Zoeken

Lulkoek en paaseivulling

  Het is nu eenmaal zo, beweert de kreupele, het moet rond dat fameuze kruis gestonken hebben naar ontlasting en urine, want als de geest het begeeft, dan houden ook de sluitspieren het voor bekeken. Ik hoop voor Marie-Madeleine dat ze goed uit haar doppen keek, dat ze niet in zijn stoelgang knielde, dat ze niet op haar knietjes zat te janken in zijn pies. Is dit beeld correcter dan al zijn opgesmukte varianten? Ik moet toegeven dat hij voor één keer terecht twijfel zaait, die vunzige hufter, maar hij blijft een kinkel. Kinderen mijden hem beter, want met één frase kan hij een jonge geest bederven, met één zinsnede kan hij een kinderziel klieven en als hij zure kool gegeten heeft, dan blijft hij maar doordrammen. Oké, er mogen dan excrementen gelegen hebben onder dat meest vereerde kruis. So what. Moet hij daarom blijven kwezelen, blijven emmeren en zeggen dat de vulling van paaseieren veel smeuïger en smeriger mag zijn, dat ze die wijwatervaten gerust met zieker sap mogen volgieten en straks begint hij weer met die opsomming van wat voor goors men kan verrichten in een biechtkotje. Het is niet goed, niet voor de gal, niet voor de lever, zelfs niet voor de fantasie van kinky koppeltjes. Hun lust zou snel bederven door de ongelikte lulkoek die hij uitkraamt. Als ik hem wil vergeten, dan denk ik aan Katja, want die etterbak heeft een absolute hekel aan tederheid. Hij lust geen tinteldrank in ranke glazen en Katja heeft de randen altijd graag versierd. Met korrelsuiker. Met een schijf citroen. Een zoen drijft nooit ver weg als lippen kleine kloofjes slaan en idylles kent hij niet, de kreupele, hij kijkt weg als ik een oogbol streel met blind gevoel, wanneer ik voor mijn Katja speelse prentjes uitzoek in die kisten van weleer, of in een lentecataloog, een titatoverboek en dan kan hij zich de neus danig optrekken dat snot zich mengt met hersenen. Aan de schimmel in zijn kop, aan de fungus die in zijn konterfeitsel groeit, wil ik niet méér woorden vuilmaken dan een belt verdragen kan en ik moet trouwens voort, ik moet naar De Blauwe Toren, naar de Stock Américain Vermeersch. Ik heb een sifon, ook een terugslapklep nodig want ik word bang, ik denk dat de afvoer van mijn spoelbak in verbinding staat met de smeerpijp van de mensheid. Ik vrees die vloed aan bagger. Het is een réseau de misère, een netwerk van buizen die alles leegzuigen en ik durf het amper. Ik moet voorbij het crematorium, wil ik bij die winkel van de familie Vermeersch geraken en ze zijn niet goed wijs, die oelewappers bij de Dienst Ruimtelijke Ordening van Stad Brugge. Het crematorium staat op nog geen driehonderd meter van de verbrandingsoven!  Alle lijkwagens, alle vuilkarren moet over datzelfde asfaltwegeltje! Normaal moeten de lijkwagens iets vroeger rechts afslaan dan de vuilniswagens. Ik ken de weg. Ik zal het nooit vergeten. Het was een zwarte dag met grijze wolken. Ik stond daar, in dat zaaltje met zijn deurtjes, kaarsjes, vlammetjes en ik weet niet hoe zijn functie omschreven wordt. Ik noem hem dan maar de asman. Of de asman die ik er ontmoet heb, daar altijd werkt, weet ik niet. Misschien sprong hij die dag in voor een habitué die zich 's morgens onwel voelde. Feit is dat Katja's asman een blauwe overall droeg met daarop het logo van IVBO, Brugse Verbrandingscentrale.  Hij stond allicht te grinikken. Buiten. De kreupele. Hij moet me gevolgd zijn met z'n oranje Honda Civic Automatique. De nummerplaat ken je en toen hij dacht dat hij zomaar plaats kon nemen in de ontvangstruimte, heb ik hem buitengebonjourd.  Voor Katja was er geen kist. Ze lag op een roestvrijstalen slede. Flauw benul speelde geen requiem en ze was getooid in een zuiver kleed. Het werd stil. Ik hoorde enkel nog het geknars van de wielen van de slede die zich in beweging zette. Haast geruisloos ging het juiste deurtje open en Katja verdween. De asman had een hart. Hij wilde na het gebeuren zijn middagmaal met me delen. Twee tv-worstjes lagen naast een zuurkoolkransje in een tupperwarepotje. Ik weigerde. Ook het dessert liet ik volledig aan hem. Het waren paaseitjes in roze wikkeltjes en de vulling, het hoe en waarom, alles staat in oudekinderboeken, in lexicons over natuur en techniek. Ik kan niet proeven, heb ik ingetogen tegen hem gepreveld, mijn smaak is dood, mijn tong te kreupel. Er liggen te veel levens op mijn lever. Mijn buikgevoel zegt. Dat al die ellende. Niet te verteren valt.     uit de reeks 'Residu'

Bernd Vanderbilt
10 1

Wortelen

Als ze geen zussen waren geweest, was het misschien anders gelopen toen de man met de kettingzaag kwam. Eerst ging Esja eraan, zij stond het dichtst bij het pad. De zaag raakte haar vol, niet ver boven de grond, haar lichaamsvocht spatte in het rond. Tikke, die er vlak naast stond, gilde en greep Esja beet, probeerde haar weg te trekken. En zo kwam ook Tikke tussen de zaagtanden terecht. Zij werd iets verder van de grond afgezaagd, de man hield de zaag een beetje schuin.Ondanks hun gegil volgden de andere 5 zussen al snel. De man had oordoppen op. Iedere volgende zus werd net iets hoger afgezaagd zodat ze er na afloop uitzagen als de pijpen van een kerkorgel.Escobar, de jonge plataan aan de overkant van het pad, zag het allemaal gebeuren. Hij voelde afgrijzen over het lot van de zeven abelenzusters. Het rondvliegen van lichaamssappen en splinters maakte hem een beetje misselijk. Maar ergens was het ook wel een opluchting voor hem. Er kon nu meer zonlicht bij de grond komen om zijn eigen wortels te verwarmen. Trouwens, bij milde briesjes lieten de zussen hun bladeren wel lieflijk ratelen, maar bij harde wind kreeg het geluid iets onaangenaam kakelends. Ja, bijna iets viswijverigs. En dan die proleterige gewoonte van jonge abelen om maar te pas en te onpas op te schieten uit de wortels van oude soortgenoten, zoals de zussen deden op de wortels van de oude Dris. Parasiteren op het voedsel en het water dat de oude boom zelf nodig had, dat was het. Het was goed dat daar korte metten mee werd gemaakt.Dris zelf dacht daar anders over, zijn bladeren ratelden in een murmelende klaagzang. De wind trok aan en de bladeren van Dris, moe van het murmelen en wapperen, vielen uit, suizend, knisperend en zuchtend. De wind trok verder aan en de lucht betrok. De man keek omhoog, pakte zijn zaag in en verliet het bos. Er vielen een paar dikke druppels.De wind ging even liggen en het hele bos was stil. De lucht werd donkerder en donkerder, de wind stak weer op. Een onweer barstte los. Escobar werd geveld door de bliksem. Er waren geen andere platanen in de buurt om om hem te treuren, maar door de takken van de abelen, de meidoorns en de essen fluisterde een zucht van verdriet.Na de winter zond Dris zijn sapstromen niet alleen naar zijn eigen takken, maar ook naar al het wortelopschot dat hem omringde, zelfs naar de orgelpijpresten van de zeven zussen. Het bleek niet voor niets, een voor een liepen zij weer uit, vormden knoppen, kregen bladeren. Esja was de laatste bij wie het lukte en een blij geruis ging door het bos om het begin van de lente. Escobars verkoolde stomp bood inmiddels onderdak aan een specht en een familie zwammen. 

Marijke Roza-Scholten
3 0

Textielgoed, erfgoed

 Honderd jaar geleden floreerde de textielindustrie in Nederland tierig. Die industrie is allang opgedoekt, maar tegenwoordig is het vocabulaire uit die sector eveneens vrijwel van kant gemaakt. Bijvoorbeeld: Wie kent nog de linnenkast? Bijna niemand. We spreken van garderobekast, kledingkast of inloopkast maar linnenkast? Nee.Ik wil niemand van katoen geven, maar wie van onze kreukvrije generatie draagt er linnen? Verder wil ik iets anders uit de doeken doen. We kennen de theedoek, toch? Wat heeft die met thee te maken? Vast iets, maar ik droog sinds mensenheugenis mijn vaat met de theedoek. Is dat de bedoeling eigenlijk, vraag ik me af. Want met mijn vaatdoek doe ik dus niet de vaat, maar poets ik het aanrecht. Er is, klaarblijkelijk, wat mis met onze taal óf met mijn gedrag, maar ik zie anderen hetzelfde doen dus doe’k het ook.Een zakdoek. Nog zoiets. Nagenoeg niemand heeft er eentje op zak en droogt er z’n zak mee af. Althans vrouwen niet. Die duurzame zakdoek is allang ingeruild voor de papieren tissue. Idee van onze wegwerpgeneratie en passend bij veelvuldig snikkende vrouwen, snuitende mannen en snotterende kinderen.  Dan de handdoek! Dat je daarmee weliswaar je handen droogt beschouw ik als een doekje voor het bloeden want je droogt  eveneens de rest van je lichaam ermee, dus ook dát woord is een wassen neus. Het grappige is dat we het doekje waar we wél alleen handen mee drogen vervolgens gastendoekje noemen! Gast, dat is toch bizar? Voor zover we handen überhaupt wassen. Ik kan me voorstellen dat rappers bij het woord ‘doek’ eerder aan witwassen dan aan handen wassen denken. Maar dat terzijde. De commercie heeft geprobeerd om de handdoek qua reputatie op te lappen door deze qua formaat te vergroten en douche- of badlaken te noemen. Alsof ze alleen in douche of bad bruikbaar zijn. Los daarvan, het zijn geen lakens want die twee kunnen zich niet meten aan de witte lappen die we wél als beddengoed  gebruiken. Die delen in bed nog altijd de lakens uit.  Al met al hoeven we er geen doekjes om te winden: het is schering en inslag als het gaat om verkeerd samengestelde woorden op textielgebied. We moeten onze verstofte taal uit de mottenballen en door de mangel halen. Vooral niet meteen de handdoek in de ring willen werpen. Een gastendoekje volstaat voor ‘Prince’ Verhoeven en ‘Bad Boy’ Hari. 

Annemagenta
3 0

Cijferpijn en letterleed

1-KGB-911 is geen diplomatieke nummerplaat want die beginnen met CD. Voor de rest lijkt het me beter om het gewoon toe te geven. Ik heb een nummerplaatobsessie. Ik verzamel ze. In mijn synapsen. Niet dat ik zo sterk ben als Solomon Sherashevsky. Trouwens, een groot verschil is dat Solomon fier was op zijn capaciteiten. Met plezier liet hij zich bestuderen door neuropsychologen. Ik niet. Mij kwelt het enkel en de smarten die bepaalde cijfers en letters veroorzaken, variëren. Het gaat van balorige weemoed, over pijn in de lever van mijn zelfbewustzijn, tot panische angst bij het zien van sommige nummerplaten. Ik kan enkel hopen dat ik bepaalde cijferlettercombinaties niet tegenkom, dat ze niet op me af komen rijden, geen gifkikkergroene Massey Ferguson van het type 35 en geen enkele Volvo 740. Dat zijn ze de meest te vrezen rijtuigen en het is dom van mij om daar zelf over te beginnen. Ik doe mezelf iets aan. Gelukkig is er Xanax, de godin van de kalmte, met haar rustgevende kruidenbollen, met haar bijen. Ik gun mezelf dan angeltjes met dronken tegengif. Ook ken ik trucjes om de kreupele buiten de deur te houden. Ik zal ze niet verklappen, want hij leest alles en als die sleeppoot zou rondrijden in een karretje, dan zou het geen Porsche 911 zijn, maar een Honda Civic, gebouwd in 'het jaar stilletjes'. Betty heeft er ook zo één. Een witte. Die van de kreupele moet echter knaloranje zijn, zodat ik hem goed kan zien aankomen. Het is best een automaat voor die oen met manke linker poot en verder staat 911 niet enkel voor stervelingen die maar uit wolkenkrabbers blijven vallen. Het staat ook voor negen november. Op die dag van het jaar 2002 zag ik de kreupele voor het eerst. De nozem zat eerst half verscholen achter een zerk op de Centrale Begraafplaats te Assebroek. Twee minuten later stond hij tegen een kruisbeeld te plassen. Neen. Een kruis dat danig naar urine ruikt, is erover, het zorgt voor reflux en misnoegen. Pas op dinsdag 8 december van het jaar 2009 zag ik hem weer. Hij stond aan een mariabeeldje te prutsen in de gang met prullarai. Hij kwam weer eens naast me staan, zei dat een mantel van tin loodzwaar moet zijn en hij wees naar buiten, naar de Lexus van Tanguy. 242-ESB las ik, terwijl BSE-242 de nummerplaat van mijn vader is en ik hoorde in de verte weer mijn favortiere hymnes van opstand, daarna al snel het gebonk van ontreddering. Front 242 dreunde weer door de ruïnes van weleer en dat is muziek die hij verfoeit, die verafschuwd wordt door die zieke os. Hij is een onwel rund dat blijft voortzoeken naar gewillige grietjes. Zelfs minder gedweeë freules moeten eraan geloven. Hij is net zoals Tanguy en een Lexus moet zich gewillig laten sturen. Rond half zes verlieten ze gezwind de parking van de kringwinkel, Tanguy aan het stuurwiel en Katja haalde zalf boven. Tanguy moet zijn hand al richting Katja's kruidentuin bewogen hebben, nog voor ze de poort gepasseerd waren. Dat terwijl onder haar zonnebril nog een blauw oog zat te lijden en ik had ze niet geteld, maar ik wist het. Er stonden om kwart voor zes nog 1153 boeken in de rekken. Slechts twaalf waren er verkocht die dag. Ook een singeltje van Will Tura met een telefoonnummer. Vals, verzonnen door een kleuter en onbestaand is dat nummer. De smeerlap! En dat terwijl dozijnen Vlaamse zeugen biggen van hem willen. Je zou de indruk krijgen dat de kreupele mij bijstaat in bange tijden, dat zijn commentaar relativerend werkt, maar niets is minder waar. Hij kraamt enkel vunzigheid uit en vertelde me die avond, toen ik op het bankje bij de azijnfabriek zat, dat hij aan Katja geroken had, dat ze geurde naar starre rozemarijn waarvan de twijgjes maar niet knakken willen en hij had haar slipje naar beneden getrokken, toen ze in een pashokje nog snel een bloemenkleedje uitprobeerde. Hij beweerde zelfs dat zijn neus het vruchtvlees bijna had aangeraakt. De jurk had Katja teruggehangen. Te breed. Te dun geworden was dat laagje hoop op beter leven en voor ze wegging, heeft ze me enkel gevraagd om Vaarwel Krokodil, of de Prijslijst van het Geluk opzij te leggen, mocht dat boekje ooit binnenkomen. Tanguy stond ver genoeg, een Snoecks terug te zetten. Ze sprak stil en zei dat ik haar dan kon bellen, op dat ene, korte nummer. Enkel het codewoord Azijnfabriek mocht ik dan zeggen en nog geen maand later wilde het geluk, lag dat krokodillenboekje in die bruine bak met opschrift 'te sorteren'. Al het leeg karton, de drie karren met tot vod gedeclasseerd textiel, alles heeft toen mateloos voor mij gebeden, dat ik haar mocht vinden en het was op een dag met zeven letters dat ik het boekje in haar handen leggen kon, ginds op het bankje van bevrijding en vergeten eenzaamheid. Nu, jaren verder, staat ze er nog altijd, de bank, en in de planken van de rugleuning zijn ze goed en diep gekrast. Letters. Tekens en symbolen. Cijfers van gedeelde breuken. Die weerbarstig leed geworden zijn.     uit de reeks 'Residu'

Bernd Vanderbilt
21 1

Zeven dagen - fragment

Dit is het begin van "Zeven dagen", een historische roman over de Amerikaanse burgeroorlog van Bert Dekimpe. Meer info en bestellingen: zie www.bertdekimpe.be. Die ochtend namen de drie leden van het gezin Palliser plaats voor het ontbijt aan een rijk versierde tafel in de elegant ingerichte woonkamer van één van de fraaiste huizen in Main Street. De familie behoorde dan ook tot de voornaamste van Richmond. James, het gezinshoofd, maakte als gerespecteerd jurist en vurig pleitbezorger van de onafhankelijkheid van Virginia deel uit van het Congres van de Geconfedereerde Staten. Zijn vader zaliger, de eerbiedwaardige rechter Harrison Palliser, zou trots geweest zijn op zijn zoon, en zijn grootvader Joseph, die nog aan de zijde van Washington had gevochten tijdens de revolutie, nog veel meer. Een nieuwe naam zou er aan deze lijn van succesvolle Amerikanen niet toegevoegd worden, want James’ vrouw Martha had hem enkel een dochter geschonken. Harriet was net eenentwintig geworden. Een knappere jonge vrouw met mooiere blonde krullen was er in de stad niet te vinden, maar ook geen enkele die haar vaders geduld zo koppig op de proef kon stellen.Of dat van haar moeder. Harriet keek haar met een diepe frons aan toen Dorothy het ontbijt opdiende. ‘Maïsbrood?’‘Ook voor ons soort mensen worden de gevolgen van de blokkade stilaan voelbaar, lieverd. Wees blij dat we tenminste nog van een uitgebreid ochtendmaal kunnen genieten. Er zijn mensen die het met veel minder moeten stellen.’Harriet verontschuldigde zich voor haar kieskeurigheid. Moeder had overschot van gelijk. En ze mocht dan wel niet dol zijn op maïsbrood, ze kon het nog altijd doorspoelen met koffie. Echte koffie, gemaakt van echte bonen, en niet van eikels. Ze schonk zichzelf en haar ouders een dampende kop in.‘Laat Dorothy dat toch doen,’ zei haar vader. ‘Straks verbrand je je nog.’‘Dus als Dorothy zich verbrandt, is het niet erg?’‘Wat ik bedoel is dat ik niet wil dat mijn dochter zich bezeert. Dorothy is dit soort dingen gewoon.’‘Wat moet er van mij worden als ik niet eens een kop koffie kan uitschenken? Wat moet er van ons land worden, als het bevrijd is van de Yankees maar voor de kleinste diensten afhankelijk blijft van de negerbevolking?’‘Sla niet zo’n toon aan, meid!’Hoe vaak had James zijn dochter al niet op die manier toegesnauwd? Altijd greep hij dan naar de leuningen van zijn stoel, alsof hij op het punt stond overeind te springen en zichzelf wilde tegenhouden. ‘Straks ga ik nog denken dat je een abolitioniste bent. Het is niet aan ons om de orde die de Heer heeft ingesteld te verstoren. Daar had de dominee het nog over in zijn preek vorige zondag. Maar dat heb je natuurlijk niet gehoord, omdat je weer naar die vlegel van een Goodman zat te lonken.’‘En wat is er mis met Matthew Goodman? Hij is een aardige jongeman. Knap bovendien, als ik zo vrij mag zijn. En hij heeft een goede baan bij de regering.’‘Als klerk, godbetert.’ Haar vader greep naar zijn servet. Hij leek niet alleen de kruimels, maar ook het misprijzen van zijn gezicht te willen vegen. ‘Op de koop toe is hij de zoon van een simpele winkelier. Haal je dus maar niets in het hoofd.’Het typeerde James Palliser dat hij de beste boekhandelaar van de stad een simpele winkelier noemde. Harriet bezocht de Goodman Book Store regelmatig. Haar ouders dachten dat ze er huishoudmagazines en onschuldige damesromannetjes kocht. Soms was dat ook zo. Maar af en toe schoof meneer Goodman haar één van die bijzondere boeken toe die je uit evenwicht brachten, boeken waar je haast fysiek ongemakkelijk van werd en die je achteraf niet meer loslieten. Dat ene boek over het leven van de slaven op de plantages bijvoorbeeld, dat ze vol spanning en in het grootste geheim had verslonden. En in de boekhandel had ze niet alleen geweldige schrijvers leren kennen, maar ook Matthew. Een Hercules was de jongen niet. Hij moest het meer van zijn charme en intelligentie hebben. Een paar jaar lang had ze hem amper gezien, omdat hij studeerde in Washington, waar zijn moeder vandaan kwam. Van zodra de secessie dreigde kwam hij terug naar Richmond en tot Harriets grote vreugde was hij haar niet vergeten. De genegenheid die ze voor elkaar voelden groeide met de dag. Zonder die vervloekte oorlog had hij haar misschien al veel uitgebreider het hof gemaakt, wie weet zelfs ten huwelijk gevraagd. Misschien was het beter zo. Haar vader zou het nooit goedkeuren. Hij droomde ervan om haar te koppelen aan John Cooper, de zoon van een bevriende planter. Geen kwaaie jongen, aantrekkelijk zelfs, maar hopeloos ouderwets. Ze kon zichzelf ook niet aan het hoofd van een grote plantage voorstellen. In de stad hoorde ze thuis, niet op het platteland tussen de tabaksplanten en de insecten. John moest nu ergens aan de Chickahominy gelegerd zijn, niet ver van Richmond. Op onbewaakte momenten hoopte ze bijna dat hem iets zou overkomen. Maar dan schaamde ze zich verschrikkelijk, en bad ze in stilte en vol schuldgevoel voor Johns behouden thuiskomst.‘Waarom zit die kerel trouwens niet in het leger, zoals alle gezonde jonge mannen?’Wat gemeen om daar weer over te beginnen, dacht ze. Hij wist heel goed dat Matthew als overheidsambtenaar vrijgesteld was van militaire dienst. Hij had de conscriptiewet nota bene zelf goedgekeurd. Ze wilde hem net van repliek dienen toen hun andere slaaf binnenkwam. Moses was een opgeruimde knaap van een jaar of vijftien. Harriet mocht hem graag. In de nabijheid van haar vader echter maakte zijn opgewekte en fiere karakter steevast plaats voor onderdanigheid en schrik. Toen hij de krant overhandigde leek Moses wel een kop kleiner dan normaal.Harriets vader nam het dagblad zwijgend in ontvangst en gaf met een wuivend gebaar te kennen dat de jongen kon beschikken. Vervolgens zette hij zich aan het lezen. De bezorgdheid op zijn gezicht nam zienderogen toe.‘De Richmond Examiner lijkt elke week dunner te worden,’ merkte haar moeder op.£‘Er moet nochtans genoeg nieuws te rapen zijn. Ze zeggen dat de Yankees vlakbij zijn en Richmond willen innemen,’ zei Harriet.‘Maak je niet ongerust. Er staan duizenden goed verschanste troepen klaar om de stad te verdedigen. Generaal Lee heeft alles onder controle.’‘Onder controle? Ik kwam gisteren mijn vriendin Louisa tegen. Je weet toch dat ze vlakbij het kerkhof woont? Ze vertelde dat de doodgravers handen te kort komen om de doden op tijd te begraven. Vorige zondag nog lagen tientallen lichamen in de volle zon te rotten. De geur…’‘Harriet, alsjeblieft,’ zei haar moeder.‘Genoeg, Harriet! Die mannen hebben hun leven gegeven voor een nobele zaak. Ze verdienen ieders respect en bewondering.’‘Dat bedoel ik net, vader. Het is een schande voor onze stad dat haar gevallen zonen op die manier behandeld worden.’£‘Het probleem is ons bekend. Ik zal de zaak nog eens bij de stadsraad aankaarten. En laat het ons nu over iets aangenamers hebben. Of beter nog: zwijg gewoon, zodat ik mijn krant kan lezen.’Heel even leek hij zijn zin te krijgen, tot een dreigend gerommel in de verte de stilte aan tafel verstoorde. Gedonder zonder onweer kon maar één ding betekenen.‘Dorothy!’ riep moeder. ‘Doe dat raam eens dicht, wil je?’

Bert
100 1

Datsunboy

  Het is een schoon huis met smerige hoeken. Er woont een advocaat en in datzelfde jaar ben ik drie keer tegen zijn façade gereden. De woonst staat vlak na een nare bocht. Eén keer kwam het door ijzel, de tweede maal lag er een oliespoor en de derde keer was na een happy hour. De cocktail was een mengsel van bruidstranen, sap van appeldoorn en wat bloed van Maria, een kwak cognac er nog bij en de bocht had mij weer uitgelachen. Ik was tegen die gevel beland, opnieuw tegen diezelfde hoek en weer was het met de Datsun van mijn grootvader. In mijn kelder liggen er al twee bumpers, één gekneuzde radiator en drie koplampen met een gebroken bril. Het zou allemaal minder erg geweest zijn mocht daar een windmolen staan, zo eentje als in Damme of te Pittem, een cilindrische of een conische. De Datsun zou afgeketst zijn op de ronding, ik had hoogstens de bumper wat moeten uitbuilen, maar nu had het me telkens aardig wat duiten en veel moeite gekost om de automobiel van bompa Edmong te repareren. Bovendien woont er een advocaat. Die gevelhoek is van hem en ik zag al een proces aan mijn broek hangen. Van een gemoedelijke molenaar kom ik er van af met een vloek, een oorvijg, een muilpeer en de eis om 's anderendaags, samen met Kortjakje, dat bumperspoor te komen wegschilderen, zo dacht ik. Het is de advocaat van de Duvel die daar woont. Nog een geluk. De eerste keer was hij nog naar buiten gekomen, had me aangekeken, diep in de ogen en hij had drie woorden gesproken. Een Datsun begot. Hij was weer naar binnengegaan zonder verder iets te zeggen. Ik zag een licht aangaan in een ruimte met een wc-venstertje. Samengevat, het was een bijna bijbels tafereel. Het leek al vergeven voor het gebeurd was, of lag het aan mijn pupillen? Had hij het gezien? Dat kan. Het was, mijn vriend, minder erg dan een platte kat, minder driest dan een gemolesteerde mol en het is jaren geleden. Achttien moet ik geweest zijn. Ik sta aan het venster van mijn slaapvertrek, zowaar tegen een spin te praten. Ze woont in de rechter bovenhoek van het raam. Aan de buitenkant en het is enkel de kreupele die weer alles weet. Hij heeft een tekening meegebracht van een ezel. Het hoofd lijkt op dat van een zeepaardje.  Mooie pony, zeg ik en hij zal weer met zijn commentaar afkomen. Dat ik in datzelfde jaar vast en zeker ook drie keer mijn beste oog ben kwijtgeraakt tijdens het boogschieten. Dat de kans daarop even groot is. Dat het allemaal verzinsels zijn en bompa Edmong niet eens een Datsun had, maar een Alfa Sud. Nooit zou Edmong een japanner gekocht hebben. Dan nog liever een Italiaanse roestbak. De Japanse vestiging van Lattoflex is intussen al lang failliet. Ik slaap nog slechter dan in die tijd en ik heb er gisteren eentje gekocht. Het autootje zit in een doosje. Het is een Datsun Cherry in een kleine garage van karton en hij is voor Dorian. Morgen wordt hij acht en ik vind het een geschikt cadeau. Hij hoeft de ganse story niet te weten, ook niet dat het een aardig vrijkarretje zou kunnen zijn voor zijn moeder en mijzelf. Het is in ieder geval beter dan een donut in een zakje, een te klein zwembandje, want Dorian oogt ietwat gezwollen en het is ook geen ticket voor een pretpark met 99 luchtballonnen plus 1 grote desillusie. We kunnen toch niet met een Datsun naar Dadizele. Edmong had, en het is waar, een Alfa Sud. Het ding ging twee jaar geleden naar een roesthandelaar in Meulebeke, Edmong in datzelfde jaar naar zijn hemel en morgen zal ik mijn geschenk aan Dorian geven, tijdens de wandeling in het Warandepark. Katja zal mij eerst vragen waarom dat leplampje in haar berghokje nog urenlang blijft nagloeien. Lekstroom van een hart dat altijd bij je is, zou ik willen antwoorden. Er mag ginds in dat park een briesje staan, licht en haast onvoelbaar. Zonnetjes mogen schijnen, desnoods zo flauw en luw als leugentjes van psychologen die het hebben over beterschap. Geef knuffels of gewoon, samen knus bij de haard, vreugde bij een open vuur, vergeef en vergeet, zet een pot vreedzame soep, misschien op een stoof uit Leuven en roer zacht.  Zolang er maar geen kopje van een troeteldier in die pot zit en ik wil nog veel meer aan Katja vertellen, warme woorden fluisteren, avonturen schilderen in haar rode oren, want het zijn niet enkel ledlampjes die nagloeien. Onderzeevulkanen kunnen zo lang en zo hevig nasmeulen dat een opblaasbootje drie mijnenvelden verder vlotjes smelt, danig vervormt dat de hoop om ooit nog wal te vinden weldra naar de haaien is. Ik weet dat van een oud-strijder. Hij is de vader van die advocaat en woont op de eerste verdieping, in datzelfde huis met die smerige hoek. Hij moet er fregatten maken in zijn kamer, modelbouw en de derde keer dat ik er de voorkant van de Datsun geplooid had, is die kwartiermeerster naast me komen zitten op de passagierszetel. Ik was teut, de radiateur liep leeg en de motor begon warm te blazen. Hij draaide aan de contactsleutel en de Datsun zweeg. Mijn hoofd steunde op de wreven van mijn handen die het stuur niet wilden loslaten. De ouwe krijger legde zijn voorhoofdsharen goed en sprak: Big boys don't cry. Hij zong bijna en pas na drie oudstrijdersverhalen was mijn vader daar, met een sleepkabel en een handjevol kaakslagen. Achter zijn Volvo heeft hij de Datsun naar huis gesleurd. Ik zag de molen van Damme passeren, moest af en toe remmen om hem niet de achterlichten in te rijden, om zijn kofferdeksel niet te rammen en thuis zei moeder dat ik in het vervolg niet zomaar alles naar binnen mocht kappen. Geen meisjesdrab noch bruidstranen, nooit méér dan twee duvels, zeker geen VSOP uit de USSR, en de koude oorlog was weer herbegonnen. Moeder sneed met het patattenmes een vingertopje af, een wortel viel en de kat kroop door een dakraampje. Ze sprong, niets brak en vader zei dat Loulou kreupel werd, dat die honden toch gelijk wat freten. Zelfs een pony met een hoofd dat lijkt op dat van een zeepaardje, moet ik gedacht hebben.   uit de reeks 'Residu'

Bernd Vanderbilt
8 1