weer in de kamer. Of misschien is de kamer nooit weggeweest en heb ik haar slechts even losgelaten. De donkerte voelt nu vertrouwd aan, niet leeg maar dragend. De stoel staat op dezelfde plek als voorheen, onbewogen, geduldig.   Ik loop naar voren en deze keer is er geen weerstand. Geen onzichtbare muur, geen klap. Mijn voeten brengen me moeiteloos tot vlak voor de stoel. Ik blijf staan. Niet omdat ik niet durf te zitten, maar omdat dat niet is wat hier van me gevraagd wordt.   De lucht beweegt.   Iemand staat naast me.   Ik draai mijn hoofd en zie hem. De man uit de laatste rij. Zijn lange jas is er nog, maar hij draagt hem open. Hij neemt geen ruimte in, hij deelt haar.   We kijken samen naar de stoel.   Hij spreekt niet meteen. Wanneer hij dat wel doet, is zijn stem laag en helder, zonder echo. Alsof hij altijd al hier heeft geklonken.   “Je bent ver gekomen,” zegt hij.   "Ik wil antwoorden, maar woorden vormen zich niet. Niet omdat ze ontbreken, maar omdat ze niet nodig zijn."   Hij knikt, alsof hij dat begrijpt.   “Dit is geen plek om te blijven,” zegt hij dan. “Ook geen plek om te vermijden.”   Hij legt zijn hand niet op mijn schouder. Hij hoeft me niet aan te raken om nabij te zijn.   Het lampje flikkert even.   De stoel kraakt zacht, alsof hij zich herinnert waarvoor hij is gemaakt.    Dan kijkt de man me aan.   En dan stelt hij de vraag die altijd hier heeft gewacht.   “En wat nu?”   “Opa?"    

Xander Herman
0 0

Boek ICEBERG - proefleeshoofdstukken

Beste lezers Ik ben Kopé, een debutant in de literaire wereld. Sinds kinds af had ik de nodige creativiteit, nooit had ik gedacht het ooit zou komen tot mijn eerste boek. Met een zekere fierheid geef ik hier enkele hoofdstukken vrij van mijn boek, deel 1. Ja, u leest het goed, er is een tweede deel op komst indien ik goede feedback krijg op deze 'proefteksten'. Zo geniet van het lezen ! KoPé ++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++ Beste online – proeflezer Dank u wel om te kiezen voor het lezen van mijn boek,  zijnde de proloog en 2 hoofdstukken die ik voor u heb uitgekozen van boek 1 zodat u het kan proeven. Ik ben een debutant in de literaire wereld en de intentie is om dit boek zo snel mogelijk uit te brengen. Voordat ik dit doe, geef ik jullie de mogelijkheid om reeds een stukje te lezen om jullie nieuwsgierigheid te wekken  en om zo van jullie een eerste reactie te krijgen. Ik hoop deze 'proefleeshoofdstukken' mogen worden gesmaakt. Ik heb ook een vragenlijst aan toegevoegd zodat u deze  kan beantwoorden en me kan door mailen naar KoPeboeken@gmail.com Alvast bedankt voor uw tijd. Ik kijk vol spanning uit naar jullie feedback . Met vriendelijke groet KoPé   Boek: © Iceberg Cover: ©Ontwerp KoPé Auteur: ©  KoPé Contact: KoPeboeken@gmail.com Eerste proeflees document:  Pre – release juli 2026 - Niet voor commerciële doeleinden                      Bestemd voor :  Proeflezers Doel: Feedback te ontvangen van de proeflezers. ISBN: IN AANVRAAG: © Copyright door Kopé: Alle rechten voorbehouden Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/ of openbaar gemaakt door middel van druk, koppie, microfilm of digitalisatie of op welke wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van  de schrijver of uitgever. +++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++ ICEBERG HEDEN Je oogst wat je zaait...  soms weet je niet wat je zaait en nog minder wat je oogst. Je doet, wat het best lijkt Iceberg PROLOOG Ik bracht haar tot rust. Mijn vingers gleden naar haar mond. Het getier werd gemompel. Haar ogen werden groter van verbazing. De paniek nam de vlucht. Mijn vingers versmolten met haar lippen. Een zachte streling deed haar ontspannen. Subtiel kuste ze mijn vinger. Ze begreep dat het geen zin had te panikeren. Aanvaarden was de boodschap. Met mijn rechterarm trok ik haar dichter naar me toe. Als een spiegelbeeld stonden onze blikken naar mekaar gericht. Ik verloste mijn vinger uit haar pruilende natte tedere mond. Fijntjes gleed ik langs haar wang naar haar jukbeen. Ze ontwaakte terug uit haar roes van angst. Ze raakte nu mijn lippen om een vurige kus te geven. Zo kende ik haar weer. De passie kwam terug. Ik liet haar begaan en genoot van haar proeven van mijn lippen. Het verloste haar uit haar verdriet. Minuten gingen voorbij, een warm gevoel sidderde door ons heen. Ondertussen gaf ik haar een aangename hoofdmassage. Haar lange zijdeglanzende zwarte haren gleden door mijn vingers heen, langs slaap en oorlel. Het was puur genieten. We drukten ons sterk tegen mekaar aan alsof we één warme lava zouden worden die pas na eeuwen zou afkoelen en ondergronds zou blijven gloeien tot in de eeuwigheid. Het was duidelijk, we zijn mekaars rots in de branding. Plots verbrak ze onze versmelting, dacht ze terug aan mijn mededeling. Ik keek haar diep in haar diamant grijze ogen met zwarte rand met hier en daar kleine tedere blauwe vlekjes. Ze bleef me aanstaren. Ik voelde een warme gloed door haar lichaam en geest stromen. Het was als een drug die me verdoofde. Een traan verscheen in haar rechteroog, een reactie op de teleurstelling die ze na al die tijd voelde. Ze zag nu het dubbele leven onder ogen dat ik sinds een jaar leidde én nog steeds speelde. Een lichte krul kwam vanuit haar lippen. Ze fluisterde innig: "Alles komt goed lieveling". Haar stem klonk als zoete honing en zuiver als een xylofoon, warm als een hete zomerdag. Als ik haar zo hoorde kon je alleen maar smelten van verlangen. Ze wurmde haar atletische lichaam opnieuw rond me heen, als een stengel die houvast zocht. We verloren het evenwicht. Als een tol vielen we terug op het bed. Van opstaan kwam niets meer in huis...het was trouwens zaterdagochtend; we hadden alle tijd. Mijn adoratie voor haar was bodemloos, haast moordend. De sensitiviteit tussen ons was zonder grenzen. We communiceerden dagelijks zonder woorden. Mentaal waren we een homogeen stel dat onwrikbaar was. Er was geen haar tussen ons te krijgen. Mochten we fysiek met elkaar kunnen versmelten dan waren we een hermafrodiet, gelukkig lukte dit niet. Zo konden we mekaar als fysieke individuen blijven bewonderen. Ze leefde haar eigen leven. Ik wist dat ze nooit helemaal de mijne kon zijn. Jaren terug had ze een foto laten zien waar ze een wit trouwkleed droeg, met naast haar een man van in de vijftig. Hier waren geen woorden voor nodig wat ze direct en gradueel wilde tonen. Er werd hierover ook geen woord gelost. Alleen mentaal werden gevoelens gewisseld van afschuw.  Warm en koud tegelijk. Een verwittiging van wat ons te wachten stond. Aan beide lichamen ging er een koude rilling door onze ledematen. Ik wilde niet uit deze droom van roze geur en maneschijn verdwijnen. Ik wilde het niet beseffen, ik wilde het warme intense dualistische gevoel niet verloren laten gaan. Op een dag zal het als een tsunami uit mijn geest worden getrokken. Tot dan wilde ik geen afstand nemen van deze liefdesroes. Toch had ze me beloofd haar deuren altijd voor mij open te laten staan. Dat heeft ze ook lang gedaan. Ze wist nog voor ze dit avontuur startte er een einde aan kwam. Alleen voelde het zo goed aan dat ze zolang als mogelijk, ze me bij haar wilde. Ze had reeds rationeel afstand van mij genomen vanaf de start tot de finish. Haar liefde was zonder greintje gespeeld. In de hele periode dat we samen waren verdween ze jaarlijks een maand van het toneel. Drie weken naar Amerika en met Saint Amour naar Saint Tropez. Dit was vooral om de schijn naar haar man hoog te houden. Momenteel leefde ze een vrije relatie met duidelijke afspraken. Op een dag sloot ze al haar deuren. Maanden, zelfs jaren probeerde ik de code te kraken om haar los te weken van haar antiek meubel. Helaas was het een geëngageerd zakelijk huwelijk. Ze bleef hier wel wonen, van een andere liefde was er geen sprake meer. ... Hiermee was mijn probleem niet opgelost. Haar traan betekende meer dan een afscheid. Wat er op die trouwdag afspeelde is veel meer dan een feest... Het was eerder een schijnvertonin. Hij die haar de eeuwige liefde beloofde en zij die virtueel slaafs toegaf en hetzelfde gedachtegoed kopieerde om hem te behagen. Het was een pact, niets meer of minder. Ik begrijp nog steeds niet wat er lopende was tussen die twee. Wat was de achterliggende reden. ? Een slimme vrouw die zoiets tegen haar wil doet. Hier was een samenkomst aan de gang van enkele hooggeplaatste criminelen. Wetende dat ze daar geen flauw benul van had. Mensen die later terug op het toneel zouden verschijnen. De vraag was, waarom? ... Ondertussen, zaterdagmiddag. Ik trok de overgordijnen open na onze aangename consummatie op deze zonnige voormiddag. Vijftig tinten grijs is hier een flauw afkooksel van, dacht ik. Daar stonden ze me weer te begroeten. Ik had vanaf deze hoogte een zeer goed zicht op wat er hier reilde en zeilde… Wilde ik, waren er nu vier doden gevallen. +++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++ DEEL 3 Bekentenis  -  De perfecte leugen of niets anders dan de waarheid ? “Beter gekwetst door de waarheid  dan getroost door de leugen” Khaled Hosseini (Amerikaans-Afghaans schrijver) Hoofdstuk 3 Ditmaal wou ik er niet uit. Mijn hoofd maalde nog na over het gesprek van gisterenavond. Het totaal onverwachte nieuws, omstandigheden gaven een bedrukkend gevoel. Het gesprek had niet veel zoden aan de dijk gebracht. Ik trok mijn massa in beweging om me tot in de badkamer te sleuren. Verrast van me zelf dat het zoveel moeite kost. Dedju, t' was ne serieuze mentale veldslag geweest, komt wel goed dacht ik tegelijkertijd, alles komt vroeg of laat goed. Voor de spiegel zag ik mijn landkaart, door mijn sombere bittere uitdrukking trokken de hoeken van mijn maalmachine scheluw, met gevolg dat mijn luchtpijpen uit de haak waren, mijn lenzen zaten los door de dauw in mijn lenskasten, ze zouden er zo uit rollen door het overtollige vocht. Gelukkig had ik de nodige kraaienpootjes die ze op hun plaats hielden. Het is geen zicht. Een anders zo'n fantastische glunderende diamant die ik elke ochtend voor de spiegel mocht waarnemen, zo gemassacreerd. Maar ja, dat zullen de natuurlijke emoties zijn, zeker. Niet ? Een stevige koude afwisselende warme douche zal me opfleuren en zorgen dat ik snel terug vol pit zal zitten. Een sterke koffie van vers gemalen bonen na het douchen zullen me optillen tot het gewenste niveau, de volle 1,85 m. Ik kwam aan op het werk...tien minuten te laat...mijn baas keek me met grote ogen aan en ik dacht meteen aan de boze wolf. Hij moest tweemaal door zijn ogen wrijven om zeker te zijn dat ik het was die het kantoor binnenstapte. De koffie en de douche hebben niet het gehoopte resultaat geleverd… "Wel jongen, stevig weekend achter de rug ? Je waant je nog steeds twintig hé, wij mannen blijven jongens hé. Vertel je verhaal eens, ik ben nieuwsgierig." Hij was steeds positief ingesteld, zo eentje van optimist tot in de kist, je weet wel...dat ik te laat was of niet, speelde geen rol, hij was tevreden over mijn werk. Hij weet dat ik doorwerk na de uren indien nodig, en maandagmorgen is een rustig moment in onze zakenwereld.   Ik moest een sterk verhaal uit mijn hoed toveren, een grote hoed... er een konijn uit toveren zou ik nu liever doen... Ik spitte in mijn grijze massa naar een fascinerend verhaal uit mijn jeugdjaren en die geactualiseerd geamuseerd voordragen alsof het dit weekend echt had afgespeeld. Dat heb ik dan ook gedaan. Hij vond het net als een ‘amuse oreille’ goed verteerbaar, zijn vrolijke gezicht zag er nog opgewekter uit.  Mijn telefoon ging af. Mijn vriendin belde me uit nieuwsgierigheid met de vraag hoe het gesprek was verlopen met mijn kotvriend. Haar engelengezang was normaal zo betoverend dat ik automatisch helemaal smolt van haar warmte, nu zat ik met een dubbel gevoel. "Euh, goed." antwoordde ik kort.  "Schat, alles in orde met je ?"  " Ja, het was een intens gesprek, weet je... ? Ik zou je graag deze week tijdens een avond spreken. Kan dat voor jou ?" "Ja, natuurlijk liefste, woensdagavond ?" "Prima, kom maar naar me thuis, ik maak lekkers zoals altijd." "Ok, schatty, Hmmmm kusjes." ...einde gesprek. Ik kon nog steeds niet echt geloven wat mijn kotvriend me had verteld. De relatie met mijn vriendin is subliem. De mooiste eigenschappen waren: dat we mekaar blind vertrouwden en respecteerden zoals we zijn, alles mag en kon zolang alle juiste waarden en normen worden gerespecteerd, openminded en vrijheid, de sensualiteit, tederheid en warmte spatte er van af en nog zo véél meer. Ik zou haast een lyrische bloemlezing kunnen geven over onze relatie, zo uitmuntend. Ik bedacht, hoe ik het gesprek kon aanknopen zonder dat ik haar de indruk zou geven, ze het zou merken, dat ik aan het vissen was naar informatie van haar ‘duistere leven’ ?  Nu ja, ikzelf kon mijn handen ook niet in het reine wassen... Woensdag diende zich aan. Ik stopte enkele uren vroeger met het werk, nam mijn rugzak en salueerde vanuit de verte naar mijn baas; hij knikte tussen een gesprek door met een klant. Ik ging vlug wat extra boodschappen doen om lekker te koken tegen dat ze bij me thuiskwam. Zo zouden de fijne aroma's van het eten en dessert de woonkamer vullen. Lijkt me altijd prettig, een gevoel te hebben dat je in een restaurant binnenstapt, gevoel van vakantie... Zeebaars met groenten - tomaten, worteltjes- doperwten, tijm - laurier -basilicum en citroen als smaakversterker, krielaardappeltjes gekookt en romige mosterdsaus. Als dessert crème brûlée met Quarante the Threse om het pittiger te maken. Me niet echt uitgesloofd, al bij al was het niet echt veel werk en toch best lekker, eenvoudig doordeweeks.   Omstreeks zeven ging de deurbel. Ik zag haar op de video-phone en drukte de knop in zodat de deur van de inkomhal open ging. Ik zette mijn deur tegen zodat ze zonder ‘kloppen’ binnen kon. De tafel was gedekt, een fles witte wijn stond koud in de frigo. Ik stond nog in de keuken, wou net de vis uit de oven halen, wanneer ik haar armen spontaan en sensueel rond mijn lenden voelde, haar zachte lippen tegen mijn rechter kaak gedrukt, ze rook naar lentegeur … elk seizoen van het jaar -het is altijd lente in de ogen van de tandartsassistente… (Nederlandse song van Peter De Koning) ging er door me heen- haar fluwelen stem in mijn oor, haar warme zoete adem. t' Was een fijn gevoel.  Ik zette de oven af en draaide me voorzichtig om zodat ze haar omarming rond mijn lende niet loste, om haar zelf in mijn armen te nemen. Ik voelde haar boezem en haar lichaam tegen me aandrukken, dit moment mocht voor mij eeuwig blijven duren. Plots ontwaak ik, denk aan het gesprek dat ik vanavond met haar zal hebben. Ik ontgrendelde me subtiel, nog voordat ze goed besefte dat we ontkoppeld waren, had ik de vis uit de oven genomen. Ik wenkte haar om de aardappeltjes te nemen, gelijk wenden we ons  naar de tafel in de woonkamer. Nu zag ik dat ze een goed passende geklede witte broek droeg, met erboven een blouse van turquoise blauw met een print van bloemmotieven in pastel hemelsblauw. De halsafwerking was in de kleur van haar blouse rondom geborduurd. Dat stond haar beeldig met haar lange zwarte haar. Ik bediende haar en schonk haar wijn in. "En, vertel eens over je gesprek met je kotvriend, zondag" zei ze. "Och, zoals ik zei, vrij intens gesprek. We hadden het over onze lange vriendschap, wat we samen in onze schooltijd hadden gedaan, over wat hij deed van werk in de logistiek, wat ik nu doe voor het ingenieursbureau en ons leven, onze relaties met onze partner, en zo meer." "Dat was gezellig zo te horen, toch niet zo'n zware materie." "Juist, maar er was nog iets, een verassingsonderwerp." "Ha, vertel eens." "Ja, maar dat is iets voor na het dessert." "Nog een dessert, hmmm, dat is ook een verrassing...nog voor het einddessert in de latere uurtjes, hé." glimlachte ze dubbelzinnig. Graag zou ik toestemmen, ze moest is weten wat ik nog te zeggen had... Ik vroeg haar hoe haar week tot nu toe verliep. Ze had een rustige week momenteel, geen overwerk, geen excessen, dus geen plotse amputatie die ze moest uitvoeren. Het was tegen negenen toen we ons in het salon neervlijde. Ik zette een rustig deuntje op als achtergrondmuziek dat nog wel enkele uren kon doorgaan. Zoals altijd keken we elkaar ontspannen aan, maar deze maal zat er toch een splinter in mijn oog. Ik besloot mijn verrassingsgesprek boven te halen. Voor ik van start kon gaan begon ze zelf. "Schat, vertel eens je verassing, moest ik hiervoor vanavond bij je zijn ?" "Euh ja, we kennen mekaar toch al een lange tijd hé, een vijftal jaar, niet ? Ik heb je leren kennen door mijn knieoperatie bij jouw praktijk. Zo zijn we met mekaar gaan afspreken en zo verder. De klik was er quasi onmiddellijk.  Met plezier zou ik de kogels opvangen om je te redden, ik ga voor jouw door vuur indien nodig." Ze onderbrak me, veerde recht en besprong me als een wilde merrie. Ze was dol van vreugde. Dat stelde me ergens wel gerust maar toch... Fijntjes riep ik haar terug tot de orde van onze avond. "Goed, vertel verder, wat is je verassing ?" "Het is duidelijk, of ik meen te begrijpen dat je van me houdt ?" "Lieveling, zo diep als de zee, net zoveel er zandkorreltjes op aarde zijn en steeds meer." Ik merkte op dat het gesprek niet zo evident zou verlopen. Ze hield echt van me of ze was een natuurtalent in schaduwrollen. Haar ogen straalde eerlijkheid uit, haar pupillen waren groot, haar lichaam straalde warmte uit als een verliefd persoon. Ook na vijf jaar leek ze nog steeds straalverliefd te zijn sinds de eerste dag van ons samen zijn. Ik had nog steeds een dubbel gevoel.  Toch maakte ze de opmerking: "Schat, is er iets, is er iets gebeurd ? Wil je me iets zeggen, heb je slecht nieuws ?"    Ze zag me bezorgd aan, zo van, zeg het nu, je hoeft niet bang te zijn, ik omvleugel je, we hebben geen geheimen voor mekaar. Ze zat nog steeds op mijn schoot. Ik was erdoor onderuit geschoven. Ik zag haar ernstig diep in haar ogen. Ze zette haar recht en ging naast me zitten. Ze nam mijn hand vast en fluisterde: "Schat, ik ben het, je levenslicht, wat zit er je dwars ?" "Wel," zei ik, mijn stem werd wat zakelijker, kneep eerst even in haar hand, gaf haar een kus op haar wang en zette me in de lounge tegenover haar. "Schat, ik heb het met mijn kotvriend ook over jouw gehad, enfin, hij heeft het over jouw gehad" "Hmm, hij intrigeerde me wel erg, hoffelijk, etiquette vol en vriendelijk persoon..." "Ja." beaamde ik. "Wat vroeg hij en vertelde hij over me ?" Ik vertelde haar, dat hij vrienden had die haar man kenden, die zich als internationaal zakenman profileerde bij zijn vrienden. Zijn kennissen hadden een groot bouwbedrijf in Italië waar ze met haar man zaken deden. Met zijn bedrijf regelde hij vervoer voor uitzonderlijke transporten over weg en zee. Dat ging van grote betonnen prefab constructies voor bruggen tot grote kranen. Zijn vrienden waren enkele malen door haar man uitgenodigd op zijn kantoor om zaken te regelen in verband met bouwmaterialen. Op zijn bureau hing een grote kader aan de muur met jullie huwelijksfoto. In datzelfde bureau hingen ook foto's van militaire gezaghebbers waar hij werken voor uitvoerden. Alleen zijn dat dictators, eigenlijk criminelen. "Wel, een vreemde combinatie, niet ?" "Schat, ik weet niet precies welke contacten hij heeft."  "Een van die zakelijke vrienden was ook uitgenodigd op jullie huwelijk, die heeft daar zeer dubieuze personen ontmoet die zich nu in het milieu van de IS strijders bevindt. Mijn kotvriend heeft me gewaarschuwd dat ik moet opletten." "Schat, ik weet niets van deze mensen af. Hoe weet je kotvriend dat zijn vrienden criminelen zijn ?" "Heel eenvoudig, ze volgen ook de media, het nieuws en deze zijn met foto en al vermeld." "Schat, mijn huwelijk, is tien jaar geleden." "Inderdaad, ondertussen zijn ze ook uit de schijnwerpers verdwenen, ondergedoken, God weet waar... Dat zijn niet mijn zorgen. Maar er is meer." "Wat meer ? Hoe bedoel je schat ?" Ik stond even op, ging naar de bar, schonk me een glas wodka in. Een beetje moed indrinken lijkt me nu cruciaal. Ik hervatte het gesprek. Ik bleef aan de bar staan, koud zweet brak me uit wat ik nu ging aankaarten. ‘’Teken ik nu mijn eigen doodvonnis of kies ik voor een nieuw leven zonder haar ?’, dacht ik. "Hij had het over jouw, dat je deel uitmaakt van het netwerk van je man, doorgestoken kaart, niet ?" "Schat, netwerk, doorgestoken kaart, waar heb je het over, wat insinueer je, ik begrijp je niet ?" Haar gelaat trok helemaal scheef, haar lippen pruilden, haar ogen waren strak van twijfel, haar lichaam stijf als een hark. "Jij bent door je man en zijn organisatie gestuurd om me te verleiden en me mee te trekken, te overtuigen in jullie bekrompen gedachtengoed. Je wil dat ik voor hem opdrachten ga uitvoeren in opdracht van IS, dat is het, was het plan…toch....  ?" Haar lippen lagen nu als twee planken strak aan mekaar genageld, haar ogen spuwden vuur, haar wangen ingeslagen in een harde lijn door het bijten op haar tanden. Zo had ik haar nog nooit gezien. Ik zag een vreemde onbekende vrouw voor mij. Haar sublieme masker was gebroken ? Haar lichaam verkrampte, ijskoud en bevroren zat ze voor zich uit te staren. Ik had duidelijk iets gezegd wat haar niet zint. De eerste maal in onze relatie was het water en vuur, kat en hond... Was ze nu woedend, in paniek of geschokt van mijn uitspatting van woorden. Zo kende ik haar niet en zij mij niet. Ik bleef haar aanstaren. Ze keek strak naar mij. Als twee kogels voelden ik haar ogen mijn ogen doorboren, een moment van eeuwige stilte scheen aangebroken te zijn. Was het stilte voor de storm ? Het contrast kon niet groter zijn. Een warme opgewekte sensuele vrouw die nu de uitstraling heeft van een bevroren ijspin en levensgevaarlijk leek te zijn. Seconden vriezen samen tot minuten zonder één woord. Haar gezicht keek me aan als een morbide winterlandschap.  De muziek op de achtergrond liep verloren in dit bijna levenloze polaire landschap. Plots ontdooide ze, alsof kokend water het ijs liet breken. Haar ogen hielden op met vuurspuwen, haar wangen werden glad gestreken, haar ijzige lichaam ontdooide, de temperatuur kwam terug op pijl en ze stopte met staren. Ik weet niet welke film in haar afspeelde, duidelijk was er terug leven in haar lichaam. Ze stond op, en in één gracieuze beweging liep ze naar me toe. "Oooo schat toch…" Ze pakte me vast en drukte haar lichaam tegen me aan, ze begon te huilen. Ik wist niet wat me overkwam. Was het een charme offensief, was dit toneel van de hoogste plank ? Zoals sinds ons laatste weekend had ik een dubbel gevoel. Ze bleef huilen, haar tranen rolden rijkelijk over mijn schouder heen, een echte stortvloed. Ik gaf haar de tijd om te huilen, zo hardvochtig was ik nu ook niet om haar van me weg te duwen. Ik liet haar zo op haar positieve komen. Zal ze me duidelijk uitleggen hoe het nu zit met haar dubbele leven ? Kreeg ik een antwoord op mijn opmerkingen ? De linkse mouw van mijn hemd was ondertussen strijkklaar door haar gehuil. Tussen het snotteren door stuntelden ze enkele woorden door haar mond :" Neen, dat...dat is,...nooit ...nooit zo...,zo  geweest, komt...door hem." Ze bleef me vasthouden. Onwennig zette ik mijn glas op de bar, omarmde haar, nog steeds met een dubbel gevoel. Ik hoopte dat ze me zou loslaten, me nu zou vertellen wat er nu echt aan de hand is. "Schat, ik luister, doe maar rustig." Ik probeerde enige tederheid te geven na mijn tirade van woorden. Ze stopte met wenen, maar bleef me nog minuten lang vasthouden zonder woorden. Ik begon haar terug aan te voelen zoals ik haar kende, een teken van haar vertrouwen. Ze zocht een soort mentale schuilplaats, een koestermoment. De ijzige stilte maakte systematisch plaats voor haar warme persoonlijkheid en charisma. Dat voelde ik meteen, zoals wij twee hoog sensitieve mensen mekaar zonder woorden aanvoelden. Ze liet haar gespannen armen rond mijn lichaam vieren, trok zich bijna geruisloos uit mijn armen, gaf me een kus op mijn wang en zei: "Schat, nu niet." Ik zag haar gezichtje, nat van tranen, ze knipoogde met een iets geforceerde glimlach, nam haar spullen en vertrok met stille trom. Wanneer ze weg was voelde het appartement leeg aan met een warme nasmaak. Zoals een whisky je mond en keel verwarmd na het doorslikken. Ze had leegte nagelaten maar ook haar warme persoonlijkheid. Ze was nog nooit van slag bij mij vertrokken. Mijn dubbel gevoel was verdwenen. Ik had haar warmte terug gevoeld. Dit was voor mij een signaal dat het goed zal komen, een teken van liefde. De leegte is duidelijk een teken van gemis dat je voelt wanneer er iemand van je houdt, wanneer je van iemand houdt. Ik had zo'n gevoel dat dit een tijdje kon aanslepen, enkele weken, zelfs maanden of zelfs jaren voordat we mekaar zouden horen of terugzien. Tijd is niet van belang, wel de liefde. +++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++ Hoofdstuk 4 De deur van het appartement viel achter haar dicht en haar hart bonsde. Haar hoofd volgepropt met onuitgesproken emoties, gedachten, redeneringen, stond op het punt te ontploffen. Ze sleepte zich naar de lift, sleurde haar gedaante door de gang, alsof ze een onmogelijke opdracht moest vervullen…de lift bereiken. Na de indruk van een eindeloze inspanning  te hebben verricht, drukte ze uitgeput, bijna snakkend naar adem, met trillende hand op de knop om de lift te roepen. Het geluid van de stilte in de gang maakte haar hoofd nog zwaarder. Ze  hoopte dat Mauritz niet achter haar aan kwam, het was niet het moment. De lift was er snel, voordat Mauritz haar eventueel zou kunnen tegen houden. Niettegenstaande verwachtte ze het nooit dat deze situatie zich voor zou doen. Door het stukje helderheid dat haar nog net recht hield, gingen onder druk al deze hersenspinsel ratelen. Beneden aangekomen, rende ze naar de buitendeur. Eens buiten, ademde ze gulzig  met grote tuigen de frisse lucht in. Ze pompte als het ware zuurstof in haar hersenen. Het leek op ‘airboarding’,  alsof haar hoofd in de lucht zweefde verzadigd door een luchtroes. Spanning maakte plaats voor verheldering en ontnuchtering. Vervolgens liep ze zo snel mogelijk naar haar wagen die op een desolate parking stond.  Ze stapte in haar sportcoupé, plofte in de kuipzetel. Nu pas trede er een vorm van ontwenningsverschijnselen op, werd ze bewust van het gesprek met Mauritz. Ze voelde net niet de aarde onder haar voeten wegzinken. Ze was door het kruisverhoor eerder aan de grond genageld. Was ik ontmaskerd…ging er door  haar gedachten ? Onmiddellijk was haar antwoord: neen, ik hou van hem, dit is geen fabeltje en dat weet hij. Verbluffend dat hij over al deze informatie beschikte. Ik wist zelf op een bepaald moment niet waarover hij het had’. ‘Du Hast van Rammstein’ vulde haar cocoon terwijl de buitenlucht werd gevuld met een palet van donker paarse en rode slierten na een volledige zonsondergang. Een surrealistische setting. Ze was perplex van het spektakel dat er vanavond had plaats gevonden. Van een heerlijk diner naar een ware interrogatie, waarvan de woordenstorm had geleid tot een surmenage waarbij ze bevroor. Ze voelde zich mentaal verpletterd, als een mug die door een muggenklepper werd geraakt en in het wafelraster werd geplet, helemaal uiteen spat met de dood tot gevolg. Gelukkig was dit niet aan de orde, toch voelde het op dit moment zo aan. Bij de gedachte liep er een koude rilling over haar heen. Haar tranen kregen opnieuw de vrije loop. De nacht liep nu over de rode loper sinds ze was ingestapt. Het was pikdonker, de zonsondergang geheel bedolven onder het kussen van inktzwarte nachtlucht. Haar gedachtegang kwam uiteindelijk tot rust. Ze aanvaardde de setting en startte haar bolide. Een sportieve motor kwam tot leven die grommend de nachtelijke stilte in reed.  Thuisgekomen, reed ze galant het erf op. Het gegrom van de motor weergalmde in de binnenplaats bij  aankomst van haar gerenoveerde fermette. De fermette werd door spots opgelicht die reageerden op de lichtsensors. De fermette bevond zich in een afgelegen omgeving omringd met velden en bossen. Het was reeds tegen één uur s’ nachts. Haar emoties waren deels verwerkt. Eens binnen voelde ze de vermoeidheid van een lange avond. Ze nam een slaapmutsje en viel onmiddellijk in slaap eens ze in haar slaapkamer, in haar kingsize bed, de lakens over haar heen sloeg. Het overkwam haar niet de eerste maal dat ze met intense stress en emoties werd geconfronteerd. Tijdens haar tienerjaren was haar hele familie door religieuze druk uit hun moederland gevlucht. Ze was samen met haar familie Iran ontvlucht tijdens de periode dat Khomeini, die de hoogste geestelijke rang binnen het Sjiisme van Ayatollah had ontvangen, die het seculiere beleid van sjah Reza Pahlavi omver had geworpen in de jaren 1970 en het land omvormde naar een streng religieus fundamentalistische staat, een islamitische republiek. De hoofdoorzaak kwam door de Witte Revolutie die de sjah in de jaren zestig uitvoerde. Die herverdeelde de gronden en onteigende veel grond van de geestelijken. De grootgrondbezitters en de geestelijkheid keerde zich tegen de hervormingen van de sjah.  De periode van Khomeini werden vele intellectuelen opgepakt en vermoord. Haar vader was dokter, die werd vermoord. Voor hij werd vermoord, had hij een plan voorbereid om met zijn familie te vluchten. Haar broers en zussen vluchtte naar verschillende landen waaronder Frankrijk, USA, Zwitserland, Duitsland en België. Samen met haar moeder en een zus vluchtte ze naar België in 1977. Na haar aankomst, het inburgeren en haar humaniora startte ze een opleiding geneeskunde en nadien een specialisatie orthopedische chirurgie. Ze trouwde met een oudere Iraanse man van vijfenveertig die eveneens was gevlucht. Die was afkomstig uit een rijke industriële familie. Haar vader had goede contacten met de familie van deze man in Iran. Ze dreven handel met het Westen. Na enkele jaren trok haar man naar het buitenland, Frankrijk, St-Tropez, om daar zijn zaak verder uit te bouwen. Sindsdien zagen ze elkaar slechts jaarlijks. Het huwelijk was een zakelijke aangelegenheid, voor haar veiligheid en de familie. Na haar dokter studies en opleiding tot orthopedisch chirurg werkte ze de eerste jaren als freelancer in ziekenhuizen. Ze startte nadien, samen met enkele collega’s haar eigen gespecialiseerde minikliniek voor knieoperaties en protheses. Al vlug werd ze een begrip in de chirurgische wereld waar ze tot op vandaag een staat van faam bekleedt omwille van haar deskundigheid samen met haar team.  Met de weinige vrije tijd waar ze op dat moment over beschikte trok ze er graag incognito op uit, de stad in of zelfs naar een buitenlandse fuif door een metamorfose ondergaande klederdracht. Zelfs Mauritz zou haar straal voorbij zijn gelopen. Ze transformeerde tot een zwarte Victoriaanse Gotic punk Queen met trekjes van een Keltische druïde, gelukkig zonder hertengewei. De kledij paste gegoten rondom haar atletische lichaam.  Ze droeg een lange zwarte gilet en jas uit één geheel afgewerkt met fluweel en kant met grote ronde zwarte knopen om het samen te houden. De mouwen afgewerkt met zilveren sierknopen en pofschouders. Hieronder droeg ze een zwarte blouse met rolkraag en bloemmotief, een lange lederen nauwpassende zwart broek met hoge zwarte puntlaarzen met wel tien gespen. Als kers op de taart droeg ze zwarte oogschaduw, lange zwarte visnethandschoenen, zwart gelakte nagels en zwarte lippenbalsem. Zo voelde ze zich volledig vrijgevochten als een katje dat je niet zonder handschoenen kon aanpakken. Verdwaasd werd ze wakker voordat de wekkerradio haar wekte. Zes uur vijfentwintig toonde de display. Net voldoende geslapen om de dag door te komen. Vandaag waren het enkel mondelinge consultaties met algemene knietesten voor de na- of opvolging van de ingrepen, dat zou net te overbruggen zijn. Tijdens de middagpauze vond ze geen rust. Ze ging even in een nabijgelegen Italiaanse snackbar haar lunch genieten met een opkikkerende ristretto. Die gaf haar de nodige pit om de dag zonder kleerscheuren door te komen. Ondertussen doorspitte ze, verdwaald van de wereld, het gesprek van gisterenavond. Dat was even pittig als haar ristretto geweest. Er was duidelijk een adempauze nodig, een lange time-out. Er was te veel om te verwerken, dat nood had aan rust, een soort strijdbijl die moest worden begraven. Ze analyseerde: Ja, ik hou van hem en neen ik volg het gedachtengoed van de organisatie niet meer. De vraag dook weer in haar op: hoe wist Mauritz dit allemaal ? Deze informatie pik je niet op uit de media, misschien pik je het op straat op en dan nog zou dit heel verbazend zijn. Nee, hij heeft duidelijk zijn connecties…dan heeft hij een verleden…een crimineel verleden…maar… een verborgen leven, misschien een dubbel leven ? Haar brein maakte duidelijk zware kronkels wat haar bewust maakte dat Mauritz niet zomaar een doetje was. Hij had duidelijk een leven dat nog niet volledig aan de oppervlakte was gekomen. Wat wist ze, wat nog niet ? Hell, verdomme….hij gebruikt mij en ik zie het niet, flitste plots door haar hersenen. Hoe is het mogelijk,  hmmm stop stop STOP Mitra, je hersenen slaan op tilt….! Ok, even terug tot mezelf komen….wacht, ik weet zeker dat onze gevoelens niet gespeeld zijn, wat zeker is, is dat hij connecties heeft want anders kon hij zulke opmerkingen niet hebben gemaakt. Was Jeremia zijn sleutel naar al deze informatie en hoe…was hij het die connecties had en een dubbel leven ? Welke rol speelt Mauritz dan, wat is zijn functie ? Natuurlijk is het Jeremia. Mauritz had me toch vertelt van zijn afspraak met hem en vandaar zijn doortastend gesprek met mij. Gewoon kotvrienden, dat zal wel ….ik geloof er niets van. Ik wil en zal er achter komen.  Plots merkte ze dat de wandklok van Arti & Mestieri dertien uur aanwees, tijd om op te stappen. Ze rekende af,  knikte dag naar de uitbaatster en verdween met rasse schreden naar de uitgang, richting praktijk. Mauritz, ik vraag je om geduld te hebben flitste ondertussen door haar hoofd. Ze haspelde de dag en de verdere week door. Vrijdagavond nam ze het besluit om een langere tijd afstand te nemen van Mauritz. Ja, ik ga hem missen, hij zal mij missen, werd ze bewust. Het is nodig om tot innerlijke rust te komen, tot mezelf te komen, te kijken hoe het verder kon tussen ons. Ze wilde weten hoe Jeremia aan al de informatie was gekomen ongeacht ze hem blind vertrouwde gezien het een vriend van Mauritz is. Bij haar man kon ze niet terecht met haar vragen om haar relatie met Maurtitz niet in gevaar te brengen. Ze moest de schijn hoog houden dat ze Mauritz nog steeds probeerden te overhalen om voor de organisatie te werken. Ze had geen flauw idee hoe iemand haar zou kunnen helpen aan de informatie te komen. Laat ik op het Universum vertrouwen, geen druk uitoefenen, dan zal ik het wel achterhalen. Zaterdag dook ze in haar garderobe opzoek naar haar Gottic periode. Gezien ze nu, door haar besluit, voor een langere periode over vrijheid zou beschikken. Zou haar figuur nog voldoende afgelijnd zijn om zich terug te kunnen verschansen in deze illusionaire wereld van destijds ? Haar nachtelijke avontuurlijke vluchtweg uit de academische wereld ? Door het doorzoeken van de wandkasten naar haar outfit, werd ze verrast door haar imposante kleding collectie. Die was verbluffend groter dan ze zich ooit kon inbeelden. Uiteindelijk vond  ze in één grote zwarte kledinghoes met haar outfit in een kast op de achterkamer. Meteen probeerde ze het uit, bij wonder paste alles ‘slim fit’.  Ze was klaar om een stapje in de wereld te zetten, alles te laten vieren. In de late namiddag belde ze naar haar echtgenoot. Alle twee maanden gaf ze een telefonisch verslag. Hij verwachte follow-up van haar rekrutering van potentiële kandidaten. Zoals de laatste tijd was het een soort charme offensief waarbij ze de façade hoog moest houden zodat haar schijnvertoon niet zou worden ontmaskerd. Ze moest de indruk wekken dat ze nog steeds aan hem was gebonden en haar toeverlaat was. Tegelijkertijd was het nodig dat ze de indruk gaf dat het overhalen van Mauritz niet over één nacht ijs ging, ook al was ze hem al lange tijd zogenaamd aan het brainwashen. Een aardig stukje toneel spelen was de boodschap. Gelukkig was ze ‘gehide’ om haar man zorgeloos om te tuin te leiden zodat hij geheel geen achterdocht kreeg. Het onderhoud duurde dik twee uur. Nadien was ze weer bevrijd voor de volgende twee maand.   Er was  tijd om zich voor te bereiden, om zich nog eens uit te leven zoals ze van oudsher deed. Haar studentenleven borrelde in haar op. De echte leeuwin in haar kwam terug tot leven, het vuur dat ze nooit helemaal verloor bij Mauritz kwam nu helemaal terug tot zijn recht. Klaar om de nacht in te vliegen, voluit te gaan en haar zorgen aan de kant te schuiven. ‘Here I come, bring it on baby…’ dacht ze in het geniep. In stilte bleef Mauritz in haar gedachten.   +++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++ Uw leeftijd, tussen:(omcirkel)   16 -20       20 – 30     30 – 40     40 – 50    50 – 60   60 – 70    70 – 80     80+ U bent:    man      vrouw         X  U leest:   af en toe     regelmatig     tamelijk veel     heel veel  =>   boeken   - tijdschriften - vakbladen  - kranten - kranten op internet –  andere  ---------------------------------------------------------------------------------------------------  Op welke manier  ervaart u het  lezen deze hoofdstukken ?       Vlot    Ontspannend     Moeizaam      Langdradig      vervelend       zwaar    andere                                                                                                                                                         Is dit stukje verhaal helder ?       JA       NEEN Spreken de personages je reeds aan bij dit stukje verhaal ?     JA    NEE Is de informatie in hoofdstuk 4: goed - langdradig - onnodig - te veel aan info - andere ? Waardoor word je getriggerd ?  Waarom wordt je niet getriggerd ? Word je getriggerd om het  boek later te lezen ?     JA    NEEN   U kan uw antwoorden op de vragen doormailen naar KoPeboeken@gmail.com. Bedankt de vragen te beantwoorden. KoPé

KoPé
31 0