Zoeken

In loving memory of my aching heart, it beats only for you, my love

                            ‘The night contains no darkness for those embraced by their lover’     The moment I can’t stand this room anymore, Is the moment I will never be able to enter it again And I feel like not knowing you forever is gonna break my heart to leave nothing but emptiness instead And right now I feel no love in the space between, and often the                    space between was the very thing that held on close enough to even touch that space sometimes And maybe heartache is just underneath the top layer of the heart for those who fear the possible And not talking is very different from not talking ‘anymore’   In loving memory of my aching heart, It beats only for you, my love   A misunderstanding, possible in any form of rapid communication, leading itself further and so, creating new places I think I don’t feel comfortable in To miss, to miss the feeling of home, that you so truly are to me I’m so afraid of what I’m feeling because maybe I am saying goodbye too often because I feel too much too often And I don’t ever dare fake smiling to myself in the mirror  because that would break my heart too And there is no safe space left in a world of things that are seethrough And I am so glad you are just being right now because I couldn’t bare you comforting me ever again   But only angels know that there is a place kept for lovers like us;   And remember you gave me wings of desire                 Nick Cave’s ‘Green Eyes’ made me seek the deepest colours hidden in my lovers eyes maybe I fear the change of a feeling, felt during a certain song, because sometimes that feeling was all there was left but there are different ways of saying that  [1] [1] This is a prayer to you, my love

Jill De Waele
34 0

Voortaan zou hij wij zijn.

Het viel niet in goede aarde, geef toe, er zijn grenzen. Hij wou niet langer als appelboom door het leven gaan en ging vanaf nu appelen en peren baren. De liefdesboom was in de verkeerde stam geboren, beweerde hij. Een opgesloten ziel. Hij werd wij. Te gek voor woorden. Er waren vooral Roomse bezwaren. Was Eva dan voortaan de peer? Een uitdrukking die de Hollandse linde niet meteen begreep ook al was hij zelf een hybriede. Fruit is fruit, opperde de gestutte notenboom, wat zoals steeds in dovemansoren viel. Nog een geluk dat hij geen bananen koos, grinnikte de zwarte bessenstruik, wat een apenland. De liefde is voortaan een wij, verbeterde de jonge laagstam, gedaan met dat hij en zij. Ondertussen kent iedereen een Adam met Adam. Iets wat de hazelaar maar matig apprecieerde. Hij, zei hij, sorry wij bedoel ik, wij dus, was al een zelfbevruchter en nu dit, nooit content. Laissez passer l’orage, oordeelde de reine-claude, wij fait de son cul ce qu’il veut. Wat de noordkrieken in een Franse colère deed schieten. Niet terzake skandeerden de bruine walnoten: eigen volk eerst, maar de andere fruitbomen konden dat gezwets al lang niet meer pruimen. Samen sterk, riep de moerbei. Waar de pereboom, de enige real one, theatraal en als een king aan toevoegde: vooruit! Gooi het op instagram en wij hebben hem liggen. Weg ermee! krijsten de stekelbessen en lapten er ook onterzake aan toe: linkse ratten! Wij nemen hem te grazen, slaan hem tot moes. Geen licht meer, geen lucht, geen leven. Stilte! De wind kon het niet meer aan en raasde doorheen de boomgaard. Takken werden afgerukt. Tot het over was. De tamme kastanje schudde zijn kruin. Hoog stak hij boven de andere uit. Er zijn niet altijd woorden nodig om de waarheid te zeggen.  

Dorlan Slefficsroth
29 1

Vast

De ijzeren poort valt met een metalige klik achter me in het slot. Een paar seconden lang blijf ik staan en wrijf met mijn linkerhand over mijn geschoren kop. Buiten. Voor het eerst in jaren proef ik echte verse lucht in plaats van die mengeling van stinkende sokken, zweet en waterachtige tomatensoep. Dit voelt fucking great. Het is vreemd om terug mijn eigen kleren te dragen, ze herinneren me aan de jongen die ik was toen ik hier binnenkwam. Ik zet mijn oude Antwerp-pet op, krom met beide handen de klep. ‘Christos!’ Met uitgestoken hand komt Hugo naar me toegelopen. Zijn kaki parka is te groot en de pijpen van zijn geklede broek te lang. ‘Ben je er klaar voor?’ Ik vergeef hem zijn zenuwachtige lach, ik moet mijn focus zien te behouden. ‘I was born ready, Hugo. Ik ga het goed doen deze keer. Serieus.’ Ik schud zijn slappe hand en trek de kraag van mijn jeansjas recht. ‘Hebben we nog tijd voor een sigaretje?’ Zonder zijn antwoord af te wachten schud ik een Bastos uit het verkreukelde pakje en steek hem op. De eerste trek is altijd bitter, maar hier komt de smaak zoveel sterker binnen dan achter de muren. Ik heb zo lang uitgekeken naar het moment dat ik hier zou staan. Het is anders dan ik had gedacht dat het zou zijn. Ik neem een trek, gooi mijn hoofd in mijn nek en adem nog dieper in. Hugo glimlacht en neemt plaats achter het stuur terwijl ik de rook langs mijn neusgaten uitadem. Aan de autospiegel hangt een grote rode dobbelsteen van pluche. Normaal rook ik mijn sigaretten helemaal op tot aan de filter, binnen zijn ze schaars goed en vooral overprijsd. Nu neem ik haastig nog een lange trek, gooi de halve Bastos op de grond en trap hem uit met mijn voetzool. Gewoon omdat het kan. Binnenkort kan ik zoveel sigaretten kopen als ik wil. Ik open het portier van de wagen en probeer plaats te nemen op de passagiersstoel. Mijn benen zijn te lang, mijn knieën zitten pijnlijk tussen mijn eigen lijf en het handschoenkastje gekneld. Wanneer we een twintigtal minuten later een parking oprijden, krijg ik een opgewonden gevoel in mijn maag. Mijn darmen rommelen en mijn linkerbeen trilt onophoudelijk, ik krijg het maar niet onder controle. Ik hoop dat Hugo het niet opmerkt. Ik moet deze job gewoon binnenhalen. Mijn hele toekomst hangt van dit moment af. ‘Het is zover,’ zegt hij zacht terwijl hij de motor van de wagen stil legt. Het is aan mij. ‘Wat is het eerste dat je gaat doen wanneer je vrijkomt? Ik bedoel, als je deze job in de wacht sleept?’ Ik hoor een lichte aarzeling in zijn stem. Nu pas besef ik dat ik niet weet of hij op de hoogte is van mijn dossier, maar zijn blik verraadt niets. ‘Weet ik niet. Ik mag de rest van mijn straf in huisarrest met een enkelband uitzitten. Overdag werken, ’s avonds thuis.’ Zonder er erg in te hebben leg ik een rare klemtoon op het woord thuis. ‘Ik wil wel naar het frituur gaan. Een grote met satékruiden en een curryworst special bestellen. Met curryketchup.’ Hij lacht en legt zijn warme hand op mijn schouder. ‘Ik weet zeker dat je het goed gaat doen. Blijf gewoon rustig. Laat je niet uit je lood slaan, jongen. Je bent het waard.’ Ik kan me niet herinneren dat iemand ooit zoveel vertrouwen in me heeft gehad en ik vind het moeilijk om niet te laten zien hoe erg zijn woorden me raken. ‘Ok. Wish me luck!’ zeg ik terwijl ik mijn opgetrokken benen uit de auto wring. ‘Ik duim, man. Ik kom je binnen een uur hier weer ophalen.’ Ik sla het portier van de wagen dicht, te hard, en loop naar de deur waarop ik in witte letters ‘onthaal’ zie staan. Wanneer ik achterkom kijk, zie ik dat Hugo een duim naar me opsteekt.  Today is the first day of the rest of your life, denk ik terwijl ik even een vuist maak om mezelf op te peppen. Ik wil naar het onthaal lopen, maar mijn voeten willen niet mee. Achter me start Hugo de motor terug, voor ik het besef rijdt hij weg. Voor het eerst in bijna tien jaar ben ik helemaal alleen. Niemand heeft me in de gaten, ik zou perfect kunnen weglopen. Tegen dat Hugo door heeft wat er gebeurd is, zou ik allang verdwenen zijn. Het weer is omgeslagen, de wind striemt in mijn gezicht. Binnenkort is het zover, de speeltijd is voorbij. Verstandig zijn. Ik mag het deze keer niet verpesten. Mijn blik glijdt over het grote gebouw waar ik binnenkort zal komen werken. Het is zo indrukwekkend groot dat ik er ongemakkelijk van word. Hoe moet ik dit allemaal doen? Ik knijp mijn ogen dicht en probeer rustig adem te halen, zoals ik het in de agressiebegeleiding heb geleerd. Dit keer lukt het niet, ik krijg bijna geen lucht binnen. Ik heb een groot deel van mijn volwassen leven achter tralies doorgebracht, en nu moet ik het plots zelf gaan doen. Waar zal ik gaan wonen? Ik adem diep in en uit en begin doelloos te wandelen. Ik moet mezelf zien te kalmeren. Ik mag het niet verpesten. Niet nu. Wat als ik niet sterk genoeg ben? Wat als het weer fout loopt? Ik kan dit niet. Dit komt niet goed. Wat moet ik doen? Het lijkt wel of er een steen van honderd kilo in mijn hoofd zit. Ik kan niet helder meer nadenken, ik moet hier weg.

Annelies Leysen
0 0

Brief aan mijn psychiater

Ik at vandaag een overrijpe peer en vergat mijn medicatie te nemen. Dat waren allebei aangelegenheden met een bijzonder gevolg. Het vruchtvlees van een overrijpe peer is vaak korrelig en dat vind ik vreselijk. Om de smaak zo snel mogelijk weg te krijgen stak ik alles wat ik in mijn vrijwel lege ijskast kon vinden in sneltempo binnen. Een stuk gesmolten en terug uitgedroogde kaas, een potje mango-yoghurt waarvan het dekseltje al bol stond en een stuk rauwe paksoi. In mijn blinde paniek vergat ik dat ik nog een grotere hekel heb aan paksoi dan aan overrijpe peer, maar toen ik het me realiseerde was het te laat. Plots proefde ik alleen nog de tongkus van mijn vorige geliefde die wel graag paksoi at en er elke week een uit de winkel meebracht, ook al vroeg ik keer op keer om dat niet te doen. De smaak van die vorige geliefde deed me kokhalzen. Ik gaf drie keer over en ging toen op de koude badkamervloer liggen tot de stenen warm en ik koud waren geworden. Geen idee hoeveel tijd er voorbij was gegaan. Toen ik opstond, voelde ik die zware mist in mijn hoofd optrekken. Die mist die niet in woorden te vatten is maar die oorverdovend een chemisch onevenwicht in je hersenen aankondigt. Nu ik erover nadenk weet ik niet goed of het wel mist is, en geen vijf meter sneeuw. Het resultaat is namelijk hetzelfde: je zit vast, opgescheept met jezelf, en je kan niets doen. Probeer je dat toch, dan wordt je letterlijk en figuurlijk verpletterd. Als ik u dit zou vertellen zou u meteen mijn dosis verhogen, dokter. U zou zwijgen, knikken, schrijven. En ondertussen zou ik die nieuwe tennisbaan in uw tuin betalen, bij elke seconde die wegtikte. Tachtig euro per kwartier. Nog eens twintig voor de nieuwe pillen. En mijn koelkast is al zo leeg. Daarom ben ik gestopt met onze afspraken, dokter. Nog meer sneeuw kan ik niet aan. Geen zorgen dokter, ik zal u schrijven. Dan hoeft u me niet te missen en hoeft u zich geen zorgen te maken. Het gaat goed met me. Op goede dagen drink ik koffie en kijk uit het raam naar de naakte overbuurman. De straat is te breed dus zijn piemel kan ik niet echt goed zien, maar zijn donkere rugharen vormen een pijl, van aan zijn schouders tot aan zijn bilnaad. Hij verschijnt altijd maar enkele seconden voor het raam, dus ik moet de hele dag op de uitkijk staan om hem niet te missen. Dat is een fijne bezigheid. En op slechte dagen lig ik op mijn badkamervloer, samen met dat chemische onevenwicht en die sneeuw. We hebben er al zo vaak gelegen dat we aan elkaar gewend zijn geraakt. Ik hoop dat u mij niet te erg mist, dokter. Het zal vast moeilijk zijn om me los te laten, maar voor u het weet is er iemand anders die elke vrijdag om 11 uur in uw wachtkamer zit wanneer u de deur opent. En ooit, dat weet ik zeker, kom ik weer bij u terug.

Annelies Leysen
78 7

De Geloogene van Troch

Er was eens, niet zo héél lang geleden en niet zo héél ver van hier, een mannetje met een muts van walviswol. “Walviswol? Dat bestaat toch niet?”, hoor ik je luidop denken, “Een walvis leeft toch in zee... zijn huid is glibberig en glad... die heeft toch helemaal geen wol om het lijf?” Ja, dat is inderdaad zo… op één enkele uitzondering na: de witte wolharige wentelwalvis. Slechts één keer om de drie eeuwen duikt die op aan de monding van het beekje van Bach, in het kleine dorpje Troch aan de Kleumzee in Covidië. We schrijven november tweeduizend twintig, exact drie centennia na zijn vorige passage.
De legende leert ons dat de witte wolharige wentelwalvis steeds opnieuw naar Troch trekt, als enige plekje in de hele wereld, om er zijn oude vacht af te schudden. Hij wentelt en woelt er de oude wol van zijn immense romp af. Schuivend en schurend langs de keien op de bodem van het beekje van Bach. Tot het ruien voorbij is en de laagstaande novemberzon zijn nieuwe jonge wollen vacht doet schitteren net onder de waterspiegel.Klaar voor een nieuwe duik naar de donkere dieptes van de Kleumzee. Klaar voor alweer driehonderd jaar. We keren even terug naar het mannetje met de walviswollen muts: hij leeft, woont en werkt al zijn hele leven in het bos van Troch aan de Kleumzee. Hij plukt er verse zweembessen en bobbelzwammen. Daarmee brouwt hij zijn heerlijke Kworq. Eten hoeft hij niet: hij drinkt een frisse Kworq, soms twee, en lest verder de dorst aan het beekje van Bach dat zich stroomafwaarts een weg kronkelt door het bos richting zee. Het water kolkt er over de rolkeien op de tonen van ‘Das Wohltemperierte Klavier’. Tenminste, zo klinkt het toch in zijn gekke hoofd. Dat gekke hoofd van hem, met die muts van walviswol. Het is die wol, jawel precies dié wol, die de Geloogene van Troch héél secuur verzamelt langs de bedding van het beekje van Bach. De Geloogene van Troch. Zo noemt men hem in de Grote Stad.Hoe het mannetje met de muts van walviswol écht heet, dat weet niemand.
Zes, soms wel zeven jute zakken vol walviswol sprokkelt hij bij elkaar. En dat eens in de driehonderd jaar.Hoe oud hij dan zelf wel wezen mag? Ook dat weet niemand.Dagenlang zal hij spinnen en twijnen tot er uiteindelijk breigaren zal verschijnen. Neen, niet met een ouderwets spinnewiel zoals sommige sprookjes je willen laten geloven, maar met een heuse semi-elektronische Rieter G37, driefasig aangedreven op 400 volt. Inclusief rode noodstopknop. We zijn tenslotte tweeduizend twintig. Het mag vooruit gaan, toch?
Die machine levert hem met Zwitserse precisie het perfècte breigaren van walviswol voor zijn nieuwe walviswollen muts. De oude is versleten en zijn moeder mag het niet weten. Zij zal het ook niet te weten komen want ach, het mensje is niet meer… Troch hebbe haar ziel.Het was zij, het moedertje, die steeds zijn walviswollen mutsen breide. Toen ze haar einde voelde naderen leerde ze hem nog snel de kneepjes en knoopjes van het vak. Zijn eerste breisels waren schots en scheef. Hij liet meer steken vallen dan hij oprapen kon. Na vele avonden oefenen mocht hij opgelucht trots zijn op het resultaat.De Geloogene van Troch bleef alzo immer goed gemutst.Toen het breien erop zat stortte hij zich vol overgave op zijn andere taak: het brouwen van een nieuwe ketel Kworq. Hij plet de juiste hoeveelheid zweembes, voegt een nauwkeurig afgemeten dosis op droedelhout gerookte bobbelzwammen toe, wat poeder uit het blik zonder etiket en lengt alles aan met zuiver water uit het beekje van Bach. Hij brengt het mengsel zachtjes aan de kook en opteert voor een inductiekookplaat als warmtebron. Vooral omdat het reinigen ervan vrij eenvoudig is moest het boeltje overkoken, wat wel eens kan gebeuren. Op een houtvuur zou dat sowieso leiden tot hevige rookontwikkeling en prikkende ogen. Dat wil het mannetje met de walviswollen muts helemaal niet. Echt niet! Op een dag, het was zelfs gisteren, verneemt hij dat vele mensen uit de Grote Stad ernstig ziek worden. Er waart een vreemd virus door Covidië. Sommige mensen sterven er zelfs aan, in afzondering en mensonterende eenzaamheid. Het sociale leven ligt er inmiddels zo goed als lam: horeca, sport, cultuur, evenementen… nada, niente, niets. Het isolement is moordend en het einde lijkt nog lang niet in zicht.Het mannetje met de walviswollen muts bedenkt zich dat zijn zelfgebrouwen Kworq wel eens een oplossing zou kunnen bieden. Voor alle zekerheid voegt hij aan zijn beproefde recept nog een snuifje Registered Trademark toe.
Zijn Kworq® heeft hem steeds goed geholpen tegen puisten en zweren, constipatie, hoofdpijn en zelfs hongerige beren. Want die zijn er ook wel, in het grote bos van Troch. Hoewel ze liever alle contact met mensen vermijden en waarschijnlijk net zo bang zijn voor jou als jij voor hen, kan een zakflacon gevuld met Kworq® toch een zeker gevoel van onoverwinnelijkheid bieden.

Zijn brouwsel zal de mensen uit de Grote Stad kunnen helpen. Dat weet hij héél zeker.Een kleine nip Kworq® voor iemand met milde symptomen, een flinke teug voor wie er erg of erger aan toe is. Met als enige doel: snel weer aansterken en genezen, vooral niet sterven, gezond blijven en elkaar heel graag zien!
Niet geheel onbelangrijk in dit hele verhaal is de Covidische kantlijn: de dunne lijn die fictie van realiteit scheidt in Covidië…Het mannetje met de walviswollen muts hoopt dat de mensen uit de Grote Stad nooit, maar dan ook NOOIT zèlf wanhopig op zoek zouden gaan naar het dorpje Troch aan de Kleumzee.Ze zullen het immers niet vinden.Het beekje van Bach evenmin. Tenzij… met héél veel fantasie… en een ferme portie geluk.
Maar dat is helaas niet iedereen gegeven. ‘Das Wohltemperierte Klavier’ kan tijdterwijl wat troost bieden.

En de Geloogene van Troch?Misschien bestaat die toch… met zijn muts van walviswol leeft hij lang, gelukkig en nog!

C.G. Leroi ©november 2020

charelroi
16 1