Zoeken

De kruisweg

‘Geef me de beits eens aan?’ Carmen veegt snel haar handen schoon, zoekt de juiste pot en schuifelt dociel op hem af. De combinatie van de verzengende hitte van de lampen waaronder ze werken, de penetrante geur van het goedje, de mufheid van de kerk: het doet haar duizelen. Instinctief grijpt ze zijn arm. Hij gromt, maar draait zich niet om. Met haar vingers om zijn getaande pols realiseert ze zich dat ze hem best aantrekkelijk vindt. Ze had een oude, bestofte eenzaat verwacht, toen ze solliciteerde voor een stageplek. Deze conservator was evenwel allesbehalve oud of bestoft. Hij was misschien geen grote prater, hij had haar wel van de allereerste dag gecharmeerd met het buitenlandse accent waarmee hij haar op tijd en stond van instructies voorzag. Na een korte dwaling hervindt ze haar balans, lost haar greep en focust terug op de reeks schilderijen naast hem. Al brengt de stijl van de tableaus haar niet echt in bekoring, de thematiek van de reeks intrigeert haar wel. In gedachten verzonken overloopt ze de Via Dolorosa en houdt gefascineerd halt bij de elfde kruiswegstatie, waar Jezus aan het kruis wordt genageld. ‘Heb je je ooit afgevraagd hoe dat moet hebben gevoeld, gekruisigd worden?’ Een warme adem doet haar nekhaartjes trillen. Zijn stem kraakt, zoals de treden van de trap die ze gisteren namen om het kerkorgel in de was te zetten. In een opwelling draait ze zich om en repliceert vrank dat ze nog nooit die eer heeft gehad. ‘Mag ik?’ Ze huivert, vraagt zich af of hij weet dat zijn ogen haar aan smeulend hellevuur doen denken. Toch knikt ze, legt gedwee haar hand in de zijne en volgt hem naar het manshoge, vergulde kruisbeeld dat prominent de holle ruimte siert. Zwijgend posteert hij haar ervoor, strekt zorgvuldig haar armen uit. Uit het niets tovert hij een set snelbinders tevoorschijn waarmee hij haar polsen vastbindt. Hij gromt opnieuw wanneer ze schrikt, doch de plotse twinkeling in zijn ogen stelt haar gerust. ‘Jezus werd ontdaan van zijn kleren ...’ Hij haakt zijn ogen in de hare, opent zijn lippen en begint zwijgend aan de lange weg knoopjes die haar knielange jurk samenbinden. Opgelucht juicht ze haar beslissing van deze ochtend, om het nieuwe setje aan te trekken, toe. Dan stokt ergens halverwege haar adem. Haar geheim! In paniek spant ze haar vuisten. Hij had haar tot dat moment nog steeds niet aangeraakt, maar nu voelt ze zijn hand door het dal van haar borsten glijden. Wat als hij afdwaalt naar haar heupen? En hij daalt af. Richting het plekje op haar lichaam dat ze altijd angstvallig voor de buitenwereld verborgen hield. Ze zet zich schrap, haar ogen verdrinken in angst. Het blijft echter stil. Nieuwsgierig opent ze één oog en ziet hem gebiologeerd het bordgrote litteken bestuderen. Met de grootste eerbied verkennen zijn vingers de perkamenten restanten van de brandwonde, alsof het een geschrift in braille was. Dan glijden ze verlangend verder naar haar slip. Ze slikt wanneer hij gulzig de kanten stof bevoelt en bidt vurig dat hij de zweetgeur tussen haar benen niet opmerkt. ‘Je bent nat,’ lispelt hij. Met haar vocht nog op zijn vingertoppen schrijdt hij terug omhoog en exploreert het bloemetjespatroon van haar beha, waarop haar tepels instinctief in het gelid gaan staan. Hij is nu vlakbij, ze voelt hoe zijn adem een geruststelling in haar nek blaast. Alsof hij hele dagen niets anders doet, frunnikt hij de randen van de stof naar beneden, waardoor haar jonge borstjes pront tevoorschijn springen. Ze likt aan haar lippen, het frambozenaroma van de lipgloss is helemaal weg. Haar hart bonkt nu zo hard in haar keel dat ze zich nauwelijks bewust is van de klok die drie keer slaat, wanneer hij met twee vingers de laatste verhulling van haar lendenen wegneemt. Ze siddert en trilt over haar hele, verhitte lijf maar wil, nee eist, dat hij verder gaat. Blijkbaar ziet hij het anders. Hij stapt achteruit, waardoor ze iets blinkend voor haar neus ziet flitsen. Wat? Een judas? Heeft ze hem zo fout ingeschat? Ze blokkeert wanneer hij dichterbij komt en haar met glinsterende kooltjes aankijkt. Het koude lemmet beroert haar hals, haar borsten, glijdt langs haar navel en over haar venusheuvel. Dit is het, denkt ze, dit is het moment waarop Jezus aan het kruist sterft. Ze zakt in elkaar, wetend dat niets of niemand haar nu nog kan helpen. En dan voelt ze hoe hij haar polsen lossnijdt. Wanneer hij vervolgens wegloopt, draait hij zich nog eenmaal om – zijn broek is nat – voor hij de sacristie induikt. Vliegensvlug knoopt ze haar schaamte dicht, grijpt haar tas en snelt naar buiten. Het was haar laatste dag, ze zal hem nooit meer zien, doch zal ook nooit meer een kerk kunnen binnenwandelen zonder terug te denken aan deze heiligschennis.  

Vlechtenmeisje
9 1

De knikker

Met zongebarste lippen en het prairiestof aangekoekt op zijn voorhoofd wachtte John McBill tot zijn secondanten in positie stonden. Na twee weken rijden waren ze gereed voor de laatste acte. Schuin boven hem, op het dak van de smederij, stak Frankie ‘Fastfinger’ Gruber zijn hand op, de Winchester nonchalant gericht op de ramen en zijkant van de scheefgezakte saloon.    John, rochelde een dikke fluim op zijn zakdoek en poetste zijn US Marshallster blinkend. Om twee uur in de middag, de zon recht boven het hoofd, liep hij rustig en vastberaden, met de zelfverzekerde, licht wijdbeense tred van een geoefend ruiter, naar de klapdeuren. Hij was klaar om de bende van Wild Boy Richardson in te rekenen. Hij pakte zijn Colt, klapte deze open en gaf een draai aan de ronde patroonhouder. Ingespannen luisterde hij naar het soepele raderwerk. Dagelijks schoonmaken en smeren betaalde elke keer uit: zijn handijzer liet hem nooit in de steek. Hij schoof met zijn duim over elke patroon, klikte de houder dicht en spande de haan. Hij ademde diep in en liet de lucht in opperste concentratie langzaam tussen zijn lippen fluiten. Na drie passen in het zand wipte hij met een jeugdige stap over de eerste tree direct op de veranda.   Daar gleed hij uit over een glazen knikker die Benjamin, de jongste zoon van de barbier aan de overkant, die ochtend had laten liggen toen hij thuis moest komen voor de boterham. John brak zijn val door soepel een koprol te maken, helaas botste zijn hand tegen de deurpost en de Colt ging af, een .45 patroon schoot de helft van zijn kaak tegen de onderkant van de pilaren naast de klapdeuren. Om 14.34 verklaarde de snel opgetrommelde dorpsarts (tevens uitbater van de General Store) hem overleden. De barman plensde met emmers water de prut door de spleten in de veranda op het zand, waar Bullie de slagershond verlekkerd de harde stukjes wegsnoepte. De schrijver Ernst van Dealenmaete keek vol ongeloof van zijn scherm naar zijn toetsenbord en weer terug. Waarom rolde dat klotejoch zijn knikker tussen de regels? Hij baalde als een stekker, hij wilde nog niet stoppen. Een glorieuze toekomst had Ernst voor John in gedachten. Deze toekomst hing uitgetekend, met gekleurde verhaallijnen op meerdere A3 vellen, tegen zijn muur geprikt:- John zou namelijk, na een intens vuurgevecht, de bende inrekenen.- Hij zou uitgroeien tot een dappere heroïsche revolverheld.- Hij zou het Wilde Westen veilig houden van gespuis.- Hij zou op goede voet met de Indianen leven en vele wijsheden leren.- Hij zou trouwen met Jeanny, de lelijke maar lieve en breedgeheupte dochter van veeboer Miller, waar hij lang en gelukkig mee zou leven.- Jeanny zou hem elf kinderen schenken waarvan twee de kindertijd niet overleefden, maar de oudste zoon zou in de voetsporen van zijn vader treden.- Zou…. Dit joch verziekte alles. Ernst (tevens schrijver van Lady Lovelove’s Poolboy deel 1 t/m 17) liet de barbier, met de leren riem waar hij zijn scheermessen op aanzette, zijn zoontje die middag zo ongenadig afrossen, dat de verhalenverpester twee weken gedwongen was op een kussentje te zitten en op zijn buik te slapen. Het was een schrale troost en maakte het verliezen van zijn John niet goed. Na iets over de driehonderd woorden was John uitgeavontuurd. Weg alle kloeke en onversaagde achtervolgingen in de succesvolle serie van vele boeken waar Ernst de laatste vier maanden van droomde.   Wat moest hij nu weer verzinnen? Dan maar Lady Lovelove’s Poolboy nummer 18 t/m 21 schrijven. En wat zou zijn uitgever zeggen?

MCH
20 2

De makelaar en het pronkstuk

“Eindelijk bent u daar. Kom binnen. Dit moet snel beklonken zijn!”Het eerste wat Tony zag toen de massief eiken voordeur opendraaide, waren niet haar ellenlange benen, haar blauwe ogen geaccentueerd door mascara of haar blonde haren die krulden tot haar rijke boezem. Het eerste wat zijn adem benam, waren de kolossale ramen die vanaf een etage lager tot het plafond reikten. Zeker vijftien meter hoog en twintig meter breed. Of beter gezegd: het eerste wat zijn hart deed overslaan was het ononderbroken uitzicht dat die vensters boden op de baai van Alcudia, de witte vissersbootjes en twee megajachten cruisend wat verderop. Deze villa was gebouwd op de flank van een berg. Een flank die zijn geheimen verborg vanaf de straatzijde, maar eenmaal men de voordeur open zwaaide, al zijn pracht majestueus tentoonspreidde. Een meesterwerk van de New Yorkse architect die speciaal voor de bekende eigenaars naar Mallorca overvloog. Dat had hij gelezen in het dossier.   “Sta niet zo te gapen, meneer Coppo, u bent met exclusiviteiten toch bekend?”   Haar stem met een slavisch accent klonk als die van een presidentsvrouw: gereserveerd. Haar man was een vermaard kunstverzamelaar: een dikke pater die van klooster tot nonnenhuis hobbelde om vader en moeder overste van hun iconen af te helpen. Als een dwaas liet hij haar hier, gehuld in een gouden jurk die evenveel been toonde al droeg ze een bikini. Haar hakken tikten op de trap naar de zitruimte. Er kon geen toepasselijker woord bestaan: zitruimte: ruimte om te zitten. Veel ruimte om te verpozen. De witte leren fauteuils vormden een grote U zodat makkelijk tien volwassenen pasten met inachtname van de afstandsregels. Of vijftig in een meer intieme setting. Zou zij hier met vijftig ooit gepartyd hebben? Vijftig vrienden die samen staren naar het uitzicht, nippen van een glas Moët Chandon en knabbelen op gefrituurde kaaskroketjes en vers aangesneden Iberico Bellota?   “Ik geniet van een uitmuntend zicht, mevrouw…”   “Katja,” zei ze terwijl ze staarde naar haar voeten, “Voor heren zoals u, is het Katja.” Ze streelde het leder van de immense zetel en stak een kussen achter haar rug waardoor ze haar tepels dwong naar het plafond te wijzen. Hoewel deze grote open ruimte met glazen zijde meer leek op een koninklijke broeikas dan een woning en het buiten vijfendertig graden was, fonkelde een meterslange gashaard achter de fauteuils vlammen over hen. Toch zweette Tony niet, de airconditioning blies met een noordelijke straalstroom over zijn rug.   “Uw optrekje past perfect bij mijn clientèle. Ik heb alvast een kandidaat die op zoek is naar zo’n pronkstuk,” zei hij terwijl hij diep in haar ogen keek, “Een man die onbevangen beslist en schoonheid kan appreciëren.”   “Schat u ook spontaniteit naar waarde?” vroeg ze en krabde aan het kussen alsof ze de kwaliteit van het italiaanse leder wilde illustreren.   “Professionaliteit is waar ik garant voor sta,” zei hij op de toon van een radiospot, “Coppo & Partners heeft geen ontevreden klanten. Ik ga tot het uiterste.” Een helikopter scheerde over de villa, zakte laag over de Middellandse Zee en stevende recht op het grootste megajacht. “Verse kaviaar en wodka,” mompelde hij, “Decadente Russen!”   “Wat zei u, mijnheer Coppo?” vroeg Katja met een tronie als Edvard Munch’s Schreeuw.   “Dat u niet hoeft te twijfelen,” zei hij terwijl hij zich naast haar vleide en zacht haar hand streelde. Ze geurde opgewonden en hij werd ongeduldig als een wolf die zijn prooi rook en wacht op het beste moment om aan te vallen. “Ik ben uw man voor de job.”   Haar blik rolde van zijn zwarte haren, langs zijn neus, over zijn lippen, naar zijn Rolex. Hij wist hoe laat het was. Ze schudde even met haar hand, waardoor twee gouden kettingen rinkelden als de bel voor Pavlov’s hond. Het water liep hem in de mond.   Ze stond op, flaneerde naar de bar, trok een koelkast open, graaide een fles Dom Pérignon met haar linkerhand en twee champagneglazen met haar rechterhand.   “Komt u het uitzicht in de masterbedroom inspecteren?” vroeg ze zonder het een vraag te laten klinken. Haar tong rolde over haar vuurrode lippen en haar heupen wiegden de trap op.  Tony krabde aan zijn kruis, liet een champagneboer, stak zijn overhemd in zijn broek, merkte dat er twee knopen misten, rook aan zijn vingers en stapte in zijn Porsche Panamera. Het grind van de oprit knetterde rond zijn banden. Het contract was getekend. Driehonderdduizend commissie. En het waterbed in de masterbedroom was goedgekeurd. Een pronkstuk voor de liefhebber met kluiten.

TonyCoppo
33 2

De Steen

‘Moet u niet werken?’ duwde de zorgvuldig gestapelde gedachtestenen van Ernst van Dealenmaete omver, ‘u staart al zeker een uur het raam uit,’ schopten de stenen zo door elkaar dat hij niet meer wist wat in zijn hoofd omging en geërgerd monsterde hij een rossige, gedrongen man van middelbare leeftijd die zijn handen afveegde aan een blauw houthakkersshirt. Tussen de knieën klemde hij een dikke zwarte leren map en deze stak hij, na het afvegen van zijn handen, onder zijn linkerarm.    ‘Ik kwam van het toilet en ik dacht zo, laat ik mezelf introduceren: John Voorduk.’ De toiletganger stak zijn hand uit. ‘Mijn vrienden noemen me Dukkie.’   Ernst negeerde de hand en probeerde zijn gevallen gedachten bij elkaar te sprokkelen en terug te stapelen.   ‘U heeft een hokje met Wifi gehuurd en dan denk ik automatisch: wat zou zo’n degelijk gekleed heer voor werk doen. Wij digital nomads moeten elkaar leren kennen vind u niet?’ ratelde John door, zijn rechterhand doelloos voor zich uitgestoken. ‘Op maandag en woensdag huur ik meestal de eerste kamer bij de receptie.’ De uitgestoken hand zwabberde naar het einde van de gang en verdween daarna in de zak van zijn verschoten spijkerbroek. ‘Dinsdag en vrijdag werk ik vanuit Hotel Emsvaart, kent u dat? Wifi is niet zo goed als hier, maar de koffie is beter én veel interessante mensen.’ Hij knikte tevreden. ‘Het nadeel is dat je aan een tafeltje in de lobby moet werken, voor een meeting moet je apart een zaaltje reserveren.’ Hij keek weer naar Ernst. ‘Ik zie u denken, wat doet deze jongen op donderdag? Dan werkt onze John, Dukkie voor u, lekker thuis: mijn moeder gaat eerst naar volksdansen, dan koffie drinken met haar vriendinnen en ‘s middags de stad in, heb ik de hele dag het huis voor mezelf. Maar u heeft nog helemaal niet verteld wat u doet.’    ‘Ik dacht na,’ zei Ernst, ‘en u stoorde mij.’   ‘Ah, mijnheer is intellectueel.’ John legde de zwarte map op tafel en klopte op een fluoriserend groen logo met in oranje letters “Crea Commerce”. ‘Zelf werk ik in de creatieve sector in combo met commercie. Social Channel Sales en dergelijke. Kan ik voor u ook doen, marketing… én online content genereren… doe ik ook. Hij ritste de map los en vouwde deze open. ‘Voorbeelden zien wat ik voor u kan betekenen?’ Hij bestudeerde Ernst en concludeerde: ‘U heeft een website nodig, of een upgrade van uw bestaande, dat zie ik zo. Uw soort werk heeft een stevige virtuele presence nodig. Wat doet u ook al weer precies voor werk als ik vragen mag?’   ‘Ik ben schrijver.’ Ernst was zijn gedachten kwijt, de laatste stenen verkruimelden in zijn hoofd.   ‘Moet u dan niet typen?’ John wees met typbewegingen van beide handen naar de dichtgeklapte Lenovo model 2014 van Ernst. ‘Dat doen schrijvers toch?’ Hij schoof de laptop naar zich toe. ‘Overigens, zal ik mijn creaties online laten zien? Beter dan op papier vindt u niet?’ Hij klapte de laptop open en vroeg: ‘Wachtwoord?’ Ernst duwde de laptop weer dicht.   ‘Analoog he? Dan had ik u toch goed ingeschat.’ John knikte voldaan. ‘En denker. U schrijft filof…, filosi…, filosofie neem ik aan?’ Hij rommelde in de map en pakte een stapeltje fel gekleurde bladen met fotos, tekst en dikke strepen.    ‘Verhalen.’   ‘Denkt u daar over na? Om een verhaal te maken moet u toch typen?’   ‘Ik construeerde een scène.’   ‘Ah! Een filmschrijver. Dan heeft u helemaal een pakkende website nodig. Voor je “Hollywood” zegt, heb ik een website voor je in elkaar geknutseld. Mag ik je zeggen? We doen tenslotte bijna zaken.’ John spreidde bladen met ontwerpen van websites voor een Opel Manta vereniging, gebreidetruien.eu, een yogaschool, een wiki over modeltreinbanen en een senioren hardrenclub, op tafel uit. ‘Wat aansprekende voorbeelden, speciaal voor degelijke old-school heren.’ Hij roffelde met zijn knokkels op tafel en eindigde met een klap van beide platte handen. ‘Zijn ze gaaf of niet?’   ‘Elk verhaal heeft scenes.’ Ernst zuchtte diep. ‘Het is een afgeronde deelvertelling met een eenheid van plaats en tijd. Met een begin, middendeel en eind.’    ‘Aan wat voor scene dacht je?’   ‘Een schrijver die gestoord wordt en iemand met een steen de hersens wil inslaan.’   ‘Een Crime Story, insane! Hoe loopt het af?’   ‘Wij schrijvers hanteren het adagium: “Show, don’t Tell”. Als u een steen zoekt, show ik het einde.’

MCH
22 1

Origins

Ik herinner me de grote lijnen van mijn jeugd. Mijn vader had een propere kelder. Hij zorgde altijd dat het opgeruimd en stofvrij was. Misschien dat hij er daarom zoveel tijd doorbracht. Ik mocht er zelden komen, en toen ik hem eens vroeg wat hij daar eigenlijk deed, zei hij. 'Ik schrijf gedichten.'Hij legde me uit wat dat was in zijn woorden. Met zijn donkere ogen op mij gericht en een kwajongens glimlach. 'Eigenlijk is alles een gedicht.'Toen ik het nog steeds niet begreep gaf hij me een voorbeeld. Een gedicht van (min of meer) een woord.                                            AF                          AF                                             WIJ                 WIJ                                                 ZING      ZING                                                          AF Blijkbaar kon zoiets. Wat hij me eigenlijk gaf -besef ik nu- was niet per se een voorbeeld van een gedicht, maar toestemming. En ik wou ook een gedicht schrijven. Dagenlang ploeterde ik, maar ik kreeg niets op papier. Mijn vader vond dat amusant. 'Je moet schrijven wat je in je diepste voelt.'Ik vertelde hem dat ik niet wist wat ik voelde en hij glimlachte. 'Probeer het over enkele jaren eens opnieuw.'Ik besef nu dat hij altijd over pijn schreef.

Stelselmatig
19 1

Stilte die in beweging komt

Oververhit plof ik neer op een rotsblok. Terwijl ik een paar slokken water drink, screenen mijn ogen de langgerekte Andes. Ik bewonder de capriolen van de koeien en hun kalfjes in de schaduw van de fiere bergtoppen en heuvels. In de verte hoor ik de uitgelaten stemmen van de kinderen uit het dorp. Ik geef ze in gedachten een naam. Mijn soepele vingers wrijven over mijn reisschrift.   Tussen twee boomstammen in de vallei bengelt een veelkleurige figuur in papier-maché aan een touw. Zestien door de zon getaande benen bewegen in slow motion, draf of galop. De voeten zijn gevlucht uit hun nauw aansluitende sokken. Ricardo, Pedro, Fernando en Rafael giechelen in koor. Rosa, Gabriela, Juana en Luz trappelen van ongeduld. Hun zwarte haren zijn gevlochten of gebonden in een paardenstaart met een feestelijke strik. Om beurt worden ze geblinddoekt. Juana, la chica del cumpleaños, mag de spits afbijten. “No veo nada,” roept ze opgewonden. “Uno, dos, tres, cuatro, cinco, seis, siete, ocho, nueve, diez.” Na de verplichte draaiingen slaan ze erop los met een knuppel. “Alhi?” “Venga chica!” “A la derecha, a la derecha”. “Da la vuelta, da la vuelta.” “Alhi, alhi.”   Wanneer het hoofd na de vijfde poging eraf zwiept, gaat de marteling verder tot ook één arm eraan moet geloven. Het gebergte slokt het triomfantelijk gejuich op. Een harige man beweegt het touw omhoog en omlaag terwijl zijn borstkas gedwee het ritme volgt.   Na een fatale klap van de stevig gebouwde Pedro belandt de verminkte figuur met een plof op het gras. Handen grijpen naar de stortvloed van snoepjes en cadeautjes. “Quiero mas dulce,” krijst Gabriela. Een groot deel van Superman wordt hevig platgedrukt. Zijn kop dient als speelbal en één van zijn benen laat zich oostwaarts meevoeren met de rivierstroming.   Ze eten snel de lekkernijen op en gaan dan over tot het volgende spelletje. Met veel show proberen ze een bontgekleurde sombrero zo ver mogelijk weg te werpen. Per meter verdienen ze een punt. Fernando verzamelt als eerste acht punten. Hij krijgt een kroon en bepaalt wat ze verder spelen.   De Sombrero-koning laat zijn vrienden even sudderen en geeft dan duidelijke instructies. Met veel gejoel plaatsen ze zeven plooistoelen naast elkaar, afwisselend met de rugleuning naar voren en naar achteren gekeerd. Hierrond wordt gedanst en meegezongen op uitbundige Mariachi-muziek die uit enorme luidsprekers schalt. Telkens wanneer de muziek abrupt stopt, lachen de overblijvers voluit en neemt de afvaller met tegenzin een stoel weg. Uiteindelijk wint het feestvarken Juana maar het is de koning die opnieuw het volgend spel mag kiezen.   Fernando kiest ervoor om te dribbelen en te drijven. De meisjes hebben hier wel zin in, behalve Juana. Ze begint te jammeren en loopt weg.   Mijn ogen, oren en noterende vingers hongeren naar meer, maar ik heb nog een lange tocht voor de boeg. Ik gooi mijn spullen in mijn rugzak en vervolg mijn weg naar vrijheid. Onderweg bedenk ik een meer nobele variant van de klassieke stoelendans, waarbij aan het einde van de rit Juana en haar vrienden samen op één stoel overeind proberen te blijven.   Mijn gedachten reizen terug naar de lievelingsspelletjes uit mijn jeugd: verstoppertje, zakdoekje leggen, schipper mag ik overvaren, touwtje springen, hinkelen. Zoals de Amerikaanse journalist Ron Olson schreef, “My childhood may be over, but that doesn’t mean playtime is”.

Fatiha Berrazi
24 1

Terminaal

“Frank is terminaal,” zei Sonja tegen Gisèle die net haar nieuwe vakantievilla in Spanje aankondigde met zwembad, vijf slaapkamers en plaats voor een butler én een Thaïs dienstmeisje. Gisèle was een slanke, lange, rimpelige, oude pannelat die straffer kon opscheppen dan Donald Trump.  “Een cappuutje en misschien een tostietje met glaasje wit bij de Pain Quotidien.” Waarom had Sonja ingestemd? Gisèles onderonsjes waren monologen waar haar grootsprekende bek nooit op pauze stond. Het ergerde Sonja zo dat ze de drie woorden eruit smeet als een hulpkreet, een ultieme poging om Gisèles woordenstroom te stoppen.    “Frank?” vroeg Gisèle en ze nipte van haar cappuccino, “Terminaal?”    Tijdens het tuinfeest vorige zomer wilde Frank rattenvergif in de groenteburger van Gisèle stoppen. Of salpeterzuur in haar glas rosé. “Moet je opletten of Gisèle nog zo een grote waffel trekt,” zei hij. Sonja glimlachte om de gedachte, dat hij het eigenlijk had moeten doen.    “Wat lach je?” vroeg Giséle, eerder als bevel dan als vraag.  Sonja trok haar lippen in een streep. “OMG! Jullie komen snel op bezoek naar Spanje. Anders ziet hij het nooit. Klimt hij nog trappen? We hebben een bejaardenkamer op het gelijkvloers, de butler vliegt zolang naar het rommelhok.”    Sonja staarde naar de enge draak die zich haar vriendin noemde. Trok ze werkelijk meteen de aandacht naar haar klotevilla? Gunde ze haar niet even haar verhaal? Wat moest ze erger verzinnen? Frank was niet terminaal, of toch niet meer dan anderen. “Uiteindelijk zijn we allemaal terminaal,” mompelde Sonja.    “Je doet een moord voor de Dorada a la plancha in de Fan Farronear en op de oprit maakt een straatschilder Van Goghs. Die moét een portret maken van Frank, kan je later op je schouw zetten als herdenking,” zei Gisèle. Ze roerde in haar koffietas en liet bij elke vervolmaakte cirkel even het porselein rinkelen. Ze leek niet verbaasd te horen dat Franks laatste dagen geteld waren.     “Neem je snel een nieuwe?” vroeg ze zonder te wachten op een antwoord, “Ik vraag me dat vaak af: Als Jacques sterft, zou ik snel een nieuwe in huis nemen? Jij zit al een tijdje in de meno hé? Een nieuwe man? Ik denk dat ik een jonkie neem, mijn mossel lust er nog van en aan het nieuwe huis in Spanje zal er een zeilboot liggen. Een stoere schipper misschien. Met een kriebelbaard, dat is genieten.”    Sonja zuchtte en stond op: “Ik moet naar de plee.”    “Schat, alweer?” zei Gisèle, “In de dagkliniek repareren ze dat in een uurtje. Ik heb dat niet nodig, maar zou er niet over twijfelen. Niet handig, aandrang krijgen, als je mosseltje net naar adem hapt en klingelt op een boot. En maak het meteen wat strakker, daar houden jonge mosselvissers van.” Gisèle wees met haar magere vingers naar de plekken die gelift konden worden.    Sonja schudde haar hoofd en bedacht zich dat ze onmogelijk zichzelf kon doorspoelen. Straks nog even afzien en Gisèles gedraaf aanhoren, haar uitnodigen voor een tuinfeest volgend weekend, een dringend telefoongesprek faken, excuseren dat ze weg moet en Frank in de Brico rattenvergif en salpeterzuur doen kopen.   -- TIP VAN DE WEEK -- Tony Coppo tipt deze week 'Terminaal' van Tony Coppo.  "De tekst nodigde mij uit om meer te lezen van de auteur. Ik vroeg me af: Is 'Terminaal’ een toevalstreffer of spetteren zijn andere teksten ook van het scherm in beeld en gelaagdheid? Ja hoor, ze zijn heel goed. De bijpassende foto's maken de tekst veel sterker. Bij 'Terminaal' gebruikt Tony Coppo een slechte foto, wat ik jammer vind.Mijn tip: Proza en fotografie gaan hand in hand. Blijf dit consequent doen en kom aub met een bundel (tekst én foto's). Ik ben alvast fan! Ik werk in de maritieme sector aan de middellandse zee en ik weet dat heel wat cliënten op leeftijd, maar kwiek en hupsig troost en hoop kunnen halen uit de teksten van Tony Coppo."

TonyCoppo
46 2

Plastic drugs

“Komt daar weer een nozem buiten,” zei Marcel tegen zijn vrouw die opgeblazen het laatste cijfer in haar soduko invulde en voor de vierde keer vandaag een papiertje demonstratief afscheurde en het opgeloste raadseltje in de lucht zwaaide al was het een winnend loterijbiljet. Hij wees door het raam naar de voordeur van het huis aan de andere kant van de straat. Twee weken geleden loste een vrachtwagen daar eindeloze rijen dozen. Na drie dagen zonder dat de nieuwe overbuur zich liet zien, begon het: een altijddurend komen en gaan van psychiatrische sans-papiers. “Verslaafde maffioso's“ noemde zijn vrouw ze. Ze vermoedde dat de kersverse overbuur handelt in hasj, wiet, XTC en crystal meth, maar Marcel wist het niet zeker: Een uur binnen blijven om dan met een smile en een grote plastic zak weg te wandelen? Een veel te grote zak voor drugs.     “Moet je zien,” zei hij, “Nog éne.” De politie nam zijn vrouw niet meer serieus nadat ze voor de tiende keer paniekerig belde en smeekte om die bende op te rollen. De smerissen beweerden dat ze spoken zag vliegen. Verontwaardigd schold Marcel ze uit voor achterlijke gladiolen, sneuneuzen en onbekwame drollenvangers. Wilden ze hèm oppakken in plaats van die drugsdealer! Hij moest beloven hen niet meer te contacteren.     “Ik moet ’t weten!” Hij kon zijn curiositeit niet meer de baas.     Hij trok zijn vuilste broek, oudste jas en stoffigste schoenen aan alsof hij een dakloze is. “Zo val je niet op bij dat gespuis,” zei zijn vrouw. “Om zes uur eten we, hè!”     Met stevige tred stak hij de straat over. Het regende en het was al duister want de novembernacht zou weldra vallen. Hij sloop rond het grote raam en probeerde binnen te gluren maar zwarte gordijnen beletten alle inkijk. Deze bende was uitstekend georganiseerd en op hun privacy gesteld! Even aarzelde hij wanneer zijn vinger naar de deurbel reikte. Hij ademde diep in en versteende wanneer de bel rinkelde als een ijskreemkar.     “Kom binnen, vriend.” Sterke handen drukten de zijne en sleurden hem binnen. De voordeur knalde dicht in het slot. Hij kon niet meer terug? Help. Wit licht van TL lampen verblindden hem en deden zijn ogen knipperen. Vijf gekleurde plastic tafeltjes met telkens vier krukjes: rode, gele, paarse en oranje. Aan één van de tafeltjes zaten vier vreemdelingen voorovergebogen rond een aardewerken vaas die razendsnel tolde en hun handen met bruine drek besmeurde. In hun bedwelming keken ze zelfs niet naar hem op.     “Doe je jas uit, kies een stoeltje, ik kom zo met mijn karretje.” De grote buurman met tatoeages en dreadlocks glimlachte vals. Marcel beefde maar trok zijn jas uit en ging zitten. Wat een linke boel was dit? De witte muren van dit lab waren besmeurd met posters van zebra’s die vechten met een hyena, walvissen die springen uit de zee en beren die zalm graaien in een rivier. Een foto van een meerkat knipoogde en zei ‘Stay calm and do the thing”. Was dit hun leuze? Marcel was niet kalm en wilde ‘the thing’ niet doen. Nooit raakte hij drugs aan! Was dit het zenuwcentrum van hun kartel? In de films hingen er minder tierlantijntjes en droegen de bazen geen smerige bundels vervilt haar. Een chill pianodeuntje speelde door luidsprekers ingewerkt in het plafond maar het leek niet op zijn plaats. Geniale afleidingsmanoeuvres. Hij mocht ze niet onderschatten!     De buurman rolde een ijzeren karretje naar Marcels tafeltje. Het ding glom en deed Marcel denken aan zijn zeventigste verjaardag. Zijn vrouw trakteerde op een veel te chique diner in de Comme Chez Soi. Daar bolden ze zo kaas naar hun tafel - drie minuscule sneetjes aan vijfenveertig euro! - furieus had hij ze naar de ober zijn hoofd gesmeten. Maar dit karretje geurde niet naar kaas. Rook hij wasco?     “Wil je kleuren, tekenen of boetseren?” vroeg de buurman. Dit was codetaal. Kleuren is LSD? Boetseren hasj? Op het karretje lagen kleurboekjes van K3, leesboekjes van Alice in Wonderland en tientallen barbiepoppen in een houten kist. Eén was onthoofd. Gebruikten ze dit om te trippen? Gaapten ze hiernaar om hun roes te versterken? Zijn vrouw had gelijk: de buurman runt een schunnig drugskot!     “Ik wil niets,” fluisterde Marcel angstig met een schorre stem, “En ik heb geen geld.” Gelukkig lag zijn portefeuille thuis. Deze criminele gang wilde hem zeker bestelen. Naast zijn tafel stond een rek met potten klei, dozen stiften, flessen white-spirit en glazen bokalen vol glitters in felle kleuren. Wat een lef! De ingrediënten zomaar uitstallen? “Zie je wel, ze kochten de politie om,” mompelde hij, “Waarom negeerden die anders mijn waarschuwingen?” Eén van de vreemdelingen keek om en staarde achterdochtig met bloeddoorlopen ogen naar Marcel, die rood kleurde en hoopte dat hij niet ontmaskerd werd.     “Meneer Marcel, relax. Ik stel voor dat u begint met een mooie tekening. Dat ontspant.”     De drugsbaas schoof over het tafeltje een groot vel papier met lijntekeningen van een olifant die parmantig water spuit met zijn slurf en zette een doos kleurpotloden en een schaar voor de neus van Marcel. Was dit een test? Wilden ze dat hij coke versneed met een papierschaar? “Psychotherapeutisch centrum De Sleutel” prijkte in gedrukte letters bovenaan het blad. “Hoe verzinnen ze het?” siste Marcel, “Een creatieve dekmantel voor hun drugshandel!”     “Hier is alvast een plastic zak,” zei een assistent in witte laboratoriumjas, “Kan je straks je kunstwerkjes mee naar je kamertje nemen en aan je vrouwtje tonen.”     “Ik ben succesvol geïnfiltreerd,” dacht Marcel terwijl hij naarstig de poten van de olifant grijs kleurde, “Ooit rol ik dit netwerk op.”

TonyCoppo
82 3