Zoeken

Den Dries

“’t Is van dat, ja lap, dat van dat is. Kermis, jong, op Den Dries, jong. Ge ziet ze, alleman is te gare. Allee het valt te bezien of ’t is te zeggen. Pintekens drinken tot k’n kan nie meer. K’n kan nie vele. Peis ik. k’n kan nie vele nie meer. Van ’t flubiet in mijnen kleine teen. De jonge meiskes draaien met hun rokken rond. En Rogerke, ’t smeerlapke, legt hem neer en kijkt er onder. Hij spreekt niet, zijn tong is afgebeten door ne kameraad in ’t schuttershof zeven winters geleden, maar hij sist en tjielpt gelijk een vogelke en met zijn arme armkes bewegingen maken. Bijna tegen de schede van ’t meiske bij wie ’t rokske tot onder d’oksels komt. Dan vraagt ze der ook om. ’t Is precies Sodom en Gomorra. Rick en Jean Luc, d’homos, lopen hier ook rond op hun sandalen. Rick mankt. Zijn knie is kapot. Zijn knie is gammel als een kameel met ene bult. Hij moet alle zeilen bijzetten om Jean Luc te kunnen volgen. Zijn stem klinkt zagerig, alle woordekes uit zijnen mond worden slap als meel. Ze hebben ruzie gehad. Ze hebben altijd ruzie. Iederen dag van de weke maar ’s zondags niet. Dan gaan ze pastis gaan drinken. Met den bus en komen ze thuis als de koekeloeren haan gekraaid heeft. Die ze dan plachten te roosteren met brood. En als ’t mislukt, en ’t is mislukt, boterhammen mee confiture van pruimen. En lap weeral ruzie. Zouden zij naar ’t schietkraam gaan vandaag op de kermisse? Subiet schiet den enen den anderen een oog uit. ’t Zijn al manke hier op Den Dries. Ge kunt gij hier anders niet blijven. Horzelvoet, tandeloos gebit, zonneallergie. Wreed is ‘t, zo zonder zon. Anton, kan niet met de zon. ’t Is daarom dat hij altijd zo wit ziet, precies een lijk. We zeggen ’t tegen mekaar: -’t Lijk, zeggen we. ’t Lijk loopt hier rond. -Ah ja, waar? Vraagt de gindsen. -Ah hier, ziet ge ’t nie? Zo wit. Een lijk. ’t Moet er wel een zijn, subiet komt er vocht uit zijn hol. Past op. Ge kunt daar vervaarlijk over vallen. Antontje toch, ge moet u proper houden. ’t Is niet omdat ge lijk een lijk zijt dat ge niemeer fier moogt zijn ze. En Anton stamelt dan totdattie verder wankelt, uit de zon. Odette heeft vlaaien gebakken. Mee appelsienen in. Slappe vlaai. Met lauwe Rodenbach moet ge da drinken. Zonder schuim. Uit de kelder. Odette strompelt den trap af. D’r zitten muizen in haar haar. Dat leeft daar al zo lang, want Odette komt haren hof nie meer af. In een tuinstoel mee bloemekes op, half doorgezakt, dienen stoel, maar Odette ook, z’heeft water in haar knoessels. Juist vaderlanderkes. Ge kunt er mee naar den oorlog, en als ’t mislukt geeft dan wa vlaai aan de vijand. Directe capitulatie. Haar dochter is ook al vijftig. Nog altijd vlechtjes op hare kop. Vette vlechtjes. Van ’t frietvet. Ze danst heelder dagen rond het huis. En bakt haar frieten. Z’eet nie elle. Of ’t waren lekstokken. Alle dagen van ’t jaar staat ze te lekken. Mee haar grote tong. Precies van een koe. Giet er wa madeira in en ge kunt et eten mee kroketten. En vals zingen doet z’ ook. Ze wil het aanleggen mee Rogerke. Maar hij kan ’t niet uitleggen, dat hij niet wil en dat zij moet stoppen want ge krijgt het zuur van hare kop. Ne goeie kinderkop, maar wel ’t zuur in uw maag als ge er dagelijks op moet kijken. Ze pakt zij zijn handje ne keer en steekt het tussen haar benen. En blijven lekken en Rogerke kwieten. Haar vader was Marcel maar hij is dood. Hij ligt bij de pieren te zwieren. Hij was in de gierput gesprongen van ’t verschieten toen dat hij zijn dochter zag. Maar hij kwam niemeer boven. We stonden wij daar allemaal op te kijken. We hebben dan een lotje getrokken wie d’r achter ging. ’t Was aan Rudy. Maar Rudy durfde nie. We hebben hem dan geduwd. Ah ja, anders moette nie meedoen. Lap Rudy ook nie meer gezien sindsdien. Nog ne keer geprobeerd, maar z’hadden mij in gedachten. Kzeg: kheb mijn tanden nog niet gepoetst. Da ga nie gaan. En ’t een ging nie. Poetst ze anders nu, zei d’r enen, de facteur Louis, hij was al zat. Kzeg tegen Louis: gaat gij ze dan gaan halen, ze liggen in een glas naast mijn bedde, ge kunt er nie nevens kijken.Hoe da niet, vraagt Louis. Ge herkent da wel een gebit. Wa tanden op een rij. Maar Louis was nie zinnens naar mijn huis te trekken. Na wat vijven en zessen zijn we dan maar gegaan, naar ne staminee. Louis zegt: kga mij iets sterks pakken. Hij dronk zijne whisky puur, maar hij zat mee nen hoest. En hij hoest zijne whisky op zijn broeke. Zo ne facteur mee geen broek aan, ’t is toch da nie. ‘k Zal ze afkuisen zegt Nadinda. Komt mee naar boven.   En wij blijven zitten en wat wachten. Ja ja. En ah zo. En al ineens. Ne slag en ne boenk. Wij naar boven. Ze lagen zij daar opéén. Juist voordat Omer, de man van Nadinda, Louis ne boks wou geven, zegt hij nog: mijn broek was toch al af. Da was daar wreed. Bijna drie lijken op nen dag. ’t Zou te veel van ’t goede geweest zijn. Gelukkig dat hij nog overlast had staan een eindje verderop. ’t Was koelen zonder blazen. Nu is ’t hier dus feeste. ’t Zijn al zwijnen dat hier rondloopt. Tot den dinsdag kijkt da naar niets. En dan nog twee maand mee uwen kop in de grond als ge den anderen passeert. Want der is weer van alles gebeurd da nieden deugd. Al een grote chance dak kik zo nie ben. Ik zittekik maar wa te kijken. In de lommerte. Als ’t er iemand komt zeg ik: neen jong ’t is zo goed of ‘k heb het gehad. En ‘k leg mij op de grond van de kelder als ’t mij te warme wordt. ’t Is dan wachten op moeder de vrouw totdat ze thuiskomt. -Vuilaard, smeerlap waar zitte zegt ze. -Hier in mijnen kelder. Alhier alhier dicht bij ’t bier. -Vuilaard, smeerlap wie gaat die bakken naar beneden slepen als ’t op is? ‘k Zeg dadda wel meevalt. Maar ze sleept geen bakken, zegt ze. Blijf kik dan maar terplekke. Totdat z’uitgeraasd is. -Vuilaard smeerlap, ze ziet me zo gaarne. ‘k Hoor het aan haar stem. ’t Is een en al liefde. Allange. Vroeger was ze schoner. ‘k Zeg het haar:-Stop mee paté t’eten. -Ik een eet gene paté. -Maar muilkorft mij ne keer nie. Patéekes me crème, da maakt u vet. Moorevet. -Ge zijt nen dronkaard. Kzeg van nie want ik blijve thuis. -Subiet ne paté op uw muile.En ’t spel is were hespe.En op elkaars muile. Wat moeten w’anders? En zo gaat den dag vooruit.”

Gabriel Rooms
10 0

Florence, 39 jaar

1944Trein Oostende-BrusselEr zijn genoeg lege banken in deze wagon, maar ik ben toch maar tegenover die meneer gaan zitten. Hij ziet er vriendelijk en deftig uit. Welgemanierd is hij ook. Hij vraagt of ik er bezwaar tegen heb dat hij zijn pijp aansteekt. Ik schud mijn hoofd en geef hem mijn schoonste glimlach. Ge moet de mensen tegemoet komen, ik zit niet graag alleen. Het kan gemakkelijk een uur of vier duren eer we in Brussel zijn. Als er tenminste geen vertragingen zijn.  Hij haalt een boek uit zijn boekentas en begint te lezen. Spijtig, ik had graag een babbelke gedaan. Er zit een blauwe kaft rond zijn boek. Een zorgzame mens, dat ziet ge.  Er staan prentjes in van bloemen en planten. Curieus.  Zeker geen sukkelaar, aan zijn vest en zijn broek te zien. Zijn schoenen blinken. De mijne ook. Ik ben blij dat ik mijn beste jas en mijn visonkraag heb aangedaan. Ge kunt onderweg nooit weten wie ge tegen komt. Hij draagt een trouwring. Spijtig. Een fatsoenlijke man is moeilijk te vinden voor een weduwe gelijk ik. Ofwel zijn ze getrouwd, ofwel zijn ze in dienst. Van soldaten moet ik niets hebben. Die zijn hun zelve niet in deze tijd.  Als we Gent gepasseerd zijn, zal ik mijn boterhammen bovenhalen. Misschien wil hij er een.  ‘Een stutte?’ vraag ik.Ik steek een boterham met gebakken eieren in zijn richting. Er vallen wat kruimels op de bladzijden van zijn plantenboek. Hij blaast ze weg en kijkt op.  ‘Een stutte? Gij komt zeker van Bachten De Kupe?’ ‘Nee’, zeg ik, ‘van Watervliet’ ‘Watervliet, daar is geen station’, zegt hij.  Ik vraag hoe hij dat zo goed weet. Is hij al eens in Watervliet geweest, misschien?  Nee, hij werkt bij de Spoorwegen. Hij kent alle stations van Vlaanderen en Henegouwen uit zijn hoofd.  Ik vertel hem dat ik in Watervliet bij mijn moeder geweest ben en daarna bij een tante in Brugge. Nu ben ik onderweg naar Brussel want ik werk in de bakkerij van mijn nonkel. Morgenvroeg moet ik om zes uur de winkel opendoen.  Hij vraagt waar die bakkerij ergens is. Toch wel vlakbij zijn werk zeker! Is dat niet toevallig? Hij zegt dat hij bij mij eens koeken zal komen kopen. Tijdens de middag maakt hij soms een wandeling in de straten rond het Noordstation. Ik vraag of hij misschien naar zee is geweest. Hij steekt zijn boek in zijn boekentas. Veel van de zee heeft hij niet gezien, hij was daar voor zijn werk. Bij de spoorwegen moet ge nogal eens op zondag werken. Hij vindt dat niet erg, dan kan hij in de week soms een dag op zijn gemak thuisblijven en in de hof werken.  Of hij kinderen heeft, vraag ik, want dat hij getrouwd is, weet ik al. Een dochter van zeventien, op pensionaat in de Staatschool van Laken. En zijn vrouw dan? Zit die dan alleen thuis?  ‘Ze is schooljuffrouw in de gemeenteschool in ons dorp.’ En dan zwijgt hij. Ik ben misschien te nieuwsgierig geweest. We kijken wat door ’t venster en weten niet meer goed wat te zeggen. Het landschap wordt al heuvelachtiger en meer bebouwd. We naderen Brussel. Als hij in mijn richting kijkt, lach ik nog eens.  Hopelijk komt hij morgenmiddag naar de bakkerij. Dan zal ik hem eens goed bedienen. Ik kan hem laten proeven van onze frangipanekoeken. Het zijn de beste van Brussel en omstreken.

Christine Van den Hove
0 0

Project Me

Project Me Een toneelstuk over een rotpuber, Facebook en Sponge Bob   Korte inhoud   2 Decor  2 Overzicht scènes  3 Acteurs  4 Personages  4 Vooraf 5 Mama, mag ik 6 Wel wat mensen 13 Kwestie van dat interview 24 Dag meneer de burgemeester 33 Inbunkering en desoriëntatie 42 Frank  44 Waar is dat feestje 49 Waar is Sylke? 52       Korte inhoud Een toneelstuk over een rotpuber, Facebook en Sponge Bob in zeven scènes en een half. In september 2012 maakt een vijftienjarig meisje uit Haren een Facebookevenement aan voor haar verjaardagsfeest. In mum van tijd zeilt het verder op Facebook onder de vlag Project X, een film die verhaalt hoe de ouderlijke woning wordt getrasht door een massa tieners die uit zijn op een stevig feestje. Deze fictieve nachtmerrie werd bitter reëel voor het jarige meisje en haar omgeving. Haar Facebookevenement werd gehackt om er de utopie van het feest der feesten te beleven: Project X. Dit toneelstuk heeft de feitelijke gebeurtenissen in Haren 2012 als uitgangspunt, maar integreert ook de drijfveer van de personages in de film: verlangen naar populariteit. Zet daartegenover ouders die hopeloos trappelen om de snel veranderende tijden bij te benen en je krijgt Project Me: het relaas van een opgroeiende tiener en zoekende ouders in een tijd waarin niets nog zeker lijkt. Decor Het fictieve dorpje Zelegem Het stuk speelt zich nagenoeg volledig af in de woonkamer van de familie Van Pael. Sommige gesprekken vinden plaats aan de voordeur, of in de hal die grenst aan de woonkamer. Door de ramen zien we de omgeving van het huis.  In de woonkamer kan een breedbeeldscherm aanwezig zijn waarop zichtbaar kan worden gecomputerd. Aan de andere kant staat eventueel een open keuken. Scène 6 is een monoloog van Sylke die zich afspeelt in een soortement voetbalkantine.       Overzicht scènes                                                     1.     Mama, mag ik Sylke en haar beste vriendin Meredith fantaseren over jongens. Meredith gaat naar een feestje, Sylke moet daarvoor wachten tot ze zestien is. Na een conflict over hoe weinig ze mag, besluiten haar ouders haar een sweet-16-feestje te gunnen. 2.     Wel wat mensen Het aantals genodigden voor Sylkes verjaardagsfeestje is uit de hand gelopen. Sylke wil de organisatie van het feest uitdenken, maar haar ouders willen het feest afblazen wegens de risico’s die een grote massa jongeren met zich meebrengt. 3.     Kwestie van dat interview Sylkes moeder wil de media gebruiken om de jongeren te ontraden naar het feest te komen. Hierdoor wakkert ze de belangstelling enkel aan. De media-aandacht groeit. 4.     Dag meneer de burgemeester De burgemeester bezoekt het gezin Van Pael om zijn beleid in deze materie te staven. Een social-media-expert levert de ware toedracht van het Facebookfeest. 5.     Inbunkering en desoriëntatie Op de avond van het feest zelf maakt iedereen zich klaar. Sylke en haar moeder, Celien, zouden familie bezoeken. Vader Paul is van dienst als brandweerman. Frank Buurman Frank komt vragen waar het feestje is. Wanneer Celien wil vertrekken, blijkt Sylke spoorloos. 6.     Waar is dat feestje Sylke staat te midden van mensen die ze niet goed kent in een voetbalkantine. Het is haar verjaardag, maar ze is in de steek gelaten door haar vrienden. Ze voelt zich niet op haar gemak. 7.     Waar is Sylke In het ouderlijk huis wachten Paul en Celien op hun dochter die uiteindelijk vermoeid binnenwandelt. Na een fikse uitbrander en een geslaagde verzoening, belt Mathijs aan. Sylke mag met hem gaan bowlen.     Acteurs Er zijn minimum 5 acteurs nodig: 3 actrices en 2 acteurs. Er zijn in totaal 11 rollen. De vijftienjarige Sylke en haar ouders zijn persistent aanwezig. Daarnaast kan een man, bij voorkeur een iets oudere, de rollen van de burgemeester, Frank, Mathijs (een jonge gast die niet noodzakelijk zichtbaar hoeft te zijn) en reporter 2 opnemen. Een vrouw, bij voorkeur iets jonger, kan de rollen van Meredith, Esmé, Reporter 1 en cameraman opnemen. Personages Sylke, vijftienjarige puber         Vijftien, net geen zestien, verliefd op Mathijs. Haar ouders zijn voor haar obstructies in de weg naar volwassenheid. Ze hebben nooit hoog gemikt, hebben nooit voluit geleefd, zijn niet bepaald mee met de snelveranderende tijd en hebben daarom afgedaan als voorbeeld in Sylkes leven. Terwijl de hormonen door haar lijf gieren, wil ze niets anders dan de wereld tonen dat ze klaar is voor volwassenheid. Paul, vader van Sylke: brandweerman, gelooft in een strenge opvoeding, maar de boog moet ook niet altijd gespannen staan, er mag al eens gelachen worden Celien, moeder van Sylke: secretariaatsmedewerkster, wisselvallig in haar betrokkenheid, dat ligt mogelijk aan haar wereldvreemdheid die haar onhandig maakt. Meredith, vriendin van Sylke : zelfbewuste, coole tiener die door haar puberteit lijkt te walsen, charmant en aanwezig Ronald Van Dingenen, burgemeester: burgemeester van de oude stempel vol goede bedoelingen: hij wil dicht bij de mensen staan, maar dit lukt hem niet zo goed, onderschat de complexiteit van de moderne tijd Esmé Tallouis, social media expert: onbetrouwbare hipster, wiens hart ligt bij het ding, niet bij de mens Frank, de buurman: vereenzaamde, oude rocker die mogelijk wat hersenschade heeft opgelopen in zijn wilde jaren Mathijs, alias Sponge Bob: toffe, jonge gast, geliefd om zijn mopjes Reporter 1: overijverige reporter voor de regionale tv Reporter 2: lyrische reporter voor de meerwaardezoeker Cameraman: extra     0.    Vooraf Gelieve uw gsm-toestellen voor deze voorstelling niet uit te schakelen. Blijf gerust en de gehele voorstelling lang verbonden met het globale netwerk van interconnectiviteit. Gelieve eenvoudigweg recht te staan wanneer u een telefoontje krijgt zodat wij onze aandacht gemakkelijker kunnen verdelen tussen u en de acteurs. U hoeft zich niet te schamen. In deze ruimte bestaat geen privacy.     1.    Mama, mag ik Sylke en Meredith hangen uitgezakt in de sofa te konkelfoezen terwijl moeder Celien het eten bereidt. Meredith:           Ik denk… Sponge Bob! Sylke:                    Wat? Da’s gemeen! Meredith:           Echt. Daar lijkt hij op. Hij heeft ook zo van die vierkantige beenderen vanonder aan zijn kin. (wanneer ze Sylkes teleurstelling ziet) Definitely Sponge Bob. Sylke:                    Oké, dan is die van u… Meredith:           Ja? Sylke:                    Gargamel. Meredith:           Nee! Sponge Bob is nog lief! Sylke:                    Gargamel ook. Meredith:           (om te lachen) Niet tegen smurfen en ik ben dol op smurfen. Je breekt mijn hart! Sylke:                    Nee! Gargamel is schattig! Meredith:           Niet zo schattig als Sponge Bob! Sylke:                    Da’s waar, maar Gargamel is sexy! Meredith:           You think? You crazy! Sylke:                    (serieus) Hij heeft echt wel iets. Meredith:           Ja, hé? Geef mij maar Gargamel! Sylke:                    Amai! Ik liever Sponge Bob, hoor! Meredith:           Ga je straks echt niet mee naar Fien? Please? Sylke:                    Mere, het is nu niet bepaald dat ik niet wil. Meredith:           Komaan, Sylke. Je kan het toch nog eens proberen vragen? Sylke:                   Nog ‘ns? Meredith:           Ik denk dat Sponge Bob komt. Sylke:                    Mama? Mama, mag ik straks mee naar een feestje bij Fien? Celien:                 Nee. Sylke:                    Zie je wel? Meredith:           Da’s zo zielig! Ik zou doodgaan! Celien:                 Van hoe laat tot hoe laat? Sylke:                   (controleert bij Meredith) Van acht uur tot … tien uur? Het hoeft niet lang te zijn, hoor! Celien:                 Nee, Sylke. Sorry. Sylke:                    Waarom niet? lien:                       Feestjes mogen vanaf je zestien. Sylke:                    Maar ik verjaar volgende maand!                                                           Celien:                 Dan mag je volgende maand naar een feestje! Sylke:                    Maar iedereen gaat! Celien:                 Niet zagen! Niet iedereen heeft het genoegen onze dochter te zijn. Sylke:                    Hopeloos. Meredith:           Maar mevrouw Van Pael, Sylke is echt de enige van de klas die niet mag van thuis. Mensen denken dat zij een probleem heeft. Sylke straft deze poging af met een tik op Merediths billen. Celien:                 Hoe lang ga jij al naar feestjes? Meredith:           Al twee jaar of zo. Van mijn dertien en een half, denk ik. Celien:                  En rook jij? Sylke en Meredith giechelen omwille van de absurde logica. Meredith:           Echt niet zeggen aan mijn ouders, mevrouw Van Pael! Celien:                  Als je belooft om in het vervolg Celien te zeggen. Meredith:           Oké, Celien. Sylke:                    Ei, da’s raar!   De deur gaat open. Paul, de vader van Sylke, komt binnen.   Paul:                      Hallo, hallo! Dag Meredith, wat een plezier om jou nog eens te zien. Meredith:           Dag Paul! Ze krijgt nog een billenklets van Sylke omwille van de vreemde familiariteit. Paul:                     Waaraan danken wij de eer? Meredith:           Het is straks feestje bij Fien en van hieruit is dat maar om de hoek. Paul:                     Blijf je hier dan ook slapen? Meredith:           Nee. Ik blijf daar. Of ik ga naar huis met de fiets. Ik weet het nog niet. Meneer Van… Paul! Paul, mag Sylke nu niet eens mee naar een feestje van Fien? Paul:                     Waarom zou ik ja zeggen als je het al aan Celien gevraagd hebt? Meredith:           Goede vraag, meneer van Pael! Daar had ik nog niet over nagedacht. Celien:                 Aan tafel! Meredith:           Dank jullie wel dat ik met jullie mag mee-eten. Celien:                                 Geen probleem, Meredith. We hebben nog zo graag dat je komt. En voor Sylke is dat ook plezant. Meredith:           Tijdens de paasvakantie zouden wij een week naar Zuid-Frankrijk kunnen gaan. Paul:                     Leuk. Welke streek? Meredith.           Dat weet ik niet. Mijn neef heeft er een boerderij. Celien:                 Heb jij een neef in Zuid-Frankrijk? Meredith:           Ja. Philippe. Hij is getrouwd met Tess. Ze hebben een boerderij en ik ga helpen. Paul:                     Dat is knap. Ik had zo meteen nog geen boerin in jou gezien. Meredith:           Ik kan zelfs boter maken. Helemaal op mijn eentje. Celien:                                 Da’s mooi. Dat moet je maar eens tonen aan ons. Wat heb je daarvoor nodig? Meredith:           Melk. Celien:                  Oh, dat koop ik zo in de supermarkt, als je wil! Sylke:                    Mama, Meredith wil iets zeggen. Celien:                  Ah, ja? Ik luister. Meredith:           Dus… Philippe en Tess hebben ons uitgenodigd om een week helemaal alleen de boerderij te runnen. Dan kunnen zij ook eens op vakantie.  Paul:                      Klinkt leuk. Sylke:                    Papa! Mag het? Paul:                      Wat? Sylke:                    Met Meredith naar Zuid-Frankrijk? Paul:                      Waar heb jij het over? Sylke:                    Dat heeft Meredith toch gezegd?           Paul:                      Wat dan? Sylke:                    Philippe en Tess hebben ons uitgenodigd op de boerderij. Paul:                      Celien, ken jij een Philippe of een Tess? Celien:                  Nee. Paul:                                     Zeg dan maar tegen Philippe en Tess dat het heel vriendelijk is van hen, maar dat wij al andere vakantieplannen hebben. We gaan deze zomer naar Noorwegen. Sylke:                    Ze hebben míj gevraagd. Niet jou of mama. Meredith en mij. Paul:                      Jullie twee? Sylke:                    En Kylie en Annick. Annick is er 21 en Kylie kan koeien melken. Celien:                  Het zal wel hard werken zijn, zo’n boerderij gerund door vier kiekens! Sylke:                    Mama! Mag het? Celien:                  We zullen erover nadenken. Sylke:                   Dan ben ik al een maand zestien. In de paasvakantie. Paul:                      Wie gaat er mee van begeleiding, Meredith? Jouw ouders? Meredith:           Die blijven thuis. Paul:                      Dan is er geen sprake van. Sylke:                    Zelfs Kylie mag van haar ouders! Paul:                                     Je mag nog niet naar feestjes, Sylke. Waarom zouden we jou dan alleen op reis laten gaan?  Sylke:                   Wij gaan niet op reis. Wij gaan daar werken! Anders kunnen Tess en Philippe niet met vakantie. Celien:                  Arme schapen! (lacht om haar eigen mop)                                 Hebben ze schapen? Sylke:                    Willen jullie er minstens over nadenken? Celien:                  Natuurlijk denken we erover na, liefje. Paul:                      Tuurlijk! (stilte) Merediths gsm gaat af. Ze heeft een opvallende gsm in een vouwtasje met vrolijk bengelende prullaria eraan. Meredith:           Sorry. Deze moet ik gewoon eventjes nemen. Het is Kylie! Ze loopt naar de hal, van waaruit we het gesprek kunnen volgen. Hallo Kylie? Mag je mee? Ja? Aaah! Jouw ouders zijn de max! Het wordt zoooo graaf! Stel je voor: een week zonder ouders! Ik zit bij Sylke. Wat dacht je nu? Tuurlijk niet! Ik vind het echt zo erg voor haar. Ik snap het ook niet. Dat zou wat anders zijn! Maar onder ons drieën wordt het evengoed de max!                                 (enthousiast gekrijs, dan stilte) Sylke:                    Ik mag nooit niks! Paul:                      Nooit íets, Sylke. Je mag nooit íets.                                 Je klinkt als een peuter als je zo spreekt. Sylke:                    En dan? Meredith:           (nog steeds in de hal) Kom je straks naar Fien?                                 Jeej! Dan kunnen we plannen maken! Celien:                  Sylke, meisje… Sylke:                   Ik word zestien en ik mag niks! Ik vraag toch niet om twee weken te gaan feesten op Sunny Beach? Ik wil mensen helpen op een boerderij.                                                Ik mag nooit iets. Celien:                 Nee, dat is ook niet waar. Meredith:           (op de achtergrond) Partyyy! (lachsalvo) Celien:                  Hoe ouder je wordt, hoe meer kansen je krijgt, maar je zal… Sylke:                    Nog eventjes moeten wachten? Ik wacht al heel mijn leven! Paul:                      Dan wacht je nog maar wat langer. Meredith:           (komt weer binnen) Stoor ik? Paul:                                     Kom gerust binnen, Meredith. Ik hoop dat we dan rustig kunnen verder eten. (stilte) Sylke:                   Jullie zijn mijn ouders. Jullie zouden mij beetje bij beetje moeten vertrouwd maken met vrijheid en verantwoordelijkheid, maar jullie zijn verkrampt omdat jullie zelf de wereld niet kennen! Paul:                     Sylke, ik wil niet dat je zo tegen mij spreekt waar andere mensen bij zijn. Meredith:           Het is oké. Wij delen echt alles. (tegen Sylke) Kylie mag mee. Sylke:                    Ik weet het!                                 En ík mag nooit íets! Sylke staat op en loopt huilend en boos weg.   Celien:                  Zal ik erachter gaan? Meredith:           Ik zal wel gaan. Meredith loopt achter Sylke aan. Celien:                  Zou ze echt zo weinig mogen? Paul:                      Een strenge opvoeding kan maar deugd doen. Celien:                                 Het is natuurlijk niet gemakkelijk als haar vriendinnen al die dingen al wel mogen. Paul:                                     Och, binnenkort veranderen de spelregels weer.  Celien:                 Da’s waar. De tijd vliegt!   Meredith komt de woonkamer weer binnen. Meredith:           Ze komt zo meteen wel naar beneden, maar ik moet ervandoor. Celien:                  Is ze al wat kalmer? Meredith:           Ja, hoor. Geen stress. Paul:                      Het spijt me dat je hier getuige van moest zijn, Meredith. Meredith:           Geen probleem. Da’s toch al langer een gevoelig puntje? Celien:                  Jullie zijn goede vriendinnen, hé? Meredith:           De allerbeste in de ganse wereld! Als jullie maar goed voor haar zorgen als ik er niet ben! Paul en Celien lachen. Meredith kust hen vaarwel. Celien:                  Dag Meredith. Meredith:           Dag Celien! Paul:                                     Amuseer je bij Fien! De volgende keer zal ze wel mee mogen, denk ik, als ze… Meredith:           Zestien is. Ik weet het! Celien:                  En blijf van die sigaretten af! Meredith:           Ik doe mijn best, mevrouw Van … Celien:                  Éh, Éh? Meredith:           Celien! Da-ag! Meredith gaat af.   Celien:                  Het is toch een toffe, hé, die Meredith. Paul:                      Ja. Ik vind haar matuur voor haar leeftijd. Celien:                  Dat vind ik ook. Matuurder dan Sylke. Sylke komt binnen.   Sylke:                    Mama, papa, sorry van daarstraks. Paul:                      Het is oké, Sylke. Sylke:                    Dus, het klopt toch nog dat ik naar feestjes mag als ik zestien ben? Paul:                      Natuurlijk, Sylke. Dat weet je. Sylke:                    Ik heb uitgerekend dat ik over drie weken en drie dagen zestien word. Paul:                      Op twaalf maart. Ja, dat kan kloppen. Sylke:                    Ik wil een feestje voor mijn verjaardag. Paul:                      Oké. Celien:                  Oké, Sylke. Dat lijkt ons wel haalbaar. Sylke:                    Ik bedoel niet gaan bowlen, of zo. Niet zoals elk jaar. Celien:                  Vond je die feestjes dan niet leuk? Sylke:                   Jawel, maar als ik zestien ben, is een feestje niet meer met de bomma naar het dolfinarium. Celien:                  Oké, dat snap ik. Sylke:                    Ik wil een echte fuif. Celien:                  Een fuif? Sylke:                    Met muziek en jongens en dansen. En bier. Paul:                      Sylke! Sylke:                    Niet veel. Voor iedereen een pint of zo. Celien:                  Oké, Sylke. Paul:                      Celien?! Celien:                  Dat moet ze ook leren, Paul! Met mate drinken. Paul:                      Alcohol remt de groei ontzettend af! Ook die van de hersencellen! Celien:                                 Over die pintjes hebben we het nog, Sylke. Mag de bomma komen naar je fuif? Sylke:                    We zien wel.           2.    Wel wat mensen Celien telefoneert met een feestartikelenverhuurbureau.  Sylke komt binnen en vangt het gesprek op. Celien:                                 Een partytent.  Van vier meter bij vier. Het zou wel leuk zijn mochten we er spots in kunnen hangen. Ah, die verhuurt u ook? Led- lampen, zegt u? Nee, we willen geen tent die smelt! Sylke:                    Is dat voor mijn feestje? Celien:                  (gebaart: “Ah ja, natuurlijk.”)                                 Wat zegt u? Vijf meter bij zes?                                 Dan moet ik onze tuin eens even nameten. Is dat met piketten? Sylke:                    (halfzacht, gemimeerd) Wacht! Nog niets bestellen! Celien:                  Wablieft? Ja?                                 (waait Sylke weg omdat ze zich niet kan concentreren) De luxe-uitvoering met vensters? Ah ja, ik zie het in de brochure. Mooi. Vensters zijn wel praktisch. Dan kunnen we af en toe naar binnen loeren. Naar binnen, ja. (lacht) Mijn dochter geeft een feestje. Sylke:                    (gebaart hevig van neen) Celien:                                 (mimeert dat Sylke geen aanstoot moet nemen aan haar opmerking) Het is voor volgende week: twaalf maart. Dat is zaterdag. We komen alles zelf halen, spots en alles, ja. Wacht, welke spots? Hadden wij daar al iets over…? Sylke:                   (neemt de brochure en duidt ostentatief een andere tent aan en dat het om háár feestje gaat) Celien:                                 Een ogenblik, alstublieft. Mijn dochter doet heel lastig en het is voor háár feestje.                                 Ja, Sylke? Sylke:                   We hebben iets veel groters nodig, mama. Zoiets misschien. (wijst op de brochure) Hoeveel mensen kunnen daarin? Celien:                                 Sylke, zoiets kunnen wij toch niet zetten? (gebaart dat het ook veel geld kost)                                 (in de telefoon) Een momentje hoor, we zijn er nog niet uit. Sylke:                   Laat die tent zo, mama. Ik geraak wel aan een mammoettent bij de mensen van de scouts. Celien:                 Een mammoettent!                                Ik heb die mensen nu aan de lijn, Sylke. Wat doe ik met die tent?                                Heb je spots nodig? En ballonnen? Sylke:                    Niet nu, mama. Celien:                 (kort) Mevrouw, ik ga moeten afhaken. Ik contacteer u van zodra we duidelijkheid hebben over wat mijn dochter wil. Het is per slot van rekening haar feest.                                Ze wordt zestien.                                Ja. Bedankt!. Celien:                 (geërgerd) Allez, vertel. Sylke:                    (ongelovig, blij) Mama, er komen echt keiveel mensen! Celien:                 Ah ja? Dat doet me plezier. Sylke:                    Nee, nee. Echt veel! Celien:                 Ja liefje, dat is héél fijn, maar een mammoettent kunnen wij niet zetten, hoor. Sylke:                    Dat weet ik. We moeten iets anders bedenken. Celien:                 Sylke, je weet toch hoe dat gaat? De mensen zeggen wel dat ze zullen komen, maar als het zover is dan liggen ze in hun zetel of ze vergeten je feest gewoon. Sylke:                    Mama! Celien:                 Ik heb het genoeg meegemaakt! Pas op, ze zullen allemaal zeggen dat ze zich niet goed voelen. Ze willen je niet kwetsen, hé. Sylke:                    Mama! Celien:                 Je beste vrienden eerst. Dat zal je zien. Ik wil je niet graag teleurgesteld zien, Sylke. Sylke:                    Mama, duizend achthonderdvierentwintig mensen! Dat is niet weinig, hé? Celien:                 Wablief? Dat kan niet! Sylke:                    Duizend vierhonderddrieëntwintig mensen, mama en het staat nog maar drie dagen op Facebook. Celien:                 Op Facebook? Sylke:                    Mama! Ik heb er zoveel vrienden bijgekregen de laatste dagen. In het begin dacht ik: ‘Ik word gek’, dus heb ik er niks van gezegd, maar nu is het duidelijk: echt iedereen wil naar mijn feestje komen. Kan je dat geloven? Zelfs Fien is jaloers! Denk ik. Celien:                 Ik wist niet dat jij zo populair was, Sylke. Zijn het je looks? Ik wist dat ik er voor iets tussen zat. Sylke:                    Mama-a! Celien:                  Hoeveel mensen komen er, zei je? Sylke:                   Duizend achthonderdvierentwintig mensen. Ik zal het je laten zien op Facebook. Sylke zet zich achter de computer. Celien:                  Maar Sylke, dat kan toch niet? Duizendachthonderd? Sylke:                    En vierentwintig. Celien:                  Maar allez! Je overdrijft! Is dat via die Facebook? Sylke:                    Het wordt de vetste party ooit! Celien:                  Maar allez, Sylke! Dit kan je niet menen. Dat kan toch niet? Sylke:                   Ja, echt zot! Als ik dit had geweten, had ik op privé geklikt. Er zullen natuurlijk wel veel mensen zijn, die niet komen. Dat weet ik ook wel. Meer dan de helft waarschijnlijk, maar dat is niet erg. Celien:                  Hoeveel mensen gaan er komen? Sylke:                   Geen duizend achthonderd, natuurlijk. Kijk, er hebben zelfs mensen uit Westerlo gezegd dat ze zouden komen. Where the fuck is Westerlo? Die mensen komen sowieso niet. Die klikken gewoon op alles wat ze op Facebook zien. Celien:                  Hoeveel komen er dan wel? Sylke:                   Ik denk, als er al meer dan honderd mensen écht komen. Tweehonderd misschien, dat het veel is.                                 Oh my God, I can’t believe it. Dit is zo spannend! Celien:                                 Maar waarom staat er hier dan dat er duizend achthonderd mensen komen? Sylke:                   Dat leg ik je nog wel eens uit, maar mama, je moet mij helpen want als papa dit ziet, schiet hij waarschijnlijk meteen in paniek. Dat zou zo spijtig zijn! We hebben een plan nodig. Misschien vindt hij het wel oké natuurlijk, maar het is beter als we een plan hebben. Wat denk jij, als we vragen aan de mensen van de scouts om… Paul wandelt bijna onhoorbaar binnen. Hij oefent zijn behendigheid in het swipen op zijn nieuwe  smartphone. Sylke heeft ondanks haar spraakwaterval toch op tijd de deur gehoord. In de volgende dialoog is Paul volledig geabsorbeerd door de mogelijkheden van zijn nieuwe smartphone. Hij kijkt nauwelijks op. Paul:                     Dag dames… Sylke:                    Dag papa!           Heb je hem gekocht? Paul:                      Ja. Tachtig euro, Celien. Dat is geen geld! Sylke:                    Wat is het geworden? Nokia? Sony? Blackberry? Paul:                                     Ongelooflijk wat dit ding allemaal kan! Ik kan mijn locatie bepalen en online de weg opzoeken. Ik heb dus geen gps meer nodig. En kijk eens naar de kwaliteit foto’s? Ik vind dat ongelooflijk. Ik heb zelfs een agenda om alles in op te slaan wat ik nog moet doen! Goed hé? Sylke:                    Dat kon je met je vorige ook. Paul:                      Echt? Wanneer gaan we aan tafel? Celien:                  Ik weet het niet. Wanneer denk jij aan het eten te beginnen?                                 Sylke en ik zijn bezig met de planning van haar Sweet-16-fuif. Sylke:                    Mama…   In het verdere verloop van de dialoog toont Paul een knap staaltje evenwichtskunst tussen controleren of er nog iets te bikken valt in de keuken en de verdere exploratie van zijn smartphone. Paul:                      Ah! Hoe vlot het? Sylke:                    Goed! Celien:                  Het gaat goed rond op Facebook, blijkbaar. Sylke:                    Mama? Paul:                     Dat is leuk! Staat het op Facebook?  (in de keuken) Eens kijken. Applicaties? Celien:                 (kan het nog steeds niet geloven) Ik wilde advocadocrème met perzikencoulis maken. Sylke:                    Mmh… Lekker. Maar is dat niet duur? Paul:                     (voor de ijskastdeur) Zijn er al rekeningen van het feest? Zeg, Sylke, waar vind ik het terug? Sylke:                    Op Facebook! Paul:                      Ja, daar zit ik nu.                                 (doet de ijskastdeur open) Ik ben nu op jouw prikbord, denk ik. Sylke:                    Oké. In die blauwe balk kan je teruggaan naar je eigen pagina. Paul:                      (verrast) Je hebt een evenement aangemaakt! Sylke:                    Ja, papa. Niet schrikken. Paul:                      Zeg, en komen er al een beetje mensen? Celien:                  Een kleine duizend achthonderd zegt Sylke. Paul, wat denk jij daarvan? Sylke:                    Dat zegt Facebook, hé. In het echt is dat nog wat anders. Paul:                      Hoeveel zeg je? Sylke:                    Duizend achthonderdvierentwintig. Celien:                  Sylke… Duizend achthonderd? Dat zijn er veel meer dan duizend! Daar begin ik zelfs niet aan. Dan trek je maar wat zakken chips open. Paul:                                     Ah, ja. Hier staat het… Duizend achthonderdvierentwintig. Oh, zo klein allemaal. Of zie ik nu zo slecht? Celien:                 Ze heeft het mij op de computer getoond. Paul:                     De computer, da’s gemakkelijk. Paul zet zich aan de computer en scrolt wat op en neer in de gastenlijst. En waarom ben ik niet uitgenodigd? Sylke:    (denkt dat hij een mopje maakt) Papa… Paul:                      Eventjes serieus… Wou je mij er niet bijhebben, of zo? Sylke:                    Het is mijn feestje. Jij bent er dan toch? Paul:                                     “Iedereen welkom op mijn feestje. Ik heb de hele wereld uitgenodigd via Facebook, maar mijn vader… die slaan we over.” Sylke:                    Wow! Ik  heb het niet zo bedoeld, hoor. Wacht, ik zal je toevoegen. Mijn vrienden zullen ook denken… Celien:                  Laat maar, Sylke! Er komen zo al genoeg gasten. Denk ik.                                Paul, alsjeblieft! Paul:                      Celien, het gaat mij toch niet om die uitnodiging! Ik moet weten wat mijn dochter uitspookt. Waarom zit ik anders op Facebook? Celien:                                 Zeg maar, Paul. Duizend achthonderd gasten, vind jij dat normaal? Ze zegt dat er maar honderd of tweehonderd zullen komen? Paul:                     Goh, Celien. Ik ben niet uitgenodigd. Jij wel? Celien:                 Ik zit niet op Facebook, Paul. Paul:                      Sylke, vertel eens… Sylke:                    Ja… Paul:                                     Waarom weet ik nu pas dat er over twee weken misschien duizend man op onze gazon komt dansen? Sylke:                    Ik weet niet. Sorry? Het is allemaal nogal hard gegaan. Het was ook echt niet mijn bedoeling om… Paul:                      Ik herhaal even mijn vraag: hoe komt het dat ik dat nu pas weet? Sylke:                    Omdat… Sorry, papa. Ik had je van in het  begin moeten uitnodigen. Paul:                      Zo is het! Dan had ik dit nooit laten gebeuren! Duizend achthonderd mensen… Hoeveel mocht je er uitnodigen? Celien:                 Vijftig! Dan had advocadocrème wel gekund! Paul:                     En hoeveel denkt ze dat er zullen komen? Sylke:                    Honderd, tweehonderd? Paul:                      10% dus. Sylke:                    Dat kan. Ik ben niet goed in wiskunde.   Sylkes gsm gaat. Ze neemt op. Sylke:    (zenuwachtige zucht)   Hallo? Met Sylke. (alsof ze dat niet wist) Ah Mathijs! Wacht eventjes. Ik ga naar mijn kamer. (onderschept door Mathijs’ snelle vraag) Wat zeg je? Ah, of jij mag komen naar mijn  feestje? (flirterig) Goh… dat weet ik niet, hoor. Paul en Celien kijken berispend. Paul blokkeert Sylkes pad                                 Wel… We zijn al met heel veel. Wablief? Of ik zelf naar mijn feestje kom? Euh, ja zeker? Nee… Dus ja… Er komen op dit moment dus zo’n duizend mensen, maar waarschijnlijk komt daarvan maar – laten we zeggen – tien procent, maar ja… Tweehonderd mensen? Zoiets ongeveer, denk ik, ja. Heel veel, ik weet het. (geniet) Tuurlijk mag jij komen. (wissel van blik met ouders)       Ja, van mijn ouders moet ik zeggen dat het niet kan omdat tweehonderd echt veel is, maar ik zou zeggen: ‘Kom gerust af. Dan wordt het eens zo leuk!’ (wil zichzelf slaan) (zelfbewust) Mijn ouders? Ik weet niet. Ja, of via Facebook, hé. Ja. Dat komt op hetzelfde neer. (lacht) Ik zou het in elk geval súper vinden als je kwam. (wil zichzelf nogmaals slaan) Tussen die duizend achthonderd – tweehonderd mensen, ken jij niemand? Nee, het is nooit leuk als je niemand kent. Nee. Dat is goed. Breng maar mee!                                Dag Mathijs. Daaa-aaag. Paul:                      Sylke Van Pael! Sylke:                    Laat mij gerust. Paul:                      Waar haal jij het lef vandaan, Sylke? Sylke:                    Een iemand meer of minder gaat het verschil ook niet maken, wel? Paul:                      Celien, dit loopt verkeerd af. Onze dochter is ontspoord! Celien:                  (vergoeilijkend) Paul! Paul:                                     Jij belt die Mathijs nu op en hem zegt hem dat hij niet komt. En dat hij zijn vrienden ook thuis laat. Sylke:                    Nee. Paul:                      Toch wel, Sylke. Zeg maar dat je vader het zo heeft gezegd. Sylke:                    Yeah, right! Papa, dat kan ik niet maken! Paul:                                     Jij belt Matthijs nu op. Jij moet leren verantwoordelijkheid opnemen voor de acties die je stelt, Sylke. Sylke:                    Ik zal hem een berichtje sturen. Paul:                      Je belt hem op. Ik wil het je horen zeggen aan de telefoon. Sylke:                    Papa! Paul:                     Sylke… Sylke:                   Stuur hem dan een bericht via Facebook! Als jij daar toch op zit om mij te bespioneren. Hij heet Mathijs Verdonck. Celien:                 Mathijs komt! Paul:                      Celien! Wat is … Waarom? Celien, ik zou liever hebben dat je je hier nu even niet mee moeit. Sylke:                    Ik zal iemand anders afbellen in zijn plaats. Paul:                     Wie dan? Sylke:                    Ik weet niet. Ik vind wel iemand. (neemt haar gsm) Paul:                                     Iemand die je niet kent, zeker? Je zal wel iemand vinden tussen die duizend achthonderd man. Sylke, ik wil gewoon dat je beseft… Pauls gsm rinkelt. Misschien heeft hij een aangepast tune voor zijn dochter. Misschien neemt hij inderhaast op en beseft hij het dan pas.                                 Sylke Van Pael! Adderkop! Houd je dit nog voor mogelijk, Celien? Jouw dochter slaagt erin … Celien:                 Ze is verliefd,  Paul! Sylke:                    Mama! Celien:                                 Het is toch waar, liefje? Je bent verliefd op Mathijs en daarom betekent het heel veel voor jou dat hij naar jouw feestje komt. Dat is normaal, Sylke. Paul, onze kleine meid wordt groot. Paul:                     Perfect. Dit is gewoon perfect. Celien:                  Ik denk dat ze met plezier tien andere mensen afbelt, maar niet Mathijs. Hé, is dat geen idee? Zo drukken we direct het bezoekersaantal een beetje naar beneden. Paul:                     Dat zal veel schelen op duizend achthonderd gasten. Celien:                 Duizend achthonderd of honderdtachtig? Wat is het nu eigenlijk? Paul:                      Het zal mij benieuwen. Ik weet het niet. Weet jij het? Ik zie het al gebeuren: duizend puistenkoppen voor de deur – misschien het dubbel, wie zal het zeggen? ‘Zijn er pintjes? Mag ik er nog twee voor mijn maten?’ Sylke:                    Er zullen er echt wel veel hun eigen drank bijhebben, hoor. Paul:                      Ah, nog beter… Dan kunnen ze zichzelf lamzuipen! Celien:                  Overdrijf je nu niet? Paul:                                     Ik weet het niet. Wat denk jij dat ze bedoelen met: (leest af van het scherm) “Sylkes b-day d-day :* scheefgaaaaan!!! Epic partaaaaaaa.” Sylke:                   We kunnen vragen aan de mensen van de scouts of we hun tenten mogen gebruiken. Misschien kunnen we het zelfs op hun terrein doen. Of op het voetbalveld? Celien:                  Zie je het allemaal niet een beetje te groots, Sylke? Sylke:                    We hebben geen keuze, mama! Paul:                                     En, als het er nu bijna tweeduizend zijn. Wie zegt dat het er dan morgen geen drieduizend zijn? Sylke:                    Dat kan toch niet. Zoveel mensen ken ik toch niet. Paul:                                     Ken je niemand met een voetbalstadion? Dan lopen die nozems hier over straat. Ze nemen de winkelkarretjes van de supermarkt om een beetje mee door de straat te racen. Oei, ze rammen ‘per ongeluk’ de auto van een brave, hardwerkende mens hier uit de buurt. De buurman heeft het gezien. Hij wordt boos, rent de straat op, rukt zijn haren uit van ellende, want zijn verzekering is zojuist verlopen. Ah, dat vinden ze wel grappig, die hooligans. Kom, dat doen we nog eens. Oh, een lantaarnpaal! Kan je die losvijzen en als nachtlampje gebruiken? Kom, we steken hem binnen bij Sylke Van Pael. Die is jarig! Sylke:                    Papa! Jij hebt echt veel fantasie. Paul:                      Ik ben toch ook jong geweest! Sylke:                    Toch niet als we vragen aan de mensen van … Paul:                     Geloof, mij, ik weet waartoe de jeugd in staat is. Sylke:                   Geef hen dan iets om zich mee te amuseren. Een optreden, muziek, … beachvolley. Celien:                 (in zichzelf) Het is maart, hé. Paul:                     We bellen de politie! Sylke:                    Wablief? Celien:                 Denk je? Paul:                      Ik schrijf een brief aan de burgemeester. Sylke:                    Da’s al beter. Paul:                      En, we bellen de politie. Sylke:                    Papa, nee! Paul:                      Jawel. Celien:                                 Papa heeft gelijk, Sylkeke. We doen niks mis met de politie te waarschuwen. Eigenlijk is het zelfs een beetje onze plicht. Sylke:                    En dan? Paul:                      Ja, dan…  Sylke:                    Het gaat nog rond, hé. Wie weet hoeveel mensen sluiten zich nog aan? Paul:                      Jij gaat dat evenement nu annuleren op Facebook! Sylke:                    Nee! Celien:                 Doe wat je papa zegt. Sylke neemt plaats achter de computer. Paul:                     En ik bel morgenvroeg de politie! Of, neen! Ik ga er langs. Celien:                 Zal ik meegaan? Sylke:                    Wat doe ik dan met de vijftig mensen die ik mocht uitnodigen? Celien:                                 Maak maar gewone, papieren uitnodigingen met glitters en stickers van Hello Kitty. Op zolder ligt nog een hele doos vol! (zet zich aan de computer om het event te annuleren.) Sylke:                    Zo cool, mama! Weet je nog iets?                                Trouwens… Wie zegt dat dit gaat helpen? Paul:                     Hoezo? Sylke:                    Iemand heeft het op Youtube gezet. Die video kan ik natuurlijk wel rapporteren… Paul:                     Wablieft?   Sylke speelt het Youtube-filmpje af. We horen hoe een stel jongens in de film Sylke aanroept als was ze een natuurgodin met magische krachten:  Sylkeee, Sylkeee!  Sylke vindt het een hilarisch filmpje.   Celien:                 Charmant! Heel charmant! Paul:                     En wanneer ging je ons hierover vertellen? Sylke:                    Ik dacht niet dat het zo belangrijk was.   De telefoon gaat. Celien neemt op. Celien:                 Goedenavond. Celien Van Pael. Welk productiehuis zegt u? Neen, dat ken ik niet. Hoe komt u aan mijn nummer? Mmh… Mmh… (met haar hand op de hoorn) Ze vragen of ze Sylkes verjaardag live mogen uitzenden van bij ons thuis. Ze zeggen dat dit het eerste Project-X-feest is in ons land en dat het in Duitsland grondig is misgegaan. Vandaar… (luistert opnieuw) Ze zeggen dat we het moeten zien als een soort van verzekering. Ze betalen alle gebeurlijke schade terug. Sylke trekt ogen als golfballen. Paul gebaart dat dit soort ideeën niet spoort. (in de telefoon) Daar zullen we nog eens flink over moeten nadenken, mevrouw.                                Oh, ja. Een heel interessant aanbod. Inderdaad. Bedankt! Ik ga opleggen nu, hoor. Ik leg op… Oh, kijk. De patatjes koken. Dag mevrouw. Da-ag. Celien drukt af. Paul:                     Dit is geen goed teken. Dit is niet goed! Sylke:                   Mama, papa… Ik snap het niet. Het is zo raar. Mijn feestje blijft erop staan. Ik krijg het er niet vanaf.     3.    Kwestie van dat interview Celien staat te repeteren voor de komst van een reporter van de regionale televisie. Ze probeert verschillende gradaties van overtuigingskracht uit voor haar oproep om vooral niet naar het feest te komen. Daarbij probeert ze nu eens het ouderlijk dreigement, dan weer regelrecht pathos. Occasioneel werpt ze een blik in de spiegel of het raam om zichzelf te fatsoeneren. Dan, schrikt ze van de bel. Wanneer ze de deur opent, staat er een reporter voor de deur en een cameraman wiens camera loopt.  Reporter 1:        Goedemiddag mevrouw Van Pael. Mevrouw Van Pael, u zit met zware zorgen, is het niet? U zit met een ei – om het zo te zeggen en u hoopt dat wij u daarvan kunnen verlossen, nietwaar? Vertel, mevrouw Van Pael, moeder van Sylke Van Pael, organisatrice van het Project-X-feest, hoe kunnen wij u daarbij van dienst zijn? Celien:                 Goedemiddag. Koffie? Reporter 1:        Nee, bedankt. De camera loopt.                                (tegen cameraman) Jij? Cameraman schudt van nee met camera. Celien:                 Eh… Reporter 1:        Laat mij u helpen de zaken op een rijtje te zetten. Uw dochter wordt zaterdag zestien. Celien:                 Over vier dagen, ja. Reporter 1:        En ze geeft een feestje. Celien:                 Ja. Dat mocht ze. Reporter 1:        Ze mocht een feestje geven voor haar zestiende verjaardag, een sweet-16-party. Celien:                 Ja, dat leek ons wel leuk. Ze wordt groot, hé. Reporter 1:        Vertelt u eens meer over dat feestje, mevrouw Van Pael. Celien:                 Ja, er komen veel mensen. Reporter 1:        De teller staat op vierduizend zevenhonderdtweeënzestig en telt door. Celien:                 Ja, dat was dus helemaal niet de bedoeling, hé. Reporter 1:        Niet? Celien:                 Nee, op deze manier is het niet meer plezant. Reporter 1:        Niet? Celien:                 Nee, het is gevaarlijk. Reporter 1:        Ah, ja? Celien:                                 Beeldt u zichzelf in: vierduizend mensen hier in huis. Waar moeten die blijven?  Onze tuin meet zes bij zeven. U kan het zich wel voorstellen, denk ik: straten vol jongeren. Die drinken misschien al eens graag een pintje. Wie gaat dat controleren? Ik begin daar niet aan. Reporter 1:        Goed, mevrouw Van Pael. Gaat u vooral door. Celien:                                 Het ergst van al is: mijn dochter kent de helft van die mensen niet. Ze hebben gewoon zichzelf uitgenodigd via Facebook. Reporter 1:        Het was een open invitatie, in feite heeft Sylke de hele wereld uitgenodigd. Celien:                                 Dat is misschien waar, maar ik denk niet dat zij bijvoorbeeld cadeautjes zouden meebrengen. Of wel? Ik bedoel: kennen zij mijn dochter? Weten zij wat ons Sylke leuk vindt? Nee! Wel, dan hebben ze hier ook niks te zoeken. Reporter 1:        Wat zou Sylke leuk vinden, mevrouw Van Pael? Celien:                                 Van alles! Daar gaat het niet om! Wij moeten die cadeaus niet. Kijk, ik zeg tegen iedereen die van plan is om te komen: blijf thuis. Reporter 1:        U trekt de uitnodiging van uw dochter in? Celien:                  Ja… Neen! De mensen die ons Sylke goed kennen mogen komen wat mij betreft. Ik heb gezegd dat ik de hapjes doe en ik wil mij nog altijd wel engageren. Maar alstublieft… vijftig mensen is de limiet. We wonen niet in een paleis, maar ik zou de mensen toch graag in ons huisje ontvangen. Reporter:            U stelt voor dat de eerste vijftig mensen mogen komen meevieren met Sylkes verjaardag? Celien:                                 Nee, dat zeg ik niet. Ik doe een oproep aan alle ouders zoals mezelf: Ouders, laat uw kinderen thuis. Reporters:          Mogen de ouders wel komen? Celien:                                 Nee!  Hier is toch niks te beleven? Kijk rond u: dit is het bescheiden stulpje van een eenvoudig gezin. Wat zouden al die snotneuzen hier komen doen? Dat ze thuisblijven en zelf een feestje organiseren. Dat ze hun ouders naar de cinema sturen! Reporters:          Goed, mevrouw Van Pael. Ga door. Celien:                  Ik doe dit voor ons Sylke. Het is zo’n goed en lief kind. Reporter 1:        Hoe voelt Sylke zich, mevrouw Van Pael? Celien:                                 Ze is bang, heel bang. Bang voor hooligans, bang voor schade aan ons huis en aan de buren. Bang dat haarzelf misschien iets overkomt. Ze heeft iets goeds en leuks willen doen en dan nu dit. Ik denk dat ze zich verantwoordelijk voelt. Ze weet niet dat ik dit doe, maar ik doe het voor haar. Dit heeft ze echt niet verdiend. Ze heeft recht op een gewoon, gezellig feestje. Reporter 1:        U vraagt met klem aan de mensen om thuis te blijven. Celien:                  Met klem, inderdaad! Reporter 1:        Wanneer is dat feestje? Celien:                  Volgende week zaterdag; twaalf maart. Reporter 1:        Om hoe laat? Celien:                 Vanaf zeven uur.   De deur gaat open. Sylke komt binnen.   Reporter 1:        Bedankt mevrouw Van Pael. (richt zich weer tot de camera) U hoort de boodschap duidelijk. Uit angst voor een massale toeloop van feestende jongeren roept mevrouw Van Pael, moeder des huizes, op om niet te komen volgende week. Zaterdag, twaalf maart, vanaf zeven uur. Waar zei u dat het was? Celien:                 Zeg, check Facebook, hé!   Reporter 1:         (tegen de cameraman)                                Kim! Kim! Sylke op negen uur. De cameraman doet een driekwartdraai om vervolgens Sylke in het vizier te nemen. Sylke:    Oh my God! Dit meen je niet. Reporter 1:        Sylke Van Pael, het feestvarken. Sylke:    Wat doen jullie hier? Reporter 1:        Sylke, je mama heeft een oproep gedaan aan iedereen om niet naar je feestje te komen volgende zaterdag. Wist je daarvan? Is dat geen teleurstelling voor jou? Sylke:    (ontzet) Mama! Celien:                                 Sylke, vierduizend mensen is een onverantwoord getal. Ik moest iets doen. Reporter 1:        Ben je teleurgesteld in je moeder, Sylke? Sylke:                    Nee. Reporter 1:        Ben je bang? Sylke:                    Voor zaterdag? Waarom? Van welke zender zijn jullie? 2B, VTM, Vier TV, … ? Reporter 1:        RTV Zelegem voor het nieuws van zeven uur. Sylke:                    (tikkeltje teleurgesteld) Oh… Reporter 1:        Wil je de mensen thuis iets zeggen, Sylke? Is het waar dat je een soort tranceparty wil houden op de terreinen van de voetbal? Heb je al bedacht wat dat met het veld zou kunnen doen? Sylke:                   Euh… nee! Ik speel geen voetbal. Zeg… Is dit wel nodig? Ik wil eigenlijk liever niet op tv. Kunnen jullie mij er niet gewoon uitknippen? Reporter 1:        Ben je serieus? Sylke:                    Ja. Reporter:            Oké dan.                                (doet teken aan de cameraman om te stoppen met filmen) Celien:                                 Kom… Jullie hebben alles wat jullie nodig hebben. Ik mag er toch op rekenen  erop dat jullie de boodschap klaar en duidelijk uitzenden? Reporter 1:        In het nieuws van zeven uur al! Celien:                 Maak er iets moois van, hé! Reporter 1:        Doen we!   De reporters gaan buiten. De cameraman neemt nog snel een panshot van de woonkamer alvorens de reporter de deur dicht trekt.   Sylke:                    Mama! Wat heb je gedaan? Celien:                                 Ik moest iets doen, Sylke. De brief van je vader is uitgelekt in de pers en je kan toch niet laten gebeuren dat de media er hun eigen verhaal van gaan brouwen? Hoe is het met jou? Sylke:                    Maar, nu komen er nog meer mensen! Celien:                                 Kom nu, Sylke! Wie krijgt er nu zin in een feestje door een jengelende moeder in een keuken van de jaren negentig? Ik heb zelfs mijn schort nog aan! Sylke:                    Mama… Celien:                                 Het is niet erg, Sylke. Ik heb mijn kansen gehad toen ik jong was. Dit is het beste wat ik kon doen. Sylke:                    Weet papa ervan? Celien:                                 Papa hoeft niet alles te weten, dus hoef jij het hem ook niet te zeggen. Hij zit er al zo hard mee. Hij slaapt amper. Sylke:                   Het probleem is, mama, dat als jij op tv geweest bent, niet alleen iedereen op school of van ik-weet-niet-welke andere club ervan afweet. Het probleem is dat nu iedereen van Zelegem tot Zulder ervan afweet. Wedden dat er binnenkort van jou ook een filmpje op YouTube staat? Celien:                  Kip! Kip die ik ben! Kip! Kip! Kip! Natuurlijk: ik zit niet op Facebook en ik wist er ook van! Sylke… Ik heb het toch niet nog erger gemaakt, hé? Zeg dat het niet waar is. Ik heb het erger gemaakt! Domme gans die ik ben! Niks zeggen tegen papa, hoor. Hoe was het op school? Sylke:                   Crazy! Die van Frans zegt dat ze zaterdag komt linedancen met haar club als ik mijn buis voor vocabulaire niet ophaal. Celien:                 Heb je een buis voor Frans? Sylke:                    Toch altijd? Celien:                 Daar moet je dan toch beter je best voor doen. Sylke:                    Ik heb momenteel wel wat anders aan mijn hoofd. Celien:                 Mathijs zeker! Sylke:                   Mama! Binnenkort staat er hier misschien een bende van vierduizend man en jullie doen alsof alles opgelost is door te zeggen dat het feestje niet doorgaat. Celien:                 Je hebt je Facebookevenement toch gecanceld? Sylke:                    Ja! Celien:                 Dat is dan al een goed begin. Sylke:                    Je snapt het niet. Wat heb je gezegd? Celien:                  Op tv? Ik heb iedereen gezegd om thuis te blijven omdat er geen feestje is. Sylke:                    Ik krijg toch nog een feestje, hé? Celien:                  Natuurlijk, Sylke! Sylke:                    Je hebt toch niks over mij gezegd!? Celien:                  Ik heb gezegd dat je bang was. Sylke:                    Bang? Celien:                  Ik heb gezegd dat je héél bang was. Sylke:                    Waarom? Celien:                                 Zodat de mensen zouden beseffen dat er een grote verantwoordelijkheid rust op jouw kleine schoudertjes en ze wel twee keer zouden nadenken vooraleer ze de boel hier kort en klein zouden beginnen slaan. Sylke:                    Wat!? Celien:                                 Als ik zoiets zou zeggen over mezelf, heeft dat helemaal geen effect. Ik ben anders bang genoeg! Sylke:                    Top! Echt top! Nu denkt iedereen op school dat ik ga weglopen op mijn eigen feestje. Je bent bedankt! Celien:                 Voor jou kan niemand ooit iets goeds doen. Sylke:                    Ik ga naar boven! Celien:                  Hou je kalm op Facebook, ja!?   Paul komt binnen met een masker op van Sylke. Hij zingt een feestelijk liedje.   Paul:                     La-la-la-la-laa... Sylke:                    What the ...!? Celien:                 Och, kijk nu! Waar heb je dat vandaan? Paul:                     Van het internet. Sylke:                    Dat meen je niet! Van welke site? Paul:                     www.project-x-Zelegem.com Wat vind je van mijn mooie haren? Sylke:                    Papa, dit is echt niet grappig! Paul:                     En mijn lange wimpers? Sylke:                   OMG! Ik sta keislecht op die foto! Wie heeft die van mijn Facebookpagina gehaald? Celien:                                 Was dat niet aan het zwembad in Griekenland? Ze hadden wel iets recents kunnen nemen, niet? Paul:                                     Sylke, kind, als jij tien procent kreeg van alles wat er op die website verkocht werd, dan was je nu al binnen! T-shirts, bierbekers, zelfs een gettoblaster! Celien:                                 Dan moet ze deze zomer niet gaan werken. Ah nee, wij trekken auteursrechten! Paul en Celien lachen. Sylke:                    OMG! Dit is zo gênant! Paul:                                     Dan zijn we er in één moeite vanaf, en we kunnen een beetje gaan rentenieren! De boxershorts vond ik erover. Op het pedofiele af, in feite. Sylke:                    Wat? Paul:                      Rustig, liefje. Ik denk dat ik de gegevens heb van de vlegel die erachter zit. Die hoort nog van ons.                                 Vertel. Hoe gaat het tegenwoordig op school? Celien:                  Ze heeft een buis voor Frans. Sylke:                   Kurt noemt mij Lady Gogo. En echt iedereen kijkt naar mij, constant! Iedereen praat erover, non-stop. Tijdens de middag kwam er zo’n pummeltje van het eerste naar mij om te vragen of hij ook mocht komen. ‘Ik dacht het niet,’ zeg ik. ‘Om acht uur moeten snotneuzen als jij al lang in hun bed liggen.’ ‘Da’s niet waar,’ zei hij. ‘Ik kom lekker toch en ik pak al mijn vrienden mee.’ ‘Wat, die twee daar?’ zeg ik. ‘Nee, die’ en hij wijst naar echt alle eerstejaars die een beetje verder stonden te apegapen naar ons. En dan…                              ‘Komt Dirk? Komt Steffi? Komt Bilal? Komt Tooki?’ De hele dag! Euh… er komt vierduizend man naar mijn feestje. Ik weet echt niet wie allemaal. Sorry! Zoek het zelf op. Ik krijg er stress van! Paul:                     Zou het niet beter zijn als we het hele feestje gewoon afblazen? Sylke:                    Zot! Paul:                                     Er is geen feestje. Niemand heeft hier iets te zoeken. Ga naar huis. Amuseer je daar! Wat denk je daarvan, Celien? Celien:                 Niet slecht. Alsof het mijn eigen woorden zijn, feitelijk. Sylke:                    Nee! Nu gebeurt er eens iets cool in mijn leven! Paul:                                     Sylke, denk na. Je wordt er zestien. Je hebt nog tijd genoeg voor feestjes. Dit gedoe is zo ontzettend aan het ontsporen. Het is ronduit gevaarlijk. Ik heb vanmiddag vierduizend mensen geteld op Facebook. En jij? Sylke:                    (trotserig) Vierduizend achthonderdentwaalf ondertussen. Paul:                     Hoe is dat mogelijk? In één dag? Dit gaat mijn petje ver te boven. Sylke:                    Maar, het duurt nog zeven jaar eer ik terug jarig ben op een zaterdag! Paul:                                     Trouwens, morgen zien we de burgemeester. Hij heeft mijn brief ernstig genomen. We hebben alle redenen om aan te nemen dat de overheid aan onze kant staat. Sylke:                   Papa, als je mijn feest opblaast dan pleeg ik zelfmoord en verander ik van school, echt waar! Paul:                     That’s it! We blazen het af. Sylke:                    Mama heeft het mij beloofd! Celien:                                 ‘We verzinnen wel iets’ heb ik gezegd. Tante Madeleine heeft al laten weten dat ze ons wilt opvangen en ze wilt cake bakken. Da’s lief, toch? Trouwens, waar Madeleine woont, komt geen kat. Daar zitten we ver genoeg van de drukte en we kunnen er nog altijd gaan bowlen, of zo. Sylke:                   OMG. Ik sterf. Echt. Bowlen!? Bij tante Madeleine? Het stinkt daar naar geiten! Celien:                 Sylke, hou je kalm! Paul:                     Wat een opluchting! Vind jij het geen opluchting, Celien?                                Het is de beste beslissing die we kunnen nemen, liefje. Celien:                 Paul, ik heb iets gedaan dat misschien… Paul:                     In tussentijd is het belangrijk dat niemand van ons praat met de pers. Sylke:                    Voor mij is dat goed! Paul:                                     Ieder van ons houdt de lippen stijf op mekaar: geen contact met de radio, de tv of de krant en al zeker geen roddelblad. Helemaal niks! Begrepen? Dan zeg je maar: ‘Geen commentaar’ of zo. Begrepen, Sylke? Sylke:                    Mama ook dan, hé? Paul:                     Ah natuurlijk. Mama ook. Celien? Celien:                 Uiteraard. Paul:                     Wat zei je dat je had gedaan dat misschien… Celien:                 Ik heb heel misschien de tv kapot gemaakt! Ik weet het niet… Paul:                     Hoezo? Celien:                 Ja vanmiddag! Voor Sylke thuiskwam. Paul zet de tv aan. Paul:                     Die werkt prima. Celien:                 Dan heb ik op een verkeerde knop gedrukt. Paul:                     Hier is niks mis mee. Paul zapt door alle posten en komt bij RTV. Paul:                                     Als jullie het goed vinden, laat ik hem staan voor het nieuws van zeven uur. Sylke:                    Da’s goed! Paul:                     Het is goed mogelijk dat het al op RTV komt. Celien:                 Da’s best mogelijk, ja.   Een MTV-achtige clip van Celiens paniekscheuten?     4.    Dag meneer de burgemeester Ronald Van Dingenen, de burgemeester, belt aan. Hij is in gezelschap van social media expert, Esma Tallouis. Paul:                     Dag meneer de burgemeester.                                (Paul drukt hem de hand.) Ronald:                Goedenavond meneer Van Pael.                                (knikt in de richting van Celien) Mevrouw. Celien:                 Celien! Ronald:                Heel overtuigend, gisteren op RTV. Knap! Celien:                 (gegeneerd) Dank u. Ronald:                (knikt in de richting van Sylke) En de dochter… Dag Sylke. Sylke:                    Hoi. Paul:                     Wees welkom. Zet u. Ronald:                Dank je Paul. Ik had u natuurlijk kunnen uitnodigen op het gemeentehuis, maar dat is zo onpersoonlijk. Nee, ik kom liever zelf tot bij de mensen, zeker wanneer het een zaak betreft die wel degelijk alle inwoners van Zelegem aanbelangt. Ik leg mijn oor graag zelf te luisteren bij het volk, voor het volk uiteraard. (stilte) Dus! Laat mij beginnen met te zeggen dat ik uw schrijven enorm waardeer. Daaruit blijkt uw bezorgdheid en betrokkenheid bij het welvaren van onze gemeente, want ik geloof wel degelijk dat het hier een zaak betreft die de veiligheid van onze inwoners mogelijk flink in het gedrang brengt, is het niet? Paul:                                     Laten we hopen dat het allemaal zo’n vaart niet zal lopen, maar ik vrees dat we ons grondig moeten voorbereiden… Ronald:                                Op het ergste. Dat denk ik ook. Voor de veiligheid van onze burgers rest er ons geen andere keuze.                                 En Sylke, had jij dit verwacht? Sylke:                    Totaal niet. Ronald:                                Dat dacht ik al. Als burgemeester en hoofd van de politie kan ik vertellen dat onze mensen – dat wij allen – ons  best zullen doen om zaterdag vreedzaam te laten verlopen zodat er geen brokken vallen. Is dat een geruststelling? Paul:                      Toch wel. Sylke:                    Ik weet het niet. Ik denk gewoon niet dat het een oplossing is om … Celien:                  Ze heeft het er heel moeilijk mee, meneer de burgemeester. Ronald:                 Dat begrijp ik. Celien:                                 Ze droomt nog altijd van een groot feest en dat iedereen zich dan zou amuseren. Sylke:                    Ik wil gewoon… Ronald:                 Jullie hebben toch alles afgeblazen, mag ik hopen? Laat daar toch minstens klaarheid over bestaan. We moeten onze aanpak op mekaar afstemmen. Ik kan zomaar geen politietroepen mobiliseren en een beroep doen op de eenheden van collega’s als iedereen zomaar zijn zin gaat doen. Dat begrijp je wel, hé Sylke? Het gaat hier niet om jou, maar om de veiligheid van alle inwoners van Zelegem en de jongeren zelf natuurlijk! Paul:                      Sylke? Sylke:                    Ja. Paul:                                     Sylke, ik begrijp dat je nog heel jong bent voor dit soort zaken, maar ben jij bereid om je burgerplicht op te nemen? Sylke:                    Dat zal wel zeker. Paul:                                     Heb je weet van iemand die van plan is om heibel te komen schoppen zaterdag? Sylke:                    Maar nee! Dat zou ik toch wel zeggen zeker! Ronald:                                Nu begrijp ik natuurlijk wel dat het hier om een heel complexe aangelegenheid gaat en daarom vond ik het raadzaam – bij gebrek aan expertise van mijn kant uit over deze toch wel heel specifieke materie – om een social media expert in te schakelen. Ik ben jullie vergeten voorstellen! Mijn excuus!                                 (gebaart naar Esmé om zich voor te stellen) Esmé:                   Esmé Tallouis. Aangenaam. Ronald:                 De familie Van Pael. Ze schudden handen. Esmé klapt een hyperinnovatief scherm open; of sluit haar device aan op het gigantische scherm van het gezin Van Pael; of projecteert gewoon het hele ding op een muur. Vervolgens laadt ze haar presentatie zodat die klaar is wanneer ze moet spreken. Ronald:                                Dat is dus ongelooflijk, hé… Die social media experts worden tegenwoordig door bedrijven ingehuurd om een hele dag lang te twitteren en op Facebook te zitten. Celien:                  (tegen Sylke die aan het sms’en is) Da’s wel iets voor jou, niet? Ronald:                                Om maar te zeggen. Je mag het belang van die dingen niet onderschatten. Sylke:                    Ik heb nog een vraag voor de burgemeester. Ronald:                 Ah, ja? Sylke:                    Ja. Ronald:                 Zeg maar. Sylke:                    Gaat de nachtwinkel open zijn? Ronald:                                Dat is een goede vraag. En… ja, ik denk dat de nachtwinkel open zal zijn. Wanneer sluit die gewoonlijk? Op maandag zeker? Esmés gezicht verschrompelt van onwetendheid. Ja, dan is de nachtwinkel open. Celien:                  Is dat wel een goed idee? Ronald:                 Interessante kwestie! Het is een goede vraag, Sylke. Bedankt. Paul:                      Waarom moet jij dat weten? Sylke:                    Gewoon. Dat is toch een normale vraag? Ronald:                                Nu, ik kan jullie garanderen dat er in de hele politiezone een strafbaarstelling zal gelden van alcoholbezit vanaf – ik geloof – één pint per persoon als je natuurlijk gerechtigd bent om alcohol te drinken. Wij tolereren geen kleuters met bier. Dat zou de overlast toch al aanzienlijk moeten beperken. Paul:                      U licht morgen alle buren in van alle maatregelen? Ronald:                                Op de buurtvergadering morgen licht ik iedereen in. Maar ik kan jullie nu al garanderen dat we alle fouten van onze voorgangers gaan vermijden. We bewaken niet alleen jullie huis; neen, we stellen een perimeter in die geldt voor de hele straat. Zo kan het volk meteen lateraal omgeleid worden. Paul:                      Schitterend! Celien:                  Dat is fantastisch nieuws! Wat een opluchting! Sylke:                    Stopt de bus hier dan nog in de straat? Ronald:                Ah, nee! De bus zal dan niet meer stoppen in jullie straat. Dat zou niet logisch zijn. Had je nog iets anders? Sylke:                    Nee. Ronald:                 Goed, dan geef ik nu graag het woord aan Esmé. Esmé:                   Bedankt, Ronald. Paul:                      Ik ben benieuwd! Esmé:                   Eigenlijk kunnen we stellen dat Sylkes feestje is uitgekozen. Sylke:                    (glundert) You’re kidding! Esmé:                   Ik onderzoek hoe dat komt. Celien:                  Dat komt door die Facebook, zeker? Esmé:                                   Daar is op zich niks mis mee. Mensen maken zo vaak evenementen bedoeld om nog anderen op uit te nodigen. Sylke:                    Zie je wel? Ik snap gewoon zelf niet hoe het komt dat iedereen nu juist naar mijn feestje wil komen. Ik heb zelfs nog nooit een feestje gedaan! Dit is mijn eerste! Stel je voor! Fien heeft nu ook een feestje aangemaakt op Facebook, maar dat gaat lang niet zo hard. Ik snap het gewoon niet. Ik bedoel… Jullie kennen Fien niet. Iedereen praat altijd over Fiens feestjes. Esmé:                   Nu, populariteit heeft er eigenlijk niks mee te maken.  Sylke:                    Wat dan wel? Esmé:                                   Op het evenement dat jij hebt aangemaakt, hebben aanvankelijk nog geen twaalf mensen gezegd dat ze wilden komen. Sylke:                    Twaalf? Esmé:                   De feiten zijn de feiten, ook al zijn ze virtueel.                                Pas toen het evenement is gedeeld door een aantal sleutelfiguren, is de bal aan het rollen gegaan. Sylke:                    Welke sleutelfiguren? Esmé:                                   We zien hier… Kenny Verdrocht, Meredith Broeckx, Daoud El Filali, Chloë Dujardin, Elke Scheremans, … Dat zijn mensen die telkens meer dan vijftig mensen hebben aangetrokken. Sylke:                    Chloë? Esmé:                   En dan is je feestje gekaapt. Celien:                  Wablieft? Esmé:                                   Ene Davy Verdrong heeft het gekopieerd onder de vlag van Project X. Daarom kan je het niet meer verwijderen op Facebook. Sylke:                    Zie je wel?! Esmé                                    Maar van zodra de brief van Paul Van Pael is gelekt in het nieuws en de media erop zaten, is het event razend hard beginnen gaan. We zien hier een duidelijke toename van het aantal gasten bij elke vermelding in de mainstream media. Opvallend is ook dat een kleine zender als RTV hier behoorlijk goed scoort, wellicht heeft dat te maken met het aantal heruitzendingen binnen hun zendtijd. Nu goed, het werd Davy Verdrong daardoor wellicht te heet onder de voeten. Toen heeft hij de pagina doorgeschoven naar Mike Spencer. Ken je die? Sylke:                    Nee. Esmé:                   Hij woont in Nieuw-Zeeland. Paul:                      Slim! Verdomd slim. Hem zullen ze niet gauw vinden. Esmé:                   En de neonazi’s blijven ook buiten schot. Celien:                  Neonazi’s? Esmé:                                   Davy Verdrong is lid van een neonazistische groep. Verder weten we dat hij Sponge Bob en Nutella ook leuk vindt.                                                Door de content van de posts te scannen, krijgen we zicht op welke mensen komen met gewelddadige intenties. Ronald:                Heel handig! Paul:                      Ongelooflijk! Esmé:                   Het is een beetje de Arabische revolutie. Maar dan met bier.                                 Heb je de gastenlijst onlangs nog gecheckt? Sylke:                    Achtduizend tweehonderdnegenendertig. Esmé:                                   Elk bericht in de krant of op de televisie zorgt voor een buitenproportionele toename. Vandaar dat een event in een paar dagen zoveel mensen kan bereiken. Celien:                 Dan zouden ze dat gewoon moeten censureren! Paul:                      Ja, Celien! Esmé:                                   Als we hierop klikken, zie je telkens welke aanwezigen en posts het grootste effect hebben gesorteerd. Op mij moet je niet letten. Op het scherm verschijnt een lijst met profielfoto’s en namen: [Kraantje Pappie, Esmé Tallouis, Kriek Lindemans, Davy Verdrong, Politiezone BATS, Taxibedrijf Fonacab, Sloten Dierckx en zoon, Chloë Dujardin, Ronald Van Dingenen, Matthijs Deckers, De Zoo van Antwerpen, Red Bull, Deuren en ramen Fortex, Sandra Lemoulin, …] Paul:                      Ah. De politie komt. Dat stemt mij gerust. Ronald:                                Kijk, ik sta er ook tussen. Mijn zoon heeft mij toegevoegd. Paul:                      Is het waar? Ons Sylke niet, hoor. Nee, ik mocht zogezegd niet komen. Sylke:                    Oh nee, de mossel van Frans! Celien:                  Sylke! Is dat nu Mathijs?                                 Komt er eigenlijk iemand die geen Facebookaccount heeft? Sylke:                    Ja, jij. Esmé:                                   Van hieruit kunnen we de content scannen van elke post gedaan op social media. Zo kunnen we bijvoorbeeld zien wat Kraantje Pappie te zeggen heeft.   Op het scherm: [Hey ya’ll! Whazzup mettat feesje?! Kraantje Pappie zwéért het. Als er 10.000 mensen komen naar Sylkes b-day, is het voor ons d-day: Gratis conceeert. Komen, man! Happy B-day, Sylke!]   Ronald:                 Dit is belangrijke informatie! Esmé:                   (klikt Fonacab aan) [TAXI FONACAB – Project X Zelegem -  SPECIAL: heen- en terug van het station naar het Project-x feest voor maar 5 EUR per persoon. Bestel nu je pizza en je pintje bier voor maar 2 EUR extra.]                                  Hier kan je ook Sylkes posts lezen. [WTF!? Mijn vader wil dat ik mijn FB-account opzeg; Errrr…. Ik dácht het niet!] [Jeej! Kraantje Pappie komt naar mijn verjaardagsfeestje! Hoe cool is dat?]   Paul:                      Geloof jij nu nog altijd dat die gasten komen? Sylke:                    Ze zeggen het zelf! Paul:                     Als er 10.000 mensen komen! Sylke:                    Dat halen we op onze sokken! Paul:                     ‘Dat halen we?’ Waar ben jij mee bezig, Sylke Van Pael? Sylke:                   Het gaat allemaal behoorlijk vanzelf, vind ik. Ik heb er weinig mee te maken. Esmé:                   Ik kan jullie wel aan enkele goede partyplanners helpen, als jullie willen. Paul:                     En waar stel je voor dat Kraantje Pappie zou optreden? In het bushokje? Sylke:                    Zet dan een podium! Paul:                     ‘Zet dan een podium’, zegt ze.                 Jij denkt dat je zoiets in één-twee-drie regelt. Sylke:                   Zo wordt het tenminste leuk! Anders gaat iedereen maar gewoon hangen. Ronald:                                Het is heel belangrijk, Sylke, dat we de jongeren niets geven om zichzelf op te verlekkeren. Dat ze geen reden hebben om te komen. Begrijp je dat? Merte:                 Maar het is mijn verjaardag! Ronald:                (tegen Paul) Ik neem contact op met Kraantje Pappie. Paul:                     Bedankt, Ronald! Ik vraag het je voor een laatste keer, Sylke Van Pael . Ben jij achter onze rug iets aan het bekokstoven? Is er iets wat we moeten weten? Dan is dit je laatste kans om te spreken! Sylke:                   Maar nee! Iedereen doet van alles, ik ga dat echt niet allemaal bijhouden, hoor.   Paul:                      Vooruit, vertel! Wat weet je? Denk goed na, Sylke Van Pael. Sylke:                   De scouts wou een bar doen om hun zomerkamp mee te sponsoren. Kurt wil DJ-en. Dat heb ik al gezegd. Ik vond beachvolley wel een leuk idee. De zandbak in het park is toch groot genoeg. En Elke wilde vragen of de sporthal van hun turnclub wilde opendoen voor als het regent. Ronald:                Mijn oproep zal duidelijk zijn! Dat feestje zal hier niet zijn. Celien:                 Goed zo! Paul:                      En op de voetbal? Sylke:                   Ken ik iemand van de voetbal? Ik dacht het niet! Vraag het hen zelf als je het echt wil weten. Paul:                      Is dat alles? Ben je zeker? Sylke:                    Is het niet genoeg misschien?                                Pfft! Ik ben hier weg! Paul:                                     Anders sluit ik een aparte verzekering af voor jou, hé!? En ik leg mijn aansprakelijkheid af bij de notaris! Dan kan jij zelf voor de rest van je leven betalen als die neonazi’s hier gepasseerd zijn!                                 En nu, naar je kamer. Dat ik je niet meer zie. Sylke:    (roept) Daar ben ik al! Paul:                                     Mijn verontschuldigingen dat jullie hiervan getuige moesten zijn. Deze hele toestand heeft dit gezin onder grote druk gezet, zoals u ziet. Bedankt Esmé voor de verhelderende uitleg. Ik denk dat je meer voor onze dochter gedaan hebt, dan dat je je nu kan voorstellen. Ronald:                                Soms denk ik, Paul, dat het gemakkelijker is een gemeente te besturen dan een puberende dochter. Paul:                                     Dan zou ik evenveel moeten verdienen, is het niet? Ronald en Paul lachen.   Esmé:                                   Als jullie nog vragen hebben, mag je mij altijd bellen. Ik werk niet gratis natuurlijk, maar op mijn website kan je het allemaal nog eens rustig nalezen. Ik heb er een casestudy van gemaakt: www.hoegajeviraal.com. Celien:                 Viraal? Esmé:                                   Uiteindelijk wil ik mijn kennis in een gesystematiseerd model kunnen aanbieden aan marketeers als hulp bij nieuwe strategieën om de markt te bespelen. Celien:                 Ik ben onder de indruk. Esmé:                   Bedankt! Ik ben ervandoor. Ik heb een trein.                                Tot zaterdag misschien? Het wordt alleszins een vet feestje!                                Succes ermee! Iedereen zegt vaarwel op zijn manier. Ronald:                                Ik ben er ook vandoor. Het geeft me wel wat om handen, moet ik zeggen. Paul:                                     Bedankt voor uw komst, meneer de burgemeester. Ik ben er zeker van dat Sylke het ook apprecieert. Ronald:                 Verstand komt met de jaren, hé.                                Maar zeg eens: wat zijn jullie nu zelf van plan te doen zaterdagavond? Celien:                                 We gaan naar mijn zus. Wij blijven hier niet. Wat zouden wij hier binnen zitten doen? Dan zijn er leukere dingen. Ronald:                 Een verstandige beslissing! Paul:                     Ik niet. Ik ga werken. Ronald:                 Het is niet waar! Paul:                     Ik ben brandweerman; ik wil dat de mensen op mij kunnen rekenen. Ronald:                 Een beste man! Paul:                     Bedankt! Ronald:                 En een verstandige vrouw! Celien:                 Soms! Ronald:                                Zorg maar goed voor jullie Sylke! Dat ze haar gedachten een beetje kan verzetten op zaterdag. Celien:                 We hebben al wel een aantal ideetjes. Ronald:                 Prima! Tot morgen! Sylkes ouders zien de burgemeester buiten. Door de opening van de voordeur zien we flitsende camera’s. Ronald:                 (tegen de reporters, terwijl Paul en Celien luistvinken) Er is een noodverordening afgekondigd voor zaterdag. Er geldt een strafbaarheidsstelling op alcohol en risicozones worden afgezet en bewaakt. Er is dus geen reden om te komen naar dat feest en er is geen reden tot paniek. Bedankt! Celien:                 (tegen Paul) Doe dicht, die deur!   Paul zet de tv aan. Hij ziet hun huis, met een reporter ervoor. Hij volgt de reporter en wordt bozer en bozer. Reporter 2:        […] Heeft u misschien geen Facebookaccount? Dit geval is een wel erg groteske illustratie van de gevaren die de sociale media met zich meebrengen en hoe een onschuldige misstap online niet zonder repercussies blijft in het echte leven. We kunnen niet anders dan besluiten dat deze wereld een wereld is geworden waarop ouders hun kinderen niet meer kunnen voorbereiden. Sommigen spreken van een tragedie van Orwelliaanse proporties, anderen van een doodsteek voor het ouderlijk gezag. Kent u iemand die van plan is te komen naar het Project x-feest van Sylke van Pael? Zeg het hem. Zeg het haar: Ga niet! Alsjeblieft. Ga niet! Denk er niet aan om te gaan. Niet doen! Ik zie het je denken: zou ik gaan? Maar niet doen, hoor! Niet gaan Alsjeblieft! Het is zo al erg genoeg. Paul controleert door het raam of hij het misbaksel ziet. Paul loopt het huis uit en het tv-beeld in. We horen hem live en via de tv. Paul:                                     Jullie mogen dit niet uitzenden. Daar geef ik jullie geen toestemming voor. Reporter 2:        Maar… Dit is live. Paul haalt uit met de afstandsbediening. 5.    Inbunkering en desoriëntatie De woonkamer van het gezin Van Pael is veranderd. Waardevolle spullen zijn verstopt. Er hangen spiksplinternieuwe, beveiligde rolluiken. De meubels zijn voor de lichtschakelaars geschoven. De glazen luster is ingepakt. … Sylke en haar moeder zijn in de woonkamer. Sylke heeft een sexy feestjurk aangetrokken, waar tante Madeleine nog iets van zou kunnen leren. De deurbel gaat twee keer kort na mekaar. [Celien wil kijken wie er buiten staat, maar de rolluik is te ver afgelaten. Ze neemt de afstandsbediening van de spikplinternieuwe rolluiken, waar ze niet wijs uit raakt. Ze drukt op een aantal knoppen. De verkeerde rolluik gaat omhoog. Celien wil dit snel ongedaan maken om niet de illusie te wekken dat er iemand thuis is. Ze drukt op een aantal andere knoppen. De juiste rolluik gaat omhoog, maar te ver naar Celien’s zin. Ze is doodsbenauwd voor mogelijke indringers. Ze drukt op de knop die de rolluik weer naar beneden laat, waardoor ze weer niet kan zien wie er voor de deur staat. Ze  probeert de rolluik net zo hoog te krijgen dat ze heimelijk, maar comfortabel kan zien wie er voor de deur staat. Uit haar manier van bewegen  moet blijken dat ze vooral niets verdachts wil laten uitschijnen.] De deurbel gaat opnieuw, twee keer kort, één keer lang. Sylke wil doodgraag openmaken, maar haar moeder houdt haar met een ‘ksst’ staande. De deurbel zeurt een derde maal, kermend bijna. Paul:                     OPENDOEN! We horen een massa metalen plaatjes tegen de tegels kletteren. Sylke loopt naar de deur en doet open. Paul zit op zijn knieën de straatnaambordjes op te rapen die hij heeft laten vallen. Het zijn er zeer veel, zo veel als er straten zijn in Zelegem. Paul:                     Bedankt, dames! Bedankt! Celien:                 Paul, je hebt toch een sleutel? Paul:                     En maar twee handen, Celien! Ik heb er maar twee! Celien:                                 Je hebt zelf gezegd dat we uiterst voorzichtig moesten zijn. Dat zijn je eigen instructies. Paul:                      Dus laat je onze rolluiken de French Cancan dansen? Hoogst subtiel! Celien:                 Twee keer kort, een keer lang hadden we afgesproken. Sylke:                    Laat mij helpen. Celien:                 Wat is dat allemaal? Paul:                                     Geen kat die onze straat zal weten te vinden vanavond! En hetzelfde geldt voor de Kerkstraat, de Priorijstraat, de Statiestraat, het Jarrebesplein, de Van Hooidonckstraat, … Celien:                  Jezus, Paul. Dat zijn precies álle straatnamen van Zelegem. Paul:                                     Dat zíjn alle straatnamen van Zelegem, Celien. Allemaal! We desoriënteren de vijand en brengen hem helemaal van de wijs. Ik laat niet toe dat die hooligans zomaar op ons huis kunnen aflopen. Celien:                                 Ga je ze nog wel kunnen terughangen? Ken jij alle straatnamen uit je hoofd? Paul:                                     Celien… Dat is toch niet nodig. Dan neem ik er toch gewoon een plattegrond bij. Celien:                  Ah, natuurlijk. Paul:                      Ik heb eigenlijk zelfs geen plattegrond nodig. Ik heb een smartphone. (Beseft plots welke nodeloze uitputtingsslag hij gevoerd heeft.)                                SHIT!!! Celien:                 Wat scheelt er, schat? Celien:                 Ben je er één vergeten? Paul:                     … Sylke:                    Niet iedereen heeft een smartphone, papa. Paul:                     Bedankt, Sylke. Celien:                                 Ik vind het heel knap wat je gedaan hebt, Paul. Heel Zelegem mag blij zijn met wat jij doet voor de inwoners. Overal de straatnamen gaan uitvijzen. Je bent een held, lieve schat. Paul:                     Ja. Ja.   Sylkes telefoon gaat. Het is Mere’s beltoon. Sylke:                    Mag ik mijn telefoon? Het is Meredith. Celien:                 Hoe weet jij dat? Sylke:                    De beltoon. Dat is Meredith. Celien:                 Ah zo? Sylke:                    Geef mij mijn telefoon. Celien:                 Afspraak is afspraak. Sylke:                    Geef mij mijn telefoon. Het is Meredith. Celien:                                 (tegen Paul terwijl ze Sylkes gsm geeft.) We hadden hem gewoon moeten wegsteken in de kluis. Sylke:                    (veelbetekenend) Hé Mere. Ça va? Het is mijn blauw topje geworden en … Nee. Dat meent ge niet. Als je mij dit aandoet, spreek ik nooit meer tegen je. Ik luister. Ik luister en het is shit! Nee, dat snap ik niet! Je laat mij gewoon stikken! Ja, doe maar. Doe maar! Trut! Celien:                 Wat was dat allemaal? Sylke:                    Ze komt niet. Celien:                 Ze komt niet? Sylke:                    Ik had haar gevraagd om mee te gaan naar tante Madeleine. Celien:                                 Oh, liefje! Daar heb je ons niks van verteld. Dat had Maddy wel willen weten voor het eten. Sylke:                    Ik dacht dat het wel oké was. Celien:                                 Hoe komt het dat ze niet komt? Ze wil vanavond toch niet op straat gaan rondhangen? Sylke:                    Weet ik veel. Ze komt niet. Ze laat mij gewoon keihard stikken! Sylke rent huilend weg met haar gsm. Celien:                 Sylke Van Pael! Hier met die gsm! Sylke brengt sobbend haar gsm terug en rent dan alsnog weg. Sylke:                    Ik mag nooit niks! Frank De deurbel gaat. Paul:                     Sst! Niet opendoen! Frank, de buurman komt binnen. Paul:                     Frank? Frank:                   Dag Paul. Paul:                     Hoe kom jij hierbinnen? Frank:                   De deur stond open. Paul:                     Wablief? Frank:                   Houden jullie geen feestje? Paul:                                     Het is te zeggen... We hebben wat malaise ondervonden met de gastenlijst. Frank:                   Daar heb ik het een en het ander over vernomen.                                 Nu zat ik toch een beetje met een vraag. Paul:                      Dat begrijp ik. Dat is je recht, Frank. De zaak is hopeloos uit de hand gelopen. Het lag niet in onze bedoeling onze buren op te zadelen met overlast. Ik wil mij  bij deze graag nog een keer persoonlijk bij jou verontschuldigen in naam van m’n hele gezin. Frank:                   Ja, dat staat ook in je brief. Paul:                      Je hebt hem goed ontvangen, zie ik. Frank:                   Ja. Je zult hem wel gewoon bij mij in de bus gedaan hebben, zeker? Paul:                      Celien heeft dat gedaan. Frank:                   Of Celien. Paul:                      Celien, ja. Frank:                   Sylke zie ik zo meteen nog geen brieven bussen. (lacht) Paul:                      Waar kan ik je mee helpen, Frank? Ik moet zeggen… Je bent wel aan de late kant. Frank:                   Is het al begonnen? Paul:                                     Nee. Ik heb alleszins nog niet veel mensen gezien. Maar ik zou zo meteen niet weten wat je nu nog kan doen om je voor te bereiden. Laten we hopen dat het allemaal meevalt. Frank:                   Oh… Het zal wel meevallen, zeker? Paul:                      Frank. Ik moet over vijf minuten vertrekken naar het werk. Het spijt me.                          Wou je nog iets vragen?   Frank:                   Ben je van dienst? Paul:                     Toch wel. Frank:                   Op de verjaardag van je meisje. Dat is sneu! Paul:                                     Ik denk dat dat het beste is wat ik kan doen gezien de omstandigheden. Mijn verantwoordelijkheid opnemen en paraat staan om waar het nodig is. Frank:                   Dat moet je in je hebben, hé.                                 Voor Sylke is het misschien wel leuker dat haar vader gaat werken. Paul:                      (onderbreekt hem) Zelfs de brandweer van Zierzaai is zelfs volledig op stand-by gezet. Dus ik kan – en wil – er echt niet onderuit. Frank:                   Ja. Dat begrijp ik.                                 Nu goed… Ik vroeg me af… Paul:                      Ja. Frank:                   … of het nu de bedoeling is dat wij komen. Paul:                      Wij? Frank:                   De mensen uit de buurt. Je buren…                                 Ik spreek in naam van mezelf hoor.                                 Ik dacht... Ik heb geen plannen vanavond. Paul:                      Je wil komen Frank:                   Ja. Paul:                      Komen helpen? Frank:                   Helpen? Nee! Paul:                      Dan begrijp ik niet wat je bedoelt, vrees ik. Frank:                                   Ik zal mij anders uitdrukken. Voor hoeveel mensen hebben jullie drank voorzien?        Ik wil jullie niet ontgerieven. Ik drink alleen maar bier. Paul:                      Frank! Frank! Frank:                   Kijk Paul, ik raak er niet aan uit. In je brief staat:                                 “Onze vijftienjarige dochter, Sylke, heeft voor haar verjaardag…”                                 Oké, oké. Dat snap ik. Maar dan schrijf je onderaan: “Laat ons de spreekwoordelijke handen in mekaar slaan en een figuurlijk schild vormen tegen de toeloop van zoveel hormonaal geweld.”                                 En dan:                                 “Zaterdag twaalf maart is het zover. U bent gewaarschuwd.”                                 En vervolgens: “Nogmaals: altijd welkom! Onze deur staat open.” Paul:                                     Frank! Dat slaat terug op die alinea meer bovenaan. Hier zo. Waarin ik schrijf dat ik alle vragen wil beantwoorden en steun en zorg wil bieden, niet alleen  als vader van een puberdochter, maar ook als brandweerman van Zelegem en … Frank:                   bezorgde burger. Paul:                     Ja. Frank:                   Dus het is geen uitnodiging. Paul:                     Nee. Frank:                   Oké. Geen probleem. Paul:                     Ik hoop dat je het niet erg vindt. Frank:                   Nee, nee! Ik was natuurlijk wel benieuwd. Hoe dan ook, TV2 zendt het live uit. Paul:                     Ah. Dan hoef je het niet te missen. Frank:                   Voilà. En thuis heb ik ook bier. Paul:                     Zo is dat. Frank:                   Allez vooruit, want jij moet vertrekken zeker? Paul:                     Dat wordt tamelijk dringend, ja. Frank:                                   Gusta en Staf gingen misschien ook een kijkje komen nemen. Misschien ook niet. Paul:                      We zien wel. Frank:                   Is goed. Saluut! Goed vieren vanavond. Paul:                     Bedankt, buurman!       Frank:                   Laat ik de deur open? Celien:                 Doe maar toe Frank, bedankt! Frank verdwijnt. Paul snelt naar zijn boterhammendoos. Paul:                     Godverdegodver… Sommige mensen! Celien:                  Frank is eenzaam, Paul. Je moet dat verstaan. Paul:                                     Eenzaam? Waarom was hij eergisteren dan niet op de bewonersvergadering? Celien:                  Vooruit, vertrek nu. Dan blijf je rustig op de baan. Paul:                      Wie weet zit het verkeer al vast. Celien:                  Veel succes, schat! Paul:                      Dag Celien.                                 (roept in de hal) Dag Sylke! Het is misschien niet wat je in gedachten had, maar probeer er iets leuks van te maken, hé!                                De groetjes aan tante Maddy! Paul wandelt de deur uit. Celien:                 Kom, Sylke, we zijn weg.                                Sylke!                                Sylke? Het is niet het moment om te dralen, Sylke. Wie weet, hoe is het verkeer? Celien loopt naar boven. We horen gebons op de deur. Ze komt terug de woonkamer in.                                Zeg dat het niet waar is, hé. Ze belt haar dochter. Sylkes gsm gaat af. Hij ligt op de salontafel. Celien:                 Shit!     6.    Waar is dat feestje Sylke staat alleen in een voetbalkantine. De andere aanwezigen zijn gesuggereerd. Het zijn vrienden van vrienden van Mathijs en Meredith. Er kan lawaai zijn of een dreigende stilte. Het is er alleszins niet gezellig. Sylke:                    Ik ben hier nog nooit geweest. Ik wil drank. (neemt drank) Bedankt! Depressief zul je bedoelen! Waar is Mathijs? Kan je hem niet bellen? Ik heb geen gsm. Mere heeft mij ook al laten zitten. Tof! Meredith. Mijn beste vriendin. Vroeger. Héhé, grappig! Met een bende halve debielen in dit kot is niet bepaald wat ik in gedachten had. Sorry, hoor. Ik bedoel: het is wel mijn verjaardag. Ik word er zestien. Sorry! Ik bedoel daar niks mee. Ik zeg gewoon: debielen. Dat is toch een woord? Ik ben depressie-ief! Och, het is al goed! Wat? Ja, in je dromen. Grapjas. Word dan maar al snel wakker. Allez, doe niet onnozel. Hier joh! Dit kun je krijgen. (draait zich om een toont haar kont terwijl ze minachtend over haar schouder kijkt.) Zeg! (oprecht geflatteerd) Allez, merci! Wie zijn jullie eigenlijk? Het zal wel. Ja, ik ben Kate Moss! Kan er niks anders op? Beyoncé of zo. Ja, jij mag iets anders goed vinden, hé. Wat? (wantrouwig) Okéééééé. Geen rare dingen doen, hé. Oké, maar ik meen het, hé. Ja, ik ook! (draait zich om met haar vingers in haar oren) Mag ik? Mag ik nu? (draait zich terug om) Oh, dat is kei lief! Is dat voor mij? Oh, dat is lief! Dat hadden jullie niet moeten doen. (buigt zich voorover en blaast kaarsjes uit) Wat? Ja, het zal wel! Wat? Dat zie je van hier. Ha. Ha. Ha. Zoveel heb ik nog niet gedronken, hoor! Nee. Dat doe ik nooit. Waarom zou ik? Nee. Zoveel drink ik niet. Waarom wél? Grappig, hoor! Allez, oké. Het is goed. (neemt een pint en drinkt die ad fundum) Amai, dat kriebelt. Nee, subiet misschien… Nee, toch niet. Goed geprobeerd! Ik weet niet, een gezelschapspelletje?                                Lach maar. Ja, ik vind dansen wel leuk. Alleen? Grappig! Och, bol af! (drinkt nog een pint) Bedankt. Nóg niet zat. Niet zat en niet zot. Saai, hé. Nee! Waarom zou ik? Ik heb dat nog nooit gedaan. En dan? Oké, nu doe je echt debiel. Hé, stop daarmee! Doe gewoon. Blijf ’s van mijn lijf. Echt! Bol af! Pak die pint maar mee! En dan? En dan?                                Amai. Als het zo zit, ben ik weg. Echt! Hey makker. Ik denk niet dat jij hier woont, wel? Laat dat dan toch gewoon!                                Liever saai dan crimineel. Wat? En jouw moeder viel flauw toen ze zag hoe lelijk jij was. Kruip daar dan op, hé. Oké, ik ben hier nu weg. Echt! Dit is echt niet meer leuk.                                Laat mij door!                                Laat mij door, zeg ik. 7.    Waar is Sylke? Het is zes uur ’s ochtends. Celien zit in de woonkamer te wachten op een teken van Sylke. Ze heeft in elk hand een gsm vast. Door de ramen zien we mogelijk de ravage van de vorige nacht. De deur gaat open en Sylkes vader komt binnen. Celien:                 En? Paul:                                     In die kantine was ze niet. Er was niemand. In de vuilbak stak een taart.             Heb je nog iets gehoord van Meredith? Celien:                 Nee. Misschien bel ik over een uurtje nog eens. Dan is het acht uur Waarom doet ze ons dit aan? Hebben wij haar nu iets misdaan? Paul:                     Ze had duidelijk geen zin in een feestje bij tante Maddy. Celien:                                 Paul! Konden wij weten dat ze van plan waren hun eigen feestje te brouwen op de voetbal? Wij kunnen dat niet rieken, of wel? We hebben haar gevraagd of ze iets te verbergen had, meer dan één keer en ze zei: neen. Ze heeft tegen ons gelogen! Paul:                      Heb je al gedacht aan…? Celien:                                 Aan het ergste? Natuurlijk heb ik daar al aan gedacht. Ik heb al aan alles gedacht! Paul:                     Ik kan hier niet blijven. Ik ga verder zoeken. Celien:                                 O wee, wanneer ik haar onder mijn ogen krijg. Ze zal er niet goed van zijn! Ze had minstens kunnen bellen, of een poging doen. Allez, ja…  Een flink pak rammel en leven lang huisarrest, dat is wat ze verdient. De deur gaat voorzichtig open, een slaapdronken Sylke waait binnen. Sylke:                    Zijn jullie nog wakker? Celien:                  Sylke? Kindje, mijn kindje, mijn kindje toch! Waar heb jij gezeten? Hoe zie je eruit? Wat is er gebeurd, Sylke? Wat hebben ze met je gedaan? Oh, Sylke! (begint te huilen als een klein kind terwijl ze Sylke plat tegen zich aaandrukt) Sylke:                    Mama, je overdrijft! Celien:                  Overdrijven? (geeft Sylke een muilpeer) Merhte:              Auw! Mama! Celien:                 Voila!                                 Je stinkt!                                En nu: vertel! Wat heb jij in godsnaam uitgestoken? Het is bijna acht uur.                                 Of weet je wat? Neem maar eerst een bad! Sylke:                    Wat is het nu? Celien:                  Paul! Zeg iets! Paul:                                     Je beseft dat je een leven lang huisarrest hebt? Dat over een uurtje de begrafenisondernemer komt en we je levend zullen moeten begraven tenzij jij zelf opdraait voor de  kosten. Sylke:                    Je maakt een mop. Paul:                      Het is nochtans niet grappig. Sylke:                    Dat vond ik ook al niet. Paul:                      Het was wel om te lachen. Sylke:                    Ha. Celien:                  Sylke. Wij eisen een verklaring. Sylke:                    Ik heb mij geamuseerd. Het was mijn verjaardagsfeest. Celien:                  Sylke. Dat kan niet. Sylke:                    Waarom niet? Celien:                                 Kijk naar buiten, Sylke Van Pael. Het is daar een ravage! Hoe kan jij je nu geamuseerd hebben, tenzij je zelf de hooligan hebt uitgehangen? Wat heb jij vannacht gedaan? Sylke:                   Ik heb niet de hooligan uitgehangen. Jij kent mij echt niet, hé? Denk jij dat iedereen gisterennacht de hooligan heeft uitgehangen? De meesten stonden gewoon saai op straat te staan. En het was koud! Paul:                      En jij, Sylke? Wat heb jij gedaan? Sylke:                   Ik heb mij gewoon goed geamuseerd op mijn verjaardagsfeestje. Dat was toch de bedoeling? Paul:                      Sylke, dat mocht niet en dat wist je! Sylke:                   Jullie hadden mij een feest beloofd en sturen mij dan naar tante Madeleine. Dat noem ik geen feest! Celien:                                 Dat was alles wat onder de huidige omstandigheden konden doen, Sylke. Een beetje medewerking van jou was welkom geweest! Sylke:                   Nee, dat was niet alles wat jullie hadden kunnen doen. We hadden een ander feest kunnen organiseren. Of we hadden er gewoon echt iets leuks van kunnen maken. In plaats van overal politie neer te zetten. Paul:                      Ik geloof mijn oren niet. Sylke:                    Dat komt omdat jullie geen oren hebben! Celien:                  Dimmen! Brutaal nest. Paul:                                     Wij zijn je ouders en je wist wat er van jou verwacht werd. Wij vertrouwden jou, Sylke. Vertrouwen!? Celien:                                 Dat vertrouwen heb je op één dag helemaal kapotgemaakt. En dat zal maar heel traag moeten teruggroeien. Sylke:                    Jullie vertrouwen is niks waard! Het is gemakkelijk als je niks mag. Er waren duizend mensen, maar ik, ik mag niet mee doen. Op mijn eigen feestje!                                 Wel, ik heb het gedaan en ik heb er geen spijt van, oké? Ik heb mij goed geamuseerd. Celien:                  Waarom geloof ik je niet? Sylke:                    Dat weet ik toch niet? Celien:                  Wat is er gebeurd, Sylke?                                 Er is iets gebeurd, Paul. Een moeder voelt zoiets.                                 Wat is er gebeurd?  Sylke barst in tranen uit. Sylke:                    Ik zeg toch dat ik mij goed heb geamuseerd!? Celien:                  Sylke, lief kind. Heeft iemand je pijn gedaan? Ben je geslagen?                                 Kom hier zitten, Sylke.                                 Ze hebben je toch niet… Hebben ze je verkracht? Sylke!                                 Heb je drugs gebruikt?                                 Hebben ze gênante foto’s van jou op het internet gezwierd?                                 Vertel dan toch, Sylke! Sylke:                    Het was gewoon niet wat ik ervan verwacht had. Meredith en ik gingen gewoon met wat vrienden in de kantine van de voetbal een feestje doen. Celien:                 Maar Meredith heeft afgebeld. Sylke:                    Ik dacht dat het wel oké zou zijn. Paul:                     Maar het was niet oké. Sylke:                    Ik kende die mensen niet zo goed. Paul:                     Hoe kwam jij er dan terecht? Sylke:                   Gewoon, Mere vond het echt zielig dat ik nu geen feestje meer had en zij en Gabby wilden daarom nog iets organiseren, dus vroegen ze wat mensen. Paul:                     Dus jij kende die mensen wel? Sylke:                    Niet goed; eigenlijk helemaal niet zo goed; nee. Paul:                      Hoe komt dat? Sylke:                   Mere heeft afgebeld, Gabby is ook niet gekomen en daarom zijn er veel anderen ook niet geweest, denk ik. Iedereen loopt heel de tijd te zeggen dat ik flauw zou zijn als ik niet naar mijn eigen feestje kwam en dan komen ze zelf niet. Celien:                  Wie was er dan wel? Sylke:                   David. Het is zijn voetbalclub. En zijn vrienden, denk ik. En vrienden van vrienden van Mere denk ik. Er waren ook een paar gasten van het zesde. Paul:                      Wie is David? Sylke:                    Een vriend van Mathijs. Paul:                      Was Mathijs er ook? Celien geeft een teken dat ze dat toch al weten. Paul wil Sylke testen. Sylke:                    Mathijs is zelfs niet gekomen! (stort weer diep in het tranendal) Celien:                  Hebben ze iets met je gedaan, Sylke?                                Er heeft toch niemand… Sylke:                    Nee, mama. Celien:                 Weet je het zeker? Sylke:                                   Natuurlijk weet ik dat zeker. Ik was er toch bij, zeker? Ze wouden misschien wel, een paar van die gasten, maar ik ben geen sletje. Ik bedoel… Ik ben nog maar pas zestien! Celien:                  Had je gedronken? Sylke:                    Misschien een paar pintjes. Ik was wel een beetje zat. Celien:                                 Moeten we een zwangerschapstest gaan halen, Sylke? Sylke:                    Mama, alsjeblieft. Ik wil dat het de eerste keer met iemand speciaal is. Celien:                 (tegen Paul) We hebben chance dat die Mathijs niet is gekomen! Paul:                                     (ongemakkelijk) Daar hebben we het later nog wel eens over. Of, liever niet eigenlijk… Of weet je wat? Praten jullie daar onder mekaar maar verder over. Ik denk niet dat ik mij daarin wil moeien. Celien:                  Dus er is ook geen aidstest nodig? Sylke:                   Toen die gasten lastig begonnen te doen, ben ik weggegaan. Ik kan echt wel voor mezelf opkomen, hoor. Tss, wat denken die wel? Paul:                      Vooruit. Je hebt je goed geamuseerd. Daar ben ik blij om. Celien:                  Mathijs heeft een berichtje gestuurd. Sylke:                    Nee! Celien:                                 Hij zei sorry dat hij niet kon komen. Hij was ziek van een visschotel en heeft liggen overgeven. Sylke:                    Heb je mijn berichtjes gelezen? Celien:                  Stond er nu een kusje achter, Paul? Dat weet ik niet meer. Sylke:                    Mag ik mijn gsm terug? Celien:                  Als we klaar zijn met spreken. Sylke:                   OMG Jullie hebben mijn berichten gelezen! Ik kan niet geloven dat jullie al mijn berichten hebben gelezen. Paul:                      Dat was wel het minste om onze vermiste dochter op te sporen. Celien:                                 In elk geval… Hij voelt zich wel beter nu. Ik vond dat hij ook redelijk bezorgd klonk, maar goed, ik ken hem natuurlijk niet. Sylke:                    Oh my God. Jullie hebben toch niet gebeld, hé? Zeg niet dat jullie… Celien:                                 Natuurlijk hebben we wel gebeld. We hebben naar iedereen gebeld. We waren doodongerust. Snap je dat dan niet?                                 Paul, begrijp jij dat nu? Paul:                      Dat kind is in staat om ons opnieuw zoiets te flikken, hé. Sylke, begrijp je dat je nooit ofte nimmer nog zoiets mag doen? Wij zien je graag. Misschien hadden we iets beter moeten luisteren naar jou, maar dit mag je nooit ofte nimmer nog doen. Begrepen? Sylke:                    Ja. Sorry. Echt waar. Ik wist niet dat jullie zo bezorgd zouden zijn. Ik had ook echt wel gewoon kunnen luisteren naar jullie. Sorry. Ik zal… Ik zal echt nooit nog zoiets doen. Paul:                                     Ik ben nog niet klaar met jou, jongedame. Het is acht uur ’s morgens. Waar heb jij in al die tussentijd gezeten? Sylke:    Het was echt niet leuk. Er stond overal politie. Ik mocht er niet langs. Toen zei ik dat ik Sylke Van Pael was en ze zeiden: ‘Ja. Ja. Dat zal wel’. Ik zei: ‘Kijk dan naar die maskers’ en toen zei er een dat ik daar totaal niet op lijk. Toen zei ik: ‘Kijk dan naar die t-shirt’ en ze zeiden: ‘Da’s al beter’. Toen zeiden ze dat ik al de twaalfde of zo was die zei dat ze Sylke Van Pael was en dat de echte Sylke nooit zo stom zou zijn om zomaar over de straat te gaan lopen. Ik zeg: ‘Oké, laat me dan door. Mijn ouders zullen mij wel herkennen.’ Toen zeiden ze: ‘Nee, jij mag er niet langs.’ Toen zei ik: ‘Ja, wat nu? Dat zei je in het begin ook al.’ Toen moest ik mijn identiteitskaart laten zien, maar die had ik niet bij. Toen begonnen ze met van alles te gooien. Celien:                 De politie? Sylke:                    Nee, in de straat. Mensen.        Toen moest ik in de combi. Ze zeiden dat ze contact gingen maken met de agenten die onze straat aan het bewaken waren, maar er was iets mis met de walkietalkies en toen ben ik in slaap gevallen. Celien:                 In de combi? Sylke:                    Ja. Toen is de combi beginnen rijden. Paul:                     Naar waar? Sylke:                   Er was ergens tumult. Ze moesten versterking geven. Ik vloog van links naar rechts. Zelfs toen we stilstonden. Paul:                     En toen? Sylke:                   Ging de deur van de combi open en wilden ze drie jongens binnen gooien, maar toen zei één van die agenten – een vrouw: ‘Nee, niet doen. Sylke Van Pael zit erin.’ Celien:                 En toen? Sylke:                    Toen zei die andere: ‘Is ze terecht? Dat is dan al goed nieuws.’ Paul:                     Dan hebben ze die schavuiten gewoon moeten laten gaan? Sylke:                   Een agent heeft één van die jongens nog een stamp gegeven. Dat was niet die vrouw. Celien:                 En… Sylke:                    Toen ben ik in slaap gevallen. Paul:                     Jij slaapt overal. Sylke:                   Toen ik wakker werd zeiden ze dat ik mocht vertrekken. Ik denk eigenlijk dat ze mij wakker gemaakt hebben. Ik lag daar wel goed. Paul:                     En toen? Sylke:                    Vroegen ze of ik nu echt Sylke Van Pael was. Celien:                 En wat zei je? Sylke:                    Ja. Toen zeiden ze sorry. De deurbel gaat. Celien staat op. Merte:                 Is het op het nieuws geweest? Paul:                     Je moeder heeft je geseind. Celien komt terug in de woonkamer. Celien:                 Sylke, er is iemand voor jou. Sylke:                    Wie? Ik wil niemand zien. Celien:                 Ho, maar deze persoon wel. Sylke:                    Meredith mag voor mijn part kanker krijgen. Paul:                     Sylke! Celien:                 Ben je zeker? Sylke:                    Ja! Celien:                                 Sorry, Mathijs. Sylke wil nu even niemand zien. Ze heeft er een zwaar nachtje op zitten, denk ik. Sylke springt recht en gaat haar moeder voorbij, de hal in. Sylke:                    Hé, Mathijs! Mathijs:               Sylke. Hoe is het met je? Sorry voor gisteren. Heb je mijn berichtje gekregen? Sylke:                    Nu net, ja. Mathijs:               Oh, hoe vervelend. Sylke:                    Het is oké. Mathijs:               Hoe was het gisteren? Sylke:                    Bah… Mathijs:               David heeft me gestuurd dat het niet goed was. Die gasten hadden zich echt scheef gezopen zei hij en hij zei dat ze echt schraal hebben gedaan tegen jou. Sylke:                    Waren dat jouw vrienden? Mathijs:               Ik weet het niet. Het waren vooral mannen van de voetbal, denk ik. Sylke:                    Ik was het enige meisje. Daar hadden ze wel lol in. Mathijs:               Oh nee… Sylke:                    Tof was het niet. Eigenlijk was het ellendig. Mathijs:               Er is toch niks ergs gebeurd? Sylke:                    Oh! Nee hoor. Mathijs:               Ik wil het goedmaken. Sylke:                    Echt? Mathijs:               Ik wil je vanavond  ergens mee naartoe nemen. Dan doen we iets leuks. Sylke:                    Echt? Wat dan? Mathijs:               Ik weet niet… Zeg maar. Sylke:                    Euh… Ik heb nu eventjes geen inspiratie. Mathijs:               Dat snap ik. Sylke:                   Maar wacht … Ik weet helemaal niet of ik wel mag van mijn ouders. Ik moet het echt wel vragen. Ik heb het behoorlijk uitgehangen de laatste tijd. Mathijs:               Dat snap ik. Sylke:                   (met ogen zo groot als eieren omdat Mathijs haar meevraagt) Mama, papa … Mathijs vraagt mij of ik vanavond met hem iets leuks mag gaan doen. Paul:                      Iets leuks? Sylke:                    Mag dat? Tegelijk: Celien:                  Ja. Paul:                      Nee. Paul:                      Wablief? Celien:                                 Thuis om acht uur en geen seconde later of ik speel chaperonne tot je zestig bent. Sylke:                    Oké. (lipt in drukletters ‘dank je’ zodat Mathijs het niet hoort en keert vervolgens terug naar de hal) Sylke:                    Ik moet thuis zijn om acht uur. Mathijs:               Dat is niet erg. Ik pik je op om half acht. Grapje! Om half zeven. Heb je dan al gegeten? Sylke:                    Da’s goed! Mathijs:               We kunnen gaan bowlen. Sylke:                    Bowlen? Mathijs:               Niet goed? Je moet toch iets doen, niet? Sylke:                    Oké. Bowlen is leuk, maar ik kan dat niet goed. Mathijs:               Da’s niet erg. Dan zal ik wel winnen. Tot vanavond. Sylke:                    Tot vanavond. Da-ag. Sylke komt terug in de woonkamer. Sylke:                    Oh my god oh my god oh my god oh my god oh my god.                                 Ik ga bowlen voor mijn verjaardag! Met Mathijs!                                 Mere moet dit weten!                                 Mag ik mijn gsm terug?                                  Please, please, please? Celien geeft Sylkes gsm. Dank je wel, mama. Zoooo hard bedankt, mama. Dank je. Dank je. Dank je weeeeeel! Jij bent de beste mama in de wereld. En jij ook, papa! Paul:                      Ben ik ook de beste mama in de wereld? Sylke:                    Dank je wel, papa. Echt waar! Ik zie je graag! Jij bent mijn held.                                 En nu ga ik Mere bellen!                                Hebben jullie mij nog nodig?                                 Ik ben op mijn kamer! Sylke stormt de trap op. Celien:                  Ik ben blij dat we onze dochter terug hebben. Paul:                      Ah, jij bent daar blij mee?   Een  Google-streetview-auto passeert voorbij de raam en rijdt met moeite over de brokstukken.

Evi Rosiers
0 0

Een nieuwe koning

Mensen, ik heb iets meegemaakt. Iets uitzonderlijk. Als het iets normaals was, zou ik het niet op een podium vertellen, maar op het toilet terwijl ik wacht tot er iemand klaar met zijn grote boodschap is.   Mensen, ik kwam een raar figuur tegen. Dichtbij de statie. Hij riep naar het noorden, zuiden, oosten en westen. Ik kon niet nalaten hem een half oor te schenken. Hij zag dat oor en nam mijn hoofd. De man keek mij recht in de ogen en zonder enige introductie begon hij zijn relaas.   “Beste mens, waarde landgenoot. Tis tijd. Om even te babbelen. Over onze democratie, en hoe het daarmee gaat. Het wordt geen gezellige babbel. Tot spijt van wie het benijdt. Het was een leuk idee, versta me niet verkeerd, maar de uitwerking loopt mank. We blijven achter met een pad vol blutsen en gaten. Daar strompelen we doorheen met een knoert van een kater. Het volk beslist, dat zeker, het volk beslist zeker, maar het is eerder de beslissing van een kleuter om snoepgoed als gezond eten te beschouwen. Is het niet waar wat ik zeg? De ene verkiezing draait nog slechter uit dan de andere. Net als je denkt: het kan niet erger, wordt het nog erger. Zinken we nog dieper. En het resultaat? Regeringen vallen uiteen, leugens eindigen in doortraande persconferenties. “Ik moet hier ontslag nemen.” Is het niet waar? Een democratisch verkozen politicus met het zelfmedelijden van een Zonnekoning. Ik kan nog een eeuw doorgaan, mijn opsomming eeuwig updatend met de laatste onzin die passeert.   Om al dat gedoe, hé, daarom zeg ik: het is goed geweest. Het was leuk, maar het is genoeg geweest. België kan het niet meer aan. Natuurlijk niet. Waarom verschiet u daarvan? Het was al vanaf de start doorgestoken kaart. Vanaf de dag dat mijn voorvader, Karel August Eugène Napoleon de Beauharnais, zijn rechtmatige Belgische troon niet kreeg door de leugenachtige en valse stemming georkestreerd door die vuile Leopold I. Toen zat het al scheef. Mijn voorvader werd bestolen door die eerste Leopold. Was het maar bij 1 Leopold gebleven! Is het niet waar wat ik zeg? Zijn afstammelingen bleken nog armzaliger te zijn.   Net na het kronen van Leopold I bleek al wat een knoert van een vergissing zich daar had voltrokken. De kroon (van smaragden en schijn) zat amper op de inferieure krans van Leo, of daar stonden de Nederlanders al om deze nieuwe staat te betwisten. Je kan het hen moeilijk kwalijk nemen, met zo’n uil van een ‘heerser’. Een heerser die naam waardig is Leotje nooit geweest. Hij en zijn troepen werden overrompeld door de Nederlandse troepen. Engeland en Frankrijk hadden amper hun rug gekeerd, of ze moesten Leotje al uit de penarie redden. Om al dat gedoe, hé, daarom zeg ik: we moeten de historische fout corrigeren en de erfgenaam van Karel August Eugène Napoleon de Beauharnais zijn rechtmatige troon toewijzen. Ter uwer info: dat ben ik.   Meneer, ik zie dat u zich amper kunt bedwingen. U kwijlt al bij het binnenhouden van de woorden: “tis weer een witte heerser”. (Zo sprak hij recht in mijn irissen met speeksel spuwend op mijn oogwallen.) Ik zal u eens iets zeggen. U bent mis! Mijn voorvaderen had allen (en letterlijk allen) kinderen met hun Congolese huisbedienden. Thomas Jefferson-gewijs. Dat maakt van mij helemaal geen witte heerser. En als daar ook al iets verkeerds aan mocht zijn, dan hoor ik het graag. Uw commentaar kan u richten aan Geert Bourgeois, Martelaarsplein 19, 1000 Brussel.   De jeugd wil mij. Zij verkiezen een sterke leider boven democratie. Wat zullen hun ogen pronken bij het zien van niet enkel een sterke leider als ik, maar zowaar een sterke leider met steeds een sterk glas vol sterke drank! Ik hoor het u al mompelen. Allemaal goed en wel, maar waarom jij?  Tegen die twijfelaars die zoiets nooit in mijn gezicht zouden durven zeggen (en durf dat op dit eigenste moment niet te doen), zeg ik “Waarom niet ik?” Ik durf het in uw gezicht zeggen, maar u hebt daar de ballen niet voor. En tegen diegenen die zeggen: “Je kan het niet in je gezicht zeggen, omdat je bij de minste kritiek als een Olympisch renner wegloopt.” Daar zeg ik tegen: “Ik ren weg omdat ik aan mijn conditie werk. Met je kritiek heeft dat niet te maken. Het is louter toeval. Ik werk aan mijn conditie. De toekomst vraagt dat van mij.”   Mag ik jullie er ook aan herinneren dat ons koningschap niet familiaal hoeft te zijn? Jazeker. Wij kijken naar Filip als een koning uit vergane tijden. Maar onze koning regeert niet bij gratie Gods. Het is geen vanzelfsprekende opvolging van ouder op kind. Wij zijn geen Britten. De Koning der Belgen is koning bij gratie van zijn landgenoten. Hebt U daar gratie voor? Keurt U dat goed? Die gratie is zijn houdbaarheidsdatum al lang gepasseerd. Er zit schimmel op. De landgenoten moeten een nieuwe koning gratie verlenen. En daarom zeg ik: Waarom niet ik?   De Civiele Lijst. Nog zoiets. In deze tijden waarin armoede welig tiert, worden de onkosten van de koning gedekt. Gedekt, zomaar. Als koning beloof ik U dat ik zal leven als een bedelaar voor een supermarkt. Ik slaap op straat, ik eet wat er nog rest in de vuilstraatjes op de laatste dag van de maand. Geen cent betaalt het volk aan mij.   Wat ik wel zal doen als Koning is veroordelen en gratie verlenen. En of ik die rol met verve zal vervullen. Ik begin er meteen aan.   Wie wordt veroordeeld? Joke Schauvliege, die als een strontvlieg maar rond onze hoofden blijft cirkelen, zoemend in de microfoon. Met mij als koning der Belgen veroordeel ik Joke tot een bestaan als strontvlieg. Haar tijd op deze aardbol wordt beperkt tot 1 dag stront opkuisen in een manège. Daarna moet ze vertrekken en verrekken. Voorgoed.   Wie krijgt gratie? Wel, vanuit de goedheid van mijn hart en ziel, met alle liefde verwoord, schenk ik de gratie aan NIEMAND! Zorg ervoor dat ik je niet veroordeel, want dat is alles wat ik doe. Gratie is voor in historische romans.   Mijn credo aan het Belgische volk is dus: Leef volgens het goede, of anders zwaait er wat! Als die freakshow Filip I dit alles betwist, nodig ik hem graag uit om dit met mij uit te vechten in een duel. Zaterdag om 10u30 voor de HUBO op de Dambruggestraat. Het duel zal uitgevochten worden in sumo-stijl met fatsuits.   Dank mij. Dank mij. Dank mij.   Gegroet!"   Hij marcheerde van mij weg, steeds oogcontact houdend. Plotsklaps keerde hij zich 90 graden en marcheerde voorwaarts. Hij sprak een oude vrouw met een wandelstok aan en zei: “Beste mens, waarde landgenoot. Tis tijd. Om even te babbelen.””   Ik kocht een smos in de Panos, dronk een cola en ging verder de dag tegemoet. Tot spijt van wie het benijdt.

Jeroen Meylemans
0 0