Zoeken

Wat echt is en wat niet

Wat echt is en wat niet; het is een onderscheid dat gemaakt kan worden in deze wereld. En aangezien alles hier ondersteboven staat, is het onechte dat wat zich als ‘echt’ profileert. En het echte wordt als onecht weggelachen. Wat echt is dringt zich niet op. Het echte is quasi onzichtbaar. Deze ochtend zag ik iets bewegen in mijn living. Het leek op witte rook, maar dat was het niet. Het was een lang lusvormig ‘iets’, het deed me denken aan het oog van een naald. Het was er maar voor een fractie van een seconde, ik zag het voordat mijn brein het wou be-grijpen. Toen ik ernaar reikte en voelde op de plaats waar het was geweest, viel mij plots een besef binnen. Ik besefte dat alles op hetzelfde moment bestaat, op dezelfde plek. Ik kan wel voelen en focussen op een detail, maar al het andere bevindt zich daar ook. Werkelijk Al dat is. Bij deze aanzet voel ik meteen hoe mijn woorden nog niet half het inzicht dat mij toen helder werd kunnen uitdrukken. Toch zijn het inzichten van die aard die zinnen in mij wakker maken en zal ik hier trachten het ‘weten’ dat ik voelde, toen ik naar dat lusje reikte, vorm te geven. Leven in deze fysieke wereld betekent dat je een minuscuul klein fragmentje ervaart van alles dat zich afspeelt. Ik wist dat ik in het Alles reikte en dat ik een ontiegelijk klein fragment van het totale bewustzijn wou voelen, en daarbij Al de rest negeerde. Ik zocht naar dat fragmentje, dat lusje, dat zich schijnbaar op een andere frequentie afspeelde omdat het niet zichtbaar was met fysieke ogen, tenzij de mind uitstaat. De mind is de filter die ervoor zorgt dat we het merendeel niet waarnemen, maar enkel een klein driedimensionaal veld. We zien slechts een flinterdun laagje van het oneindig grote geheel. Dat flinterdunne laagje ervaar ik nu in de vorm van een mensenleven met een indruk van tijd en ruimte. Het is een ervaring die het bron-bewustzijn schept, maar eigenlijk is er geen tijd noch ruimte. Er is alleen de ervaring daarvan. Net zoals de plaatsen die we in onze dromen bezoeken ook geen fysieke ruimte innemen. Elke omgeving is een ervaring die nu plaatsvindt.  Alle persoonlijke materiële vormen waaraan ik mij hecht, zoals mijn woning, mijn lichaam, het lichaam van mijn partner, zijn niet ‘echt’, ze zijn deel van een tijdelijke ervaring. De ervaring verandert continu en is relatief. Elke ervaring is immaterieel, maar doet zich als materieel voor. Elke ervaring is een illusie, doch het woord illusie heeft een negatieve bijklank en misschien kan ik beter ‘creatieve voorstelling’ als term gebruiken. Elke ervaring is een voorstelling die gecreëerd wordt door creatief bewustzijn. Het vergeten dat de ervaring in essentie niet van materiële aard is, zorgt voor een immersieve ervaring. De overtuigingskracht van de ervaring wordt rechtgehouden door het vergeten. Zonder het vergeten konden we Niets ervaren. En datzelfde Niets is juist de krachtbron achter het hele spektakel van de levenservaring. Al die ogenschijnlijke materie die het decor vormt van deze ervaring vraagt om onderhoud of om een vorm van manipulatie. Van het doen van de afwas tot het onderhouden van mijn lichaam. Zelfs al hecht ik mij zo min mogelijk aan materie, dan nog kan ik de manipulatie en interactie met de illusoire materie niet ontwijken. Om te ervaren dien ik een droom vorm te geven. Ik moet kneden en sculpteren in de klei van onechtheid. Fantaseren of dromen is in feite doelloos creëren. Je kan je hele leven wijden aan een meesterwerk, maar dan word je plots wakker en besef je dat er niets materieel tastbaar is als resultaat. Alles wat je hebt opgebouwd blijkt niet te bestaan en nooit bestaan te hebben. Het enige dat rest is de ervaring. Mocht je komen te beseffen dat dit met alles zo is, dat er in wezen niets tastbaar bestaat of zal bestaan, zou je dan stoppen met creëren? Geeft de ervaring louter op zichzelf voldoende motivatie om iets te scheppen? Of is de illusie van een tastbare wereld vereist om het gevoel te hebben dat er wel degelijk gewicht in de schaal ligt? In de ‘onechte’ wereld draait alles om resultaat en het najagen van illusies. Het echte raakt door materiële verlangens en tastbare ‘zekerheden’ ondergesneeuwd. Er heerst een soort van vrijwillige slavernij waarbij vrijheid wordt ingeruild voor materieel bezit. Ook is er de energie van het collectief, een co-creatie waar je als individu niet omheen kan. Maar wat als je nergens rekening mee hoefde te houden en je niets kon scheppen dat blijft bestaan, zinvol of functioneel is? Is het voor te stellen wat je dan zou doen? Het diepe besef van hoe het is om doelloos en onthecht in een immer vergankelijke en zinloze wereld te leven is moeilijk voor te stellen. Want we zijn geprogrammeerd om het onechte heel serieus te nemen. Zo serieus dat we er onze ware verlangens door vergeten. Maar stel dat het je lukt om je zo’n wereld voor te stellen. En je daarbij de vrijheid kan voelen van immer openliggende mogelijkheden, zonder dat er ooit iets ‘moet’. Zonder dat er iets mee te winnen of bereiken valt, omdat alles enkel draait om de ervaring. Wat zou je dan doen? Met welke acties zou je de illusie van tijd en ruimte vullen? En wijken die acties dan erg af van wat je vandaag in je leven doet? Als de illusie jou goed in haar greep heeft, dan zou dat inderdaad zo moeten zijn. Als de vergetelheid het fundament is waarop de perceptie van jouw bestaan steunt, dan is deze tekst cryptisch en kan je er weinig bij voorstellen.  Ten dienste staan van de materie, de materie voeden, ze onderhouden en haar vrezen te verliezen: daar kunnen ettelijke mensenlevens aan gewijd worden. Meerdere incarnaties. En dan na al die ervaring komt op een gegeven moment weer de herinnering: ‘hey, er is helemaal geen materie!’ Betekent dit dat ik mijn praktische taken zoals de afwas doen, mezelf wassen en spullen opruimen laat vallen? Nee, het besef verandert weinig en veel tegelijk. Op materieel vlak is er zichtbaar geen verschil, de verandering zit in het bewustzijn. Alles wat echt is blijft onzichtbaar voor het onechte. Maar het echte ziet wel wat onecht is.  Het besef dat er niets bestaat buiten de ervaring brengt geen plotse verlichting waarmee je oplost in het Niets. Ik heb dat besef en ik ben ‘hier’ nog, vrezend en mij hechtend, doch wetend dat dit leven zoals een droom is en dat alle fysieke labeur en pijn tevergeefs is. Ik zei het al eerder: iets weten is geen garantie om het consequent als een levenshouding te belichamen. Het is slechts het begin van het proces dat je ontwaken zou kunnen noemen. En iets zegt mij ook dat een volledig ontwaakt bewustzijn in het Niets ‘vervalt’ en dan weer, puur voor de ervaring, over ‘iets’, zal beginnen dromen. Zelfs het ontwaken is eigenlijk een doelloos gegeven. Er is geen eindpunt, enkel een oneindige rijkdom aan belevenissen.  Ervaring vraagt om dualiteit. Want ervaring - bestaan op zichzelf - is wat mij betreft altijd duaal. Het Niets dat zich voorstelt ‘iets’ te zijn, kan dat enkel in relatie tot iets anders. Vanuit dit standpunt lijkt er enkel de binaire keuze te zijn tussen iets en niets. Tussen bestaan of niet bestaan. Als ik denk dat ik de keuze heb, dan kies ik voor bestaan. Maar dan wel onder voorwaarden. Zo zou ik voor plezierige ervaringen kiezen natuurlijk. En dat kan! Maar voor hoelang? Hoeveel levens en vormen wil ik ervaren terwijl ik voornamelijk voor slechts één helft van de duale totaliteit kies? Hoeveel mooie dromen wil ik beleven alvorens het verlangen ontstaat naar een uitdaging die als moeilijk of pijnlijk kan beschreven worden? Lijkt het geen natuurlijke beweging om zowel het gevoel van scherpe stenen als van zacht gras te willen voelen? Hoe kan ik gras trouwens zacht noemen voordat ik de hardheid van steen ken?  Ik weet dat de keuze tussen bestaan en niet bestaan, tussen duaal en non-duaal, geen keuze is, maar een evenwichtige onverwoordbare toestand. Ik ben zowel Niets als iets tegelijkertijd. Er is niets te kiezen, want alles is er altijd op hetzelfde moment. Het bron-bewustzijn, de schepper van dualiteit, kiest niet. Het omvat werkelijk alles en sluit niets uit. Het is absolute onvoorwaardelijke liefde die de mogelijkheid schept om voorwaarden te bedenken. Om alles te bedenken wat het maar belieft en niet belieft. Zonder reden, zonder doel, noch heeft het enig nut. Ook wij mensen, met onze hersenen, hebben de natuurlijke neiging om vanuit niets iets te scheppen. Ontneem de zintuigen hun prikkels en er zullen op den duur vanzelf prikkels ‘bedacht’ worden. Het lijkt eigen aan bewustzijn om te gaan boetseren met de klei van het Niets. Het onderscheid tussen hallucinatie en echt staat eveneens op zijn kop in de praktisch denkende wereld. Zoals je wel merkt, hou ik ervan om die grenzen te onderzoeken. Om wat gewichtig lijkt als een illusie te zien. En wat licht, efemeer en subtiel is serieus te nemen. Zoals het witte lusje dat even in mijn living verscheen.   www.karoliendeman.comFoto door www.talesofaperture.com, maar dan geïnverteerd

KarolienDeman
0 0

WhatsAppBitches

Bzzt. Bzztbzzt. 47 nieuwe berichten. Kent ge dat? Een ontplofte gsm... En elke keer denk ik: Er is iemand gestorven. Een kind kwijt. Een affaire ontdekt. Een staatsgreep in Haaltert. Maar nee. Het is gewoon Silke die een foto gepost heeft van haar nieuwe puppy. En dan begint het. ❤️❤️❤️ “Oooohhhhhhh!” “SMELT 😍” “Die pootjes!” “Welkom liefjeeee 🐶” Sticker van een hond die “hiiiiiiiii” zwaait. Nancy stuurt: “Dat snoetje 🥹” Binnen de vier minuten zitten we aan 83 berichten en is die puppy emotioneel belangrijker geworden dan de NAVO. Op mijn gsm staan WhatsAppgroepen zoals bij mijn moeder vroeger plastic potjes in de keukenkast stonden: ge houdt ze allemaal bij omdat ge denkt dat ze ooit nog van pas gaan komen, ook al ontbreekt al jaren het juiste deksel en weet niemand nog wat erin zit. “Topteam 🔥” — collega’s die elkaar in het echt amper goeiedag zeggen aan het koffieapparaat maar online veranderen in motivational speakers met emoji-verslavingen. “Ladies only ❤️” — vrouwen die zogezegd eerlijk alles tegen elkaar zeggen maar eerst nog apart naar Cindy sturen: “Zeg gij… vond gij dat van An ook een beetje raar?” “Enfin de vrouwen alleen” — ontstaan na een etentje waarop de mannen zogezegd “toch alleen maar over koers bezig waren”. “Zonder Magda want die is eruit gestapt” — een groepsnaam die tegelijkertijd informatief, dramatisch en licht bedreigend is. “1977 — meisjes van de lagere school ❤️” — een digitale reünie waar trauma’s van de turnles en gestolen fluostiften nog verrassend vers blijken. “BBQ Kim & Stef” — een groep die eigenlijk al drie jaar dood is maar waar niemand durft uit te stappen uit schrik dat Kim dat persoonlijk neemt. WhatsAppgroepen zijn een wonderlijk vrouwelijk ecosysteem. Een digitale zusterkring waar emoties worden uitgewisseld via gifjes van puppy’s in dekentjes en vrouwen elkaar moed inspreken alsof iedereen permanent op weg is naar een halve marathon of een burn-out. Maggy stuurt: “Ik moet zaterdag werken.” En dan begint het. 💪❤️✨ “Gogogo meid!” “Sterkte topper!” “Queen!” Sandra stuurt haar vaste sticker van een vrouw met een glas cava en een bontjas. Nancy kiest voor een babyotter die applaudisseert. Els gooit er standaard drie rode hartjes tegen alsof Maggy zonet een nier aan haar buurvrouw heeft afgestaan in plaats van rekken te vullen in den Aveve. Of in “Weekend Ardennen.” Dat moest gewoon dienen om af te spreken wie kaas meebrengt. Drie dagen later: 642 berichten. Een discussie over quinoa. Karine die vraagt of “matching pyjama’s mss grappig zouden zijn 😂” Iemand die een Pinterestbord deelt genaamd: “Forest girl autumn vibes 🍂” En ergens tussen al die berichten één compleet verloren man: “Moet ik nog hout meenemen?” Niemand antwoordt hem ooit. En toch verwijderen we die groepen niet. Omdat ergens tussen de cava-gifjes, de spierarmen, de slechte memes en de passief-agressieve duimpjes soms iets oprechts zit. Een klein digitaal kampvuur. Iemand die om 22u43 schrijft: “Pff. Lastige dag.” En vijf vrouwen die antwoorden: “Komt goed schat ❤️”

Katrien Daniels
14 1

The queen of Zaventem

Het meisje van onder de kerktoren neemt het vliegtuig naar Madrid. Dat klinkt groter dan het is, maar ook kleiner. Want mensen bekijken mij soms als een vrouw van de wereld. Ik die moeiteloos tussen terminals beweeg met zo’n handbagage op wieltjes die nooit omvalt. Ik die gewoon op luchthavens thuis hoor. Maar ergens, diep vanbinnen, ben ik nog altijd dat meisje dat denkt: paspoort mee? Gate juist? Niet te laat? Niet kwijtspelen. Niet panikeren. Luchthavens zijn eigenlijk gigantische middelbare scholen voor volwassenen. Overal mensen die doen alsof ze exact weten wat ze aan het doen zijn, terwijl de helft stiekem ook maar gewoon bordjes volgt en hoopt dat iemand “final call” niet met hun naam combineert. Een maat van mij — laat ons hem Dieter noemen, een naam van een echte dertiger — heeft een grondige hekel aan vliegen. “Brakke zetels, te dicht op elkaar, te veel kinderen die aan staan, onnozele films, eten dat smaakt naar karton en daar hangt altijd een geur van fastfood en nog niet gewassen zweet,” zegt hij dan. En dan komt steevast het punt waarop hij luid uitroept: “En ge moogt daar niet roken!” En dan weet ik het weer. Dieter is geen dertiger. Dieter is een blanke midlifer with an attitude. Een man die geboren is om kwaad te zijn op luchthavenbroodjes van twaalf euro en boardingprocedures. Soit. Ik probeer mij niet te laten meeslepen door Dieters tirade en ook niet door het kerktorenmeisje in mij dat bij grote mensenmassa’s spontaan heimwee krijgt naar een boterham met préparé in een vertrouwde keuken. Ik geef Katy D het heft in handen. Katy D is de versie van mezelf die zonder verpinken “window or aisle?” beantwoordt. Gulzig. Vrolijk. Zelfverzekerd. Check-in? Check. Gate? Check. Taxfree? Why not. En voor ik het weet zit ik op het vliegtuig met The Beautiful South in mijn oren, een liedje dat zingt over schone ogen en rimpels vol betekenis. Daarna stuur ik nog snel een laatste boodschap naar mijn geliefden. Zo één die half grap is en half testament. “Weet dat ik u graag zag. En als ik neerstort: geen koffiekoeken op mijn begrafenis. Pannenkoeken en préparé. En uiteraard Als Ze Lacht van Yevgueni.” Dat is het rare aan vliegen. Ineens wordt ge een beetje dramatisch. Alsof ge elk moment in een documentaire van National Geographic over menselijke kwetsbaarheid kunt belanden. Terwijl ge eigenlijk gewoon onderweg zijt naar gate B14 met een veel te dure fles water. Ik mag in het midden zitten. Dat is de sociale huurwoning van het vliegtuig. Langs de ene kant een man die precies al sinds Kinshasa onderweg is. Moe en waardig. Alsof hij ondertussen al drie continenten en twee existentiële crisissen heeft overleefd. Aan de andere kant een meisje met een iPad. Ze kijkt een Aziatische film met ondertitels die eruitzien alsof iemand per ongeluk een sudoku over het scherm heeft gegooid. Geen van ons spreekt met elkaar. Maar in mijn hoofd worden wij vrienden. Ik denk dan: straks delen wij hier emoties, levenslessen en misschien een zak paprika chips. Terwijl ge in werkelijkheid drie uur zwijgend naast elkaar zit te ademen als kamerplanten met handbagage. Maar toch vind ik dat schoon aan vliegen. Dat ge even dicht tegen andere levens zit geplooid. Mensen die ergens vandaan komen en ergens naartoe gaan. Mensen die iemand gaan missen of net proberen vergeten. Mensen die onderweg zijn naar werk, liefde, verdriet of gewoon zeven dagen all inclusive en sangria uit nen dispenser. En ik? Ik ben onderweg naar Madrid. Een beetje bang. Een beetje blij. Met Katy D aan het stuur en dat meisje van onder de kerktoren nog altijd ergens in de handbagage. Wanneer het vliegtuig landt, knik ik nog even naar mijn tijdelijke medereizigers. Alsof wij samen iets hebben meegemaakt wat niemand ooit nog gaat kunnen uitleggen. De man uit Kinshasa. Het meisje met de iPad. De zwijgende gemeenschap van stoel 14 A tot C. Ik zet mijn gsm terug aan en stuur een berichtje naar huis: “Geland. De préparé zal nog niet voor direct zijn.”

Katrien Daniels
11 1

Messias

“Wil er iemand mijn messias zijn?”, zingt Bart Peeters. En vroeger dacht ik: ja. Absoluut. Liefst eentje met brede schouders, emotionele intelligentie en een goed hemd. Maar ouder worden is beseffen dat ge eigenlijk helemaal geen Messias wilt. Ik hoef niet gered te worden. Echt niet. Ik kan zelf rijden. Zelf een kast van de Ikea in elkaar vloeken. Zelf mijn belastingen te laat indienen. Zelf huilen in de Colruyt tussen de ravioli en de kattenbrokken. Dat lukt allemaal prima. Nee, wat ik wil, is een Messias, maar dan anders. Geen heilbrenger. Eerder een "Matthias". Of een Jan. Of een Piet. Iemand waarvan ge denkt: ah ja… misschien gij. Iemand die komt, die blijft en misschien veel te luid ademt in zijn slaap. Dat wachten op mijn “Matthias” houdt een mens gaande. Het voedt mijn innerlijke pelgrim. Dat deel in mij met versleten wandelschoenen en veel te veel geloof in wegwijzers. Zo iemand die altijd denkt dat er achter de volgende bocht misschien iets groots wacht. Of iemand. Die "Matthias" zorgt ervoor dat ge plots terug goeie onderbroeken aandoet “voor het geval dat”. Dat ge een berichtje krijgt en direct rechter gaat zitten. Dat ge op de trein een boek leest alsof iemand misschien onder de indruk gaat zijn van uw intellectuele diepgang, en niet van het feit dat ge al drie haltes aan een stuk met een chipke aan uw trui hangt. Ik heb daar ooit over geleerd, in een les geloof en maatschappij. Zo’n vak dat ergens zweefde tussen godsdienst, levensvragen en leerkrachten met sandalen. We leerden over rituelen, over religies, over mensen die hun hele leven bouwen rond iets wat ze nooit echt gezien hebben, maar waar ze toch rotsvast in blijven geloven. En daar zat dat idee van de Messias in. Vooral binnen het Jodendom: het geloof dat er ooit iemand zal komen die alles anders maakt. Niet vandaag. Misschien morgen. Misschien binnen honderd jaar. Maar ooit. En hoe langer ik daar nu over nadenk, hoe meer ik besef dat dat eigenlijk geniaal gevonden is. Een geloof dat blijft bestaan bij gratie van het wachten. Van het onderweg zijn. Van de hoop die zichzelf altijd nét ver genoeg vooruit schuift om te blijven leven. Want eens hij arriveert, is het verhaal eigenlijk gedaan. Misschien bouwen we allemaal kleine privéreligies rond mensen die nog moeten komen. En soms komen ze ook effectief.. maar blijken het  foute generale repetities te zijn. Zoals Dirk bijvoorbeeld. Die ontplofte bij een verkeerde opmerking, alsof ik per ongeluk een nucleaire code had ingetoetst in plaats van te vragen of hij de vuilbak buiten wilde zetten. En toch dacht ik dan: maar hij weet tenminste wat hij voelt en hij kan dat authentiek uitdrukken. Peter dan weer. Zo’n man met een agenda waar ge moe van wordt. Etentjes. Projecten. Mensen die hem “een vrije geest” noemen, terwijl hij eigenlijk gewoon niet kan kiezen. En ik hing daaraan gelijk een toerist aan een trein die al vertrokken is. En dan die derde soort. De mannen met een “ooit”. Ooit gaan we eens echt tijd maken. Ooit komt het goed. Ooit gij en ik. “Ooit” is eigenlijk het kleinste vakantiehuisje van de hoop. Ge kunt daar niet wonen, maar ge blijft wel teruggaan. En toch denk ik niet dat ik echt wacht op een man. Ik wacht op beweging. Op het gevoel dat het verhaal nog niet af is. Dat er nog iemand op een perron kan staan. Dat er nog een bericht kan komen waardoor ge plots uw haar wast op een woensdag. Want stel u voor dat de puzzel klopt. Dat hij er écht is. Een man die blijft. Die koffie brengt. Die zegt: “ik ben onderweg”, en dan effectief aanbelt. Die samen met u naar de wekelijkse markt gaat en discussieert over tomaten alsof dat normaal gedrag is. Dan gebeurt misschien het ergste van allemaal. Dan wordt die innerlijke pelgrim plots een vrouw met een klantenkaart van Aveve en geplande weekends in een bungalowpark. Met grind voor de deur. Een mapje met wandelroutes. Een barbecue om zes uur. En etentjes met bevriende koppels. Help. Want wat als ik daar zit, met lasagne in de oven en iemand die mij echt graag ziet, en ik plots niks meer heb om naar uit te kijken? Maar misschien begrijp ik het verkeerd. Misschien is wachten niet hetzelfde als missen. Misschien gaat het niet over gered worden. Misschien gaat het gewoon over geloven dat er nog iets onderweg is naar u. Een Matthias. Of een Jan. Of een Piet. Niet om mij compleet te maken. Maar om mij zachtjes te laten landen en te zeggen: het is goed zo.

Katrien Daniels
33 2