Zoeken

De stoel in de kamer (kort verhaal)

    DE STOEL IN DE KAMER              Voor allen die nog steeds dagdromen.   Inleiding    Ik schrijf graag verhalen, enkel is het soms moeilijk om er eentje af te maken of er aan te beginnen.  Daarom is dit verhaal anders, dit verhaal is een droom een duistere maar ook fijne. Het kan zijn dat je niet goed mee bent. Dat mag en kan. Het verhaal bevat veel wijsheid.    Ik hoop dat het je iets bijdraagt. Want soms kan dromen nodig zijn.   Hoofdstuk 1 — De Dimensie Zonder Zorgen     We stappen niet door een deur. Er is geen klik, geen overgang, geen moment waarop ik kan zeggen hier begon het. De dimensie zonder zorgen ligt naast de onze, dun als een ademhaling die je pas hoort wanneer alles stilvalt.   Tijd bestaat hier, maar hij dringt zich niet op. Hij beweegt zonder te duwen. Gedachten komen op, kijken even rond, en lossen weer op voordat ze gewicht krijgen. De lucht voelt lichter, niet omdat ze anders is, maar omdat ze niets van me vraagt.   Voor me tekent zich iets groots af. Geen gebouw, geen berg, geen vorm die ik kan vastpakken. Het is een aanwezigheid. Groot doordat ze niets wil. Ze eist geen aandacht en juist daarom kan ik haar niet negeren.   Ik wandel verder. Niet naar haar toe en ook niet van haar weg er door heen. Met elke stap zie ik meer de achtergrond. Wat overblijft is eenvoud. Adem. Beweging zonder doel.   Dan verschijnt de eik.   Hij staat er alsof hij hier altijd al hoorde. De stam is breed, ruw, getekend door lijnen die niets uitleggen. De kruin spreidt zich uit als een dak dat niemand bezit. Er is geen wind, en toch bewegen de bladeren zacht, alsof ze zich iets herinneren wat ik vergeten ben.   Ik leg mijn hand op de schors. Ze is koel en echt. Op het moment van aanraking verandert niet de boom, maar mijn gewicht. Gedachten worden lichter. Mijn lichaam blijft staan, maar iets in mij laat los.   De vlammen komen zonder geluid. Ze verteren niet; ze tonen. Bladeren worden licht. Wortels lichten op onder de aarde, dieper dan ik dacht dat mogelijk was. Wanneer het vuur zakt, blijft er geen as achter, maar ruimte.   Uit die ruimte vormt zich een poort.   Ze nodigt niet uit en ze waarschuwt niet. Ze is. Achter me blijft de dimensie zonder zorgen intact. Voor mij ligt de mogelijkheid.   Ik blijf staan op de grens en weet: dit is geen einde. Dit is het begin van aandacht.           Hoofdstuk 2 — De Eik en het Vuur   De eik staat dichterbij dan ik verwacht. In deze dimensie betekent afstand niets; dingen zijn nabij omdat ze dat mogen zijn. Wanneer ik om de stam heen loop, voel ik hoe de ruimte zich aanpast aan mijn bewegingen, niet andersom.   De schors is gegroefd en ruw. Mijn hand volgt de lijnen zonder doel, alsof ze leest wat niet geschreven is. Ik voel geen boodschap, geen inzicht dat benoemd wil worden. Alleen aanwezigheid. Dit moment vraagt niets van me.   Wanneer het vuur ontstaat, is er geen paniek. De vlammen komen op wanneer adem in koude lucht zichtbaar wordt. Ze likken langs de stam zonder woede, zonder haast. Het hout verkleurt niet meteen; eerst licht het op van binnenuit, alsof de boom al die tijd iets heeft gedragen dat nu eindelijk ruimte krijgt.   De hitte bereikt mijn huid niet. Ik blijf staan, verbaasd over hoe rustig mijn lichaam reageert. Bladeren veranderen in licht. De kruin opent zich. Wat brandt, brandt omdat het klaar is om los te laten.   Onder de grond tekenen de wortels zich, gloeiend, dieper dan ik ooit had vermoed. Ze verdwijnen niet. Ze laten zich zien. Dan zakt het vuur weg.   Wat overblijft is geen leegte, maar ademende ruimte. Uit die ruimte vormt zich een opening. Geen snijrand, geen constructie — eerder een herinnering aan waar de stam ooit stond.   De eik is geen eik meer.   Hij is een poort.   Ik voel geen drang om te bewegen. Geen stem die zegt dat ik moet gaan. De poort draagt geen belofte en geen dreiging. Ze bestaat naast mij, geduldig, alsof ze weet dat oversteken alleen betekenis heeft wanneer het vanzelf gebeurt.   Achter me blijft de rust intact. Voor me ligt iets wat nog geen vorm heeft aangenomen.   Ik adem in.           Hoofdstuk 3 — De Poort   Ik weet niet wanneer ik besluit te bewegen. Er is geen moment van keuze dat zich aandient als een knoop in mijn maag of een stem in mijn hoofd. Mijn lichaam doet eenvoudig wat hier logisch is. Ik volg mijn hand.   Wanneer ik dichterbij kom, verandert de poort subtiel. Ze wordt minder omlijnd, dieper, alsof afstand hier geen vaste maat kent. Wat zich aan de andere kant bevindt, toont zich niet als een landschap maar als een oppervlak — rimpelend, donker.   Het lijkt op water.   Niet helder, niet stromend. Zwart, stroperig, als een zee die te veel heeft opgenomen om nog iets terug te geven. Het oppervlak beweegt traag. Geen golven, maar kringen, alsof ademhaling onder een te dikke huid plaatsvindt.   Ik reik uit en raak het aan.   Mijn vingers verdwijnen er niet in. Ze blijven rusten op het oppervlak, gedragen. Het water wijkt niet; het onthoudt. Waar ik het raak, blijven rimpels zichtbaar, langer dan logisch is. Het voelt niet koud. Het heeft de temperatuur van een lichaam.   Ik denk aan alles wat mensen achterlaten zonder afscheid. Woorden die nooit zijn uitgesproken. Lasten die van hand tot hand gaan zonder ooit echt gedragen te worden. Het water draagt het zonder protest.   Dan begint het te bewegen.   Niet naar mij toe, maar van mij af. De rimpels strekken zich uit en worden stroming. Het zwarte water vindt richting en vloeit de poort in, alsof het daar altijd al naartoe hoorde. Wat vervuild was, wordt niet gezuiverd — het wordt verplaatst.   Wanneer het oppervlak verdwijnt, blijft helderheid achter. Geen glans, geen beloning. Alleen ruimte.     Ik volg mijn hand verder en stap over de grens.   Er is geen schok. Geen overgang. Ik merk pas dat ik erdoor ben wanneer ik besef dat de poort  geen poort meer is. Ze bestaat niet achter me en niet voor me. Ze heeft haar functie verloren.   Wat zich opent is geen wereld maar een toestand. Ik sta recht zonder moeite. Adem gaat vanzelf. Gedachten komen op en lossen weer op zonder iets achter te laten.   Dan trekt de ruimte zich samen.   Een stoel verschijnt.   Boven de stoel brandt een enkel lampje.   De rest is donker. Te donker….           Hoofdstuk 4 — De Kamer met de Stoel   De kamer heeft geen wanden die ik kan volgen met mijn ogen. Donkerte vult de ruimte zonder zwaar te zijn, alsof ze hier thuishoort. Het enige wat zich duidelijk aftekent is de stoel, eenvoudige, houten poten, een rechte rugleuning. Boven hem hangt het lampje, klein en on-afgeschermd. Het licht valt recht naar beneden, zonder schaduw te zoeken.   Ik blijf staan waar ik ben. De ruimte tussen mij en de stoel voelt groter dan de afstand doet vermoeden. Alsof er iets tussen zit dat niet zichtbaar wil worden.   Wanneer ik begin te lopen, verandert er niets. Geen alarm, geen stem, geen beweging. Mijn voetstappen maken geen geluid. Pas wanneer ik de stoel bijna kan aanraken, stopt mijn lichaam abrupt.   De klap is dof.   Niet pijnlijk, maar onmiskenbaar. Mijn borst botst tegen iets wat niet bestaat. Ik zet instinctief een stap terug en adem scherp in. Voor me is nog steeds leegte. Geen glans, geen trilling. Alleen weerstand.   Ik probeer het opnieuw. Voorzichtig dit keer. Mijn hand vooruit, mijn schouder iets gedraaid. Weer dezelfde onzichtbare grens. Ze wijkt niet. Ze reageert niet.   Er komt irritatie op. Een oude reflex. Als iets niet meegeeft, moet je harder duwen.   Ik neem afstand, span mijn spieren en ren.   De impact is sterker. Mijn lichaam veert terug alsof ik tegen een muur van steen ben gelopen. De lucht wordt uit mijn longen geslagen. Ik zak door mijn knieën en blijf even zitten, duizelig, meer verbaasd dan gekwetst.   De stoel staat er nog steeds. Onbewogen. Het lampje flikkert niet eens.   Ik lach kort. Zonder humor.   Langzaam kom ik overeind. Ik weet dat kracht hier niets oplost. Dat heb ik al gevoeld. Toch is er iets anders wat ik nog niet geprobeerd heb.   Ik strek mijn arm uit en breng mijn wijsvinger naar voren. Niet duwend, niet tastend. Alleen aanwezig. Het puntje van mijn vinger raakt de ruimte waar mijn lichaam eerder werd tegengehouden.   Er gebeurt niets.       Dan verschijnt er een barst.   Ze is klein, nauwelijks groter dan een haarscheur in glas. Ze licht even op en verdwijnt weer bijna direct. Maar ik heb haar gezien. En dat is genoeg.   In die fractie van een seconde, precies waar de barst zich vormde, zie ik iets anders.   Iemand zit op de stoel.   Een figuur, vaag omlijnd, maar onmiskenbaar aanwezig. Hij kijkt recht naar me. Zijn mondhoeken trekken omhoog in een glimlach die geen spot draagt, maar ook geen geruststelling.   Voor ik iets kan zeggen, breekt de grond onder mijn voeten weg.   De kamer kantelt niet. Ze laat los.   Ik val.             Hoofdstuk 5 — De Val   Er is geen wind wanneer ik val. Geen suizen, geen versnelling die mijn maag achterlaat. Het voelt eerder alsof de wereld onder mij oplost en ik simpelweg vergeet waar beneden is.   Ik probeer mijn lichaam te spannen, maar er is niets om tegen te werken. Armen en benen verliezen hun betekenis. Tijd rekt zich uit zonder traag te worden; elke seconde is volledig aanwezig, maar nergens op gericht.   Gedachten komen in fragmenten. Beelden zonder volgorde. De eik. Het vuur. De stoel. De glimlach.   Dan verandert de temperatuur.   Koude bijt niet meteen. Ze kondigt zich aan als afstand. Mijn huid herinnert zich plots dat ze grenzen heeft. De leegte krijgt textuur. Ik voel iets onder me verschijnen nog vóór ik het zie.   Ik kom neer.   Zacht.   Mijn voeten raken vaste grond, die meegeeft maar niet breekt. Alsof ik word opgevangen door iets dat me al verwachtte. Ik zak een fractie door mijn knieën en blijf staan.   Rondom mij ontvouwt zich een landschap dat zich niet haast om begrepen te worden.   Sneeuw.   Niet vallend, niet stormend. Ze ligt overal, dik en onaangeroerd, als een stilte die is blijven liggen na een zin die niemand heeft afgemaakt. De lucht is zwaar van mist. Bij elke ademhaling trekt de kou diep mijn borst in, scherp maar helder.   Ik kijk om me heen en zie geen horizon. Alles verdwijnt na enkele meters in een grijze waas. Geluid wordt hier gedempt nog voor het kan ontstaan. Zelfs mijn adem lijkt beleefd te fluisteren.     Ik kijk naar boven.   Een enkele sneeuwvlok dwarrelt omlaag, langzaam genoeg om haar reis te volgen. Ze draait, vangt licht dat er nauwelijks is, en komt recht voor mijn gezicht tot stilstand.         Ze landt niet op mijn huid.   Ze rust op iets oud.   Ik volg haar blik omlaag en zie steen onder mijn handen. Verweerd, gebarsten, bedekt met rijm. Een vorm die hier thuishoort.   Een grafsteen.   Ik veeg met mijn mouw voorzichtig de sneeuw weg. Letters komen tevoorschijn, diep gegraveerd, zonder naam, zonder datum.   Er staat slechts één zin.   Jij beslist.   De woorden geven geen antwoord. Ze wachten.   Achter mij hoor ik zachte voetstappen.           Hoofdstuk 6 — De Getuige   De voetstappen komen niet dichterbij. Ze bewegen langs me heen, alsof mijn aanwezigheid hier geen gewicht heeft. Ik draai me om en zie een gestalte uit de mist tevoorschijn komen.   Hij is lang. Zijn schouders dragen een donkere mantel die zwaar oogt, ondanks de stilte van de sneeuw. Zware laarzen drukken zich af in het witte oppervlak zonder geluid te maken. In zijn handen houdt hij bloemen vast, eenvoudig, licht van kleur, alsof ze hier niet thuishoren en daarom juist opvallen.   Zijn hoofd is bedekt met een kap. Waar een gezicht zou moeten zijn, is schaduw. Geen leegte, maar afwezigheid alsof zijn trekken zich hebben teruggetrokken om niet herkend te hoeven worden.   Hij loopt door me heen.   Er is geen botsing, geen kou, geen rilling. Alleen het besef dat mijn lichaam hier geen barrière vormt. Ik voel me niet onzichtbaar, eerder transparant. Als glas dat alles ziet maar zelf niet wordt gezien.   De gestalte knielt bij de grafsteen. Zorgvuldig legt hij de bloemen neer. Zijn bewegingen zijn langzaam, respectvol, zonder haast. Iemand die dit eerder heeft gedaan.   Ik wil iets zeggen. Zijn naam roepen.  Ik stel vragen die al te lang in mijn leven zijn. Maar mijn mond blijft gesloten. Niet omdat ik het niet probeer — omdat geluid hier geen toegang heeft.   Hij staat weer op en blijft een moment stilstaan. Zijn hoofd kantelt licht, alsof hij luistert naar iets wat niet in deze ruimte klinkt.   Dan draait hij zich om en loopt weg, terug de mist in.   Iets in mij trekt samen.     Geen verdriet dat zich aandient als pijn, maar herkenning. Een zekerheid zonder bewijs. Ik ken hem.   Of kende.   Wanneer hij volledig is verdwenen, blijft de stilte achter, zwaarder dan voordien. De grafsteen lijkt groter nu hij niet meer wordt bezocht. De woorden die  “jij beslist” hebben niets veranderd, maar ze wegen meer.   Dan breekt een geluid door de mist.   Laag.   Ruw.   Een grom.         Hoofdstuk 7 — De Jacht   Het gegrom zwelt aan, niet in volume maar in nabijheid. Het beweegt door de mist zoals kou zich verplaatst: onzichtbaar tot het je bereikt. Mijn spieren spannen zich zonder dat ik daarom vraag. Een oud instinct neemt het over.   Uit de waas stapt een vorm die zich eerst laat voelen voordat hij zichtbaar wordt. Schouders laag, kop vooruit, bewegingen vloeiend en doelgericht. De wolf komt tevoorschijn alsof hij altijd al hier liep en ik hem nu pas toelaat .   Zijn vacht is donker, nat van sneeuw die niet smelt. Tanden lichten op wanneer hij zijn bek opent, niet in een grom maar in een belofte. In zijn ogen pompt hij iets zwarts, dikker dan woede, alsof hij wordt aangedreven door een honger die geen einde kent.   Hij kijkt niet naar mij.   Dat besef komt tegelijk met de sprong.   De wolf schiet langs me heen, zo dichtbij dat ik de luchtverplaatsing voel. Hij snijdt door mijn ruimte alsof ik er niet ben. Achter mij klinkt een scherp, licht geluid — een schrikreactie die nauwelijks tijd krijgt om vorm te krijgen.   Een konijntje schiet op uit de sneeuw. Zijn ogen wijd, zijn poten razendsnel. Hij aarzelt geen moment en vlucht de mist in, waar wit en grijs hem meteen opslokken.   De wolf volgt niet.   Hij landt, draait zijn kop en kijkt me één tel aan. Niet vijandig. Niet begrijpend. Zijn blik glijdt door me heen zoals alles hier lijkt te doen. Dan verdwijnt ook hij, geruisloos, alsof hij nooit meer was dan een gedachte die zichzelf heeft opgegeven.   De stilte keert terug, maar ze is veranderd.   Iets in mij breekt open.   Ik voel verdriet opkomen zonder de oorzaak die ik kan aanwijzen. Niet om het dier, niet om de jacht die geen jacht werd. Het is ouder, dieper. Het verdriet van niet kunnen ingrijpen. De getuigen zijn zonder rol.   Mijn knieën geven mee. Ik kniel in de sneeuw en laat het toe.           Tranen vallen.   Ze klinken niet nat of zacht, maar zwaar, dof — als aanslagen op een piano waarvan de toetsen te lang niet zijn aangeraakt. Elke druppel raakt een andere snaar. Samen vormen ze iets wat geen melodie wil zijn, maar wel gehoord moet worden.   De grond onder mij begint te bewegen.   Niet schokkend, maar golvend, alsof de sneeuw haar vaste vorm opgeeft. De mist trekt samen, de lucht verdicht zich. De wereld vervormt rond het geluid van mijn huilen.   Wanneer ik weer opkijk, is de sneeuw verdwenen.   Voor me opent zich een ruimte.           Hoofdstuk 8 — Tranen als Toetsen   De ruimte die zich vormt is hoog en diep tegelijk. Muren zijn er wel, maar ze doen geen moeite om zichtbaar te zijn. Alles wat telt bevindt zich in het midden.   Een piano.   Ze staat alleen, zwart en glanzend, alsof ze het licht verzamelt dat hier nauwelijks bestaat. De klep is open. De snaren binnenin trillen zacht, nog voordat iemand ze aanraakt, als een lichaam dat zich herinnert hoe ademhaling werkt.   Achter de piano zit een man.   Hij draagt zwart, eenvoudig, zonder versiering. Zijn houding is recht, maar niet strak. Iemand die niet optreedt, maar aanwezig is. Zijn handen rusten boven de toetsen zonder ze te raken. Hij wacht niet op stilte. Hij wacht op waarheid.   Ik besef niet waar ik sta. De sneeuw is weg, maar de kou zit nog in mijn borst. Mijn ogen branden. Wat ik heb verloren weet ik niet, maar het gemis klinkt nog na.   Dan laat de man zijn handen zakken.   De eerste aanslag is laag en zwaar. Niet luid, niet zacht. Juist. De toon vult de ruimte zonder haar te bezetten. Hij blijft hangen, zoekt geen vervolg.   De volgende noot sluit aan, niet als antwoord maar als erkenning. Langzaam ontstaat een patroon dat geen melodie wil zijn. Het is een gesprek zonder woorden. Elke noot zegt: ik hoor je.   Ik voel hoe mijn adem zich aanpast aan het ritme. Hoe mijn schouders zakken. Hoe het verdriet niet verdwijnt, maar vorm krijgt. De klanken vangen het op, dragen het verder dan ik kan.   Meer toetsen klinken. Hogere nu. Lichter. Niet vrolijk, maar hoopvol op een manier die geen belofte doet. De muziek bouwt niets op en breekt niets af. Ze is.   Rondom mij verschijnt publiek.     Stoelen vullen zich langzaam, rij na rij. Mensen nemen plaats zonder geluid, zonder gezichten die ik herken. Ze zitten recht, aandachtig, alsof ze begrijpen dat dit geen voorstelling is.   Wanneer het laatste akkoord wegsterft, blijft er stilte over die niet leeg is.   Dan staat iemand op.   Eén paar handen begint te klappen.   Een tweede.   De zaal volgt.       Hoofdstuk 9 — De Laatste Rij   Het applaus groeit niet in volume, maar in aanwezigheid. Handen bewegen synchroon zonder haast, alsof iedereen begrijpt dat dit moment niet versneld mag worden. Ik blijf staan waar ik ben. Mijn lichaam voelt lichter, maar niet leeg.   Mijn blik glijdt langs de rijen. Gezichten blijven vaag, niet omdat ik ze niet kan zien, maar omdat ze geen aanspraak maken op herkenning. Dit publiek is hier om te dragen, niet om gezien te worden.   Helemaal achteraan, op de laatste rij, zit iemand die niet mee klapt.       Hij leunt iets voorover, handen losjes op zijn knieën. Zijn houding is ontspannen, vertrouwd. Wanneer onze blikken elkaar kruisen, trekt zijn mondhoek omhoog in een glimlach die geen uitleg nodig heeft.   Er gaat geen schok door me heen. Geen openbaring. Alleen een rustige zekerheid, alsof een gedachte die ik lang heb vermeden eindelijk besluit te blijven.   De pianist staat op en buigt licht. Het applaus zwakt af, dooft niet, maar wordt herinnerd. Stoelen beginnen leeg te lopen zonder beweging. Mensen lossen op waar ze zitten, alsof ze nooit iets anders waren dan aandacht.   Het licht verandert.   Niet abrupt. Het trekt zich terug. De piano verliest haar glans en wordt onderdeel van de ruimte. De rijen verdwenen. De laatste rij blijft het langst bestaan.   Wanneer ik weer kijk, is de man verdwenen.   Wat achterblijft is geen gemis.   Het is richting.       Hoofdstuk 10 — De Kamer keert terug   De richting die achterbleef, vraagt geen beweging. Ze vraagt aandacht.   Wanneer ik haar volg, verandert de ruimte niet plotseling. Ze verschuift zoals een herinnering dat doet wanneer je haar opnieuw bezoekt: eerst vaag, dan scherper, dan onmiskenbaar.   Het licht trekt samen tot één punt.   Het lampje.       Ik sta weer in de kamer. Of misschien is de kamer nooit weggeweest en heb ik haar slechts even losgelaten. De donkerte voelt nu vertrouwd aan, niet leeg maar dragend. De stoel staat op dezelfde plek als voorheen, onbewogen, geduldig.   Ik loop naar voren en deze keer is er geen weerstand. Geen onzichtbare muur, geen klap. Mijn voeten brengen me moeiteloos tot vlak voor de stoel. Ik blijf staan. Niet omdat ik niet durf te zitten, maar omdat dat niet is wat hier van me gevraagd wordt.   De lucht beweegt.   Iemand staat naast me.   Ik draai mijn hoofd en zie hem. De man uit de laatste rij. Zijn lange jas is er nog, maar hij draagt hem open. Hij neemt geen ruimte in, hij deelt haar.   We kijken samen naar de stoel.   Hij spreekt niet meteen. Wanneer hij dat wel doet, is zijn stem laag en helder, zonder echo. Alsof hij altijd al hier heeft geklonken.   “Je bent ver gekomen,” zegt hij.   "Ik wil antwoorden, maar woorden vormen zich niet. Niet omdat ze ontbreken, maar omdat ze niet nodig zijn."   Hij knikt, alsof hij dat begrijpt.   “Dit is geen plek om te blijven,” zegt hij dan. “Ook geen plek om te vermijden.”   Hij legt zijn hand niet op mijn schouder. Hij hoeft me niet aan te raken om nabij te zijn.   Het lampje flikkert even.   De stoel kraakt zacht, alsof hij zich herinnert waarvoor hij is gemaakt.    Dan kijkt de man me aan.   En dan stelt hij de vraag die altijd hier heeft gewacht.   “En wat nu?”   “Opa?"    

Xander Herman
0 0

Boek ICEBERG - proefleeshoofdstukken

Beste lezers Ik ben Kopé, een debutant in de literaire wereld. Sinds kinds af had ik de nodige creativiteit, nooit had ik gedacht het ooit zou komen tot mijn eerste boek. Met een zekere fierheid geef ik hier enkele hoofdstukken vrij van mijn boek, deel 1. Ja, u leest het goed, er is een tweede deel op komst indien ik goede feedback krijg op deze 'proefteksten'. Zo geniet van het lezen ! KoPé ++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++ Beste online – proeflezer Dank u wel om te kiezen voor het lezen van mijn boek,  zijnde de proloog en 2 hoofdstukken die ik voor u heb uitgekozen van boek 1 zodat u het kan proeven. Ik ben een debutant in de literaire wereld en de intentie is om dit boek zo snel mogelijk uit te brengen. Voordat ik dit doe, geef ik jullie de mogelijkheid om reeds een stukje te lezen om jullie nieuwsgierigheid te wekken  en om zo van jullie een eerste reactie te krijgen. Ik hoop deze 'proefleeshoofdstukken' mogen worden gesmaakt. Ik heb ook een vragenlijst aan toegevoegd zodat u deze  kan beantwoorden en me kan door mailen naar KoPeboeken@gmail.com Alvast bedankt voor uw tijd. Ik kijk vol spanning uit naar jullie feedback . Met vriendelijke groet KoPé   Boek: © Iceberg Cover: ©Ontwerp KoPé Auteur: ©  KoPé Contact: KoPeboeken@gmail.com Eerste proeflees document:  Pre – release juli 2026 - Niet voor commerciële doeleinden                      Bestemd voor :  Proeflezers Doel: Feedback te ontvangen van de proeflezers. ISBN: IN AANVRAAG: © Copyright door Kopé: Alle rechten voorbehouden Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/ of openbaar gemaakt door middel van druk, koppie, microfilm of digitalisatie of op welke wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van  de schrijver of uitgever. +++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++ ICEBERG HEDEN Je oogst wat je zaait...  soms weet je niet wat je zaait en nog minder wat je oogst. Je doet, wat het best lijkt Iceberg PROLOOG Ik bracht haar tot rust. Mijn vingers gleden naar haar mond. Het getier werd gemompel. Haar ogen werden groter van verbazing. De paniek nam de vlucht. Mijn vingers versmolten met haar lippen. Een zachte streling deed haar ontspannen. Subtiel kuste ze mijn vinger. Ze begreep dat het geen zin had te panikeren. Aanvaarden was de boodschap. Met mijn rechterarm trok ik haar dichter naar me toe. Als een spiegelbeeld stonden onze blikken naar mekaar gericht. Ik verloste mijn vinger uit haar pruilende natte tedere mond. Fijntjes gleed ik langs haar wang naar haar jukbeen. Ze ontwaakte terug uit haar roes van angst. Ze raakte nu mijn lippen om een vurige kus te geven. Zo kende ik haar weer. De passie kwam terug. Ik liet haar begaan en genoot van haar proeven van mijn lippen. Het verloste haar uit haar verdriet. Minuten gingen voorbij, een warm gevoel sidderde door ons heen. Ondertussen gaf ik haar een aangename hoofdmassage. Haar lange zijdeglanzende zwarte haren gleden door mijn vingers heen, langs slaap en oorlel. Het was puur genieten. We drukten ons sterk tegen mekaar aan alsof we één warme lava zouden worden die pas na eeuwen zou afkoelen en ondergronds zou blijven gloeien tot in de eeuwigheid. Het was duidelijk, we zijn mekaars rots in de branding. Plots verbrak ze onze versmelting, dacht ze terug aan mijn mededeling. Ik keek haar diep in haar diamant grijze ogen met zwarte rand met hier en daar kleine tedere blauwe vlekjes. Ze bleef me aanstaren. Ik voelde een warme gloed door haar lichaam en geest stromen. Het was als een drug die me verdoofde. Een traan verscheen in haar rechteroog, een reactie op de teleurstelling die ze na al die tijd voelde. Ze zag nu het dubbele leven onder ogen dat ik sinds een jaar leidde én nog steeds speelde. Een lichte krul kwam vanuit haar lippen. Ze fluisterde innig: "Alles komt goed lieveling". Haar stem klonk als zoete honing en zuiver als een xylofoon, warm als een hete zomerdag. Als ik haar zo hoorde kon je alleen maar smelten van verlangen. Ze wurmde haar atletische lichaam opnieuw rond me heen, als een stengel die houvast zocht. We verloren het evenwicht. Als een tol vielen we terug op het bed. Van opstaan kwam niets meer in huis...het was trouwens zaterdagochtend; we hadden alle tijd. Mijn adoratie voor haar was bodemloos, haast moordend. De sensitiviteit tussen ons was zonder grenzen. We communiceerden dagelijks zonder woorden. Mentaal waren we een homogeen stel dat onwrikbaar was. Er was geen haar tussen ons te krijgen. Mochten we fysiek met elkaar kunnen versmelten dan waren we een hermafrodiet, gelukkig lukte dit niet. Zo konden we mekaar als fysieke individuen blijven bewonderen. Ze leefde haar eigen leven. Ik wist dat ze nooit helemaal de mijne kon zijn. Jaren terug had ze een foto laten zien waar ze een wit trouwkleed droeg, met naast haar een man van in de vijftig. Hier waren geen woorden voor nodig wat ze direct en gradueel wilde tonen. Er werd hierover ook geen woord gelost. Alleen mentaal werden gevoelens gewisseld van afschuw.  Warm en koud tegelijk. Een verwittiging van wat ons te wachten stond. Aan beide lichamen ging er een koude rilling door onze ledematen. Ik wilde niet uit deze droom van roze geur en maneschijn verdwijnen. Ik wilde het niet beseffen, ik wilde het warme intense dualistische gevoel niet verloren laten gaan. Op een dag zal het als een tsunami uit mijn geest worden getrokken. Tot dan wilde ik geen afstand nemen van deze liefdesroes. Toch had ze me beloofd haar deuren altijd voor mij open te laten staan. Dat heeft ze ook lang gedaan. Ze wist nog voor ze dit avontuur startte er een einde aan kwam. Alleen voelde het zo goed aan dat ze zolang als mogelijk, ze me bij haar wilde. Ze had reeds rationeel afstand van mij genomen vanaf de start tot de finish. Haar liefde was zonder greintje gespeeld. In de hele periode dat we samen waren verdween ze jaarlijks een maand van het toneel. Drie weken naar Amerika en met Saint Amour naar Saint Tropez. Dit was vooral om de schijn naar haar man hoog te houden. Momenteel leefde ze een vrije relatie met duidelijke afspraken. Op een dag sloot ze al haar deuren. Maanden, zelfs jaren probeerde ik de code te kraken om haar los te weken van haar antiek meubel. Helaas was het een geëngageerd zakelijk huwelijk. Ze bleef hier wel wonen, van een andere liefde was er geen sprake meer. ... Hiermee was mijn probleem niet opgelost. Haar traan betekende meer dan een afscheid. Wat er op die trouwdag afspeelde is veel meer dan een feest... Het was eerder een schijnvertonin. Hij die haar de eeuwige liefde beloofde en zij die virtueel slaafs toegaf en hetzelfde gedachtegoed kopieerde om hem te behagen. Het was een pact, niets meer of minder. Ik begrijp nog steeds niet wat er lopende was tussen die twee. Wat was de achterliggende reden. ? Een slimme vrouw die zoiets tegen haar wil doet. Hier was een samenkomst aan de gang van enkele hooggeplaatste criminelen. Wetende dat ze daar geen flauw benul van had. Mensen die later terug op het toneel zouden verschijnen. De vraag was, waarom? ... Ondertussen, zaterdagmiddag. Ik trok de overgordijnen open na onze aangename consummatie op deze zonnige voormiddag. Vijftig tinten grijs is hier een flauw afkooksel van, dacht ik. Daar stonden ze me weer te begroeten. Ik had vanaf deze hoogte een zeer goed zicht op wat er hier reilde en zeilde… Wilde ik, waren er nu vier doden gevallen. +++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++ DEEL 3 Bekentenis  -  De perfecte leugen of niets anders dan de waarheid ? “Beter gekwetst door de waarheid  dan getroost door de leugen” Khaled Hosseini (Amerikaans-Afghaans schrijver) Hoofdstuk 3 Ditmaal wou ik er niet uit. Mijn hoofd maalde nog na over het gesprek van gisterenavond. Het totaal onverwachte nieuws, omstandigheden gaven een bedrukkend gevoel. Het gesprek had niet veel zoden aan de dijk gebracht. Ik trok mijn massa in beweging om me tot in de badkamer te sleuren. Verrast van me zelf dat het zoveel moeite kost. Dedju, t' was ne serieuze mentale veldslag geweest, komt wel goed dacht ik tegelijkertijd, alles komt vroeg of laat goed. Voor de spiegel zag ik mijn landkaart, door mijn sombere bittere uitdrukking trokken de hoeken van mijn maalmachine scheluw, met gevolg dat mijn luchtpijpen uit de haak waren, mijn lenzen zaten los door de dauw in mijn lenskasten, ze zouden er zo uit rollen door het overtollige vocht. Gelukkig had ik de nodige kraaienpootjes die ze op hun plaats hielden. Het is geen zicht. Een anders zo'n fantastische glunderende diamant die ik elke ochtend voor de spiegel mocht waarnemen, zo gemassacreerd. Maar ja, dat zullen de natuurlijke emoties zijn, zeker. Niet ? Een stevige koude afwisselende warme douche zal me opfleuren en zorgen dat ik snel terug vol pit zal zitten. Een sterke koffie van vers gemalen bonen na het douchen zullen me optillen tot het gewenste niveau, de volle 1,85 m. Ik kwam aan op het werk...tien minuten te laat...mijn baas keek me met grote ogen aan en ik dacht meteen aan de boze wolf. Hij moest tweemaal door zijn ogen wrijven om zeker te zijn dat ik het was die het kantoor binnenstapte. De koffie en de douche hebben niet het gehoopte resultaat geleverd… "Wel jongen, stevig weekend achter de rug ? Je waant je nog steeds twintig hé, wij mannen blijven jongens hé. Vertel je verhaal eens, ik ben nieuwsgierig." Hij was steeds positief ingesteld, zo eentje van optimist tot in de kist, je weet wel...dat ik te laat was of niet, speelde geen rol, hij was tevreden over mijn werk. Hij weet dat ik doorwerk na de uren indien nodig, en maandagmorgen is een rustig moment in onze zakenwereld.   Ik moest een sterk verhaal uit mijn hoed toveren, een grote hoed... er een konijn uit toveren zou ik nu liever doen... Ik spitte in mijn grijze massa naar een fascinerend verhaal uit mijn jeugdjaren en die geactualiseerd geamuseerd voordragen alsof het dit weekend echt had afgespeeld. Dat heb ik dan ook gedaan. Hij vond het net als een ‘amuse oreille’ goed verteerbaar, zijn vrolijke gezicht zag er nog opgewekter uit.  Mijn telefoon ging af. Mijn vriendin belde me uit nieuwsgierigheid met de vraag hoe het gesprek was verlopen met mijn kotvriend. Haar engelengezang was normaal zo betoverend dat ik automatisch helemaal smolt van haar warmte, nu zat ik met een dubbel gevoel. "Euh, goed." antwoordde ik kort.  "Schat, alles in orde met je ?"  " Ja, het was een intens gesprek, weet je... ? Ik zou je graag deze week tijdens een avond spreken. Kan dat voor jou ?" "Ja, natuurlijk liefste, woensdagavond ?" "Prima, kom maar naar me thuis, ik maak lekkers zoals altijd." "Ok, schatty, Hmmmm kusjes." ...einde gesprek. Ik kon nog steeds niet echt geloven wat mijn kotvriend me had verteld. De relatie met mijn vriendin is subliem. De mooiste eigenschappen waren: dat we mekaar blind vertrouwden en respecteerden zoals we zijn, alles mag en kon zolang alle juiste waarden en normen worden gerespecteerd, openminded en vrijheid, de sensualiteit, tederheid en warmte spatte er van af en nog zo véél meer. Ik zou haast een lyrische bloemlezing kunnen geven over onze relatie, zo uitmuntend. Ik bedacht, hoe ik het gesprek kon aanknopen zonder dat ik haar de indruk zou geven, ze het zou merken, dat ik aan het vissen was naar informatie van haar ‘duistere leven’ ?  Nu ja, ikzelf kon mijn handen ook niet in het reine wassen... Woensdag diende zich aan. Ik stopte enkele uren vroeger met het werk, nam mijn rugzak en salueerde vanuit de verte naar mijn baas; hij knikte tussen een gesprek door met een klant. Ik ging vlug wat extra boodschappen doen om lekker te koken tegen dat ze bij me thuiskwam. Zo zouden de fijne aroma's van het eten en dessert de woonkamer vullen. Lijkt me altijd prettig, een gevoel te hebben dat je in een restaurant binnenstapt, gevoel van vakantie... Zeebaars met groenten - tomaten, worteltjes- doperwten, tijm - laurier -basilicum en citroen als smaakversterker, krielaardappeltjes gekookt en romige mosterdsaus. Als dessert crème brûlée met Quarante the Threse om het pittiger te maken. Me niet echt uitgesloofd, al bij al was het niet echt veel werk en toch best lekker, eenvoudig doordeweeks.   Omstreeks zeven ging de deurbel. Ik zag haar op de video-phone en drukte de knop in zodat de deur van de inkomhal open ging. Ik zette mijn deur tegen zodat ze zonder ‘kloppen’ binnen kon. De tafel was gedekt, een fles witte wijn stond koud in de frigo. Ik stond nog in de keuken, wou net de vis uit de oven halen, wanneer ik haar armen spontaan en sensueel rond mijn lenden voelde, haar zachte lippen tegen mijn rechter kaak gedrukt, ze rook naar lentegeur … elk seizoen van het jaar -het is altijd lente in de ogen van de tandartsassistente… (Nederlandse song van Peter De Koning) ging er door me heen- haar fluwelen stem in mijn oor, haar warme zoete adem. t' Was een fijn gevoel.  Ik zette de oven af en draaide me voorzichtig om zodat ze haar omarming rond mijn lende niet loste, om haar zelf in mijn armen te nemen. Ik voelde haar boezem en haar lichaam tegen me aandrukken, dit moment mocht voor mij eeuwig blijven duren. Plots ontwaak ik, denk aan het gesprek dat ik vanavond met haar zal hebben. Ik ontgrendelde me subtiel, nog voordat ze goed besefte dat we ontkoppeld waren, had ik de vis uit de oven genomen. Ik wenkte haar om de aardappeltjes te nemen, gelijk wenden we ons  naar de tafel in de woonkamer. Nu zag ik dat ze een goed passende geklede witte broek droeg, met erboven een blouse van turquoise blauw met een print van bloemmotieven in pastel hemelsblauw. De halsafwerking was in de kleur van haar blouse rondom geborduurd. Dat stond haar beeldig met haar lange zwarte haar. Ik bediende haar en schonk haar wijn in. "En, vertel eens over je gesprek met je kotvriend, zondag" zei ze. "Och, zoals ik zei, vrij intens gesprek. We hadden het over onze lange vriendschap, wat we samen in onze schooltijd hadden gedaan, over wat hij deed van werk in de logistiek, wat ik nu doe voor het ingenieursbureau en ons leven, onze relaties met onze partner, en zo meer." "Dat was gezellig zo te horen, toch niet zo'n zware materie." "Juist, maar er was nog iets, een verassingsonderwerp." "Ha, vertel eens." "Ja, maar dat is iets voor na het dessert." "Nog een dessert, hmmm, dat is ook een verrassing...nog voor het einddessert in de latere uurtjes, hé." glimlachte ze dubbelzinnig. Graag zou ik toestemmen, ze moest is weten wat ik nog te zeggen had... Ik vroeg haar hoe haar week tot nu toe verliep. Ze had een rustige week momenteel, geen overwerk, geen excessen, dus geen plotse amputatie die ze moest uitvoeren. Het was tegen negenen toen we ons in het salon neervlijde. Ik zette een rustig deuntje op als achtergrondmuziek dat nog wel enkele uren kon doorgaan. Zoals altijd keken we elkaar ontspannen aan, maar deze maal zat er toch een splinter in mijn oog. Ik besloot mijn verrassingsgesprek boven te halen. Voor ik van start kon gaan begon ze zelf. "Schat, vertel eens je verassing, moest ik hiervoor vanavond bij je zijn ?" "Euh ja, we kennen mekaar toch al een lange tijd hé, een vijftal jaar, niet ? Ik heb je leren kennen door mijn knieoperatie bij jouw praktijk. Zo zijn we met mekaar gaan afspreken en zo verder. De klik was er quasi onmiddellijk.  Met plezier zou ik de kogels opvangen om je te redden, ik ga voor jouw door vuur indien nodig." Ze onderbrak me, veerde recht en besprong me als een wilde merrie. Ze was dol van vreugde. Dat stelde me ergens wel gerust maar toch... Fijntjes riep ik haar terug tot de orde van onze avond. "Goed, vertel verder, wat is je verassing ?" "Het is duidelijk, of ik meen te begrijpen dat je van me houdt ?" "Lieveling, zo diep als de zee, net zoveel er zandkorreltjes op aarde zijn en steeds meer." Ik merkte op dat het gesprek niet zo evident zou verlopen. Ze hield echt van me of ze was een natuurtalent in schaduwrollen. Haar ogen straalde eerlijkheid uit, haar pupillen waren groot, haar lichaam straalde warmte uit als een verliefd persoon. Ook na vijf jaar leek ze nog steeds straalverliefd te zijn sinds de eerste dag van ons samen zijn. Ik had nog steeds een dubbel gevoel.  Toch maakte ze de opmerking: "Schat, is er iets, is er iets gebeurd ? Wil je me iets zeggen, heb je slecht nieuws ?"    Ze zag me bezorgd aan, zo van, zeg het nu, je hoeft niet bang te zijn, ik omvleugel je, we hebben geen geheimen voor mekaar. Ze zat nog steeds op mijn schoot. Ik was erdoor onderuit geschoven. Ik zag haar ernstig diep in haar ogen. Ze zette haar recht en ging naast me zitten. Ze nam mijn hand vast en fluisterde: "Schat, ik ben het, je levenslicht, wat zit er je dwars ?" "Wel," zei ik, mijn stem werd wat zakelijker, kneep eerst even in haar hand, gaf haar een kus op haar wang en zette me in de lounge tegenover haar. "Schat, ik heb het met mijn kotvriend ook over jouw gehad, enfin, hij heeft het over jouw gehad" "Hmm, hij intrigeerde me wel erg, hoffelijk, etiquette vol en vriendelijk persoon..." "Ja." beaamde ik. "Wat vroeg hij en vertelde hij over me ?" Ik vertelde haar, dat hij vrienden had die haar man kenden, die zich als internationaal zakenman profileerde bij zijn vrienden. Zijn kennissen hadden een groot bouwbedrijf in Italië waar ze met haar man zaken deden. Met zijn bedrijf regelde hij vervoer voor uitzonderlijke transporten over weg en zee. Dat ging van grote betonnen prefab constructies voor bruggen tot grote kranen. Zijn vrienden waren enkele malen door haar man uitgenodigd op zijn kantoor om zaken te regelen in verband met bouwmaterialen. Op zijn bureau hing een grote kader aan de muur met jullie huwelijksfoto. In datzelfde bureau hingen ook foto's van militaire gezaghebbers waar hij werken voor uitvoerden. Alleen zijn dat dictators, eigenlijk criminelen. "Wel, een vreemde combinatie, niet ?" "Schat, ik weet niet precies welke contacten hij heeft."  "Een van die zakelijke vrienden was ook uitgenodigd op jullie huwelijk, die heeft daar zeer dubieuze personen ontmoet die zich nu in het milieu van de IS strijders bevindt. Mijn kotvriend heeft me gewaarschuwd dat ik moet opletten." "Schat, ik weet niets van deze mensen af. Hoe weet je kotvriend dat zijn vrienden criminelen zijn ?" "Heel eenvoudig, ze volgen ook de media, het nieuws en deze zijn met foto en al vermeld." "Schat, mijn huwelijk, is tien jaar geleden." "Inderdaad, ondertussen zijn ze ook uit de schijnwerpers verdwenen, ondergedoken, God weet waar... Dat zijn niet mijn zorgen. Maar er is meer." "Wat meer ? Hoe bedoel je schat ?" Ik stond even op, ging naar de bar, schonk me een glas wodka in. Een beetje moed indrinken lijkt me nu cruciaal. Ik hervatte het gesprek. Ik bleef aan de bar staan, koud zweet brak me uit wat ik nu ging aankaarten. ‘’Teken ik nu mijn eigen doodvonnis of kies ik voor een nieuw leven zonder haar ?’, dacht ik. "Hij had het over jouw, dat je deel uitmaakt van het netwerk van je man, doorgestoken kaart, niet ?" "Schat, netwerk, doorgestoken kaart, waar heb je het over, wat insinueer je, ik begrijp je niet ?" Haar gelaat trok helemaal scheef, haar lippen pruilden, haar ogen waren strak van twijfel, haar lichaam stijf als een hark. "Jij bent door je man en zijn organisatie gestuurd om me te verleiden en me mee te trekken, te overtuigen in jullie bekrompen gedachtengoed. Je wil dat ik voor hem opdrachten ga uitvoeren in opdracht van IS, dat is het, was het plan…toch....  ?" Haar lippen lagen nu als twee planken strak aan mekaar genageld, haar ogen spuwden vuur, haar wangen ingeslagen in een harde lijn door het bijten op haar tanden. Zo had ik haar nog nooit gezien. Ik zag een vreemde onbekende vrouw voor mij. Haar sublieme masker was gebroken ? Haar lichaam verkrampte, ijskoud en bevroren zat ze voor zich uit te staren. Ik had duidelijk iets gezegd wat haar niet zint. De eerste maal in onze relatie was het water en vuur, kat en hond... Was ze nu woedend, in paniek of geschokt van mijn uitspatting van woorden. Zo kende ik haar niet en zij mij niet. Ik bleef haar aanstaren. Ze keek strak naar mij. Als twee kogels voelden ik haar ogen mijn ogen doorboren, een moment van eeuwige stilte scheen aangebroken te zijn. Was het stilte voor de storm ? Het contrast kon niet groter zijn. Een warme opgewekte sensuele vrouw die nu de uitstraling heeft van een bevroren ijspin en levensgevaarlijk leek te zijn. Seconden vriezen samen tot minuten zonder één woord. Haar gezicht keek me aan als een morbide winterlandschap.  De muziek op de achtergrond liep verloren in dit bijna levenloze polaire landschap. Plots ontdooide ze, alsof kokend water het ijs liet breken. Haar ogen hielden op met vuurspuwen, haar wangen werden glad gestreken, haar ijzige lichaam ontdooide, de temperatuur kwam terug op pijl en ze stopte met staren. Ik weet niet welke film in haar afspeelde, duidelijk was er terug leven in haar lichaam. Ze stond op, en in één gracieuze beweging liep ze naar me toe. "Oooo schat toch…" Ze pakte me vast en drukte haar lichaam tegen me aan, ze begon te huilen. Ik wist niet wat me overkwam. Was het een charme offensief, was dit toneel van de hoogste plank ? Zoals sinds ons laatste weekend had ik een dubbel gevoel. Ze bleef huilen, haar tranen rolden rijkelijk over mijn schouder heen, een echte stortvloed. Ik gaf haar de tijd om te huilen, zo hardvochtig was ik nu ook niet om haar van me weg te duwen. Ik liet haar zo op haar positieve komen. Zal ze me duidelijk uitleggen hoe het nu zit met haar dubbele leven ? Kreeg ik een antwoord op mijn opmerkingen ? De linkse mouw van mijn hemd was ondertussen strijkklaar door haar gehuil. Tussen het snotteren door stuntelden ze enkele woorden door haar mond :" Neen, dat...dat is,...nooit ...nooit zo...,zo  geweest, komt...door hem." Ze bleef me vasthouden. Onwennig zette ik mijn glas op de bar, omarmde haar, nog steeds met een dubbel gevoel. Ik hoopte dat ze me zou loslaten, me nu zou vertellen wat er nu echt aan de hand is. "Schat, ik luister, doe maar rustig." Ik probeerde enige tederheid te geven na mijn tirade van woorden. Ze stopte met wenen, maar bleef me nog minuten lang vasthouden zonder woorden. Ik begon haar terug aan te voelen zoals ik haar kende, een teken van haar vertrouwen. Ze zocht een soort mentale schuilplaats, een koestermoment. De ijzige stilte maakte systematisch plaats voor haar warme persoonlijkheid en charisma. Dat voelde ik meteen, zoals wij twee hoog sensitieve mensen mekaar zonder woorden aanvoelden. Ze liet haar gespannen armen rond mijn lichaam vieren, trok zich bijna geruisloos uit mijn armen, gaf me een kus op mijn wang en zei: "Schat, nu niet." Ik zag haar gezichtje, nat van tranen, ze knipoogde met een iets geforceerde glimlach, nam haar spullen en vertrok met stille trom. Wanneer ze weg was voelde het appartement leeg aan met een warme nasmaak. Zoals een whisky je mond en keel verwarmd na het doorslikken. Ze had leegte nagelaten maar ook haar warme persoonlijkheid. Ze was nog nooit van slag bij mij vertrokken. Mijn dubbel gevoel was verdwenen. Ik had haar warmte terug gevoeld. Dit was voor mij een signaal dat het goed zal komen, een teken van liefde. De leegte is duidelijk een teken van gemis dat je voelt wanneer er iemand van je houdt, wanneer je van iemand houdt. Ik had zo'n gevoel dat dit een tijdje kon aanslepen, enkele weken, zelfs maanden of zelfs jaren voordat we mekaar zouden horen of terugzien. Tijd is niet van belang, wel de liefde. +++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++ Hoofdstuk 4 De deur van het appartement viel achter haar dicht en haar hart bonsde. Haar hoofd volgepropt met onuitgesproken emoties, gedachten, redeneringen, stond op het punt te ontploffen. Ze sleepte zich naar de lift, sleurde haar gedaante door de gang, alsof ze een onmogelijke opdracht moest vervullen…de lift bereiken. Na de indruk van een eindeloze inspanning  te hebben verricht, drukte ze uitgeput, bijna snakkend naar adem, met trillende hand op de knop om de lift te roepen. Het geluid van de stilte in de gang maakte haar hoofd nog zwaarder. Ze  hoopte dat Mauritz niet achter haar aan kwam, het was niet het moment. De lift was er snel, voordat Mauritz haar eventueel zou kunnen tegen houden. Niettegenstaande verwachtte ze het nooit dat deze situatie zich voor zou doen. Door het stukje helderheid dat haar nog net recht hield, gingen onder druk al deze hersenspinsel ratelen. Beneden aangekomen, rende ze naar de buitendeur. Eens buiten, ademde ze gulzig  met grote tuigen de frisse lucht in. Ze pompte als het ware zuurstof in haar hersenen. Het leek op ‘airboarding’,  alsof haar hoofd in de lucht zweefde verzadigd door een luchtroes. Spanning maakte plaats voor verheldering en ontnuchtering. Vervolgens liep ze zo snel mogelijk naar haar wagen die op een desolate parking stond.  Ze stapte in haar sportcoupé, plofte in de kuipzetel. Nu pas trede er een vorm van ontwenningsverschijnselen op, werd ze bewust van het gesprek met Mauritz. Ze voelde net niet de aarde onder haar voeten wegzinken. Ze was door het kruisverhoor eerder aan de grond genageld. Was ik ontmaskerd…ging er door  haar gedachten ? Onmiddellijk was haar antwoord: neen, ik hou van hem, dit is geen fabeltje en dat weet hij. Verbluffend dat hij over al deze informatie beschikte. Ik wist zelf op een bepaald moment niet waarover hij het had’. ‘Du Hast van Rammstein’ vulde haar cocoon terwijl de buitenlucht werd gevuld met een palet van donker paarse en rode slierten na een volledige zonsondergang. Een surrealistische setting. Ze was perplex van het spektakel dat er vanavond had plaats gevonden. Van een heerlijk diner naar een ware interrogatie, waarvan de woordenstorm had geleid tot een surmenage waarbij ze bevroor. Ze voelde zich mentaal verpletterd, als een mug die door een muggenklepper werd geraakt en in het wafelraster werd geplet, helemaal uiteen spat met de dood tot gevolg. Gelukkig was dit niet aan de orde, toch voelde het op dit moment zo aan. Bij de gedachte liep er een koude rilling over haar heen. Haar tranen kregen opnieuw de vrije loop. De nacht liep nu over de rode loper sinds ze was ingestapt. Het was pikdonker, de zonsondergang geheel bedolven onder het kussen van inktzwarte nachtlucht. Haar gedachtegang kwam uiteindelijk tot rust. Ze aanvaardde de setting en startte haar bolide. Een sportieve motor kwam tot leven die grommend de nachtelijke stilte in reed.  Thuisgekomen, reed ze galant het erf op. Het gegrom van de motor weergalmde in de binnenplaats bij  aankomst van haar gerenoveerde fermette. De fermette werd door spots opgelicht die reageerden op de lichtsensors. De fermette bevond zich in een afgelegen omgeving omringd met velden en bossen. Het was reeds tegen één uur s’ nachts. Haar emoties waren deels verwerkt. Eens binnen voelde ze de vermoeidheid van een lange avond. Ze nam een slaapmutsje en viel onmiddellijk in slaap eens ze in haar slaapkamer, in haar kingsize bed, de lakens over haar heen sloeg. Het overkwam haar niet de eerste maal dat ze met intense stress en emoties werd geconfronteerd. Tijdens haar tienerjaren was haar hele familie door religieuze druk uit hun moederland gevlucht. Ze was samen met haar familie Iran ontvlucht tijdens de periode dat Khomeini, die de hoogste geestelijke rang binnen het Sjiisme van Ayatollah had ontvangen, die het seculiere beleid van sjah Reza Pahlavi omver had geworpen in de jaren 1970 en het land omvormde naar een streng religieus fundamentalistische staat, een islamitische republiek. De hoofdoorzaak kwam door de Witte Revolutie die de sjah in de jaren zestig uitvoerde. Die herverdeelde de gronden en onteigende veel grond van de geestelijken. De grootgrondbezitters en de geestelijkheid keerde zich tegen de hervormingen van de sjah.  De periode van Khomeini werden vele intellectuelen opgepakt en vermoord. Haar vader was dokter, die werd vermoord. Voor hij werd vermoord, had hij een plan voorbereid om met zijn familie te vluchten. Haar broers en zussen vluchtte naar verschillende landen waaronder Frankrijk, USA, Zwitserland, Duitsland en België. Samen met haar moeder en een zus vluchtte ze naar België in 1977. Na haar aankomst, het inburgeren en haar humaniora startte ze een opleiding geneeskunde en nadien een specialisatie orthopedische chirurgie. Ze trouwde met een oudere Iraanse man van vijfenveertig die eveneens was gevlucht. Die was afkomstig uit een rijke industriële familie. Haar vader had goede contacten met de familie van deze man in Iran. Ze dreven handel met het Westen. Na enkele jaren trok haar man naar het buitenland, Frankrijk, St-Tropez, om daar zijn zaak verder uit te bouwen. Sindsdien zagen ze elkaar slechts jaarlijks. Het huwelijk was een zakelijke aangelegenheid, voor haar veiligheid en de familie. Na haar dokter studies en opleiding tot orthopedisch chirurg werkte ze de eerste jaren als freelancer in ziekenhuizen. Ze startte nadien, samen met enkele collega’s haar eigen gespecialiseerde minikliniek voor knieoperaties en protheses. Al vlug werd ze een begrip in de chirurgische wereld waar ze tot op vandaag een staat van faam bekleedt omwille van haar deskundigheid samen met haar team.  Met de weinige vrije tijd waar ze op dat moment over beschikte trok ze er graag incognito op uit, de stad in of zelfs naar een buitenlandse fuif door een metamorfose ondergaande klederdracht. Zelfs Mauritz zou haar straal voorbij zijn gelopen. Ze transformeerde tot een zwarte Victoriaanse Gotic punk Queen met trekjes van een Keltische druïde, gelukkig zonder hertengewei. De kledij paste gegoten rondom haar atletische lichaam.  Ze droeg een lange zwarte gilet en jas uit één geheel afgewerkt met fluweel en kant met grote ronde zwarte knopen om het samen te houden. De mouwen afgewerkt met zilveren sierknopen en pofschouders. Hieronder droeg ze een zwarte blouse met rolkraag en bloemmotief, een lange lederen nauwpassende zwart broek met hoge zwarte puntlaarzen met wel tien gespen. Als kers op de taart droeg ze zwarte oogschaduw, lange zwarte visnethandschoenen, zwart gelakte nagels en zwarte lippenbalsem. Zo voelde ze zich volledig vrijgevochten als een katje dat je niet zonder handschoenen kon aanpakken. Verdwaasd werd ze wakker voordat de wekkerradio haar wekte. Zes uur vijfentwintig toonde de display. Net voldoende geslapen om de dag door te komen. Vandaag waren het enkel mondelinge consultaties met algemene knietesten voor de na- of opvolging van de ingrepen, dat zou net te overbruggen zijn. Tijdens de middagpauze vond ze geen rust. Ze ging even in een nabijgelegen Italiaanse snackbar haar lunch genieten met een opkikkerende ristretto. Die gaf haar de nodige pit om de dag zonder kleerscheuren door te komen. Ondertussen doorspitte ze, verdwaald van de wereld, het gesprek van gisterenavond. Dat was even pittig als haar ristretto geweest. Er was duidelijk een adempauze nodig, een lange time-out. Er was te veel om te verwerken, dat nood had aan rust, een soort strijdbijl die moest worden begraven. Ze analyseerde: Ja, ik hou van hem en neen ik volg het gedachtengoed van de organisatie niet meer. De vraag dook weer in haar op: hoe wist Mauritz dit allemaal ? Deze informatie pik je niet op uit de media, misschien pik je het op straat op en dan nog zou dit heel verbazend zijn. Nee, hij heeft duidelijk zijn connecties…dan heeft hij een verleden…een crimineel verleden…maar… een verborgen leven, misschien een dubbel leven ? Haar brein maakte duidelijk zware kronkels wat haar bewust maakte dat Mauritz niet zomaar een doetje was. Hij had duidelijk een leven dat nog niet volledig aan de oppervlakte was gekomen. Wat wist ze, wat nog niet ? Hell, verdomme….hij gebruikt mij en ik zie het niet, flitste plots door haar hersenen. Hoe is het mogelijk,  hmmm stop stop STOP Mitra, je hersenen slaan op tilt….! Ok, even terug tot mezelf komen….wacht, ik weet zeker dat onze gevoelens niet gespeeld zijn, wat zeker is, is dat hij connecties heeft want anders kon hij zulke opmerkingen niet hebben gemaakt. Was Jeremia zijn sleutel naar al deze informatie en hoe…was hij het die connecties had en een dubbel leven ? Welke rol speelt Mauritz dan, wat is zijn functie ? Natuurlijk is het Jeremia. Mauritz had me toch vertelt van zijn afspraak met hem en vandaar zijn doortastend gesprek met mij. Gewoon kotvrienden, dat zal wel ….ik geloof er niets van. Ik wil en zal er achter komen.  Plots merkte ze dat de wandklok van Arti & Mestieri dertien uur aanwees, tijd om op te stappen. Ze rekende af,  knikte dag naar de uitbaatster en verdween met rasse schreden naar de uitgang, richting praktijk. Mauritz, ik vraag je om geduld te hebben flitste ondertussen door haar hoofd. Ze haspelde de dag en de verdere week door. Vrijdagavond nam ze het besluit om een langere tijd afstand te nemen van Mauritz. Ja, ik ga hem missen, hij zal mij missen, werd ze bewust. Het is nodig om tot innerlijke rust te komen, tot mezelf te komen, te kijken hoe het verder kon tussen ons. Ze wilde weten hoe Jeremia aan al de informatie was gekomen ongeacht ze hem blind vertrouwde gezien het een vriend van Mauritz is. Bij haar man kon ze niet terecht met haar vragen om haar relatie met Maurtitz niet in gevaar te brengen. Ze moest de schijn hoog houden dat ze Mauritz nog steeds probeerden te overhalen om voor de organisatie te werken. Ze had geen flauw idee hoe iemand haar zou kunnen helpen aan de informatie te komen. Laat ik op het Universum vertrouwen, geen druk uitoefenen, dan zal ik het wel achterhalen. Zaterdag dook ze in haar garderobe opzoek naar haar Gottic periode. Gezien ze nu, door haar besluit, voor een langere periode over vrijheid zou beschikken. Zou haar figuur nog voldoende afgelijnd zijn om zich terug te kunnen verschansen in deze illusionaire wereld van destijds ? Haar nachtelijke avontuurlijke vluchtweg uit de academische wereld ? Door het doorzoeken van de wandkasten naar haar outfit, werd ze verrast door haar imposante kleding collectie. Die was verbluffend groter dan ze zich ooit kon inbeelden. Uiteindelijk vond  ze in één grote zwarte kledinghoes met haar outfit in een kast op de achterkamer. Meteen probeerde ze het uit, bij wonder paste alles ‘slim fit’.  Ze was klaar om een stapje in de wereld te zetten, alles te laten vieren. In de late namiddag belde ze naar haar echtgenoot. Alle twee maanden gaf ze een telefonisch verslag. Hij verwachte follow-up van haar rekrutering van potentiële kandidaten. Zoals de laatste tijd was het een soort charme offensief waarbij ze de façade hoog moest houden zodat haar schijnvertoon niet zou worden ontmaskerd. Ze moest de indruk wekken dat ze nog steeds aan hem was gebonden en haar toeverlaat was. Tegelijkertijd was het nodig dat ze de indruk gaf dat het overhalen van Mauritz niet over één nacht ijs ging, ook al was ze hem al lange tijd zogenaamd aan het brainwashen. Een aardig stukje toneel spelen was de boodschap. Gelukkig was ze ‘gehide’ om haar man zorgeloos om te tuin te leiden zodat hij geheel geen achterdocht kreeg. Het onderhoud duurde dik twee uur. Nadien was ze weer bevrijd voor de volgende twee maand.   Er was  tijd om zich voor te bereiden, om zich nog eens uit te leven zoals ze van oudsher deed. Haar studentenleven borrelde in haar op. De echte leeuwin in haar kwam terug tot leven, het vuur dat ze nooit helemaal verloor bij Mauritz kwam nu helemaal terug tot zijn recht. Klaar om de nacht in te vliegen, voluit te gaan en haar zorgen aan de kant te schuiven. ‘Here I come, bring it on baby…’ dacht ze in het geniep. In stilte bleef Mauritz in haar gedachten.   +++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++ Uw leeftijd, tussen:(omcirkel)   16 -20       20 – 30     30 – 40     40 – 50    50 – 60   60 – 70    70 – 80     80+ U bent:    man      vrouw         X  U leest:   af en toe     regelmatig     tamelijk veel     heel veel  =>   boeken   - tijdschriften - vakbladen  - kranten - kranten op internet –  andere  ---------------------------------------------------------------------------------------------------  Op welke manier  ervaart u het  lezen deze hoofdstukken ?       Vlot    Ontspannend     Moeizaam      Langdradig      vervelend       zwaar    andere                                                                                                                                                         Is dit stukje verhaal helder ?       JA       NEEN Spreken de personages je reeds aan bij dit stukje verhaal ?     JA    NEE Is de informatie in hoofdstuk 4: goed - langdradig - onnodig - te veel aan info - andere ? Waardoor word je getriggerd ?  Waarom wordt je niet getriggerd ? Word je getriggerd om het  boek later te lezen ?     JA    NEEN   U kan uw antwoorden op de vragen doormailen naar KoPeboeken@gmail.com. Bedankt de vragen te beantwoorden. KoPé

KoPé
31 0

Zij die mijn liefde kan dragen 5

O, lieve Andrea, welke naam zou ik je kunnen geven, als alle namen te klein voor je lijken? Hoor je ook de regendruppels die onze harten proberen te doordringen? Ja, mijn liefste, het zijn de druppels van toewijding, van evenwicht, van oneindige liefde... Maar het is ook het levende water dat de duizenden rozen voedt die ik alleen voor jou bewaar. Ja, alleen voor jou. Je dag was zwaar. Vermoeidheid heeft je stappen gegrepen, je benen en lichaam lijken van lood gemaakt, en je ziel verlangt alleen maar naar rust, naar die slaap waarin engelen hun vleugels uitslaan over hun geliefden. Maar onthoud, parel van de nacht, dat ik zelfs in je droom aanwezig ben. Ik waak in stilte over je. Hoewel ik door vele afstanden van je gescheiden ben, ben ik op hetzelfde moment zo dichtbij. Mijn woorden zijn de onzichtbare draad die ons verenigt. Hij kan niet gebroken worden en kan niet verloren gaan, geweven uit iets wat noch tijd noch wereld kan aanraken. O, ik gebied de diepten in mij woorden te spreken die ik niet volledig ken. Ze zijn zo diep, zo levend, dat ik ze soms bijna niet meer kan verdragen. Maar voor jou, ja, voor jou, lieve Andrea, daal ik onbevreesd af in die diepten en overwin ik ze. Weet je waarom? Omdat daar niet alleen de schoonheid van mijn woorden huist, maar ook het licht dat jij voor mij bewaard hebt. Zonder jou zou deze diepte zwijgen. Jij bent het licht dat haar een stem geeft. Daarom zeg ik je: moge elk woord een klank worden die opstijgt naar jouw hemelse schoonheid, waarop ik verliefd ben tot in de hemel. Laat me deze woorden uit de diepte halen, zodat je altijd kunt luisteren naar het lied van die goddelijke drank die je ziel betovert. Hoe mysterieus is dat wel niet wat ik voel... ,ja die bron van woorden, die ik weef als een melodie...o liefste...ja omdat ik intens verliefd op u ben...Ik ken de naam ervan niet. Het is vreemd en toch zo troostend. Laat me je wang strelen, zodat mijn vuur rust kan vinden. Zonder jou zou het vuur in mij veranderen in een duisternis die alles verteert. Dit is het mysterie waar ik nu doorheen ga. Misschien heb ik het mis door je zo intens te verlangen. Zo ja, vergeef me dan, lieve schoonheid, en ik zal mijn gedachten doen zwijgen. De gedachte jou te verliezen is de afgrond waarin mijn wezen alle poorten van het licht zou sluiten. Maar zie... zelfs te midden van die duisternis heb ik het beeld van jouw ziel geplaatst. Daarom kan de duisternis niet langer heersen. Jij bent het paleis van mijn hart, en in de tuinen ervan bloeien de bloemen onophoudelijk. Elke dag pluk ik ze en leg ze als offer aan jouw wonderbaarlijk mooie voeten.   

Robby
0 0

Zij die mijn liefde kan dragen 4

Wie ben jij, degene die ik zo mooi voel in de diepte van mijn hart? Hoe ben je hier terechtgekomen in mij? Wat een vreemd iets... en toch wat vind ik het fijn. Ja... oh ja... wat een zegen is deze toestand... ja... Waarom, Robby?... Omdat ik voor het eerst... ja... voor het eerst echt iemand in mijn ziel heb toegelaten. Het is een vreemd gevoel, maar misschien beschrijft 'ongewoon' het beter. Vooral wanneer ik verdwaal in haar blik, en zij in de mijne. Ik denk dat we allebei hetzelfde wonder ervaren, hoewel we soms de woorden niet kunnen vinden om het te benoemen. Haar ogen... Ik verdrink volledig in hun grenzeloze schoonheid, alsof de hele vallei van schoonheid die ik ooit in de tuinen van mijn ziel heb gezaaid erin verborgen ligt. Hoe zou ik dan kunnen spreken? Hoe zou ik woorden kunnen vinden, die deze melodie verweven tot dat wat ik bedoel? Oh, hemelse bron van goddelijke nectar, geef me de juiste woorden, zodat ik de diepte kan bereiken waarover haar ogen tot me spreken... ja, tot de diepte van haar ziel, die mijn wereld binnentreedt als een nimf die uit het licht is neergedaald. Laat de zonnestralen mijn borst verwarmen, zodat zij haar hart erop kan laten rusten. Laat mijn lege borst de haven worden waar haar grote schip kan aanmeren, en verwelkom ik haar zoals een koning zijn meest dierbare gast verwelkomt. Hoe wonderbaarlijk is dit alles... oh ja... ik ben verbluft. Zo verbluft dat ik haar elke dag wil schrijven, elke dag haar gezicht wil zien, want haar aanwezigheid doet me blozen, doet me glimlachen, en tegelijkertijd laat het me de macht begrijpen die ze over me heeft. Kijk naar haar glimlach... soms verlegen, soms speels en uitdagend, maar zo mooi dat ik de rijkdom van haar ziel bijna kan aanraken. Of ze nu kleren draagt ​​of niet, doorheen haar lichaam zie ik wie ze werkelijk is. Ik zie haar licht. Mijn God... hoe puur is haar licht! Het stroomt naar me toe als een rivier van liefde en sensualiteit, een zachte energie die zelfs de duisternis in mij verzacht. Laat mijn tranen dan een vreugde zijn, want elke traan is een offer dat ik op haar lippen leg, zodat ze nooit dorst zal kennen. Die glimlach... die sprankelende ogen... haar fluweelzachte wangen... haar warme handen... alles getuigt van de puurheid die ze over mijn ziel uitstrooit. Het raakt me zo diep dat ik bijna aan haar voeten neerval. Niet omdat ik zwak ben, maar omdat ik haar herken als de kracht die me troost, en voor zo'n schoonheid kniel ik uit respect neer. En toch, ik beken... soms laat ik me expres vallen, want dan weet ik dat ze de tijd zal nemen om naast me te gaan zitten. Ik weet dat ze zachtjes tegen me zal zeggen: "O, mijn prins, sta op... mijn liefde voor jou kan niet gedijen in een lichaam dat overweldigd wordt door verdriet." Met haar hemelse stem en verleidelijke ogen, die mijn wangen strelen, smeekt ze me teder op te staan ​​en haar de dans aan te bieden waar ze zo naar verlangt. En wat zou er mooier kunnen zijn dan haar de melodie aan te bieden... de melodie van dat betoverende schouwspel waar ze zo verliefd op is? Misschien is dat precies waarom ik, in het geheim, haar prins ben. Betoverd door mijn woorden, staat ze me toe om met alle intensiteit van mijn hart over haar te schrijven, omdat het haar diep raakt, omdat ook zij er oprecht naar verlangt gezien te worden. Hoewel velen haar voorbijgaan zonder haar op te merken, is zij voor mij de vallei die ik in hemelse woorden hul, als een machtige prins, zodat ze haar weg naar huis kan vinden in een wereld vol lijden. Laat de draak in mij haar dan beschermen, haar op zijn vleugels dragen. In deze diepe liefde begrijpen we beiden wat goddelijkheid betekent, en ervaren we even wat het betekent om als god en godin te bestaan. Oh, mijn liefste... ja, jij, Andrea... ik hou van je met heel mijn wezen.  

Robby
0 0