Zoeken

Reflecties

Wat een prachtig wezen! Die vacht, nog nooit zag ik zoiets zacht. Die norse blik en sierlijke snorharen… Pupusa was op verkenning in haar nieuwe huis. De viervoeter keek haar recht in de ogen, het leek magnetisch, en terwijl Pupusa dichterbij kwam, deed het dier exact hetzelfde! Vanuit een hoekje van de kamer observeerde Gummi aandachtig. Dit had hij nog nooit meegemaakt, een kat die hem niet eens had gezien of geroken!  Pupusa was intussen recht voor de spiegel komen te staan. Pas toen ze met haar pootje het ietwat stoffige oppervlak aanraakte, besefte ze dat ze naar zichzelf keek. Ze wist wel dat ze mooi was, ze had het haar mensen vaak horen zeggen, maar ze dacht dat ze er uitzag zoals de meeste katten in haar omgeving, die ze het best als eentonig kon omschrijven. Belachelijk ordinair eigenlijk, in vergelijking met wat ze nu zag! Natuurlijk werd ze door haar mensen gekoesterd, ze was een schat! Gummi had zich ondertussen neergelegd. Opeens besefte hij hoe moe hij was, en zijn kleine muizenlichaampje liet een luide geeuw los. Oh nee! Maar toen hij terug op zijn pootjes stond, alert voor de dreiging, bleek dat Pupusa nog steeds op dezelfde plek stond. Hier kon hij wel aan wennen, eindelijk een beetje rust in huis. “Jazeker, ik ben de mooiste, er is niemand mooier dan mij, ik ben de meest aaibare kat van het hele Universum!”. Pupusa wist wel dat er niemand luisterde, maar haar mens had ook altijd tegen zichzelf gepraat, toch? Gummi twijfelde. Misschien was de kat wel leuk gezelschap, ze leek niet echt het jagende type. Hij schraapte zijn keel en begon “Ehh, excuseer…” Ze proestte het uit. Oh, hoe hilarisch als ze met haar ogen knipperde, zo snel ze maar kon. Dan proberen om zo lang mogelijk de ogen open te houden, wat een tof spel! Gummi rolde met zijn ogen. Jeezes, moet dit nu echt? Ook toen vanuit de keuken het geluid klonk van brokjes die de etenskom raakten, bleef Pupusa verdergaan met haar nieuwe spelletje.  Misschien moet ik dan maar gaan eten, ik heb ook honger! Het muisje sloop langs de kat, die zich bleef concentreren op haar spiegelbeeld, alsof ze aan het scrollen was op Instagram en elk tijdsbesef verloor. Dagen en nachten liepen in elkaar door, Gummi was gestopt met tellen. Hij had een comfortabel huis gebouwd met alle mogelijke materialen die hij rustig had verzameld, daar waar hij op de eerste dag nog zijn uiterste best had gedaan om volledig onzichtbaar te zijn. Dat was nergens voor nodig geweest. Terwijl Pupusa’s ribben zichtbaar werden en haar overschot aan vacht begon te hangen, had Gummi zijn best gedaan om alle kattenbrokjes vakkundig te verstoppen. Hij was net aan een stukje brood begonnen dat in de keuken rondslingerde, toen hij beweging hoorde. De kat keek naar beneden, en waar anders haar pootjes de grond raakten, zag ze nu alleen maar zwarte vlekken. “Waarom voel ik me toch zo misselijk?” prevelde ze. “Misschien omdat je van schoonheid alleen niet kan leven? Je weet toch dat je ook moet eten en drinken?” Gummi schrok van zijn eigen baldadigheid. “Wat? Hoe durf jij, lelijke muis, mij de les te spellen. Ik zal je wel…” De kat probeerde haar poot op te heffen, maar viel neer op de grond. De muis liep naar het dichtsbijzijnde verstopplekje en legde de brokjes één voor één aan Pupusa’s zijde. Na de tiende keer plofte hij uitgeput langs de kat neer. “Alsjeblieft, eet iets. Schoonheid is belangrijk, maar je hebt de wereld om je heen nog wel nodig. Wat voor nut heeft het, mooi zijn, als je jezelf niet in leven houdt?” Dankbaar maar verward likte Pupusa de brokjes van de grond. “En waarom doe jij al die moeite om mij te helpen? We zijn toch elkaars vijand?” Gummi grinnikte. “Mijn leven is ook niet echt verbeterd sinds ik alles kan eten wanneer ik wil, en helemaal geen beweging meer heb. Misschien worden we er allebei wel gelukkiger van als we onze natuurlijke instincten weer volgen?” Van zodra Pupusa weer wat op krachten was gekomen, duwde ze de spiegel de hoek in, net voor Gummi’s - veel kleiner geworden - holletje. Vanaf nu zou ze nog slechts af en toe gaan kijken. Of Gummi laten schrikken, hem eens verrassen met een brokje.  

Sietske
3 1

De Standaard

  Opletten moet je blazen, zei Bob. Zullen we het daarmee moeten doen vandaag, hier in frituur De Bosbrand? Wij zitten aan ons tafeltje. Dit klinkt als het Laatste Avondmaal, maar dan echt. Bescheiden. Dicht bij mekaar. Gewoon rondom, zoals dat de norm is. Niet op één rij, allen in het niets starend. Ignace is een smeerlap. Hij kan mijn gedachten lezen en Alfred zoekt een verse pot. Ingewijden weten dat het andalosersaus betreft. Zijn wij dan drie apostelen? Roeland is er immers ook. Helemaal. In levende lijve. Schoon stil vanbuiten. Dat lijkt bij hem de norm. Alfred is geen apostel. Hij is immers een dwerg. Kabouters kunnen onmogelijk boven een menigte uittornen en dan beweren dat ze waarheid te verkondigen hebben. Dat is absurd. Dat is in se voorbij het realisme. Alvast vijf doden door vuur op de heuvels van Hollywood. Biden heeft de streek uitgeroepen tot rampgebied. Oude mannen weten of vergeten. Het is altijd een rampgebied geweest. Hollywood is een ware onheilplaats voor de cinematografie. Het is eerder een oord voor mainstream entertainment. Ignace vindt mij een ijdele uil wanneer ik Engelse termen gebruik. Amerikaanse, is mijn repliek. Oké dan. Hoofdstroom ontspanning die mijn hoofd nooit ontspant en mijn ziel nooit onder stroom zet. Wij weten dat. Hollywood is eerder een modeoord, anders te formuleren als een plaats waar een wisselende, door malloten opgelegde standaard gedwee te volgen is. Nog een geluk dat David Lynch daar nooit gelyncht werd. Zullen we het daarmee moeten doen vandaag, hier in frituur De Bosbrand? Ignace is een smeerlap. Hij steelt die krant uit de brievenbus van zijn imaginaire buurman. Hij woont immers nergens en die buurman is een freak, bezeten door de standaard. Hij heeft tegelijk een online abonnement op De Standaard als ook een abonnement op de papieren versie. Frieten mogen niet in krantenpapier verpakt worden. Roeland kan daadwerkelijk spreken. Dit was het bewijs. Ignace is extreem. Hij weigert pertinent de norm, gewoontes te volgen. Andalosersaus zonder frieten en een rietje graag. Alfred doet nooit moeilijk. Hier is immers ons paradijs. Wij zitten aan ons tafeltje zonder dat er straks iemand gekruisigd moet worden. Alfred brengt hetgeen Ignace bestelde. Hij zegt dat hij sowieso geluk heeft. Kabouters worden nooit gekruisigd. Nagels te groot, handjes, voetjes miniscuul. Kleine kruisjes zijn enkel de standaard tussen twee mooie borsten. Bovendien. Wanneer men kleine kruisjes in de grond zou steken om kabouters te verheffen tot een martelaar, dan zou dat laag bij de grond zijn. Katten en ratten zouden de dwerg verslinden. Wij zullen het daarmee moeten doen vandaag, hier in frituur De Bosbrand. Intussen kwam zij opdagen, naast ons zitten. Zij is een woordenreeks:  modeoord  droomode moordode  rood+moed rodeo+dom  roem+dood Roeland neemt het blad en vouwt alvast een eerste vliegtuig. Soms wil hij gewoon weg.     bron: De Standaard uit de reeks 'Alfred Frietkabouter'

Bernd Vanderbilt
9 0

Zwemles

We gingen naar het zwembad, Paul, Felix en ik. Dat deed Felix graag. Paul had me uitgenodigd voor een tweede date met zijn zoontje. De chloorgeur herinnerde me aan de sportkampen die mijn moeder amper kon betalen. Zo behoedde ze me voor eenzame weken in de zomervakantie, toen zij in de bar werkte. ‘Geld verdienen om in de winter van te genieten, zoals eekhoorns eten verzamelen in de zomer,’ zei ze me. Met haar roodblonde krullen en sproetjes had ze wel iets van een eekhoorn. ‘Op kamp maak je tenminste vriendjes,’ zei ze. Mijn groep in het tenniskamp bestond uit blonde minivrouwtjes met een zonneklep en sponzen polsbandjes, al scheen de zon niet en zweetten we amper. Ze renden de gravel overhoop in een spelletje tegen de monitor. Ik speelde tegen Gijs, een dikke jongen die het tenniskamp ook niet had uitgekozen. De bal strandde gemiddeld na drie slagen. ’s Middags at ik de boterhammen die mijn moeder had belegd met kiri-kaas. In de oorverdovend luide refter zeiden Gijs en ik niks tegen elkaar. De meisjes gilden heen en weer over acteurs die ze knap vonden. Op dag twee van het tenniskamp regende het pijpenstelen, net als op dag vier en dag zes. Dan moesten we naar het zwembad. Ik tekende met mijn vingers halve cirkels in het water en stapte verder, tot ik de grond niet meer raken kon. In de verte plonsden de andere meisjes in het diepe water. Ze hadden leren zwemmen op vakantie, ergens in een zonnig land. Toen een monitrice ontdekte hoe slecht ik het zwemmen fakete, stelde ze zich tot missie om het me te leren. Ze stopte me een drijfbordje in mijn handen. ‘Armen gestrekt,’ zei ze. Zonder me te waarschuwen, tilde ze mijn lichaam op tot ik in het water dreef. Net als de schildpadden uit natuurdocumentaires krulde ik spontaan mijn nek en stak mijn neus in de lucht. ‘Je moet je kont hoog houden,’ zei de monitrice, ‘anders blijf je nooit drijven.’ Ze greep me bij mijn kruis en duwde me omhoog. Mijn kin zakte in het water, langs mijn neus liep het mijn keel binnen. Ik hoestte tot het pijn deed aan mijn ribben. ‘Ach, dat is het, je bent bang om water binnen te krijgen. Dat moeten we gewoon overwinnen’, zei de monitrice, ‘daar is niks ergs aan.’ Ze haalde diep adem, kneep haar neus dicht en dook onder. Ze bleef er een minuut lang en ik wachtte, zoals ik thuis op mijn moeder wachtte die uit werken was. Toen de monitrice weer boven kwam, leek haar fijne haar versmolten met haar hoofd. Het water stroomde in bliksempatronen over haar gezicht. ‘Nu jij,’ zei ze. Ik haalde adem, sloot mijn mond, zette mijn vingers op mijn neus en dook onder. Het water drukte tegen mijn hoofd. Ik kneep alle openingen toe, mijn neus, ogen en mond. Langs mijn oren donderde het water mijn hoofd binnen. Ik voelde mijn kaken opbollen, stak mijn kop weer boven. ‘Nog een keer,’ zei de monitrice. Ze tikte op mijn hoofd, ik dook te snel onder, nam een hap water en spuwde die uit. Uit mijn neusgaten spoot water. ‘Je wil toch geen schrikkepuit zijn, zeker?’, zei de monitrice, ‘Kom, opnieuw!’ Na de vierde keer kopje onder, stroomden er warme tranen over mijn gezicht. ‘Het is toch helemaal niet zo erg?’ Ik verdronk mijn tranen in het zwembadwater en beeldde me in hoeveel verdriet er in een zwembad ronddreef. ‘Ach, laten we er maar mee stoppen voor vandaag,’ zei ze. De zwarte wijzers van de grote klok waren nog maar drie partjes van vijf minuten opgeschoven. Ik rilde tot de wijzers nog vier partjes verder waren. De monitrice blies op haar fluitje, alle kinderen renden lachend en schreeuwend naar de douches. Ze riepen elkaars naam over de wanden van de kleedhokjes. ‘Alweer niet kunnen tennissen?’ vroeg mijn moeder toen ik met mijn natte haar in de auto kroop. ‘Spijtig van dat geld, toch,’ zei ze. ‘Kom, we drinken een warme chocomelk in de bar! Ik had beter moeten weten, de eerste week van juli regent het vaak. Fijn dat je nog kan zwemmen.’ De chocomelk proefde naar chloor en raakte amper voorbij mijn keel. ‘Voor mij een koffie. Zwart, zonder melk’, zei een man tegen mijn moeder. Dit is een fragment uit mijn manuscript ‘Gaartijd’ 

Pons
1 0

Winterdip

De wereld lag verstopt onder een dikke deken, al weken en weken en weken aan een stuk. Elke dag kleurde de hemel Vijftig Tinten Grijs. Lichtgrijs met lange, donkergrijze strepen. Muisgrijs met zwarte lijnen. Zwartgrijs met kleine, witte wolkjes. Altijd, altijd weer die variaties op wit-grijs-zwart. Als een foto uit lang vervlogen tijden.  Elke ochtend opnieuw hoopte ze op De Opklaring. Buiten en in haar hoofd. Ze wilde weten dat de zon nog bestond en zich, al was het maar heel even, wat lichter voelen.  Nu voelde ze zich zuurstofloos, als een roos onder een stolp. Op automatische piloot ging ze door de dagen. Ze leefde overlevend, forceerde zichzelf hoogstens tot een blokje om met de hond die ze niet had.                                                                                                                    Ze sliep amper. In het donkerste, nachtelijkste zwart werd ze verzwolgen door cyclisch gepieker, steeds weer dezelfde duistere gedachten die in het lichtgrijs van de dag weliswaar in kracht afnamen, maar nooit volledig verdwenen.                                                                         Ze wilde wegkruipen in bed, zich ingraven en oneindig slapen. Ze wenste dat ze dat egeltje was dat ze onlangs in het park onder een laag bladeren had gezien. Net als dat kleine diertje wilde ze pas ontwaken bij de eerste lentezon. 

Melanie Huyghe
12 0

Drijvende drek

  Ze weten dat dus niet. Ze weten zo weinig op dat hoofdkantoor. U kunt zich dat voorstellen. Het is immers zeer eenvoudig. Daar zit de grote baas op een troon. Een soort keizer. Een soort god die nooit last heeft van snot. Daar wordt ook alles opgelost. Op de meest efficiënte manier. Intussen heb ik een hond. Een dier dat niets gelooft van wat ik zeg. Het is een teefje en zij staart gewoon in mijn richting. Ze is op zoek naar waarheid en vertrouwen. Er is altijd ook een vrouw. De moeder van de keizer. De moeder van de god. Zij deed vroeger altijd de afwas. Nu moet ook een man dat doen. Zij staren mij aan. De keizers en de goden op hun troon. En nu... Sorry, grote mannen. Nu komt het saaie. Nu komt het erge. Echt. Zij weten dat dus niet, daar in dat hoofdkantoor. Op een dag. Ergens tussen de schepping en de ontschepping. Wees daar maar zeker van. Zij bepalen bijna alles en toch. Intussen word ik wel zeer stinkend rijk want veel weten zij niet. Ik heb dat immers reeds schoon en ooit als merknamen geregistreerd, nog voor hun troon bestand. Misschien zal ik zelf dubbel incasseren want er zijn meerdere tronen. Zeer veel zitplaatsjes voor keizers, koningen en zelfverklaarde machthebbers. Zeer veel babystoeltjes zijn er voor die goden. Ik weet het niet. Wie al hun namen heeft verzonnen. Ik weet het niet. Wie al hetgeen men niet begrijpen kan, zo domweg in een reeksje beelden heeft gegoten. Ja. Vele groten zijn er en ginds, in die ene toren die mij een fortuin zal geven, zitten ze met tweeën op één troon. Meneer Procter, Meneer Gamble. Jullie zullen dokken. Echt en ferm. Want ik heb dat dus gedaan. Een hele resem merknamen, lang geleden al geregisteerd. Het document zegt het zeer klaar, zo duidelijk als men doorheen een versgewassen glas kan kijken. "De merknaam DREK DRIJFT en alle samentrekkingen van deze negen letters". Ja, Meneertje Procter en Meneertje Gambel, alle amateurs van Scrabble,  DREFT. Voor iedereen die samentrekken kan, hetzij bij krampen of gevoel van dood die om het hoekje schuilt. DREFT. Ja, aan iedereen die dit onnodig leest. Zo word ik rijk. Gewoon wat merknamen en lang gelul. Wat koningen en keizernamen snel verzinnen. Beweren dat het vet vanzelf vergaat. Nadenken. Zich herinneren wat men ooit deed en welke merknamen men eeuwenlang geleden simpelweg en slim op een kantoortje heeft geregistreerd. Zo wordt men rijk en ik bedoel ook properweg mezelf. Gewoon. Met DREK die DRIJFT.     uit de reeks... eeuhhh... doe maar 'Duivelsverzen'... f*ck, er rijmt bijna niets  

Bernd Vanderbilt
0 0

Ooit had ik in 1980 een droom…

Samen met mijn vrouw wilde ik naar Zuid-Afrika verhuizen. Beide waren we al bekend met Afrika, omdat we uit een tijdperk kwamen waarin we als kinderen de geur van de savanne in onze herinneringen hadden opgeslagen, het geluid van vogels die je nergens anders hoorde, en de warmte van de Afrikaanse zon die ons gezicht streelde. Het leek een vanzelfsprekende keuze om daar een nieuw leven te beginnen. We wilden ons leven verbinden met onze liefde voor avontuur, en ik, vooral ik, droomde van de vrijheid die het vliegen met een sportvliegtuigje met zich mee zou brengen. Ik zou gaan vliegen met een Cessna 150 – 152 voor een lokale luchtvaartmaatschappij. In mijn gedachten zag ik mezelf de lucht in stijgen, navigerend door de uitgestrekte Afrikaanse wildernis, met mijn vrouw die aan de grond les zou geven in het lager onderwijs en ikzelf in de luchtvaart zou werken, daarnaast nog mijn passie voor Lichamelijke Opvoeding (L.O.) lesgeven op een lokale school. We zouden een simpel, maar vreugdevol leven leiden, met de vrijheid van de lucht als het ultieme symbool van onze ontsnapping. De eerste stappen werden in België gezet. Vlieglessen in Schaffen en Deurne, beide niet ver van waar we woonden. Het was mijn manier om te ontsnappen aan het dagelijkse leven, een manier om de horizon te verkennen, letterlijk en figuurlijk. Maar, zoals vaak het geval is, sloeg het leven toe met onvermijdelijke financiële zorgen. De droom bleek uiteindelijk onbetaalbaar. We kochten een huis – en je weet hoe het gaat, een Belg wordt immers geboren met een baksteen in zijn maag – en de kosten voor het vliegen waren simpelweg niet te combineren met de hypotheek. De keuze was snel gemaakt: de droom werd opgeborgen. Toch was het niet zomaar een opgave. Het was een besluit dat zwaar viel. Ik stopte met mijn vlieglessen, vlak voordat ik zelfstandig zou kunnen landen. Het landen was het moeilijkste bij het vliegen, vooral bij een zogenaamde 'crab landing', waar je het vliegtuig in een schuine hoek moet houden om de wind tegen te werken. En dan het taxiën – een vliegtuig bestuur je niet met een stuur zoals in een auto, maar met voetpedalen. Je moest altijd rekening houden met de spanwijdte van de vleugels, wat in het begin een hele uitdaging was. Toch was ik trots op wat ik al had geleerd. Een van mijn meest levendige herinneringen uit die tijd is de les die ik had op een donkere grijze dag in Deurne. Mijn instructeur was Renson, een man die altijd een sigaret in zijn mond had en wiens ogen altijd wat slaperig leken, alsof hij zich liever ergens anders bevond dan in een cockpit. We hadden al verschillende oefeningen gedaan, en ik begon er vertrouwen in te krijgen. Maar op die dag ging alles anders dan ik had verwacht. Renson en ik zaten in de cockpit van de Cessna. De lucht was grijs, de luchtvochtigheid was hoog, en het leek alsof de natuur zelf zich voorbereidde op een storm. Ik manoeuvreerde de kleine Cessna tussen de andere vliegtuigen op de taxiway, en mijn hart bonkte in mijn borstkas. Het was een nieuwe uitdaging: de vleugels van het vliegtuig moesten constant goed georiënteerd worden. De zenuwen gierden door mijn lijf, maar ik probeerde rustig te blijven. Ik hoorde het gekraak van de wielen op de asfaltbaan terwijl we ons richting de startbaan bewogen. En toen, in de flauw licht van de dag, drukte Renson zijn sigaret uit op het dashboard, pakte de stuurknuppel en zei met zijn karakteristieke rokerige stem: "Vol gas, jongen." Ik gaf het gas, de motor brulde, en we schoten vooruit. Het vliegtuig trok omhoog, maar net toen we de lucht in schoten, gebeurde er iets vreemds. Renson had zijn sigaret verloren – een klein stukje rook dat langzaam in de lucht verdween, terwijl hij wanhopig begon te zoeken naar het peukje dat ergens in de cockpit was gevallen. Ik keek naar de horizon, en daar zagen we het: een enorme cumulonimbuswolk die zich langzaam richting ons beweegde. Deze wolken zijn berucht in de luchtvaart. Ze zijn onvoorspelbaar, gevuld met gevaarlijke luchtstromen die vaak gepaard gaan met hevige turbulentie. Dit waren geen normale wolken; dit waren de reuzen van de lucht, en ze waren allesbehalve vriendelijk. Ze bevatten vaak hagel en kunnen enorme stijg- en dalingsluchstromen veroorzaken. Het was dus essentieel om zo ver mogelijk uit de buurt te blijven. Maar Renson, zoekend naar zijn sigaret, merkte het gevaar niet op. Hij was zo gefocust op dat kleine stukje brandend papier dat hij de dreiging niet in de gaten had. De wolken naderden, hun donkere massa's tegen de lucht als een immense muur van verwoesting. Mijn hart sloeg een slag over; ik voelde de spanning in mijn spieren toen ik besefte dat ik de enige was die het gevaar zag. De lucht rond ons begon te trillen, het vliegtuig gaf lichte schokken, en mijn handen kromden zich om de stuurknuppel. Renson was inmiddels zover afgeleid door zijn zoektocht naar het peukje dat hij nauwelijks merkte hoe het vliegtuig begon te beven. Plotseling begon het toestel hevig te schudden – een krachtige draai naar rechts, gevolgd door een harde duik naar beneden. De wereld draaide voor mijn ogen, en het was alsof de aarde onder ons verdween. In die fractie van een seconde werd ik volledig overgeleverd aan de grillen van de natuur. Mijn maag draaide om, en ik voelde het koude zweet op mijn voorhoofd. De turbulentie was extreem, en het leek alsof we in een woeste storm terecht waren gekomen. "Renson!" schreeuwde ik door de ruis van de wind en het geronk van de motor. Maar hij hoorde me niet. Hij was nog steeds in zijn zoektocht naar de sigaret. Het vliegtuig begon een diepe duik te maken, het stuur rammelde in mijn handen terwijl ik alles in me riep om het vliegtuig te stabiliseren. Plotseling, als een soort wraak van de natuur, begon de wind nog sterker te gieren, en alles leek uit de hand te lopen. De cumulonimbuswolken waren nu bijna boven ons, hun donder in de verte was als de dreiging van een naderende oorlog. En toen, net toen ik dacht dat het voorbij was, greep Renson eindelijk de stuurknuppel. Hij reageerde met de snelheid van een professional, stuurde het vliegtuig snel naar boven en naar de zijkant, buiten de bereik van de wolk. Het toestel schudde en trilde, maar het was op dat moment onder controle. "Volhouden, jongen!" riep hij, terwijl hij zijn peukje eindelijk in zijn hand had, alsof niets er ernstiger toe deed. We vlogen door de turbulentie, maar gelukkig hadden we de ergste dreiging weten te vermijden. Renson herstelde het vliegtuig, en de turbulentie liet ons uiteindelijk met rust. Mijn ademhaling kwam langzaam terug naar normaal, maar mijn hart klopte nog steeds in mijn keel. Na wat een eeuwigheid leek, kwamen we uiteindelijk weer op koers en landden veilig. Toen we het vliegtuig taxiden na de vlucht, was er een moment van stilte. Geen woorden werden gesproken, maar we keken elkaar aan. Het besef dat we net een gevaarlijke situatie hadden overleefd, viel langzaam in. Ik had nooit gedacht dat een simpel sigarettenpeukje de oorzaak zou zijn van zo'n chaos, maar het was gebeurd. De ervaring had iets veranderd. Het had mijn verlangen om te vliegen niet gedempt, maar het had me ook geleerd hoe kwetsbaar we zijn, zelfs in onze meest moedige momenten. Uiteindelijk, hoewel ik niet verder vloog, weet ik dat die momenten in de lucht me voor altijd zouden veranderen. Het was de dramatische ondergang van een droom die ik koesterde – een droom die ik misschien nooit zou bereiken, maar die me altijd zou blijven achtervolgen. En zo was het. Mijn droom om de lucht in te stijgen was vervlogen, maar de herinnering aan die dag zou altijd blijven.  

Guy Van Damme
30 1

Mieren voor de gier

Met haar altijd erotische lippen eet Lolita brood. Dat gebeurt bijna dagelijks. Ik wacht steeds tot die eerste beet. Ik roer nimmer suiker door mijn koffie. Alvorens zij die hap heeft doorgeslikt. De krant is van papier. De gier zit op de nok van het dak. De mier verschuilt zich in de menigte. Dergelijke evidenties. Neen. Ik schrijf ze nergens op. Ik ben immers niet zot. Dat weet de verse dageraad. Lolita glimlacht. Omdat zij wonder boven wonder mijn gedachten lezen kan. De gier hij lust ze allemaal. Ze kunnen zich slechts tijdelijk verstoppen in een spleetje smaller dan zijn nek. In een holte dieper dan zijn snavel. Wij weten dat het nonsens is. Ons leven. Deze wereld. Een gier die zich met mieren voedt. Ik lees het papier. Terwijl Lolita doorbijt verdereet. Hier staat het, in De Standaard. Zelfs de trouwste vogelsoorten gaan uit elkaar wanneer de temperatuur stijgt. Ik lees deze kop zowaar luidop terwijl haar keel aanstalten maakt. Om nog eens te slikken. Bij dergelijke rampberichten. Is aarzeling niet aan de orde. Ik sta op. Ik zet de thermostaat wat lager. Ik wrijf over haar linker schouder omdat zij altijd. Met de linkerhand haar kopje grijpt. Zij drinkt zwart. Zij glimlacht. Hoe moet het dan verder? Als de lente komt. De bodem opnieuw warmte krijgt. Wanneer de zomer zich weer zonder schaamte meldt. Wij spreken altijd schoon tegen elkander. Wij vegen mieren op. Wij zetten ze buiten en wanneer wij kip eten. Dan is de karkas voor de gier op het dak. Bovendien schamen wij ons zelden. U moogt dat gerust weten. Lolita en ik. Wij zijn van de vogelende soort. Achteraf liggen wij altijd hand in hand. We staren dan naar het plafond. Naar de sterrenbeelden die ik daar geschilderd heb.  Dat beweer ik toch en wij denken nooit terug aan het gevogelde. Luisteren enkel naar de mus. Die één vleugel strekken onder de Boomse pannen. Ik zeg haar dat ik het ook niet weet. Hoe het verder moet. Of dat koppeltje zwaluwen nog terugkeert. Hoe wreed de opwarming tekeer zal gaan. We blijven liggen. Hand in hand. Het vel. Het is volkomen naakt en wij slapen. Op een rug die ons verdraagt. Terwijl een wolfspin stil het koude glas betreedt. Ons hart een ritme vindt. Dat ons nog even leven laat.   uit de reeks 'Residu'

Bernd Vanderbilt
6 0
Tip

Hangmatbelegger

In het midden van een weids grasveld, op de overgang tussen de rand van een stad en het begin van niemandsland, stond een hangmat gespannen tussen twee wilgen. Daar lag hij: Herman, de zelfverklaarde hangmatbelegger. Zijn voeten bungelden lichtjes boven de grond, zijn ogen verborgen achter een zonnebril zo groot dat hij deed denken aan een liggende kever met financiële ambities. Iedereen kende Herman, of beter gezegd, iedereen had wel een mening over hem. Sommigen noemden hem een visionair, een minimalist die het leven had doorgrond. Anderen fluisterden dat hij gewoon lui was, een man zonder ruggengraat, behalve wanneer hij besloot rechtop te gaan zitten om zijn beleggersapp te openen. ‘Beleggen is niets anders dan wachten,’ zei Herman ooit tegen zijn buurvrouw, een vrouw die dagelijks drie marathons liep in haar hoofd terwijl ze haar agendapunten afvinkte. ‘Je moet handelen, Herman! ‘ beet ze hem toe, terwijl ze met haar pen op een versleten notitieblok tikte – een poging om de chaos van haar gedachten te temmen. ‘Waarom?’ antwoordde hij. ‘De aarde heeft geen Excel-sheets nodig om rond te draaien.’ Herman had niet-doen tot een kunstvorm verheven. Terwijl anderen renden, kochten, verkochten en bezweet ‘buy the dip!’ schreeuwden op fora, lag Herman in zijn hangmat en keek naar de wolken. Soms herkende hij een vorm: een draak, een schatkist, een blije flamingo. Symbolisch, mompelde hij dan tevreden. Het idee van de hangmatbelegger ontstond op een regenachtige dinsdagmiddag. Herman zat op zijn zolder en las de Tao Te Ching, een boek dat hij alleen maar had gekocht omdat het dun was. Daarin stond een zin die zijn leven veranderde: “Door niets te doen, blijft alles ongedaan.” En zo begon Herman te beleggen in leegte. Hij verkocht zijn auto en zette het geld in indexfondsen, want, zoals hij geregeld uitlegde aan wie hem niet om uitleg had gevraagd: ‘De wereld groeit vanzelf. Waarom zou ik rennen achter datgene wat vanzelf naar me toe komt?’ De lokale krant schreef een artikel over hem: Herman de Hangmatbelegger: Genie of Gek? De journalist kwam langs, probeerde het volledige interview rechtop zittend te voeren, maar werd uiteindelijk verleid door de tweede hangmat die Herman had opgehangen. “Het leven is een kwestie van zwaartekracht,” zei Herman filosofisch, terwijl hij een grasspriet tussen zijn tanden schoof. “De zaken die belangrijk zijn, vinden altijd een manier om te vallen.” ‘Vallen?’ vroeg de journalist, langzaam wiegend, zich afvragend waarom hij hier zat en niet achter deadline-stress aan holde. ‘Ja,’ antwoordde Herman. ‘Appels. Regen. Beurzen. Ze vallen allemaal.’ Het artikel maakte Herman beroemd. Plots doken overal in het land hangmatten op. In parken, op balkons, zelfs tussen de kantoorgebouwen waar managers in pakken met koffie in hun hand elkaar ongemakkelijk toeknikten, terwijl ze probeerden niet te denken aan de mails die zich opstapelden. Herman keek glimlachend naar zijn telefoon, waar zijn beleggingen vanzelf groeiden, en trok zijn hoed dieper over zijn gezicht. ‘Misschien ben ik wel een revolutionair,’ mompelde hij tevreden. Toch kwam er kritiek. Een econoom op televisie brulde dat hangmatbeleggen het systeem ondermijnde. ‘Mensen moeten consumeren, werken, bijdragen! Dit is nihilisme!’Maar Herman had een antwoord, voor wie het wilde horen. “Het kapitalisme is als een hamster in een rad: eindeloze beweging, geen vooruitgang. En de hamster? Die heeft nooit een hangmat gehad.” Op een dag, toen de wilgenbladeren begonnen te vallen, verscheen er een oude man bij Herman. Hij droeg een witte baard en een linnen pak, en hij keek met een glimlach naar de hangmat. ‘Je hebt het begrepen, jongen,’ zei hij. ‘En wat doet u nu dan?’ vroeg Herman. ‘Ik wacht,’ antwoordde de man, en hij liep weg zonder uitleg. De man verdween even plotseling als hij was gekomen, maar zijn woorden bleven nazinderen. Herman keek naar de lege ruimte tussen de wilgen en vroeg zich af of hij ooit genoeg had.Misschien koop ik morgen een derde hangmat, dacht hij, terwijl een nieuwsgierige kat onder zijn hangmat kroop en zich uitrekte.  Ik heb de indruk dat ze het begrijpen. En terwijl de wereld bleef draaien en de koersen bleven stijgen, wisten de wilgen wel beter. Want zoals zij wortelden in de grond, wortelde Herman in zijn leegte: een rijk man zonder haast, een belegger in wat écht telt. De tijd. En de hangmat? Die wiegde hem zachtjes in slaap. Mephis (aka) Evelyn Mérida

Mephis
119 7