Zoeken

kapitalisme

HET DORP flandre profonde **************************************************************** "Ik begon met tien kleine krokante broodjes, wat beleg en servetten die ik met elastiekjes op hun plek hield. Gehuld in een koksmaatjeskostuum verkocht ik ze in een nabijgelegen café. Met de winst kocht ik er twintig, toen veertig.Na een jaar kreeg ik een bijzonder aanbod. Het legendarische jazzcafé De Muze was de tijdsgeest van dat moment niet gunstig gezind. De zaak waar voorheen rijke '68-ers vol idealisme rondliepen, werd nu bevolkt door een nieuwe generatie: agressief ogende jongeren met hoog opgekamde haren vol zeepresten. De oudere stamgasten vluchtten resoluut de deur uit, wat de eigenaar in financiële problemen bracht; zijn leningen moesten immers afbetaald worden. 'Als je het raam gebruikt, kun je zowel binnen als buiten verkopen,' stelde hij voor. 'Als het lukt, bouw ik een echte keuken voor je.'Een jaar lang stond ik daar elke dag. Op een middag zag ik de Japanse keizer en keizerin in twee aparte wagens op twee meter van mijn raam voorbijsnellen. Twee Amerikaanse dames die in Amsterdam logeerden, kwamen even koffie drinken. Ik opende mijn venster stipt om twaalf uur 's middags en bleef tot de laatste man vertrok. Uiteindelijk werd ik het kotsbeu. Mijn redder in nood verscheen in de gedaante van de eigenaar van een ruïne op het Antwerpse Zuid. In een van de leegstaande pakhuizen had hij studentenfeestzaal De Paradox ingericht. Hij vroeg of ik mijn handeltje daar wilde voortzetten. Omdat het beloofde keukentje in De Muze er nog altijd niet was, gooide ik al mijn voorraad in de vriezer, trok de stekker eruit en vertrok. Twee jaar lang verkocht ik hamburgers in de feestzaal.Op een dag werd ik gevraagd om mee te werken aan het evenement 'De Laatste Nacht'. Als ik voor de artiesten kookte, mocht ik broodjes verkopen aan het publiek. Het jaar ervoor waren er vijfhonderd broodjes per uur doorgegaan, dus ik mikte op tweeduizend stuks. Voor de artiesten wilde ik lamsribbetjes met friet en salade maken. Maar het was Nieuwjaar en in heel Antwerpen was geen lamsrib meer te vinden. Dan maar varkensribben, gestoofd in uien, look en kruiden. Wie zou het merken?Om tien uur ’s avonds stond alles klaar, maar de organisator meldde dat de heren artiesten nog even wilden wachten. Alles werd koud. Tegen twaalf uur warmde ik de boel opnieuw op. De kleur van de varkensribben was inmiddels veranderd en vooral de aanhechting van het vlees aan het bot zag er problematisch uit. 'Over een uur hebben ze wel honger, nadat ze Nieuwjaar hebben doorgezwollen,' waarschuwde de organisator. Ze hadden inderdaad honger. 'Lamsrib' was inmiddels volledig uit mijn vocabulaire geschrapt. Ik serveerde ze een soort paté met krokante frieten en verlepte, in dressing verdronken sla. Een tijdje later werd ik getrakteerd op champagne en bijna de zaal rondgedragen omdat het zo heerlijk had gesmaakt. Van de beoogde tweeduizend broodjes verkocht ik er die nacht in totaal vijftig." ********************************************************* BANK hieren

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser.
53 0

Het einde

Ik heb nergens pijn behalve in mijn brein. Het is tien na één ’s nachts en het is koud en pikdonker. Ik ben de rust zelve. Geen opwinding of zo. Ik doe m’n kaki broek van Fjällräven aan en Bridgedale sokken. Ik kies voor de zware bergbotinnes.  Het Albertkanaal is zes minuten wandelen. Ik neem een stuk touw mee, zodat ik mijn wandelschoenen aan elkaar kan knopen. Ik kan dat niet meer gaan watertrappelen of zwemmen. Ik wil verdrinken in het koude water. De echtgenoot van mijn zus beweert dat je aan de rand van de vaart gewoon kan staan. Ik denk dat de vaart diep genoeg is om te verzuipen. Daarna is er niks. Aan de trap op het einde van de straat steek ik al mijn zakken van mijn broek en Adidasvestje vol met steentjes. Ik verwacht niet dat ik nog wandelaars of fietsers ga tegenkomen. Het is halve maan en ijskoud. Op de rand van de vaart knoop ik mijn wandelschoenen stevig aan mekaar. Ik ben lichtjes zenuwachtig, maar vastberaden. Het water lijkt zwart. Ik laat me in het koude water glijden en duw me met mijn vastgebonden schoenen van de kant. Heel even schiet ik in paniek en probeer te trappelen. Ik maak idiote zwembewegingen met mijn armen. Daarna ga ik kopje onder en doe een slok water binnen. Ik verzuip. Ik ben vrij. Op mijn bondig afscheidsbriefje, dat ik gisteren schreef, staat ongeveer hetzelfde als bij de eerste zelfmoordpoging:                                J’en ai marre.                                Draag alsjeblief zorg voor het creatieve werk. Dankjewel.                                  Fernand

Hubert Grimmelt
27 1