Zoeken

De bacterie

        Iemand bij wie je na vijf minuten ziek wordt. Een visite bij hem heeft altijd wel iets van een ziektebezoek, daar de mensen steeds fruitmanden of zakdoekjes meebrengen. Toch ook vrienden heeft hij amper, men mijdt hem als de pest. En zij, die hij al ziet, keren na enkele minuten reeds huiswaarts. Ja, met koortsig gevoel of een droge tong, plotse zware ledematen of een zilte droogte op de lippen – de eerste aankondigingen van een ziekte, zijn ziekte; telkens in zijn tegenwoordigheid.         Verjaarde hij vroeger, zongen de kinderen spottend in de lagere school: »Happy buikpijn to you«. Zelf loopt hij steeds met zakdoekjes rond. Het lichaam is voor hem een verzameling aan slecht nieuws. Darmloop, een eksteroog, eczeem of een diabetische voet – hij veroorzaakt de uiteenlopendste kwaaltjes bij anderen. Indien zijn naasten hem al willen zien, dan meestal achter transparant glas of van op veilige afstand. Geef hem vooral geen hand! Doe je dat toch denkt hij onbewust: ‘Welkom in mijn ziekte.’         Zelf beseft hij erg goed dat de mensen hem mijden. Herkent hij iemand uit de verte, dan ziet hij hoe die zich snel uit de voeten maakt of met een ver zwaaien hem reeds begroet. Iets dat eigenlijk meer weg heeft van een beleefd, afwerend gebaar.         Hij stelde hen voor brieven te schrijven –die anderen, die enkelen, die weinige vrienden die hem nog opzochten, die enkeling die het toch probeerde en hem uit medelijden een kans gaf–, toch ook van zijn brieven worden de mensen misselijk. Hij leerde het hele morsealfabet van buiten, slechts om ‘s nachts en vanop afstand met een kaarsje te kunnen communiceren. Ja om ook afstand als communicatie te zien en uit liefde, slechts uit liefde, zijn naasten niet aan te steken. Om hen iets mee te kunnen delen. Te kunnen spreken vanuit distanties en er toch te zijn. Het kleinste op te vangen en te kunnen laten weten. Nochtans bleek ook deze toenadering voor de mensen een opgave. Zij willen ’s nachts slapen. Het is het zoveelste te veel, en aldus leeft hij in gedwongen eenzaamheid. Hij, zichzelf en zijn ziektekiemen.          Astmatische gesprekken. Epileptische vingeraanrakingen. Diabetische kameraadschappen. Myocardische knipogen.          Een pientere vorst stuurde hem als spion eens naar de vijand, toch ook zijn eigen informant, niet in het minste de vorst zelf, kreeg de mazelen. Veelbelovende wetenschappers die hem onderzoeken staan voor een grote carrièredoorbraak, toch zij sterven onverklaarbaar jong. Een nietsvermoedende, goedaardige juffrouw bloosde bij zijn plotse knieval, toch haar blos bleek weldra meningitis.         Zijn wereldreisjes? Het worden pandemieën.         Hoe vaak hij zich in zijn kamer opsluit, slechts uit altruïsme. Niet wil hij anderen met zichzelf aansteken. Hij begrijpt, weet intussen: zijn afwezigheid is anderen hun lichamelijk geluk. Hij heeft het leven aanvaard. Heeft hij het beste met iemand voor, dan wil hij hem of haar nooit meer zien – slechts omdat hij hem of haar geen embolie wenst.         Is hij verliefd, dan meldt hij zich niet meer. Nooit meer. Slechts wanneer hij rancuneus of woedend is, nodigt hij zijn vijanden hartelijk uit om te komen eten. Hoor je niets van hem, dan weet je: hij heeft je graag. Toch krachtens zijn afwezigheid vergeet je hem. Slechts wanneer je denkt, neen voelt, plotseling vaststelt, je bent verkouden, besef je: hij zoekt terug contact met me. Anderen mijden hem dan ook, zoals de duivel het gewijde oord, en wensen hem nooit meer te zien, slechts uit ieders obsessie met de eigen gezondheid.         Hij is in diep verlangen, eindelijk eens een vrouw te kussen. Of gewoon iemands hand te kunnen houden! Toch de dames mijden hem, zelfs intuïtief, zo als konden ze het ruiken. Zijn eerste liefjes en hun longontsteking. Zijn leerkrachten die met tuberculose ontslag namen. Zijn buren met psoriasis die verhuisden. Zijn vrienden met roodvonk die logen. Slechts die mensen die iets van hem nodig hebben, die bijvoorbeeld geen zin hebben om morgen op het werk te verschijnen en een verkoudheid wel zouden kunnen gebruiken, ja daarvan hoort hij nog wat. Zij melden zich af en toe bij hem. Zo zijn ze wel, de mensen. Maar ook hen hoort hij nadien niet meer terug. Zelfs geen brieven. Zelfs geen brieven…         Men noemt hem spottend ook wel eens: de bacterie.  

Zduma
22 1

playboy

De keukenkasten en deuren trilden nog na van de veldslag die luttele seconden eerder was geleverd en slechts één winnaar kende. De leeggevreten borden macaroni in de oven stonden erbij en keken ernaar, stenen en stille getuigen van een smeulend generatieconflict. De uitgespoelde mosterdglazen waar wij water uitdronken rinkelden nog na, kleine kringetjes vormend op de besmeurde onderleggers. Bestek lag in willekeur wijzend naar de aanstichters maar vooral naar het slachtoffer. Opnieuw had ik geen enkele poot meer om op te staan. Mijn haar moest af! Mijn ouders hadden dat unaniem beslist, zo kon het niet verder. Sterker nog, ze hadden al een afspraak bij de kapper gemaakt. Nog voor de klok drie uur sloeg zou het allemaal achter de rug zijn. Mijn ouders gingen in het afgeleefde tuinmeubilair zitten in de veranda, daar kwamen ze even op adem. Nog eenmaal keek ik ze dreigend aan, banbliksems en verwensingen ten spijt, ze waren onwrikbaar. Dat in mijn haar mijn kracht zat, dat iedereen me mooi vond met mijn krullen! Het deed ze niets, ik was gedoemd een oude vrijer te worden. Een sjarel die voor eeuwig op het ouderlijke hof zou moeten blijven hokken. Het was jaloezie, dat wist ik wel. Mijn vader was zelf kaal. Al heel vroeg verloor hij al zijn haar en hij kon maar niet verkroppen dat ik nog haar had. Hij haatte lang haar, omdat het hem deed denken aan een tijd waar hij zelf nog aanspraak op succes kon maken. Het leek al eeuwen geleden, nu. Ik nam mijn fiets en fietste de twee kilometer lange kruisweg naar mijn beul. Boven op de brug over de autosnelweg dacht ik even aan springen. Ik zag opspattend water vanonder de reuzevrachtwagenwielen komen en dacht daar mijn verlossing te vinden. Toch daalde ik af. Misschien moest ik doorrijden naar Gent en daar vlug iemand opscharrelen.  Op automatische piloot dreef mijn fiets me tot vlak voor het kapsalon. Ik wuifde zachtjes de wereld gedag. Aan de deur stond hij me lachend aan te kijken. Schort, schaar en snor. Én deodorant die naar lavendel rook. Hij was de enige kapper bij ons in het dorp. Volgens mij kon hij maar één model knippen.  Tondeusekort vanachter, opgeknipt langs de oren en met een frivool kuifje. Ik, de veroordeelde, ging zitten in de kappersstoel. Sowieso een vreselijk moment is dat. Je weet dat je een niet geringe tijd jezelf zal moeten aanstaren in een te grote spiegel die genadeloos je tekortkomingen blootlegt. Jean-Pierre, zo heette de kapper, schiep er een sardonisch genoegen in mijn onzekerheid maximaal uit te spelen. Nadat hij de schort had omgedaan begon het eerste deel van zijn marteling. Het was telkens hetzelfde liedje, ik wist wat er ging komen en dook in elkaar. Hij tuitte zijn lippen en sputterde enkel: ‘ts ts ts’…. ‘Wat is er?’‘Hoe oud ben jij nu?’‘Zestien…’ Hij keek me nu heel strak aan via de spiegel en lachte een heel klein beetje. Wreef zijn handen door mijn haar en vroeg: ‘is uw pa kaal?’ Ik sloot mijn ogen. Schaakmat. ‘Ja.’ ‘Nog twee jaar, dan is het bij jou ook zo ver. Tenzij ik het nu kort zet natuurlijk. Dan heb je een kans dat het nog een jaar langer blijft staan.’ Buiten klonk geraas van opkomende wind, regen viel met bakken uit de lucht en sloeg tegen de ruiten van de kapperszaak. Op Radio 2 klonk de top dertig, Andrea Bocelli beheerste toen de hitlijst met de jammerklacht “con te partiro”. Een droeviger soundtrack bij de ondergang van mijn puberteit was niet denkbaar. De gevolgen van wat kwam zou zich nog wekenlang laten voelen in mijn gefnuikte leven.   Nog twee jaar dus en mijn hele bestaansreden zou weg zijn. Nog twee jaar om een vast lief te vinden die me hopelijk daarna ziet zoals ik echt ben, dat ik lief en gevoelig en slim ben. Nog twee jaar om er het beste van te maken en daarna door te denderen richting graf met keer op keer dezelfde mensen. Nog twee fucking jaar. Jean-Pierre krabde zich in de snor. Spiedend loerde hij naar mij. Ik haalde diep adem en stapte op het schavot. Alsof het nog niet erg genoeg was klokte ik met de baard in de keel: ‘doe maar kort dan.’ Triomfantelijk lachte hij. Zijn tondeuse maakte een monotoon zoemend geluid en zwaar als tranen vielen mijn lokken op de grond. Pluk na pluk. Als laatste daad van het vaststaande ritueel legde hij mijn kuifje in de plooi en mompelde naar de andere klanten: ‘daar zie, ik heb er ne playboy van gemaakt, de meiskes zullen niet weten wat ze zien als gij hierbuiten stapt.’ Neen dat zullen ze niet Jean-Pierre, dat zullen ze niet. De helft van puberend Oostakker loopt rond met dit kapsel. Met mijn fiets, die ratelde van de loszittende spaken of omdat mijn ketting keer op keer tegen mijn kast slingerde, reed ik naar huis in schaamte. Als een pestlijder waar men afstand van moest bewaren. Goed veel lawaai in ieder geval zodat iedereen omkeek. En mij zag, ontdaan van al mijn charme. Playboy voor galg en rad.  

Gabriel Rooms
0 0

reactor

stille vooruitgang. blaas hem uit.  voortgestuwd door adem blaas je hem uit.een dubbel voortbestaan vecht van je binnenste uit, zich een weg naar buiten toe.als je jezelf ontlaadt van je motor.de puls reageert en interactie verdedigt zichzelf, heeft dit nog nooit gedaan ook, die weg stuwt en hakt zijn eigen weg,doorheen de moerassen, de schaduwplanten en planeten in een schemering,altijd ons observerend. al denken wij vaak vice versa etcetera.het gaat wel vanzelf,alleen als je lief bent. interactie werkt met je mee,als je liefde kiest; rondom je heen wegen toestanden op je buurlanden.oorlog speelt zich af, rondom je heen, je zichtvertroebelt, doorheen decenniastilte in je eigen zone. alleen maar omdat jij afgebakend,observatieaangeleerd krijgt. aangekleed voor je dag staan en tijd die doorheen de zinnen en echo's van een verleden snijdt zonder lang op zich te laten wachten. buiten, waar alles nog stil is, tekenen zich zones af en verdwijnen mensen één voor heen. omhulsels die ze zijn vergelden zich en dienen beantwoord te worden door splitsingen. ziel en lichaam verwijdert zich sneller dan voorheen, alleen maar als witte mannen dat zeggen. vrouw-lichaampjes zijn bestanddelen die, alles verpulverend, op grote afstanden worden gehouden, tenzij de amfitamine zijn werk doet, en in de zorgsectoren, worden de grenzen afgebankend, maar in een ander soort code, die witte massa-acties bevoorraden. aangekleed jezelf reflecterend dubbel ontladen voortgaan.  mond geopend, huid omhullend, vast en statig verschijnen, aan je eigen voorgeschiedenis.je kiest, je weet, je verliest.een haartje daarbij, je wordt ouder, als je staat, waarin je leeft, weer jonger wordt. alles gereinigd wordt daarbijde deur naar een nieuwe reflectiealleen maar meer troebelen dicht. dicht bij elkaar veroorzaken verkeersopstoppingen disucussies binnen monden die modern aan doen maar zeggen wat niet meer gezegd was. alleen maar omdat je spreektbetekent niet nietsis nog veiligweet je niet meer waar je kan staan zonder grenzenwaren er al lang geen steekpartijen meer of verkrachtingenzorgen voor standvastigheid.   landschap dat veroudert verdwijnt, onder je voeten, alleen maar de helwaarin boven zich nog steeds planeten, laag observerend, bijna onder ons ingebed, de situatie aanzien. er zal geen inmenging zijn zolang. dit kan en wil niet eindigen. daarom eindigt het misschien welnu dat er nog woorden te veel zijn.   © (de afbeelding komt rechtstreeks van Pinterest:Nikolai Lutohin, Sci-fi illustrations from 70’s Yugoslavia) ©

Dries Verhaegen
2 0

De anti-tijd in

Een verrassingsplek versnelt de ruimte. Tot je zichtveld overvol geraakt. Wat zoveel kan betekenen als: genoeg! of meer. Als ruimtes versnellen voelde het alsof de luchtdruk zwaarder werd. Hij werd één van de elementen die je kon aanraken zonder sporen na te laten. In handen werden latere ademhalingen gedragen. De rand die krulde, die die je rond je ziet, omgeving wordt evolutie.En is stil.Het is verwaarloosbare tijd die nee zegt; stilte die antwoordt op wat nog komt. Wat je nog kent, wat je tegen je ziet, zet je tegen jezelf af, metamorfose. Actiereactie. In een moment. Well, I’m beginning to see the light, breakfast at night, tegenwerpen at light. Licht dat binnenstroomt door een hoekje dat meermaals roept, aanzet tot weerkaatsing.In een stille kubus roept men om: waarom men hoekig voltooid werd & wordt.De aanslag loopt de terreur uit.Here we go again. I thought you were my friend. Aanslag.Aanslag verspreidt.       Sla alarm, sla alarm met een verlengde arm, straal maal pi. Verdubbel de natuur van je natuur.Jezelf.   Zonder geluid trilt de omgeving niet langer. De arcade die gecreëerd wordt - de ruimte als arena, de tijd als filter voor geschiedenis - versnelt als hij uitvalt, of valt uit als hij versnelt. Je vertelt verhalen van een of andere oorsprong; maar dat doet er niet toe. Niets doet er toe en alles gaat gewoon verder. Alsof dit nooit is duidelijk gemaakt. Dat niets de frequentie van een geschiedenis, het zij van een berg, het zij van een nieuwe, andere geschiedenis, verstoren kan. Als jij hem vertelt, trilt hij gewoon anders, maar opnieuw. Frequentie is nu eenmaal doodgewone universele trilling, in het spoor van je vertelsels. We leven in deze anti-tijd, zoals Hugo Raes het verhaald zou hebben of heeft, maar al dan niet verzonnen. We leven tegen die stroom van een Journey in en maken er het beste van.We omgeven elkaar als lichaamloze context, met als enige verschil dat we een lichaam hebben, maar nog net niet zijn. “Als ik er niet meer ben, wil ik dat je pas om me roept. Dat je de sterren onderverdeelt in een boven-onder structuurtje; want ook jij bent geboren om te exploderen. Mensen zien je explosie nog tot lang na je opererend geweld. Van binnenuit ontsluit je lichaam, ontbind het, en blijft achter, waarna je verlaat en overblijft. Mensen zien deze exponent van fysica nog lang tot na ‘geschiedenis’ zich heeft voltrokken.” Het is rustgevend te weten dat ik als een ster kan achterblijven. Het geweld, de ultieme levens dans - de dood - is gespeeld maar nog lang tot na mijn verdwijnen - mijn overblijven, en het verdwijnen van ‘iets anders’, tot dan nog onbenoemd: een lichaam, een omhulsel, alleen, onaangetast, eindelijk - zal ik zichtbaar zijn verdwenen. Ook dit is dan weer menselijk. Ook ik wil je grijpen en klein filteren tussen lange vingers al lang nadat ik dat nog kon. Ik had je kunnen koesteren op een levende manier toen dat nog mogelijk was. Mogelijk tussen de heen-en-weer kijkende, interagerende organismen. Die nu niet meer organisch interactie verzinnen, maar over zijn gebleven aan de lokroep van een natuur, alleen maar om ‘er te zijn’, hoe zondebok-theoretisch dat dat ook mag klinken: de natuur is zijn eigen natuur. De mens, zijn eigen sterven. Zijn sterven, zijn eigen leventje, dat gedanst wordt, om er weer achter vanuit te kijken, naar wat je zonet hebt verlaten.   Je lichaam ontbindt, jij, wilt huilen, maar verliest een haartje, verliest een armpje, wint er een zichtbaar ziel bij. Stijgt op en is zichtbaar, je lichaam, ligt achteruit, achteruit denk je, maar jij gaat alleen vooruit. Mensen die grijpen en weer opnieuw dat fysiek onder de grond verstopte - achteruit, achteruit, dieper de grond in pulserend - karkas opzoeken. Geschiedenis willen grijpen als iets organisch. Maar jij, ondertussen hoog, ster en star onder de sterren, soortgenoten onder je maar nog vaster, en harder, dan jou luchtledige omgeving, bent er. Nog niet. Aangekomen. Alleen slechts ‘onderweg’ wat natuurlijk ‘goed’ is. Ik was context onder context en leerde eerder veel bij van context, dan statuut te verliezen door botsingen. Tijd botst ons heel de tijd, heel de eeuw, en wij maar denken dat dat niet zo lineair was. Als tijd al lineair kon zijn, was de weg enkel vooruit te belopen, en verdween je afdruk onder je uit achter je weg, geen weg meer, enkel gekloonde grond, partieel (ik bedoel gedeeltelijk) opgeroepen om voor je uit opnieuw ononderbroken steun te ‘Zijn’. Voeten schuifelend, geschiedenis vormend die alleen maar vooruitstrevend voor ons en superieur is aan de omgeving. Omgeving die ook schuifelend is, alleen maar door er te zijn en een imaginaire tijdslijn te volgen. Schuifelend ook weer vooruit, omdat er datgene enkel nog is wat ons is overgebleven. Wat je rest, wat je ziet, zonder om te kijken, tussen aarde, ondergrond, en je fysieke materie, is er enkel nog die abstractie van vooruitgang.  Schuifelend vindt de toekomst zijn heden en sleurt het mee, het heden in. Dan is nu, dan is nu.Nu is nu, nu is nu. Wij zijn hier, hier zijn wij. Hier is dan, hier en nu.

Dries Verhaegen
2 0

Aardschok en aardbeien

Ik kocht vandaag in de krantenwinkel een ‘Aardschok’, dat is een hardrock en metal magazine. Vroeger kocht ik het ook wel eens. Vele jaren al hou ik enorm van hardrock en metal. Het maakt een enorme kracht, zelfs enthousiasme, in me los. Het liefst van al zou ik heelder dagen met geföhnde haren en een te strakke jeans met een mouwloos t shirt rondlopen. En schreeuwen! Als een hond naar de maan. Maar dat kan niet. Iets maatschappelijks houdt me tegen. Je zou het nog het beste als schrik of angst kunnen omschrijven. Echt goed met verwachtingen kan ik niet om. Het kost me al moeite om me aan te passen. Iemand daar de schuld voor geven vind ik heel onnozel. Al probeer ik af en toe wel eens te duiden waar het vandaan zou kunnen komen. Zoals alles heeft het waarschijnlijk te maken met dingen die gebeuren in de puberteit, dat pokdalig slagveld waar je je maar een beetje doorheen moet zien te spartelen. Als je geluk hebt heb je vrienden die de pijn verzachten. Ik had er één en die heb ik nog steeds. Meer heb je niet nodig. Net als een winterjas. Waarom meer dan één? Als hij ooit in ongebruik geraakt dan neem je gewoon een nieuwe. Die vriend leerde ik kennen toen ik veertien was. Er was veel aan de hand, bij hem, bij mij. We herkenden waarschijnlijk elkaars verlies. We trotseerden samen alles, soms op elkaars kap maar altijd dicht bij elkaar. We spiekten ons doorheen het derde middelbaar en werden bijna de slimste jongens van de klas, al vonden we dat overdreven en lieten we de teugels vieren naarmate het einde van dat schooljaar in zicht kwam. We hielden ook geen van beiden van leraars wiskunde. Het waren eikels, stuk voor stuk. Zo hadden wij een leraar die, zodra de eerste zonnestralen zich lieten zien, sandalen droeg. Na de krokusvakantie was het zo ver. Sandalen met zwarte sokken en een buideltasje. Losjes liep hij over de speelplaats, zich te gedragen alsof het vanaf dan permanent vakantie was. Met leerkrachten wiskunde was altijd iets. Mijn allereerste leerkracht wiskunde had mij eens gezegd dat ik wel beschouwd een stuk ongeluk was dat hopelijk later van een soort uitkering kon profiteren waar je alleen maar voor in een stoel moest zitten om boeken te lezen. Hoewel het mij wel wat leek, zo een leven op een stoel tussen de boeken, brak het mijn onzeker studentenhart en van die dag af had ik beslist dat wiskunde, net als studeren niets voor mij was. Mijn tweede leraar wiskunde was oud en versleten. Hij leek toen al in de zeventig. Hij was een klein schriel mannetje met haar uit zijn oren en neus. Hij was op en zag totaal geen reden meer om ook nog maar de minste moeite te doen om zijn les op een iets of wat creatieve manier in te vullen. Dat we er in de klas een janboel van maakten interesseerde hem niet. Hij had zijn krant of de Knack bij en las naar hartenlust. Af en toe had hij betraande ogen. Exact vijfentwintig jaar later kwam ik hem opnieuw tegen. Het was tijdens een toneelvoorstelling. Ik zag zijn naam op de stoel naast mij liggen. Toen een oud mannetje naast me kwam zitten herkende ik hem meteen. Hij wist niet meer wie ik was, althans hij herkende mij niet. Ik stelde me maar niet voor. Ik zag een jongere versie van hem naast hem. Het bleek zijn zoon te zijn. Ik legde hem de situatie uit. Hij knikte beleefd en zei inderdaad dat de laatste jaren van zijn vaders actieve leven een hel waren geweest. Er was zelfs een psycholoog aan te pas gekomen om hem rustig op pensioen te laten gaan. Ik schaamde me. De hele tijd stond de oud leraar naast ons. Te staren in de verte af en toe slokjes nemend van zijn biertje, een bruine Leffe. Ik keek naar hem, zijn zoon zei me dat hij doof was. Inmiddels, zo vertelde zijn zoon, was hij 86. Tel vijfentwintig jaar terug en hij was toen dus 61. Hij hoorde niets meer. Toneel bezoeken was eigenlijk zijn oude leven, maar eens om de zoveel tijd vroeg hij toch of hij nog eens kon gaan. Hij genoot van het pluche, de zaal, de lichten, de opgedirkte mensen. Net als ik. Ik trakteerde zijn zoon een drankje en keek hem aan, gebarend wat hij wou drinken. Nog een bruine Leffe. Minzaam dronken we ons glas leeg. De voorstelling was goed, zonder meer. Ik knikte hem gedag en nam afscheid. Ik voelde medelijden met die man. Oprechte schaamte ook. Zittend aan de eettafel begon ik te lezen in mijn ‘Aardschok’, de kinderen speelden buiten. Ze kwamen binnen en namen een bakje aardbeien uit de koelkast. We aten ze op met slagroom. Het leven naait je genadeloos, wilde ik schreeuwen. Maar ik keek wel uit.

Gabriel Rooms
3 0

Start. Stop. Oase

Midden door het bos loopt een rivier. Als het hard regent wordt hij onrustig, bij mooi weer kabbelt hij gemoedelijk verder. Aan de oever staan treurwilgen. Hun takken tokkelen op het water waardoor waterringen het oppervlak versieren. In het oneindige lijken ze door te willen gaan, totdat ze botsen tegen de grillige randen. De wortels van de knoestige treurwilgen  lijken de ringen te willen tackelen. Het wateroppervlak weerspiegelt de steeds veranderende lucht. Helderblauw, helderblauw met wollige wolkjes, grijs en soms zelfs gitzwart. Boris zit op een bankje naast de rivier met een ongeopend boek op zijn schoot. Hij ademt diep in en neemt de omgeving in zich op. De wind laat de takken van de treurwilg rond hem dansen. De zomer is bijna op haar einde, de lucht krijgt stilaan de bedwelmende geur van de herfst en de dieren maken zich op voor de aankomende koude. In de verte ziet hij een eekhoorn acrobatische sprongen maken tussen de bomen. In een vorig leven kwamen ze hier met hun drietjes. Ruth nam dan een rood-wit geruit picknickdeken mee en ze aten sandwiches met tonijnsla. Stef dronk Kidibul en zij wijn. Nadien ging hij met Stef vissen, terwijl Ruth hier, op dit bankje waar hij nu zit, zich nestelde met een boek. Het werd een vaste traditie. Elke tweede zondag van de maand kwamen ze hier. Als het regende, namen ze een grote paraplu mee die ze in de grond staken en naast elkaar gingen schuilen in hun knusse regenjassen. Het lawaai van de kletterende regen in de rivier had bijna iets mediterend. Boris tuurt voor zich uit. Er is niets veranderd sinds 13 januari 2002. Dezelfde bomen vinden hun evenbeeld in het spiegelende wateroppervlak. Dezelfde geluiden vullen het bos rondom hem. Hij stapt naar het water, totdat hij zijn eigen reflectie ziet. Die is wel veranderd. Zijn witte huid met guitig rode wangen maakte plaats voor een ingevallen gezicht met een asgrauwe uitstraling. Zijn ogen liggen diep verzonken in hun kassen. Zijn dikke bos krullen is uitgedund tot enkele willekeurig verdeelde plukken haar die doelloos uit zijn hoofd steken. Het was een zondag in een rij van zoveel zondagen dat ze met hun jeep het bos introkken. Ze hadden thuis al gegeten omdat het buiten te koud was. Er was veel sneeuw gevallen rond de feestdagen, er had zo’n tien centimeter gelegen. Grote sneeuwmannen bewaakten hun huis. Een week geleden begon alles te smelten. De moddergrond begon door het magische sneeuwdek te schemeren. Ze stapten naar de rivier. Die leek wel zwanger door het smeltwater dat ze gewillig opnam. Zijn peil oversteeg bijna de randen, bijna klaar om een extra stukje van de wereld in te palmen. We wandelden tussen de bomen, die hun takken nog mistroostig kaal lieten hangen. De lage winterzon wierp lange schaduwen op de grond, als lange tentakels die reiken naar iets in het lege. Ze verzonken in een discussie. Hij had zijn werk als bankbediende opgezegd om zijn creatief instinct te kunnen volgen. Voltijds schilder worden was toch al van kindsbeen zijn grootste droom, hoe kon ze hem hierin niet steunen? “Mijn loon is niet hoog genoeg voor ons allen.” “Wat als Stef gaat verder studeren?”. Flarden bereikten zijn oor, al werd veel gedempt door het luide geloei van de opkomende wind. “Mama, papa, kijk een eekhoorntje!” “Toen we trouwden beloofde…altijd je gezin …ondersteunen.” Hij verloor zijn geduld. Hij was met haar mee verhuisd naar de andere kant van het land omdat zij in de buurt van haar familie wou wonen. Zijn stabiele job, vrienden en familie liet hij achter om bij haar te zijn en een gezin te stichten. Nooit mopperde hij, omdat zij het enige was wat hij nodig had om gelukkig te zijn. Al de rest was decor. Maar na al die jaren groeide de behoefte om zijn droom te achtervolgen. Verwijten vlogen heen en weer. Totdat ze opeens een schrille kreet hoorden “HELP”! Zijn hart bevroor, ze keken een fractie van een seconde met paniek in de ogen naar elkaar en stormden dan naar het water. In de verte zag hij Stef in het water drijven, zijn hoofd als een pingpongbal heen en weer wiegend in de sterke stroming. Hij deed snel zijn zware laarzen uit en sprong het water in. Het ijskoude water sneed als messen door zijn ledematen en de zuurstof in zijn longen leek ter plaatse te bevriezen. Met een overstijgende kracht zwom hij met alle kracht naar hem toe. “Stef, zoek een tak om je aan vast te houden!” Toen hij bijna bij hem was verdween Stef onder water. Paniekerig ging hij kopje onder. Zijn handen graaiden wild in het rond. Plots voelde hij de kap van Stef ’s regenjas. Opgelucht trok hij hem naar boven uit het water, hij greep een tak en duwde hem op de modder. Zijn ledematen waren uitgeput van het gevecht tegen de stroming. Met zijn laatste kracht trok hij zichzelf op de oever. Ruth kwam aangelopen en knielde naast hun zoon. Zijn lippen waren blauwpaars aangelopen en zijn anders altijd rode blos was nergens te bespeuren. De glazige gloed over zijn ogen verried dat we te laat waren. Op dat moment verliet een deel van Boris zijn ziel zijn fysieke eigenaar. De dagen nadien verliepen in een waas. Het besef dat ze hun eigen kind moesten begraven zorgde voor een permanent gevoel van verdoving. Toen Stef helemaal verdwenen was uit hun leven (ze hadden pas zeven maanden later zijn kamer opgeruimd, voordien was het als het ware een gebedstempel), kwam het besef dat er iets gebroken was. De dood van Stef ontwrichtte alles. hun identiteit, neen, zijn identiteit en haar identiteit. Er was een onoverbrugbare kloof ontstaan in hun huwelijk. Het gedeelde verdriet om de dood van hun zoon bracht geen soelaas meer. Bovendien werd het ondraaglijk om elkaar in de ogen te kijken en Stef te menen herkennen. Drie jaar na het incident gingen ze uit elkaar. Hij ging terug naar zijn geboortedorp en Ruth trok in bij haar ouders. De jaren heelden de pijn niet. Als een gapende wonde trok de herinnering aan zijn bewustzijn. Het is nu bijna veertien jaar later. Het is de eerste keer dat hij hier opnieuw komt. Hij staart naar de bocht in de rivier waar Stef verdronk. Met een zucht staat hij op. De steen trekt aan zijn been. Rustig stapt hij in de rivier. In de verte ziet hij enkele eekhoorntjes rennen. Hij laat zijn leegte opvullen door het water.

Nele Eerdekens
0 0

De witte droom - proloog

Elaleh Khayyam was pas 23 jaar oud toen zij begreep dat bomen intelligenter waren dan de meeste mensen. Eerst vond ze dit idee een kinderlijke gedachte. Een droom. Tot die ene winterdag in een dorp aan de voet van Mount Fuji.  ‘Iedereen droomt, maar veel dromen verdwijnen’, vertelde de oude Japanner, terwijl hij een vissersnet herstelde. ‘Zoals bladeren. Ze dwarrelen naar beneden, vallen op de grond en rotten dan weg in de koude winter. Enkele dromen worden opgeraapt door jonge kinderen en hun moeders, meestal na de vroege ochtenduren, wanneer de dauw verdampt is. Dan leggen ze deze tussen absorberend papier dat ze daarna tussen de pagina’s van een zwaar boek leggen. De bladeren worden droger en droger totdat ze eindigen in een fotoboek samen met wat uitleg. Later, weken of zelfs jaren later, bladeren moeder en kind vaak door hun herbarium om te begrijpen waaruit de natuur bestaat. Moeders kunnen medicijnen van deze dromen distilleren waarmee ze hun kind kunnen genezen van de kwalen van deze tijd.’ Op deze ochtend in februari zaten Elaleh en hij op een houten bank aan een meer dat beroemd was voor zijn uitzicht op Mount Fuji, maar vandaag verschool de vulkaan zich achter een reusachtige wolk. Ze zaten met hun rug naar haar toe, maar toch kon Elaleh haar aanwezigheid voelen. In Japan geloven ze dat bergen vrouwelijke geesten zijn. Niet alleen bergen. Volgens het shintoïsme kunnen ook in rotsen, bomen, watervallen en rivieren geesten huizen, de zogenaamde kami. Zodra Elaleh over dit basisidee van shintoïsme hoorde, beeldde ze zich vaak in hoe de natuur haar zou zien.  Luisterde Mount Fuji ook naar het verhaal van Kazemori san?  Kazimori san was de enige Japanner in de buurt die Engels kon praten (want hij had een Canadese vrouw) en die ook nog eens tijd had om haar tolk te spelen. De Japanse cultuur was in dit dorp nog uitzonderlijk intact gebleven.. Hij had haar meer verteld over de heilige bomen van de Kisovallei die zo fel beschermd waren door de samoerai dat je de doodstraf kon riskeren als je een van hen omhakte. Hij legde haar de structuren uit die ervoor zorgden dat houten tempels eeuwenlang aardbevingen konden weerstaan en weefde af en toe een haiku door zijn uitleg. Wat Elaleh het meest interessant vond, was dat Japanners hun meest heilige tempels om de twintig jaar herbouwen. Op die manier gaven ze de kennis en waarden om die tempels op te bouwen met de volgende generatie mee. In een land vol aardbevingen, tsunami’s en tyfoons leefden huizen niet lang maar de Japanse waarden en kennis zijn diep verankerd in de bodem en worden met elke generatie dieper de grond in geduwd. Elaleh beeldde zichzelf in als jong meisje in een veld vol Japanse schrijnen, samen met haar moeder. Haar moeder hield een glazen bokaal vol blaadjes vast. Elaleh reikte uit naar de bokaal, maar haar moeder tilde de bokaal hoger zodat Elaleh er niet bij kon.   ‘Dromen zijn zo mooi en leerrijk’, zei hij. Ze keek op naar Kazemori san. Na twee dagen was het tijd voor haar om verder te gaan. Haar studiereis in Japan was bijna over en over enkele dagen werd ze op haar project in Tokio verwacht. Toch wou ze zich nog voor een laatste keer als een klein nieuwsgierig meisje in een trage wereld voelen, voordat ze zich terug in een hippe designer jurk moest wurmen. Deze oude Japanner deed haar aan haar tante Nastya denken. Haar tante en de oude Japanner waren allebei verhalenvertellers uit een tijd die niet meer bestond, of die je alleen nog maar in verborgen hoekjes terugvond. Zijn vingers dansten nog steeds over het net. Een herinnering waaide op. Tante en ik in een berkenbos. De zon stond hoog,het was nog niet helemaal lente. De oude dikke vrouw gaf haar een glas met berkensap. En Elaleh dronk. Elk jaar nam tante Nastya haar aan het begin van de lente mee naar deze bomen om hun medicijn af te tappen. Berkensap deed je haar en huid glanzen. Totdat ze 21 jaar oud was. Tante Nastya had gezegd dat het tijd was dat Elaleh haar eigen weg vond.  ‘Het is wreed dat ze die ziekte de witte droom noemen’, zei Kazemori na een stilte. Elaleh wendde haar blik van hem af en keek naar haar handen.  ‘Een ziekte die zoveel moeders van hun kinderen heeft gescheiden.’ Tranen blonken in zijn ogen, maar geen een rolde over zijn wangen. Hij boog zich nog meer over zijn vissersnet.  Elaleh bleef naar zijn vingers kijken. Ze wou nog niet aan de wereld denken.  ‘Ik dacht dat Japan zijn ergste tijd meegemaakt had’, vervolgde de oude Japanner. ‘Het leek dat we de grillen van de natuur stilletjes aan konden bedwingen. Maar dan duiken er altijd nieuwe gevaren op. De witte droom, de Groene Uitbarstingen. De kami laten ons nooit vergeten dat het leven een cyclus is van goede en slechte momenten, van eb en vloed.’ Elaleh keek van het net naar het gezicht van Kazemori san. ‘Ik weet hoe je je voelt. Een kennis van mijn lagere school is ook aan de witte droom gestorven,’ zei ze, ‘en twee andere vrienden zijn in de Groene Uitbarsting in Londen omgekomen. Maar ik probeer er niet aan te denken. De wereld zal beter worden. We zullen weer gelukkig zijn. Elke dag  zijn er meer technologische ontdekkingen. Ik ben er zeker van dat ze snel een oplossing zullen vinden.’ De Japanner concentreerde zich weer op zijn net. ‘Hij sprak ook altijd over technologie. Daarom was hij naar Tokio verhuisd. Hij dacht dat hij daar gelukkig zou zijn.’ Elaleh wreef over haar armen. Ze wist niet hoe ze moest reageren.  ‘Ben je gelukkig in Londen?’ vroeg hij.  Die vraag verraste haar. ‘Ja. Ik woon daar graag.’  ‘Mis je je ouders niet?’  ‘Edinburgh is niet zo ver van Londen’, zei Elaleh snel, en dan besefte ze nog eens hoe hard ze hen miste. ‘Ze zijn gelukkig, omdat ik mijn droom volg. Vooral mijn mama is blij, want ze zou hetzelfde doen.’  ‘Zijn ze blij dat je in Tokio bent?’ ‘Ik ben hier maar voor korte tijd’, zei Elaleh. ‘Ze weten dat ik terugkom.’ Plots dansten onzichtbare vingers over haar ruggengraat. Ze klopte op het hout van de bank. ‘Schots bijgeloof’, mompelde ze en ze bloosde.  ‘Je hebt nog geen familie verloren’, begreep de oude Japanner.  Hun blikken ontmoetten elkaar.  ‘Nee’, zei Elaleh. Haar hart bonsde in haar oren.   Hij glimlachte en zei iets in het Japans tegen het vissersnet. Dan begon Kazemori san aan een verhaal. ‘Er was eens, en er was eens niet, een prinses zo wit als sneeuw.’ Elaleh wierp een blik op haar horloge. Ze had nog tijd.  ‘Ze was niet altijd zo wit geweest. Ooit was ze zo groen als gras dat onder je blote voeten knispert. Zo geel als de reusachtige zonnebloemen van haar vader. Zo roze als een kirrende baby. Zo bruin als de majestueuze beuken in een dreef. Zo oranje als de heerlijk ruikende pompoensoep van haar schattige oma. Zo blauw als de bessen in zijn tuin. Zo rood als zijn lippen. Ooit was de jonge prinses zo. Totdat het rood van zijn lippen ‘ja’ zeiden. Haar geliefde zou trouwen met een ander. Haar kleuren vervaagden in het donkerste van haar ziel en plots was zij niet meer de kleurrijke prinses, maar de Witte Prinses. De kleuren van haar jeugd waren vage herinneringen in een zwart gat, haar glimlach was verloren in een doolhof van onbegrip en haar hart bevond zich in een land waar zij nooit geweest was.’ Elaleh rechtte haar rug, maar onderbrak hem niet.  ‘Alleen haar meest loyale dienstmeisjes wisten dat ze deze ziekte had. Elke dag als ze opstond, zo wit als de nacht, hielpen ze haar om haar witheid te verbergen. Ze zat voor haar spiegel en liet haar dienstmeisjes haar lippen zo rood als robijnen verven. Haar ogen zo groen als esmerald. Haar haren zo bruin als hout na regen. Ze kleurden haar gezicht met pigmenten uit het Verre Oosten. Dan bekeek ze zichzelf in de spiegel en als het haar niet beviel, trok ze het masker van haar witte gezicht en liet de dienstmeisjes weer helemaal opnieuw beginnen. Het duurde altijd lang voordat ze eruitzag zoals anderen. Zoals haar ouders en haar onderdanen van haar verwachtten.’ Elaleh zag zichzelf op haar stoel in haar badkamer in Londen zitten. Alles lag voor haar uitgestald. Eyeliner, oogpotlood, een palet met veertig verschillende tinten oogschaduw, elf verschillende kleuren lippenstift, watjes. Onder haar spiegel, in een perfecte lijn wachtten haar 43 flesjes met nagellak.  ‘Niemand wist dat ze leed aan wat haar dienstmeisjes de witte droom noemden. Ze zorgde er  altijd voor dat ze er voor de buitenwereld piekfijn uitzag.’ Het potje naast haar nagellak bevatte haar recept voor succes.  ‘Zelfs niet de man van wie ze hield wist wat zij meemaakte, de man die ging trouwen, de man die haar hart had gebroken.’ Elaleh keek terug naar haar horloge en dan naar de oude Japanner. Ze nam vaak drugs met haar vrienden in Londen. Ze noemden het witte poeder hun vaccin tegen de witte droom. Hoe kon je anders presteren in een competitieve maatschappij? Alleen verborg ze dat voor haar familie. Net zoals de prinses moest Elaleh haar ‘witheid’ geheim houden, want ze wist dat haar familie de waarheid niet aan zou kunnen.  ‘Zijn naam was Zinan. Hij was een wijze ridder van goede inborst en hij had een zacht karakter. En toch was hij niet echt dapper en twijfelde hij vaak over zijn beslissingen. Meestal koos hij voor de meest gemakkelijke weg.’ Ze dacht aan haar eerste keer. Een vriend had haar zijn geheim voor succes toevertrouwd nadat ze had gemopperd over de vele deadlines en druk in haar tweede jaar aan de universiteit. Waarom verwachtten haar professoren dat je een heel design in minder dan vijftig uur kon uitwerken? Met zijn hulp leverde ze een design in dat de professor van zijn sokken blies.  ‘Eigenlijk weet ik ook niet waarom de prinses Zinan zo bijzonder vond.’ Elaleh knipperde met haar ogen. ‘Ze hadden wel heel wat interesses gemeen en waren allebei aardig, intelligent en nieuwsgierig naar de wereld, maar voor de rest was hij niet zo bijzonder. Het is zelfs verwonderlijk dat hij twee aanbidders had, namelijk de witte prinses en de rijke barones. Haar naam was Benten.’ Hij richtte zich tot Elaleh. ‘Waarom denk je dat hij voor Benten koos?’ ‘Ze was mooier’, zei Elaleh. Haar stem trilde. ‘Benten moest beter zijn dan zij. Op vele manieren. Mooier. Slimmer. Avontuurlijker. Grappiger.’ ‘Of had de Witte Prinses een laag zelfbeeld?’ merkte de oude man op. ‘Wist Zinan eigenlijk dat ze op hem verliefd was?’ Elaleh schudde haar hoofd. ‘Ik ken dit verhaal niet.’ De oude Japanner glimlachte droevig. ‘De Witte Prinses kreeg de witte droom omdat haar hart gebroken was’, fluisterde hij. ‘Onlangs las ik een artikel waarin stond dat mensen die voor een lange tijd droevig zijn meer kans hebben om de witte droom te krijgen. Als je hart gebroken is, kan witheid gemakkelijker zijn weg vinden via de spleten van je ziel.’ ‘Waarom vertel je dit verhaal?’ vroeg Elaleh.  ‘Ik kan het niet uitleggen. Het klinkt raar, maar mijn verhalen kiezen mij. Niet andersom. Het lijkt alsof een muze de verhalen in mijn oren fluistert.’ ‘Het klinkt alsof het verhaal gebaseerd is op jouw eigen ervaring’, zei Elaleh.  ‘Nee’, zei hij snel. ‘Die muze is misschien een schim van je vorig leven.’ Hij knipperde met zijn ogen.  ‘Geloof jij niet in een vorig leven? Is reïncarnatie niet boeddhistisch?’ vroeg Elaleh. ‘Vraag dit niet aan een stervende persoon’, zei hij. ‘Die zich meer wil bezighouden met zijn huidige leven.’  Zij sloeg haar ogen neer.  Hij pauzeerde. ‘Wil je dat ik verderga?’ Elaleh knikte. ‘Toen brak de dag van de trouw aan. Het bruidskleed van Benten was rood. Alles op de bruiloft was rood. De Witte Prinses voelde zich ellendig en verstikt, de pijn van haar ziekte voelde aan alsof ze verdronk. In de kerk merkte ze op dat als ze iets aanraakte, de kleuren van het voorwerp wegtrokken van haar vingertoppen. De kleuren leken te sidderen en zinderden als de lucht bij een hittegolf. Andere aanwezigen merkten ook op dat de kleuren onrustig waren. Toen Benten en Zinan het rood van hun lippen uitwisselden, vulde een luid gegil de kerk. Met ogen zo groot als verfpaletten staarde de Kleurrijke Koningin naar haar dochter.’ Elaleh dacht aan haar eigen moeder met haar rode haren voordat ze grijze haren kreeg. Haar fiere houding. Enkel haar kleding vond ze dof en saai.  ‘De tranen van de Witte Prinses hadden de valse vliezen van kleuren doen losweken zodat iedereen kon zien hoe wit zij was. Meer mensen begonnen te schreeuwen. Toen riep de Kleurrijke Koningin tot het volk dat ze voor haar dochter zou zorgen.’ Elaleh glimlachte naar de oude Japanner. Een warme gloed spreidde zich van haar vingertoppen tot haar tenen. Elaleh wist dat haar moeder op exact dezelfde manier zou reageren.   ‘Onmiddellijk bracht zij de Witte Prinses naar de beste dokter in het koninkrijk. De dokter bestudeerde haar ogen, luisterde naar haar hart en onderzocht de gleuven in haar lippen. Na een knik ging hij achter zijn bureau zitten en drukte zijn vingers tegen elkaar. ‘Wat is er met haar?’ vroeg haar moeder. ‘Ze is stervende’, zei de dokter droog. Haar moeder werd ook lijkbleek. ‘Kan u haar niet genezen? Ze heeft zo’n beloftevolle toekomst. Ze heeft de grootste onderscheiding, ze heeft de beste vrienden, ze is mooi en heeft veel geld. Waarom zou ze moeten sterven?’ ‘Ik kan haar niet helpen’, zei de dokter. Elaleh zag in haar herinnering haar moeder tieren en schreeuwen tegen haar vader.  ‘Hoe lang heb ik nog?’ vroeg de Witte Prinses met een krop in haar keel. ‘Je gaat de lente niet meer halen’, zei de dokter. Haar moeder gaf de hoop niet op. Haar moeder nam haar mee naar de tuin en liet haar van de bessen proeven, maar ze absorbeerde het blauw niet. Haar grootmoeder gaf haar pompoensoep, maar zij werd niet oranje. Haar opa versierde haar kamer met zijn zonnebloemen, maar het geel bleef niet op haar huid plakken. Haar familie en vrienden namen haar mee op wandelingen onder berken en eiken, maar ze bleef wit. Ze zochten in wouden, cafés, in de huizen van haar vrienden naar kleur maar de prinses bleef wit. De bomen zongen hun mooiste lied voor haar, want ze hielden van haar, maar ze zonk alleen maar dieper en dieper in de ijskoude oceaan van ellende.’  Elaleh huiverde. Ze zag zichzelf als tienjarige in een witte kamer. Tegenover haar zat een psychiater. Hij schreef iets in zijn boek. Elaleh haatte zijn minimalistische stijl. Het interieur was te leeg en ze tekende in haar hoofd uit hoe ze zijn consultatiekamer voller kon doen voelen. Er was meer kleur nodig.    ‘Op een grijze dag hoorde haar moeder van één van de dienstmeisjes dat een oude heks de witte droom had overleefd. De koningin nam haar dochter mee naar deze oude heks die op een berg aan het einde van de wereld woonde.’ Elaleh moest onwillekeurig aan tante Nastya denken. ‘De Bergheks glimlachte droevig bij de aanblik van de Witte Prinses. ‘Ik had dit ook’, zei ze. ‘Iedereen dacht dat ik ook zou sterven, maar ik had het geluk om op tijd een tovenaar te ontmoeten. Dé Kleurtovenaar. Hij gaf me alle kleuren van de regenboog.’ ‘Waar kunnen we hem vinden?’ vroeg de moeder snel. De Bergheks glimlachte geheimzinnig. ‘Ik moet het antwoord schuldig blijven. Ik weet niet waar de Kleurtovenaar is.’ Ze stond van haar zetel op, ging naar de open haard en gooide houtblokken in het vuur. ‘Ik heb het gerucht opgevangen dat hij zo ontdaan was van de dood van zijn kat dat hij in negen stukken versplinterde. Het was een zeer speciale kat. Deze stukken liggen over de hele wereld verspreid, maar ik heb geen idee waar.’ De Koningin richtte zich tot de Witte Prinses. ‘Jij moet op reis gaan en alle stukken van de Kleurtovenaar vinden, zodat je hem weer heel kan maken en zodat hij jou kan genezen.’ ‘Ja, dat begrijp ik maar waar begin ik?’ ‘Ik weet wat je bedoelt’, zei de Bergheks. ‘Tot enkele jaren geleden heb ik heel de wereld afgereisd omdat ik op zoek was naar iets, maar ik wist niet wat ik zocht en waar ik moest zoeken. Er is een leegte in ons allemaal, een witheid, die af en toe naar de oppervlakte drijft. Het is ons doel om deze leegte te kleuren en op te vullen met alle geluk van de wereld.’ Ze zuchtte. ‘Jij hebt deze leegheid voor zo lang genegeerd dat de de witheid in jou is geïnfecteerd tot een dodelijke ziekte… die alleen jij kan genezen.’ De oude Japanner legde zijn vissersnet neer.  Elaleh wachtte op een vervolg. ‘Hoe eindigt het?’ vroeg ze uiteindelijk.  ‘Waarom vertel jij het me niet?’ vroeg Kazemori san.  Elaleh lachte. ‘Ik ben geen verhalenverteller’, zei ze. ‘Maar je schrijft.’ ‘Ik schrijf blogs over lifestyle en interieur’, zei ze. ‘Niet over katten, en…’ Elaleh onderbrak haar zin omdat ze was afgeleid door een herinnering die plots opwelde. Het was een herinnering aan een nachtmerrie uit haar kindertijd. Ze zag een grasveld. De berken. Ze wandelde door het bos. Ze zag de oude man die op een boom leek. Hij stak zijn rechterhand naar haar uit. Zijn grijns was vals. Toen begonnen de bomen van het bos te dansen. Ze schrok toen de wortels en de takken met een flinke slag de oude man vermorzelden. Ze huiverde en keek Kazemori san aan. Hij knikte. ‘Er is een leegte in ons allemaal,’ herhaalde hij, ‘een witheid die af en toe naar de oppervlakte drijft.’ De handen en rug van Elaleh verkrampten. Soms had ze het gevoel dat de Japanse man haar gedachten kon lezen. Zijn metaforen raakten haar keer op keer.  ‘Goed. Als lifestyleblogger zou ik haar adviseren om naar de plek te gaan waarvoor ze het meest bang is,’ zei Elaleh, ‘want vaak bevinden verborgen schatten zich buiten de grenzen van onze comfortzone.’ ‘Zoals in Aokigahara’, zei Kazemori san.   Die naam gaf haar rillingen. De afgelopen dagen waren ze vaak langs dit dichte bos gelopen. Ze kende de reputatie van het bos voor ze dit Japanse prefectuur had bezocht. Sinds het verschijnen van de roman Kuroi Jukai, ofwel de Zwarte Zee van Bomen in 1960, pleegden veel Japanners hier zelfmoord. In de negentiende eeuw werd hier ook ubasute gepleegd, een soort van euthanasie waarbij jonge mensen ouderen in het bos droegen en hen daar lieten sterven. Kwaadaardige geesten lokten onschuldige zielen van het bewandelde pad. Elaleh had er elke keer stemmen gehoord. De stemmen klonken niet menselijk.  ‘Dat is inderdaad een enge plek’, zei Elaleh.  ‘Je weet wat je te doen staat’, zei hij.  ‘Wat bedoel je?’ ‘Het bos roept je.’ Een rilling liep over haar rug, alsof iemand zojuist over haar graf was gestapt.  ‘Ik begrijp niet wat je bedoelt’, herhaalde Elaleh voorzichtig. ‘Ik begrijp het ook niet allemaal’, zei de oude Japanner. ‘Pas alleen op. De geesten lokken graag jonge mensen. Soms denk ik dat mijn zoon naar Tokio is gevlucht omdat hij bang was voor de geesten in dat bos.’ ‘Ik geloof niet in geesten’, zei Elaleh.   De oude Japanner glimlachte. Hij stond op en maakte een lichte buiging. ‘Itterasshai!’ Elaleh en hij namen afscheid. Hij wandelde als eerste weg. Elaleh bleef nog een tijdje op de bank zitten. Waarom ben je zo bang? vroeg ze zich af. Het zit allemaal in je hoofd. Je bent beter dan dit. Ze stond op. Je bent geen klein meisje meer. Dan glimlachte ze.  Een halfuur later zat Elaleh op de bus naar Kawaguchiko. Tussen haar benen klemde ze een grote feloranje rugzak. Ze reden langs Aokigahara en Elaleh drukte op de bel. Ze schrok van haar impulsieve beslissing, maar tegelijkertijd tintelden haar handen en voeten van de opwinding. Ze stapte uit de busen zocht naar de ingang van het donkere bos. Toen Elaleh het spookbos betrad beklemde een onheilspellend gevoel haar borstkas. Dit bos was een plaats waar, net zoals bij de zee, zonneschijn alleen in bepaalde hoeken fonkelde. De bomen leken vreemd want hun kronkelende wortels en stammen weken alle kanten uit. Ze wist dat de bomen zo vreemd waren omwille van de vulkanische grond. Dat had ze van haar vader geleerd. Normaal gezien konden zulke weetjes haar niet boeien. Ze was geen geoloog maar een interieur designer. Ze hield niet van rauwe, maar van bewerkte producten. De grond voelde bevroren aan en overal lagen er reusachtige rotsblokken. Sommige bomen waren met mos bedekt. Tante Nastya had haar geleerd dat mos zure grond en water betekent. In Japan was mos het symbool van het eeuwige en daarom zag je zoveel mos in hun tuinen. Ook lagen er overal takken, schors en houtblokken van de berkenboom. Alsof iemand die daar had gelegd. Ze vroeg zich af of Japanners ook een speciale relatie hadden met berkenbomen. Ze wist dat ze de kerselaars in de lente tijdens picknicks bewonderden en vooral de geur van ceders en cipressen in hun haiku’s ophemelden. Maar berkenbomen? Elaleh zuchtte. Het was niet alleen stil; ze hoorde geen enkel vreemd geluid. Meer zelfs, ze hoorde helemaal niets, alsof iemand de volumeknop had toegedraaid in het bos. Na een tijdje begon ze haar hart te horen in haar borstkas. Het kloppende geluid maakte haar nerveus.  Er was geen enkel teken van leven. Er was een pad en dat nam ze. Bij elke stap die ze zette, klopte haar hart sneller. Ze versnelde haar passen want ze wou deze test zo snel mogelijk achter de rug hebben. Ze wist niet meer waarom ze hier was. Waarom deed ze zichzelf zoiets aan? Wat had ze verwacht? Dan hield ze halt. Ze werd overspoeld door gedachten. Talloze herinneringen van haar bezoek aan de kinderpsychiater prikkelden haar geheugen en haar ogen prikten van de opwellende tranen. Toen ze negen jaar oud was, vonden ze dat ze teveel fantasie had.  ‘Maar het is waar’, zei ze luidop. ‘De bomen hebben die man vermoord.’ Ze haalde diep adem. ‘Ze hebben me gered.’  En op dat moment wist Elaleh dat ze niet bang moest zijn voor de bomen. Plots zag ze iets in de verte fonkelen. Ze begon terug te wandelen, het fonkelend object tegemoet en  bevroor ter plekke door een immense bewondering voor wat ze daar zag. Een jonge dennenboom, zo oud als zij, was omringd door duizenden monotropastri,.Witte paddestoelachtige planten die Elaleh aan feeën deed denken. Ze zijn wit, omdat ze geen bladgroenkorrels gebruiken om nutriënten uit ontbonden materiaal te halen. Ze deed haar rugzak af en hurkte neer om haar fototoestel en een klein statief eruit te halen. Ze had een geweldig idee voor een volgende post op haar instagram account. Ze zette het statief op een rots en nam enkele foto’s van zichzelf en de monotropastri. Toen ze controleerde of dat ze juist en mooi op beeld stond, merkte ze dat een van de planten boven haar roze kleurde. De plant was op twee meter hoogte. Ze liet haar haar camera en statief achter en beklom een rotsblok om de roze plant van dichter te bestuderen. Zodra ze de plant zag, hoorde ze iets. Elaleh, waar is je mama?  De stem kwam van de dennenboom. Haar ogen sperden open van angst en ze viel bijna van de rotsblok, maar greep zich snel vast aan een boomstam binnen haar handbereik. Dan liet ze de boom los en klauterde omlaag. Ze schoot naar haar rugzak en wou de camera en het statief nemen, maar merkte dat die een meter verder stonden dan daarnet. Ze graaide naar de camera en het statief, en liep zo snel mogelijk het woud uit. Zodra ze uit het bos was, bleef ze stappen totdat ze de adem van de bomen niet meer in haar nek voelde.  Nog geen twee uur later bevond ze zich in een snelheidstrein naar Tokio. Pas daar durfde ze naar de foto’s van Aokigahara te kijken. Ze hapte naar adem, toen ze een foto van zichzelf op de rots bij de dennenboom trof.

Wendier
0 0