Zoeken

Tip

Alsof

Hoe begin je over zoiets?Op het moment dat hij één tiende bezorgd, negen tienden achterdochtig vraagt:"wat scheelt er?"? En je in zijn ogen leest: “je hebt een ander”.Op het moment dat hij geïrriteerd wegloopt en tussen zijn tanden moppert:“ik ben weer tegen de muren bezig, het interesseert jou geen bal wat ik vertel”?En je voelt dat elk weerwoord alleen maar stemverheffing gaat veroorzaken.Of op het moment dat zijn ogen vuren spuwen en hij roept dat hij zich afvraagt wat je daar nog loopt te doen? Hoe vertel je aan diegene waarmee je 22 jaar samenleeft dat je er eigenlijk niet bent?Misschien zelfs nooit geweest.Dat je ergens rondzweeft tussen werelden?En dat die afwezigheid de laatste jaren prominent aanwezig is.Terwijl het voordien soms weken, maanden of misschien zelfs jaren amper merkbaar was voor jezelf en de anderen. Dat die verandering en terugkeer naar je kindertijd en naar tijdloos jou evenzeer overvalt als hem?Maar dat je het daar fijn vindt. Misschien zelfs fijner dan hier? Dat je weet dat jouw werelden niet combineerbaar zijn? Maar dat je jou in die 44 jaar genoeg hebt verzet genoeg geprobeerd er ééntje te kiezen,en je nu moe bent.Dat het hier soms eenzaam is, maar daar niet? Over zoiets begin je niet. Je wil hem niet buitensluiten dus doe je alsof in deze wereld. Af en toe zet je de deur open om mee te verdwijnen, maar hij komt niet. Hij ziet jou niet en toont zichzelf niet.  Beide voeten op de grond, hier en nu en in een ongezamenlijke toekomst.  En jij zweeft, nergens en overal tussen alle tijden heen.

Fien SB
160 7

Brokkenmaker

Slordig aangekleed strompel ik hijgend tot aan het witte bushokje met een geel dak. Ik leun voorover met mijn handen op mijn bovenbenen en adem zwaar in en uit. Mijn maag rommelt als een ferme onweersbui. Het brokgevoel zit tot in mijn keel. Een koddige vrouw met grijze lokken zit op de blauwe tweepersoonsbank. Lekker uit de wind.  Ze leest een stationsromannetje: ‘Ah! Ge moet u niet haasten! De bus van twee is altijd twintig minuten te laat’ Ze kijkt me bezorgd aan, duwt haar afgeschoven bril met ronde glazen terug omhoog op haar neus: 'Daar kunt ge uw klok op gelijk zetten’  Ik voel me draaierig, krijg het warm en koud, open mijn benen en leun terug naar voren. Alles wat in mijn maag zat, komt onophoudelijk met golven weer uit mijn mond. Het braaksel gutst op de grijze vierkante klinkers van het voetpad. De spetters pletsen op mijn zwarte winterbottines: ‘Ooh, ik voel me echt niet goed’ Opnieuw bijt er een steek in mijn maag gevolgd door een gevoel van misselijkheidsgraad tien op de schaal van misselijkheid. Ik leg mijn hand op mijn buik en waggel naar de zitbank in het schuilhuisje. ‘Een Tic-Tac?’, offreert de aardige dame. Ze rommelt in haar grote cognackleurige reistas.  Een dik uur geleden ontwaakte ik slap in een veel te witte kamer. Mijn ogen prikten. Ik voelde me moe. Alles was vaag. ‘Waar ben ik?’, mompelde ik zacht. De contouren van een Scandinavisch interieur werden scherper. De witte matras zonder lattenbodem lag pal op de lichtbruine parket. Ik voelde de vloer onder mijn ruggengraat. Ik rolde kreunend op mijn zij. De klophamers in mijn hoofd mokerden erop los. ‘Waar ben ik?’, probeerde ik met veel moeite voor een tweede keer. Geen antwoord. Ik trok het witte donsdeken hoger tot over mijn buik en wreef met één hand door mijn gezicht. De mokerslagen bleven maar komen: ‘Waar ben ik? En van wie is deze loft?’ Op een paar groene kamerplanten na, was nagenoeg alles hier wit.  Een vage gouden vlek bewoog gezwind in de verte. Het stuitte en danste naar me toe: help! Ik trok angstig het dekbed tot voor mijn neus. De golden retriever sprong bij mij in bed, landde met zijn twee voorpoten op mijn buik en likte in mijn gezicht. ‘Eiikk! Zeg! Allez, ‘t is goed!’ Ik probeerde de harige loftbewoner van me af te duwen. Het vrolijke beestje lekte me een tweede keer, op mijn wang. ‘Allez zeg! ’t Is goed!’, en duwde hem met mijn handen weg: ‘Af! Zit! Lig! Allez!’ Hij zette zich keurig op zijn poep en wachtte op een beloning. Ik steunde op mijn onderarmen, zuchtte diep en streelde hem over zijn hoofd met mijn linkerhand. Een walm van misselijkheid steeg weer op: ik heb een kater. Ik kriebelde hem verder in zijn nek: ‘Ja! Nu weet ik het weer. Gij zijt, Batsie! En gij woont hier, hè? Is het niet? Batsie? Ja, hè?’  Batsie sloot zijn ogen en genoot van de kriebelmassage. Ik ging ervanuit dat dit een ja was, stopte met flemen en plofte naar achter met mijn hoofd in de donzige witte hoofdkussens: ‘Pfff, ik voel me mottig. Jaag jij die kater weg, Batsie?’  Het liep al mis bij het nemen van de eerste horde in het kampioenschap voor beste werksfeer van weggesnoeide teams. In de vergaderzaal met een massief houten ovale vergaderzaaltafel had Nikhiel, de chef van de chefs net zijn twee agendapunten aangekondigd. Onze dienst medische ruimten en implementaties wordt stopgezet en de datum voor de teambuilding is gepland.  Daar zaten we dan: Nikhiel, Florenza, Geeta en ik, elk in een mosgroene bureaustoel met zwenkwieltjes rond het platte houten ei. Analoog met de boodschap van ons ontslag vulde de vergaderzaal zich met ongeloof, verdriet, frustratie en gelatenheid, en het enthousiasme van een zelfvoldane manager. Hij bleef maar doorbomen over hoe goed deze beslissing is: ‘Ge gaat er allemaal beter van worden. Nieuwe wegen worden ingeslagen! En, ik heb mijn best gedaan om alsnog een budget voor de geplande teambuilding vrij te krijgen. Allez, Geeta. Trek eens een kaartje! We gaan er een lap opgeven!’ In het midden van de vergaderzaaltafel stond een visbokaal zonder water met een bodempje van gekleurde dichtgevouwen ideeënbriefjes. Ik keek hem scheef aan: meent hij dit nu echt? Ik draaide me hoofd naar rechts en lonkte naar Florenza, collega implementatie van voorzieningen. Haar lange zwarte krullen rustten op haar schouders. Ze daagde me regelmatig uit. Zomaar, uit het niets, op een doodgewone grijze dinsdagnamiddag wanneer Geeta weer eens vroeger vertrokken was.  Er kwam nooit iets van. We lagen allebei in de knoop van vroegere liefdesprobeersels. Florenza’s echtscheiding was te rauw om nu, of zelfs ooit aan iets nieuws te beginnen. En ik, lijmde nog de brokken van de laatste poging tot een relatie, aangegaan onder het motto ‘alleen is maar alleen’ ,en celibatair door het leven gaan, vond ik een hele andere uitdaging, zelfs onmenselijks las ik ooit in de krant. Ze staarde ijzig naar beneden. Florenza, ik ga je missen. Mijn dichtste collega, mijn bureaubuddy aan ons landschapsbureau.  ‘Allez Geeta! Komaan! Eens goed roeren in de visbokaal en een kaartje pakken. Waar gaan we naartoe met dit team?’, bulderde Nikhiel ongegeneerd verder. Geeta, collega van enveloppefinanciering, leunde naar voren en strekte haar arm naar de visbokaal. Ze husselde met haar hand door de briefjes, plukte een fluo roze post-itje en plooide het open. Haar diepbedroefde stem zei zacht: ’We gaan… we gaan met z’n allen…’  ‘Allez, wat luider en enthousiaster, hè Geeta’, dreunde Nikhiel ertussen. Ik draaide met mijn ogen: wat een walgelijke man. Geeta schraapte haar keel en zei stevig: ‘We gaan met zijn allen teambuilden op de Warme Winter Openlucht Kermis!’ Het bleef muisstil. Niemand applaudisseerde. Nikhiel sloot af met de idiote woorden: ‘Goed, dat is dan geregeld’ Hij leunde naar achter in zijn bureaustoel, keek op zijn horloge, stond naarstig recht en haastte zich de vergaderzaal uit.  De draaimolens toerden rond op orgelmuziek. Smikkelende mensen in wollen winterjassen, mutsen en sjaals met suikerspinnen en appelbeignets wandelden me tegemoet. Ik had afgesproken met Florenza en Geeta aan de eetkraampjes. De natte vrieskou deed me rillen. De botsauto’s karden rond onder een tentvormig dak met een metalen vloer op de beats van een oude disco-hit. Hun remlichten knipperden rood. De man van de rupsbaan verkondigde in zijn microfoon om te blijven zitten, want de rups gaat nog achteruit. Uit de frisbee, een schommelende klepel met daaraan draaiende gondels kwam een hels geschreeuw. De kermisverlichting kleurde vrolijk groen, roze, wit en geel. De attracties waar behendigheid een rol speelt, hadden minder succes. Een donzige knuffelbeer keek me zielig aan: grijp mij!  'Joehooee!! Hier is het te doen!’ Twee gedaantes, ingeduffeld alsof ze op wintersportvakantie vertrekken, wuifden naar mij. Ze misten enkel skilatten en stokken. Klaar om een afdaling te maken. Klaar om plezier te maken. Ik gaf de twee dames elk een zoen. De elektrische heteluchtblazer ronkte zich te pletter om ons en de andere winterkermisgangers warm te blazen. ‘We staan hier al een kwartier op u te wachten’, mopperde Geeta. De groene lichtslinger van het drankenkraam knipperden aan en uit. Uit de muziekboxen klonk er kerstmuziek. Geeta lachte half gesmoord: ‘We hebben dan maar ééntje gedronken zonder u’  Florenza grinnikte: ‘De Nikhiel is er niet bij. Die komt niet. Griep volgens zijn sms. Zijn deel van het budget hebben we dan maar opgedronken’ Geeta haalde haar neus op.  ‘Ik trakteer op hot mojito’s!’, flapte Florenza enthousiast eruit. Ze rammelde met haar want een plastiek zakje gevuld met rode muntjes in de lucht: ‘Hier! Van dit kraam! Ik heb bonnetjes gekocht’ We stonden klaar voor de volgende horde van het kampioenschap voor de beste werksfeer van weggesnoeide teams.  ‘Maar allez, Florenza, meent ge dat nu? Hot mojito’s? Dat kan toch niet lekker zijn? Welke crimineel heeft dat uitgevonden?’ Aan de binnenkant van het kraam stond een forse barman met kerstrui en kerstmuts. De barman spitste zijn oren en draaide zich om: ‘Ha! Jungen man! Sie haben jetzt ganz nichts so gedrünken. Vielleicht dieses mojitos! Fragen sie an die Damen. Sie smecken die mojito’s’ Hij keek me aan met zijn roodgloeiend gezicht. In het kraam is het wel lekker warm, dacht ik. Geeta kon het niet houden van lachen. Florenza beaamde: ‘Sehr schön, Sehr schön. Proef maar eentje, ik trakteer’ Door de beruchte vergadering van een paar dagen geleden, was de warme rumdrank meer dan welkom en tegen haar kon ik geen nee zeggen.  De barman prepareerde drie warme cocktaildranken met munttakken in. ‘Ik ben mijn job kwijt, Flo’, wauwelde ik: ‘Wat moet ik nu doen?’ ‘Hetzelfde als ik en genieten van onze laatste momenten samen’  Geeta hees ondertussen de ene hot mojito achter de andere binnen en begon emotioneel te lallen: ‘Jullie jongen vogels, hebben chance. Ik! Ik? Wat moet ik zeggen? Nog twee jaar en ik was klaar. Op pe… pe… soen. Op pensioen!’  Ik dronk gulzig. Florenza slurpte en keek me in mijn ogen: ‘We gaan elkaar na deze kermis nooit meer zien’ Ik verslikte me: hoor ik dit goed?  ‘Ik heb een job aangeboden gekregen in Liezele. Volgende week kan ik beginnen’ Deze mokerslag had ik niet zien aankomen. Waren alle mokerslagen van deze week niet uitgedeeld? De knipperende kerstlichtjes werden vaag. De kerstmuziek fadede uit. Als flirtende bureaubuddy’s deelden we toch alles? Ik dronk de warme rumdrank in één teug uit: ‘Bbbuurrpppp! Nog één voor mij, Geeta. Wieder jetzt mojito!’  ‘Geen probleem. We hebben bonnetjes genoeg!’, juichte ze veel te luid.  ‘Die gaat morgen een kater hebben’, fluisterde Florenza in mijn oor. Ze omhelsde me rond mijn middel en trok me tegen haar aan. Ze staarde naar de grond.  ‘Batsie? Batsie!’ Ik schiet paniekerig wakker en sla het witte donsdeken van mij weg: ‘Batsie? Batsie?’ De goudkleurige speelvogel komt vrolijk kwispelend aan gewaggeld en drukt zijn natte neus tegen mijn voorhoofd. Ik streel hem over zijn kop. ‘Batsie? Zijt gij de hond van Flo?’ Ik kijk naarstig rond en zie op het witte Ikeanachtkastje vrolijke foto’s staan: Florenza op vakantie in de bergen, Florenza met hoogstwaarschijnlijk haar moeder, Florenza met een aandoenlijke Batsie.  ‘Dat kan niet! Kut, kak, kut! Niet met Florenza!’ Mijn hersenen knetteren op volle toeren: we zijn collega’s, goede vrienden, waren goede vrienden, waren collega’s. Ik krijg het benauwd: ze laat me in de steek. Ik schiet in een kramp. Ik moet hier weg. Opgejaagd als jong wild, trek ik mijn kleren aan: waar zijn mijn schoenen? Waar is mijn portemonnee en telefoon? ‘Allez Batsie! Zit zo niet te kijken! Zoek mijn telefoon!’ De hond gaapt groot en legt zich neer in het overhoopgehaalde bed. Mijn ringtone verstoort de stilte. Het geluid komt van onder het donsdeken. Ik gooi het in de lucht. Batsie springt recht. Mijn telefoon rolt op de parketvloer: ‘Sorry Batsie. Ik moet weg!’ Ik check mijn telefoon. Gemiste oproepen, gemiste berichten en scrol naar de app van de regionale bus. ‘Fuck! Over een paar minuten is de bus van twee uur er al’  Ik schiet uit de startblokken: weg uit deze beklemmend plek. Weg uit deze hachelijke situatie. 

Evelien Meulders
12 0

La Boca,

Op de hoek van een straat laat de muziek al flirtend een koppel , als een passionele wervelwind, circuleren in de ruimte. Uit hun sensuele bewegingen van aantrekken en afstoten straalt er een zekere poëzie uit. De bandoneón ondersteunt melancholisch de zwaarte en tragiek in hun dans. De gezichten staan strak en geconcentreerd met de benen in dialoog. Ik wandel verder en laat mij door gelach en muziek op de tonen van de tango verder meeslepen in een euforische stemming. Achter golfplaten van de "conventillos"  worden sores en armoede omgetoverd tot felle kleuren. Rood, geel en blauw overheersen. Zij zorgen voor een vrolijke en speelse sfeer. Als een geest dwaalt "El Dios" door de caminitos.  Hij sleept je mee naar een snoepachtig gebouw, "La Bombonera". Tienduizenden doldwaze fans zorgen voor een angstaanjagende sfeer. De geest van Diego Maradona was nooit ver weg in La Bombonera. Aangetrokken door de geur van een “parrilla” begeef ik mij naar El Caminito. Locals afgebeeld als karikaturale grote poppen, van papier-maché,  leunend over smeedijzeren balkons verwelkomen mij alsof ik een lokale held ben.  Er heerst een kosmopolitische sfeer, een gevolg van de multiculturele explosie in de 19de eeuw. Stilletjes mijmerend kan ik me niet ontdoen van de gedachte  dat het grootste symbool van de Argentijnse cultuur en karakter hier in La Boca is ontstaan. La Boca is de adem van de Tango. Tout court,  La Boca is Argentinië, waar het Argentijnse voetbal en de tango is ontstaan. Nu zak ik af naar een cantina waar ik een stuk Argentijnse pizza  bestel met een "Moscato" en "Faina".  Een gewoonte die van oudsher  hier bestaat. Omgeven door een warme menigte, de geur van eten en tango geniet ik van mijn uitstap in La Boca.            

Guy Van Damme
19 1

Een ringetje

Dat Martine bij haar oude moeder terecht kon nadat Erik haar het huis uitzette, kwam de familie goed uit. Zo was er steeds iemand in huis om het negenentachtig jaar oude mensje te verzorgen en moesten ze geen geld spenderen aan bejaardenhulp.   “Als ik kost en inwoon kan krijgen,” zei ze op de familievergadering, “dan betekent dat heel veel voor mij. Ik heb geen nagel om aan mijn gat te krabben.”  In haar herinneringen zag ze hoe haar moeder vijftig jaar geleden in de woonkamer stond. Ze droeg een blauwe bloemenjurk en had krullen in het haar. Haar zes jaar oude ogen staarden als een ekster naar het ringetje met een briljant en naar het bijpassende dunne gouden kettinkje met ovalen hangertje. De randen van dat hangertje waren bezet met diamantjes en ook in het midden blonk een diamantje. Concentrisch rond dat middelste steentje waaierde een reliëf van slanke jugendstil blaadjes uit. De oorbellen hadden een grote blauwe saffier in het midden.  Op het zolderkamertje van Armand, haar enige broer en kakkenestje, had ze nog niet gezocht naar de juwelen of naar iets anders van waarde dat haar financiële nood kon ledigen.   Bij het openen van het zolderluik voelde ze hoe het stof in haar kapsel terecht kwam. Met een bezemsteel haalde ze de spinnenwebben uit de opening. Het houten schuiftrapje kraakte. Eenmaal boven zag ze hoe het licht door een klein raampje aan de westkant naar binnen viel. In de rest van het zoldertje hingen halfduistere schaduwen over het eenvoudige door haar vader gemaakte bed en de gebricoleerde kastjes. Links van haar was het donker. De zwarte bolvormige lichtknop deed gelukkig de gloeilamp nog wakkelend branden. De kamer was nog kleiner dan ze had gedacht en ze kon er maar net rechtstaan. Een balk van het dakgebinte liep van links naar rechts over de hele lengte van de kamer. De doffe en tegelijk scherpe geur van het stof drong diep door tot in haar sinussen. De houten platen van het plafond waren rechtstreeks tegen de panlatten geklopt. ’s Winters was het hier ijskoud en ’s zomers niet te harden. Tegen het raampje stond een bureautje naast het voeteinde van het bed. Er hingen nog kleren in de kleerkast, het bed was niet opgemaakt, een zelfbouwdoos voor een vliegtuig lag op het bureaublad, het vliegtuig zelf half afgewerkt, tijdschriften op de grond en een poster van een vogel in volle vlucht boven het bed. De rechterbovenhoek van de poster was losgekomen en krulde naar beneden. De lucht was hier zo verzadigd van stof dat ze voelde hoe er een laagje op haar armen, kleren en op haar gezicht kwam te liggen. Ze onderdrukte de neiging om zo snel mogelijk uit dit vuile nest te verdwijnen, maar toch keek ze onder de kromgetrokken matras, tussen de boekjes op het rekje en in de kleerkast. De schuifjes van het bureautje klemden zo hard dat ze dacht dat er ergens een slot op moest zitten. Het onderste schuifje gaf als eerste mee. Daar vond ze tussen de dode insecten een pin-upkalender. In het middelste schuifje vond ze Playboys. De recentste was van 2002, een jaar voor haar vader aan longkanker overleed. Om het bovenste schuifje los te krijgen moest ze wrikken en schudden. Net toen plofte de lamp.     ***    Martine overschouwde de enveloppen met geld op Armands bed. Sinds het tellen van de briefjes trilden haar handen als espenbladen in de wind. Alles samen was het vierhonderdduizend Belgische frank. Ze had nog nooit zo veel geld bij elkaar gezien.  “Het is te veel om zo te wisselen,” zei de bankbediende aan de telefoon, “waarom kom je deze namiddag niet langs? Dan kijken we samen wat we met het geld kunnen doen. Past vier uur voor jou?”  Martine hield haar adem eventjes vast, blies hem daarna in een langzame zucht en met bolle wangen uit haar longen. Ze keek op haar horloge. Drie uur. Door het raam zag ze een grijze duif door een bewolkte hemel vliegen.      Ze riep naar beneden.   “Moeder!”  En nog eens:  “Moeder!”  “Ja.”  “Alles in orde?”  “Ja-a.”  “Heb je nog iets nodig, ofzo?”  “Nee. Alles goed hier.”  “Heb je je mineralendrankje opgedronken?”  “Wat heb ik gedronken?”  “Dat drankje van de dokter tegen de diarree.”  “Bijna op. Nog een kletske.”  “Opdrinken, eh. Dat moet van de dokter.”  “Ja-a. Het moet toch niet allemaal in één keer. Ik drink het wel op.”  “Oké, goed. Zolang je het maar opdrinkt. Ik ga me omkleden en dan kom ik. Het duurt niet lang.”  Martine opende de enveloppen nog eens, alsof ze wilde controleren of het geld in tussentijd niet verdwenen was. Ze ritselde met haar wijsvinger over de randen van de briefjes. Ze rook eraan.   Twee weken voor Erik haar de deur gewezen had, had ze dit kakigroene kleedje ook aangehad. Ze had het pas gekocht en zichzelf bediend van een parelketting, bijpassende oorbelletjes, ring en armbandje. Ze waren samen in de MangerManger uit gaan eten. Hij had haar complimentjes gegeven.  Een week daarna, toen duidelijk werd hoe duur het jurkje en de juwelen waren en van welk geld ze alles had gekocht, was ze haar krediet kwijt. Het was de druppel, had Erik gezegd en hij dreigde ermee de juwelen en het kleedje terug naar de winkel te brengen. Uiteindelijk had ze alles mogen houden en was zij terug naar haar moeder. Alsof zij ook te duur van deze winkel was gekocht.   Het kon haar niet meer schelen. Dat kakikleurige kleedje en die paarlen ketting met bijbehorende oorbelletjes, ring en armbandje waren niet bedoeld om in de kast te hangen. Vandaag wou ze in stijl naar de bank. Tijdens het schminken, kreeg ze haar trillende vingers niet onder controle. Beneden hoorde ze iets vallen.   “Moeder?! Moeder?!”  Er kwam geen antwoord. Ze stommelde de trap af om te kijken.  Haar moeder lag in haar zetel en sliep. De tv stond aan en het Duits van ‘Sturm der Liebe’ verstomde elk mogelijk ander geluid in de woonkamer. Martine nam de afstandsbediening van de vloer en zette het geluid zachter. Ze dronk twee portootjes kort na elkaar, spoelde het glas uit en zette het daarna weer bij de schone glazen in de barkast. Boven merkte ze weinig verschil bij het schminken. Aan de linkerkant van haar bovenlip was ze een beetje uitgeschoten met haar lippenstift en bij haar linkeroog was het lijntje gehakkeld. Het moest maar zo. Ze koos haar bruinlederen handtas en stak de enveloppen er rechtop in. Het was tijd om te vertrekken.   Beneden merkte ze onmiddellijk de zure geur van ontlasting. Het was niet waar, dacht ze, niet nu. Potverdikke.   “Moeder, heb jij een vuile pamper? Moeder, moeder! Word eens wakker. Moeder, hoe is dat mogelijk! Je bent in slaap gevallen en je pamper zit vol. Vooruit, dit moeten we eerst opkuisen.”  Tijdens het verversen vielen twee enveloppen uit haar handtas. Met vuile vingers raapte ze die op, stak ze terug in de handtas en gooide die in een hoek. Het beeldje dat nonkel pater uit de tropen had meegebracht en dat in die hoek stond, wankelde, maar viel niet.   Een half uur later zat haar moeder proper in haar zetel. Zij veegde eerst nog met een schotelvod een vlek van haar jurk en ging toen aan de keukentafel zitten. Ze had geen zin meer om naar de bank te gaan en keek met een half oog naar de opengeslagen krant.  “Sorry, liefje,” zei haar moeder.   “Maar moeder, daar kan jij toch niks aan doen. Het is niet prettig, maar je kan er niets aan doen.”  “Sorry.”  “Ik weet het moeder. Stop maar met sorry zeggen, het is nu zo. De dokter komt morgen nog eens langs.”  “Weet je wat, Martine.”  “Wat is er moeder?”  “Ik heb nog iets voor jou. Ga eens boven in de commode kijken. De onderste lade. Daar ligt een zijden zakje. Ga dat halen. Wat daar inzit is voor jou.”  “Moet dat echt nu, moeder? Dat hoeft toch niet.”  “Ik sta erop.”  “Weet je wat? Ik zal het gaan halen en dan zien we wel.”  Martine blies de lucht weer met bolle wangen uit haar longen. Haar voeten sleepten over de vloer en over de treden van de trap. Ze vond het paarse zijden zakje in haar moeders commode, zoals ze gezegd had. Het was met een zilverkleurig lintje dichtgeknoopt .  “Hier is het,” zei Martine.  “Kom eens, meisje.”  “Moeder, allé.”  “Nee, nee, kom hier. Vooruit. Geef je hand.”  Haar moeder opende het zakje en de erfjuwelen die ze eruit haalde, glommen in het oranjegele licht van de staande lamp. Haar moeder schoof de ring over Martines vinger. Daarna hing ze het hangertje om haar nek. Martine moest daarvoor zo ver vooroverbuigen dat ze bijna op de schoot van haar moeder viel.  “Voor jou. Ze zijn voor jou. Jij verdient dat.”  Haar moeder snoot haar neus en veegde met de zakdoek haar ogen droog.  Martine verving haar eigen oorbellen en deed de paarlen ketting uit. De rest van de namiddag en de avond hield ze haar moeders juwelen aan. Pas vlak voor ze ging slapen, legde ze het paarse zakje weer op zijn plaats.     ***    Drie weken later lag haar moeder in een ziekenhuisbed. De bacterie die haar diarree veroorzaakte, bleek tegen elke vorm van antibiotica opgewassen. Een infuus zorgde voor vocht in haar aderen. In bed nam ze niet de helft van de plaats in die ze normaal gezien innam. Martine was in die laatste weken amper van haar moeders zijde geweken en had geen tijd genomen om naar de bank te gaan. De enveloppen lagen weer op hun oorspronkelijke plaats.  Haar moeder wilde iets zeggen, maar haar stem was te zwak om boven het geluid van de tv uit te komen. “Wacht even, moeder. Ik zet eerst de tv af. Zo kan ik je niet verstaan.”  Martine zette de tv af en legde de afstandsbediening op het ongebruikte eetplankje. Daar donderde hij meteen af. Martine moest op haar knieën onder het bed om eraan te kunnen. Ze stootte haar rug tegen de rand.  “Wat is dat hier allemaal,” riep een verpleegster. “Is alles nog in orde?”  “Het tv-kastje was gevallen.”  “O, als het dat maar is. Ik kom eens kijken hoe het zit. Mag ik even onder de lakens?”  De verpleegster wachtte niet op een antwoord en sloeg de lakens achteruit. Kordaat ververste ze haar moeders pamper die alleen nog maar wat vochtig slijm bevatte. Toen ze klaar was, stopte ze haar moeder onder en trok de lakens strak.  “Heb je het niet te koud? Zal ik er een extra dekentje opleggen?”  Weer wachtte ze niet op een antwoord en ze dook de kast in waar ze een dun dekentje uithaalde. Met een zwier legde ze het in één beweging losjes over haar moeder.  “Dank u, dank u,” mompelde haar moeder.  De verpleegster keek Martine aan en wenkte haar met het hoofd. Op de gang fluisterde ze plots.  “Ik heb er geen goed oog in,” zei ze. “Jouw mama is erg zwak geworden.”  Martine zweeg en keek naar de grond.  “Ik vrees dat het tijd is om afscheid te nemen.”  Ook de verpleegster zweeg nu en keek Martine van top tot teen aan.  “Ik zeg het maar.”  “Nee, nee, dank u verpleegster. Misschien moet ik inderdaad de rest van de familie bellen.”  Martine nam haar telefoon en belde eerst naar haar oudste zus. Daarna contacteerde ze de rest van de zussen en uiteindelijk Armand. Ze spraken af om de volgende dag naar het ziekenhuis te komen. Alleen Armand kon niet, die kwam dezelfde avond nog.  Toen Martine terug de ziekenhuiskamer in ging, lag haar moeder te slapen. Met open mond. Haar adem schuurde tegen haar huig en haar armen lagen bleek bovenop de lakens.  Armand kwam een half uurtje later aan en trof zijn moeder zo slapend aan. Hij zette de tv op.  “De laatste kilometers van de koers,” zei hij. “Er is een ontsnapping en er zitten drie Belgen in.”  “Ik ga in de cafetaria iets drinken,” zei Martine, “en in het winkeltje een krant kopen.”  Bij het terugkomen, was haar moeder wakker. Armand hield haar hand vast. Op tv zag ze een renner op een podium staan. Hij trok een groen truitje aan. De bloemen in zijn hand gooide hij het publiek in. Het geluid stond af.  “Het is goed dat je dat gezegd hebt, moeder,” zei Armand. “Rust nu maar weer uit.”  Haar moeder sloot onmiddellijk weer haar ogen.   “Ze is er slechter aan toe dan ik dacht,” zei Armand, terwijl hij op zijn horloge keek.  “We zullen haar maar laten,” antwoordde Martine.  Samen wandelden ze naar de uitgang. Armand reed met de auto naar huis. Martine nam de bus. De zussen hoefden de volgende dag niet meer te komen.     ***    Priester Gerard verzorgde de uitvaartdienst. Op het einde van de koffietafel raakte Martine met hem aan de praat. Ze hield van zijn melodieuze stem en de manier waarop hij met zijn donkere ogen recht in haar ziel leek te kijken. Haar zussen en broer wachtten niet tot het einde van dat gesprek en vertrokken zonder haar. Toen ze haar jasje aandeed, nam priester Gerard haar hand in zijn twee handen en knikte. Hij deed zijn mond open, maar voor hij iets kon zeggen, werd hij onderbroken door de zaakvoerster.  “Martine? Jouw zus zei dat jij de betaling van de koffietafel zou regelen.” “O ja, dat weet ik niet. Dat zal dan wel.”  Priester Gerard wuifde en draaide zich om.  “Dat kan cash als je wilt.”  Martine voelde haar hoofd rood aanlopen en het jasje dat ze net had aangetrokken, moest onmiddellijk weer uit. Zo veel geld had ze niet. Ze kon het niet eens voorschieten.  “M-mag dat ook met een o-overschrijving? Ik heb geen cash bij me.”  “Er is een bankautomaat iets verderop in de straat.”  De bovenste knopjes van haar blouse moesten ook los. Ze krabde aan haar armen alsof ze pas door een mug gestoken was.  “Nee, ik bedoel, misschien toch liever met een overschrijving. Dat is gemakkelijker om het onder elkaar te regelen.”  “Dan is het wel iets meer, natuurlijk.”  De zaakvoerster van de zaal verdween achter de toog en kwam vijf minuutjes later terug met een factuur. Martine plooide het blad twee keer dubbel.  De twee kilometer terug naar het huis van haar moeder legde ze te voet af. Op hoge hakken. Toen ze de straat in stapte, zag ze van ver de auto’s staan. Haar zussen en broer zaten rond de keukentafel. Ze moesten het eens hebben over hoe lang ze hier nog in huis wilde blijven.  “En moeders juwelen,” vroeg haar oudste zus, “weet jij toevallig waar die liggen? Ze had mij beloofd dat ik die als oudste zou krijgen als ze er niet meer was, maar ik vind ze nergens. Ze zitten niet in haar juwelenkoffertje.”  Martines hand gleed naar haar handtas. Ze voelde eerst aan het zijvakje en daarna haalde ze de factuur eruit. Ze legde die in het midden op de tafel.  “Ik denk het wel,” antwoordde ze. “In haar commode, de onderste schuif, helemaal achteraan en onder de lakens verstopt.” Ze mompelde het bijna als een excuus.  Haar oudste zus schoot meteen naar boven. Een andere zus nam de factuur, plooide ze open en keek er lang naar. De twee andere zussen dronken koffie en zeiden niets. Armand dronk bier en glimlachte na elke slok.  Een paar dagen later merkte ze dat de enveloppen niet meer op hun plaats lagen. Ze vloekte één keer kort en luid. Daarna kwam ze twee dagen het huis niet uit. Tien dagen later verkocht ze haar eigen paarlen juwelen tweedehands voor bijna evenveel als ze hen gekocht had. Niet lang daarna mocht ze voor de eerste keer bij priester Gerard gaan koken en poetsen. Het was ook priester Gerard die ervoor zorgde dat ze net buiten het centrum in een studio kon intrekken. Voor weinig geld.   Op heldere dagen lag ze op haar rug in de zetel en keek ze via een koepeltje door het platte dak naar de hemel. Ze hield ervan om door dat kleine vierkantje vogels te zien vliegen in een blauwe lucht. Het zou niet lang meer duren voor de erfenis rond was en de boerderij te koop gezet werd. Daarna hoefde ze met geen van haar familieleden nog contact te houden.  Om haar rechterringvinger zat het ringetje met het briljantje. Op het schapje naast de tv stond een klein kristallen vaasje dat ze bij priester Gerard weggenomen had. Ze had het opgeblonken en er een plastieken roosje in gestoken. Zowel het briljantje als het vaasje vingen het licht en verspreidden het in geometrische figuren tegen de muur. Over en door elkaar.       

Hans Van Ham
20 0