Het pension
Ik heb niets gelogen, woon in mijn lijf,boen de vloeren, schil rode vruchten.Het gaat prima, je hoort mij niet zuchten:dit pension is een uitstekend verblijf.
’s Avonds open ik de bruine ramen,achtergebleven last moet ik doden.Het mag, want het is niet verboden;Ik en wat ik niet wil zijn gaan samen.
Het parket zucht bij wat ik heb verplaatst,en het misverstand dat ik achterlaat;wat in je woont kun je beter laten staan.
Over de schoonheid heb ik mij verbaasd,en het intens genot dat nog steeds bestaat. Eens zal ik het pension laten gaan.