Zoeken

De tovenaar van Matadi

Voor mooisies Kaartje en Alix, twee nobele kasteelvrouwen die zich aardig verwarmen aan de haard van de vurige fierheid, en die wij daarin omringen, voor altijd. Steeds en altijd voor Helen, brothers in arms, mijn eeuwige hart en de hemel op twee wondermooie benen ֎   Het vroegste begin? Wel.. Ik ga toch proberen. Ik steek van wal. Ik zal toch proberen te beschrijven, zo goed als mogelijk, wat mij overkomen is. Beetje trachten zoals Ishmaël dat deed over Ahab van de Pequod. Wats gebeurd? Ik weet het feitelijk zelf nog niet. Alles in mijn hoofd wordt uit mekaar gesmeten. Ik besef het zelf nog niet, bedoel ik. Hoe kan ik het tot klaarheid brengen? Het schijnt een droom en toch ook niet, een magisch realisme, een trap van steen in wolken. Wolken.. Het wufte en verstrooide wegdromen van mij ligt deze keer in de oorsprong aan Broeder Diederik. --- Hij, hij overtuigt mij om het allemaal op te schrijven. Schrijf zo zot als mogelijk, zegt hij ontuchtig. Maar ik zeg, ook tegen haar, tegen de liefste, tegen Wiene, ik zeg rustig: “Diederik, het is zo al zot genoeg, vent.” "Ja ’t is waar,” wrijft hij door zijn dikke pluizenbaard. Hij trekt sprekend op de rijzige Servranckx, het grijze hoofdgenie van de Afwerpse B1. Hij lijkt ook ontzettend op Urbanus van Tollembeek, tot op zekere hoogte, want Diederik is wellicht nog begaafder dan het absurde Vlaams origineel. Zijn geest waait alle windrichtingen uit maar blijft wezenlijk verankerd in de Vlaamse boerenaarde. Hij heeft er een carrière van gemaakt om heimwee maar niet toe te geven. Toch is hij uit zand en klei op Asseneedse leest geboren. Grootgeworden als een eenzaat, een zonderling, met de neus diep in de boeken en het hoofd tussen de Boeboeks. Het is mogelijks Diederik geweest -al is dat teveel eer- die Marc De Bel de kiem heeft ingeplant van het magistrale Ei van Oom Trotter, toen op internaat bij de Jezuïeten in Kruisem. Hij werd vanwege zijn zonderlinge gedrag lang gruwelijk gepest en bijna tot de dood getergd. Maar op een dag sloeg Karma toe en herdeelde de jonge Diederik moegetergd de kaarten. ---    Bawitdaba Hij richtte een Hebreeuwse spreuk tot Imi Lichtenfeld. Hij veranderde meedogenloos in Arawn. Manen rezen uit de schaduw vanonder de zwarte stoffige mantel op. Hij legde zijn mantel in de aarde af en toverde twee bedaagde boksijzers tevoorschijn. Hij deelde een paar bloederige klappen uit, verbrijzelde zonder scrupules het kaakbeen van elke etterbak, verzamelde de vele afgebroken tandjes in een tupperwaren potje en knoopte de pestertiejes aan de laagste boom omhoog. Daar hingen toen te drogen die opengekloofde kudtmongool Rayen en vier van zijn slijmerige kornuitdjes, huilend, kermend om hun moemoe, want op zulks vernietigend geweld waren ze echt niet voorbereid geweest. "Duts," beet Diererik hem toe. Hij ritste de broek open en piste op Rayens drassige Rucanors en vuile vergeelde sokjes.    Down with the Sickness "Kruipdier. Gedaan met uw feestje. Klaar met de leut. Salut, à la bonheure." Er is op Aarde geen soort te vinden waar hij dieper op neerkijkt dan op aanranders, sluikterroristen en op pesters. Hersendode meelopers zijn het, kruiperige types, pisvlekken, hyena's die er de gevoeligsten uitkiezen en treiteren tot ze niet anders meer kunnen dan instorten. (Waarom worden Diederik, of Diederiks varende collega's nooit door pesters geviseerd? How come? Zou het zo zijn dat het de pestertjes aan moed mankeert? Zou het zo zijn dat pesters, met hun oerdwaze kop, slimmer zijn dan ze eruitzien? Nee hoor. Ik geloof eerder dat ze alles doen uit angst. De angst om gewoon vredig naar zichzelf te luisteren in plek van naar een of ander ettertje, een kwal, hij/zij, die over heel het leven buizen zal.) ---    We were so young, so full of life and vibrance   Side by side, wherever you was riding, I went   So close, almost on some Bonnie and Clyde shit   When Ronnie died, you was right by my side Dat, ja.. Ook dat bleef in de kleren hangen na de vervloekte zelfdoding. Matrozenliedjes en Duitse marsen. Grootworden deed Diederik verder met een snuif van hippie hier, voorts een hele stoet van festivals, de fanfare van honger & dorst, een onderdompeling in het existentialisme en een waanzinnige verslingering aan de romantische, geromantiseerde despoot André Breton. Aan halte Breton stapte hij kortstondig over op de drammerige marmeren tram van Mussolini, een tiran die volgens Diederik "de moraal had van een lintworm, het IQ ook van een platvis, maar van de Retorica geen één college verslapen." Hij is liefdadig en gewelddadig tesamen, de broeder. Hij bewijst dat het kan, in een man. Ooit langs de droge kusten van Malta kocht hij uit medelijden een houten beeld aan van een sjamaan, een lange Afrikaan, donker als een blinde vlek. Het vreemde was: ook de sjamaanse tanden waren zwart, de oogleden, alsook de tong, die dik was, lispelde en slog. Diederik betaalde de man uitbundig, meer dan ruim genoeg. Maar hij liep het allemaal te wantrouwen, heel het zwarte besmettelijke kruipende mistige gevoel, en sloeg het beeld terstond kapot op een massieve bolder. Donker stof steeg uit het beeld op, dat knakte als een droge stronk. Diederik moest hoesten, dat herinner ik me. Op de terugweg richting Rotterdam, die hij op een vrachtschip doorbracht, zag hij plots, van boven op de scheepsbrug, een zwarte verhakkelde man vantussen de vracht, vantussen de kolossale exotische boomstammen klauteren. --- "Miljaar," zei Dierik kordaat, "Een zombie." Hij keek naar zijn collega Armelinks, een scherpzinnige keuterfilosoof, soort Herman Finkersfiguur, en trok 'm aan de mouw mee naar het dek, gewapend met een werpanker. Ze stapten recht op de man af en zagen dat hij nauwelijks nog kon staan, amper nog kon praten. De Afrikaan miste een stuk van de tong. De wonde was slecht geheeld. Hij prevelde, met schorre keel, de zwarte man: "A-Amerigaa.." en wees trillend als een vlaggekoord, terwijl hij in de ademnood verstrikte, richting het Westen, waar de zon aan haar bloedrode ondergang was begonnen. "Maar copain toch," sprak Diederik tegen de oude amper nog levende man, "Wij gaan wij helemaal niet naar Amerika. Rotterdam, ja. Dat valt dus dik tegen." Armelinks greep humanitair in en brak ertussen door: "U bent nu officieel verstekeling," pinde hij de man in de borst, "Er zijn regels te volgen. En de uitkomst, nou, die ligt helaas al vast. Hoezeer ook mijn hart al verpand geraakt aan u. Zeker te weten. Want, euh, jouw ogen als diepe meren / twee pelgrims onder de maan / Kom hier dat ik u schere / van elke vacht ontdaan .." "Elckerlyc," onderbrak Diederik, "We staan hier niet in de kletsende regen om naar uw toiletpoëzie te luisteren hé. Verstaat ge mij? Of ge kunt straks het Kleed van Berouwenis dragen." Tegen de verdorstende Afrikaan sprak Diederik amicaler: "Komt gij maar uitrusten in een propere schoon hut, mijne vriend, waar ge subiet vers eten krijgt aangeschoteld en al de Cola die ge drinken kunt." Armelinks beaamde en zei: "Kom maar mee, beste vriend, kom. Op de vlucht voor Uw vrouw, nietwaar? Ik wou dat ik het aandurfde. Als een ontuchtige vlucht regenwulpen. Maar ze speurt mij gewoon neer, vrees ik. Ze plukt mij zo uit het Heelal. Denk jij soms aan een volgend leven, vriend? Hoe zou jij dan graag terugkeren? Niet in een Ikeakast, nietwaar. Ikzelf graag als een satelliet. Satelliet Suzy zou ik dan hoog boven de wolkendekken voor alle vrouwen zingen en de kinderen. Toch voor zij die er dankbaar om zijn. De anderen die horen me gewoonweg niet: geen erg, geen ergernis." "Gij babbelkous gij, Amperen. Hou nu eens de snater," snepte Diederik natgetergd zichzelf toe, "Ik moet voorzekers zotzijn om nog te willen varen. Men moet zot zijn. Il fault. Als in een vereiste. Een mens is niet gemaakt om met de Zee te vechten." Amperlinks: "Anders moet je de pleziervaart intreden, Diede. Dan ben je rijk geweest of voor de eeuwigheid zwakzinnig." Diederik: "Zeg wel, collega. Koop een boot en werk u dood, nietwaar. Bende drijvende zwakzinnigen is dien pleziervaart bijeen. Kunnen beter Prosecco-etiketten dan zeekaarten aflezen. "Staat die 'N' nou voor een mysterie, Kees?" Jezus Christus. De Heer heeft rare kostgangers geschepseld. Ik vaar ze gewoon voor hun donder."  

Lucien Haentjens
510 2

biografie

Hallo, ik ben Violette Vandervelden en ik ben net twintig jaar oud geworden. Zoals velen heb ik soms moeite met ouder worden en het beseffen dat je achterop raakt. Mijn werk is grotendeels geïnspireerd op mijn leven, omdat ik zelf deel uitmaak van de LGBTQIA+ gemeenschap. Het is enorm belangrijk om meer literatuur te schrijven die deze ervaringen meer mainstream kan maken, zodat jongeren zich gerepresenteerd voelen in wat ze lezen. Bovendien ben ik enorm bezig met mentale gezondheid en het bespreekbaar maken van deze problemen. In mijn persoonlijk leven luister ik graag naar podcasts terwijl ik aan het bakken ben. Mijn grootste liefde is mijn familiehond Nono. Niets is beter dan thuiskomen en een kwispelende vriend aan de voordeur te zien. Ik ben enorm geïnteresseerd in musea en ik kan echt stil worden van een mooi schilderij. Mijn ouders leerden elkaar kennen op een fotografiecursus, en logischerwijs heb ik ook deze creatieve genen geërfd. Van mijn 2,5 tot mijn 18 jaar ben ik naar school gegaan in het Jozefs Klein Seminarie, daarom heb ik soms moeite met verandering. Ik ben geïnspireerd door het schrijven, wat ik verder heb kunnen uitwerken als hoofdredacteur van onze schoolkrant. Ik zou mijn schrijfstijl beschrijven als dromerig maar toch realistisch, iets dat heerlijk paradoxaal is, maar het leven zou toch saai zijn zonder deze tegenstellingen. Momenteel beleef ik de tijd van mijn leven in de richting communicatiewetenschappen aan de KULeuven, met de nodige ups en downs. Hoewel ik soms bang ben voor het ouder worden, ben ik tegelijkertijd enorm nieuwsgierig naar wat de toekomst in petto heeft! 

Violette Vandervelden
12 0

De nageling

«Neergenageld» is misschien wel het zinrijkste fragment uit Ŭriëls Eerste vertelling rond Bloedhaen. Voor alle engeltjes groot en klein, die soms nog niet weten wie Ze zijn.   Een woning ergens te velde. Deurbel nummer 23. “Veel jongens slabakken. Het zijn geen goeie onderdanen,” brak Wiene koddig bij haar neven aan, “Toch niet die jongens van school. Veel liever ben ik bij jullie dan op die dwaze school.” Ze was nog maar net het warme, vertroostende huis binnengewaaid. Ze woei met woorden thuis binnen en struikelde, op de deurmat, potverdomme, over twee-drie zeven-acht opgepoetste Airjordans, het sportschoenmerk van Hermes. De neven, zoals vaak, glimlachten om haar. Wreven haar de voetjes schoon met tere vaste handeling. Kusten haar het haar en zetten haar een kroon op, die klaarlag in de nevenkast. Allevier knielden ze voor haar en zoenden haar het handje. Het beroerde haar. Het ontroerde haar in de hoedanigheid van prinses, maar ook gewoon als mens, werd ze gewaar, om warmbloedig aanbeden te worden door vier woeste moedige krijgers, die er bij wijlen aan dachten om plechtig te herbevestigen de trouw die ze haar bij de Geboring hadden gezworen. Toch voelde ze hun overmacht, kreeg ze hen vaak niet om de vingers gewonden zoals ze dat gewild zou hebben. Hun trouw aan haar bestond maar omdat zij haar die schonken, deze vier jongens, niet uit slaafsheid of behekstheid, maar simpelweg uit liefde. Vrijwel de enige liefde waar ze vrij zuiver over Liefde zou uit leren. Een wolk van schijnbaar onvoorwaardelijke liefde kwam van de Vier en Mama afgerold en vlij als een warme dekmantel over haar heen. Vier dravende ruiters, leken ze wel, die de ochtendgloed meebrachten. DAt zijn ridders, vond ze. De scharlaken brigade. De rode ridders van haar hart. --- Niet het ergerlijkst aan de schooljongens van vroeger waren hun weke smoezen geweest, de nonchalante houding, het schenden van alle etiquette, het buffelen van vetzakkerij, het scharten aan dat klerekruis of altijd maar dat speelgedoe. Het ergste, het choquerendste, gebeurde voor het eerst toen ze nog steeds prinses was maar de lat terwijl naar boven toe verschoven had, de meetlat dan in jongenstaal. Jongens meten zich graag wekelijks, zag ze, met de rug tegen een bleekversleten deur, waarop ze met rode stift een streep trekken die toont hoe flink gegroeid ze zijn. Rond die tijd ongeveer, in een bevallige outfit die zorgvuldig was samengesteld, begon Wiene te lanterfanten in de buurt van vuile deuren. Belachelijk, vond ze, tellen met centimeters. Groeien moet je in je hoofd doen en per eenheid van grootheid. In slúwheid moet je groeien, tiens. Exile, silence & cunning zou ze later van hem leren, de ergerlijkste, de liefste, haar ondergang als ze niet oplet.  Het ergste, het choquerendste gebeurde toen de verse nieuwe jongens, die ze leerde kennen bij een deur, buiten om haar vochten. Uit de verte klonk een dof geronk, de jongens keken om. Ze vergaten Wiene even. Er naderde iets dat ze bOven haar verkozen om te bewonderen, om lief te hebben. Een haan kraaide vanuit de struiken. Alweer. Verduveld schijtebeest. En boomtakken wierpen een gekruiste schaduw over haar neer. Perplex stond ze, uit de lucht geplukt en in de aarde neergenageld. Elk geloof trok weg uit haar. "Hij heeft m-mij verlaten, de Heer, Azathoth, de Alvader.." stamelde ze. "Ik ben weer niet dan van de Aarde." Ze zou het nooit meer vergeten, dat moment, te meer daar er publiek aanwezig was: het verlepte ouderkoppel Olm dat langsliep met de hond, en gniffelde, ook de hond deed mee, dat meende ze duidelijk te zien, daar waar zij beschaamd te staan stond als een pruilende, ontkroonde wanhoopsprinses.  Sinds die dag verbood ze haar moeder nog voor te lezen uit de kinderbijbel van Andersen, bang om herinnerd te worden aan die ene episode, beducht voor de kille rilling die haar telkens bekroop wanneer ze hoorde vertellen over dat belachelijk ijdel keizertje, die kleine blaaskaak, die blootstond aan een honend gniffelend publiek met grijnzende rottige hondjes. Wienes moeder, Abanja, houdt van nederigheidsverhalen. Modest, heet haar hondje, een welopgevoede teckel. --- Niet omdat er een bom op bakkerij Carolus viel, zag Wiene, staakten de riddertjes hun slaafse meelijwekkende vechtlustige aandacht voor haar. Nee. Ze verslapten, de jongens, omdat er een grote blinkende vrachtwagen passeerde. Een ordinaire strontvrachtwagen! Er stond DUVEL op in 't gRood, Ook God durft met verstand te drinken. Grijze camion, een bruine, een paarse. “Boeie,” dacht ze achteraf, wat er nu speciaal aan was: die camions zijn alle evenzo grijs, en voor de rest stinkende meurende schijtmachines. Niks gaf ze om voertuigen. Steek allemaal maar in brand! De Audi waar ze nu in rijdt krijgt best veel te verduren.    

Lucien Haentjens
372 4

Suisse

«Suisse» is een snipperfragment uit De eerste vertelling rond Bloedhaen ja.   Welnu. Het heeft Wiene altijd al ge-ergerd. Het heeft haar altijd geënerveerd, vroeger eerst als meisje, dat de koene wilde jongens die aldoor rond haar rokken vochten, de plooirokjes en tutu’s die ze droeg, onder slechts een paar van haar gebaren al veranderden in een gehoorzaam sliertje ringkussers dat ze elastisch rond de vinger wond.  Het was een toverkracht die zij niet wou, en die ze niet bedwingen kon, want telkens het gebeurde deed ze helemaal niks bijzonders. Handenwassen met een koersbidon vol wijwater, weggeschoept uit de Onzelievevrouwenkerk, het volstond kennelijk niet om toverkrachten af te spoelen, en haar blonde kopje stiekem in de doopfontein douwen bleek evenzeer iets vruchteloos. Die slappe wakke jongens raakten helemaal rond haar verstrengeld en aan haar verknoopt, nog voor zij enige echte moeite op hen maar kon oéfenen! De kans niet, kreeg ze. Kon zo niet langer, wou ze. “Ik wil meer meemaken,” dacht ze. Ze wou mannen in de ban slaan, beheksen. Ze was altijd al een willer, zij, dat zeker. Een willige, zegt men rond Kerelbeke. Het werd als jonge vrouw een van Wienes wensdromen dat er later een feliciterend adjectief naar haar gestijld zou worden: “een wienige dag vandaag” bijvoorbeeld, wat zou willen zeggen: een prachtige frisse dag, of “wow welk wienig kleedje!”, een jurkje wil dat zeggen waar alle vrouwen jaloers van zijn, of nog: “een wienige zin”, een zin namelijk die zo uitstekend in mekaar steekt van de leugens en galanterie dat je er alles mee bereikt en iedereen bedondert. Dromen lukt Wiene als de betere, liegen gaat haar zeer goed af, maar een doel te stellen is wel haar grootste talent. Haar eerste echte doel in ’t leven is geweest om jongens bij de les te krijgen. Manieren leren er vanzelf maar weinig, had ze afgeleid van televisie. De etiquetteprogramma’s waar Meeke soms naar keek, zelfs de Heilige Eucharistie, de sacrale toneelzaal waar toch enigszins vergelijkbare ingetogen voorschriften golden, er werd door jongens op de speelplaats nooit eens over nagepraat. Wiene wou ’t graag anders. Ze had zin om zich door jongens hOffelijk te laten bejegenen, galant zoals men zegt. “Tutut,” zei ze tegen de vriendjes op school, “Zal ik vandaag misschien eerst de klas betreden, terwijl gij de deur wijd openhoudt? Gaan we dat twee-drie keer oefenen? Dan krijgt ge misschien een zoentje.”  De pummeltjes, ze deden het allemaal. Toch vergaten ze ’t soms of kleurden elders uit de lijnen. ‘t Begon haar bovendien op te vallen dat veel van die snotterige etters lastig tot de vervulling van hun beloftes kwamen. De belofte om de volgende week een gouden oorbelletje voor haar mee te brengen, bijvoorbeeld, of een speld met fonkelende steentjes, ter decoratie van de strooien engelenhaartooi. Maar het kon nog erger. Op een dag vroeg ze een jongen om voor haar bij de bakker een Lange Suisse te halen. Twee boterkoeken later kwam hij terug, de kruimels nog op zijn trui. Suisse vergeten! "Lomperik!" ontplofte ze, "Boertigaard! Een teleurstelling zijn jongens. Trouweloos." Hoe fatsoenloos en beschamend vond ze, gebrek toch aan respect, zo voelde het stérk aan, om een prinses iets te beloven onder de schone schijn van ridderschap, en het een boterkoek later lompweg te vergeten zijn. "Belzebub!"    

Lucien Haentjens
189 4

Het morsende melkwoud

«Het melkwoud van een jonge hond» is een doorgrijpend fragment uit De eerste vertelling rond Bloedhaen, in de late nacht van 2023 door Ŭriël Bloedhaen hernomen op rekest van de families H & B. Opgedragen aan Katleen, Helen & Laïs ֎   Onder het melkwegwoud van haar Hubble-beeldprojector kan de slaapkamer van Wiene in andere nachten een ruimteschip worden, een vehikel van verbeelding, een ruimterups, een reisbus richting nergens. Reizen richting nergens, daar scheept ze vaak op in, de melkwegastronaute. Speeskroezen, ze heeft er zelfs een woord voor bedacht, voor het vele reizen ’s nachts. Spacecruisen in feite. “Het gigantische universum,” giechelt ze soms, “Is een gigagiga-uitvergroting van mijn eigen kop! Rotkop. Pukkelkop. Blondekop. Boemmm.”  Kola had Wiene geholpen de sterrenprojector uit het doosje halen en aan te sluiten, het ging maar om een kabeltje. Niks om het geduld bij te verliezen. Toch had ze de driftige Wiene moeten gebieden om het jachtmes neer te leggen waarmee die de verpakking te lijf wou. “Dat kakplastiek altijd!” had Wiene gekeft. Maar Kola heeft wel vaker een kalmerend, temperend effect op haar nicht. Ko’tje vindt van Wiene dat de zenuwen dikwijls veel te strak staan aangespannen.  “Nergens voor nodig,” sust Kola dan, “We lopen hier toch maar niks te doen. We lopen gewoon ons leven uit te zitten. Het enige wat gebeurt is dat we 'n paar keer moeten wisselen van krakkemikkige vorte kruk.” "Troon," verbetert Wiene. --- Ze prutst weer onder haar broekje en zegt: "Zeg, Kootje jong, trekken die broekjes ook zo langs uw mieneke? Ik voel mij een soort gleufdier! Zou Meeke zijn afgebracht van Persil, ja?" "Hoopsie nee. De poederwalmen ruiken juist zo heerlijk naar de warme neven en de neefjes," fluistert Kola. Ze brandt een rode kaars. Ze wijst het melkwitte beschilderde plafond aan en maant Wiene met een waarschuwende vinger tot stilte. De vrouwen reiken mekaar de hand, zingen samen Mariner's Apartment Complex, engelachtig, vredig en verstild.      You're lost at sea, then I'll command your boat to me again      Don't look too far, right where you are, that's where I am De glorieuze Hubble-hemeltaferelen zijn projecties van een kinderlijke rêverie die ze koestert in het donker, Wickie. Thuis laat ze de sterrensluiers elke nacht verschijnen op de vlakte van een kraaknet wit plafond, schuinboven het hemelbed, een gezegend erfstuk van haar grootmoeder -het enige. Verscheidene heelalplaatjes kwamen bijgeleverd met het dia-apparaatje op de nachttafel, wel een stuk of twintig plaatjes, alle nogal flou. Maar ze heeft, Wiene, zoals in alles, maar twee-drie favorieten gevonden. --- “Mijn neef,” denkt ze voorvoelend, ze denkt hem zelden bij de voornaam, een naam die zelden voorkomt, “Mijn kozijn is nog niet ver gegaan, te weten van dat Boek. Hij weet nog bijna niets. Dat boek kan veel kapotslaan. Wil hij het wel weten? Hij heeft het mij beloofd. Moét dat willen weten. Hij zal mij toch alleen niet laten?" Ze strijkt met de vingers over het onsterfelijke hart dat tussen twee bleke pronte borstjes rust. Het geneest. Ze herneemt: "Wacht maar: ’t zal verrevan een goeie worden, die verse dag van hem. Daar zal ik voor zorgen, voor de zoveelste keer. Maar hij vergeeft het wel. Hij moet.” --- De knop gaat om. In de chique dure stadswinkel, herinnert ze zich, lag er granola voorbereid met appeltjes. Geroosterde nootjes, had ze verder gezien, droge bessen, Medjouldadels, gedroogde vruchten, Goji-bessen, amandelbrokjes, en al van die gezonde kleine pitten.. "die samenverzameld Pitten heten." "Zaden en pulp en pitten die apert bekendstaan tegenwoordig," gniffelt Wiene, "Bij al die aardse hippe moestuinvrouwtjes die mij met een bakfiets pogen de baan afrijden. Schijthipsters alom." Aan camionfietsbakken, dieselbrommerkes en reisvaliezen heeft ze evenzo de hekel als aan hipsters. Poseurs, vindt ze. Geef haar nu eens ongelijk? Wiene joepert fluks uit bed, schikt haar peignoir, tippelt naar de keuken, prutst haar broekje vantussen de billen. “Kakstof!” kat ze luidop tegen zichzelf. En vervolgt: “Tijd toch voor een nieuwke, ze. ‘t Begint op uw systeem te werken van almaar tussen uw gat te friemelen, hé Wickie? Ja dat ís gewoon. Maar wie verkoopt er zulk een kakstof toch? We zullen vandeweek bij Hunkermöller kijken voor zo’n broekske. Ge kunt zien dat ge ’t eerst aanpast. Of misschien keer een deftige pyjama kopen, Wiene? We zal mama vragen mee te gaan. Zij weet veel van stof af.” --- Geen granola in huis, wist ze. Ze graait naar een selder, breekt een stronkje af, flikkert de rest terug de koelkast in. Stukje selder, mosterd bij en zilveruitjes, ook soms een augurk. “Snoepkes van de natuur,” smekt ze, lost een boertje, laat een bokske los. Slikt een slordige twintig druiven weg. Knalt een scheetje into space. Ze heeft altijd honger, maar weet bijgod niet naar waarnaartoe. “Zou hij nu ook nog eten?” denkt ze. Maar Wiene ziet de melkmaan vol verschijnen. Ze kijkt weifelend om zich heen. Welwetende dat hier weerwolven niet werkelijk bestaan, dat wel, maar je weet nooit in deze uithoek. Er bestaan tenslotte al die onverklaarde gruwelgetuigenissen uit de diepe wouden van Amerika, die vandaag nog aanzwellen. Men weet nooit op deze wereld. Hij is er niet alleen. Geloof me dan. Geloof mij: Ŭriël.    

Lucien Haentjens
252 5

De markies van Moerasjaan

«Mystiek in de Moerash» is een onzindelijk ernstfragment uit De eerste vertelling rond Bloedhaen, herbegonnen in de nacht van 23 december 2023 door Ŭriël Bloedhaen op verzoek van de aimabele families H & B. Met een knipoog naar de deugnieten Max, Alix & Laïs.   Het is nog moeilijk te ontlopen, dat lithium. Maar vaderke Carolus, enfin Wütmer dan, de nieuwe bakker, niet Vader Pilchard, die alles liefst mechanisch doet, met de blote vuist, nee Wütmer, de geweldloze zoon, Wuut doet tegenwoordig alle zeven Carolusbakkerijen laten voortdraaien zonder ook maar 1 gram van dat vermaledijde lithium te importeren. “Voorlopig nog geen enkel p-probleem,” herhaalt Wütmer dan. “Zeiken over dat sjienese schijtlithium altijd,” durft hij er soms onhoorbaar achteraan te mompelen. Soms trekt hij de broek op. “Er is geen ceintuur die de beleefdheid heeft om mij deftig te willen passen,” neut hij treurig. Zijn trots, een zilvergrijze flitsmotor uit 1974, krijgt niet meer gestart. Het wordt opnieuw om een reparatie smeken bij fu-tech-garagist Max Duyster, de Kerelbeekse da Vinci, bouwmeester van website Techopedia en correspondent met satellietstation Satoshi Nakamoto. Wütmer is Otaku: als een Japanse man met een Peter Pancomplex. Schouw van verantwoordelijheid. Bang om verkeerd te doen. Parano op negatieve pers. Verslaafd aan 4- en 8chan en, toendertijd, ten tijde van de The Great Storm, een grote gelover aan de verzinselen van de mistige weg- en weerkruiper Q, die niks meer bleek dan een gemelijk en gallig bijproduct van imageboards, een hoax op wereldschaal, waar er mensen voor gestorven zijn. Wanneer men zulke dingen ziet voltrekken dan mag men gerust een keer het hoofd buigen, gerust een keer bedenken, uit eerbied en respect: "NIK'EH LCFR'ATON. Nyarlaniaans gewoon. Wonderlijk gebracht in zijn Theater van de Macht. Schijnbaar willekeurig, maar meesterlijk en buitengewoon uitgevoerd. Het hielp tenslotte om de oranje oppertrol Clownald Trumpf op een witte paddestoel te hijsen vol met schandstippen. En 'm een van de meest verantwoordelijke functies ter Aarde in de trollenhandjes te douwen." Soms, stelt onze therapeute, moeten we ademen. Ademen? Bewust? Ooomss moet je meer lucht door je leven laten waaien. Dan gaan de blaadjes aan het dwarrelen en vieren er vlinders door de buik. Of zoiet. --- "Ma-aar: het is niet omdat je hier alles in alle vrijheid mag geloven," zegt mooisie Alix, een wienige welopgevoede Carolusbakkerklant, "dat je alles zomaar vrijelijk moet geloven." Zeer wijs van haar, toch? Vree wijs. Ze heeft het over ingenieuze wetenschappen en over de biologie van verliefdheid, bij mij hier op terras, en dan tekent ze met fijne ranke vingers scènes in de lucht die ze onthoudt van de poëtische Prerafaëlieten. Ze is de Tisbe van Pyramus. Na Alix' geboorte was grootmoeder Oma, een harde tante die onderweg tijdens het leven zowat alle leugenachtige sprookjeswolven had doodgestenigd, hardhorig geworden. Oma was potdoof geworden van de gillende Geboring, alweer een curieus bij-effect van de ongeziene veroveringsziekte van Sim-Salah-ad-Din waaronder ze gebukt liep te tormenteren. Dus toen de zachte Zazie, Alix' versluierde parelmoeder, aan de blinde zieneres Oma Liezelbeth de naam meedeelde van haar eerste babymeisje toen sprak Oma verschrikt, ontdaan en ongelovig: "Wablief!? Hoe hebt ge haar genoemd, dat kind? Ali-en-nog-iets?" Oma zond haar twee schuimende hellehonden Teddy en Molly voor zich uit en trapte het af. Ze liet het veertig dagen afweten. Trok blindelings op retraîte door de Sinai-woestijn, dorstloos, waar ze van een duivelsfiguur in ruil voor een Wens drie moeilijke vragen over het verleden kreeg voorgesteld. "Uit de boane," woof ze 'm weg, en gaf het figuur een lap met haar nepleren saccoche, waarin naast hondenkoekjes en de laatste Story ook een dikke baksteen stak. Oma kwam terug naar huis getert, zoals altijd, en had, wel veertig dagen lang, geoefend op Aalieks. Toch maakt ze makkelijk naam, Alix, en oogst ze lof bij eenieder die haar velden kruist. Haar lichtende voorbeeld: de keizer Augustus, een eeuwige Maagd, een bedachtzaam imperator. Augustus' witte buste, op de nacht van 19 mei ontvreemd uit de KMSK, staat thuis bij Zazie op de schouw te pronken. Het is het enige in heel dat kot dat regelmatig keer wordt afgestoft. Alix draagt Leven en laten leven als een leuze in het schild, net als Adolescens laudandus, ornandus, tollendus. Ze gebaart als geen ander, Alιχ, met penseelstreken de lucht in. Ik zou haar moeilijk nog kunnen missen. Ze verbetert al m'n verborgen schrijffouten, de speurhond, en laat sommige dan giechelend weer staan. "Pipo," lacht ze dan. Zij begrijpt de dingen zoals ze niet horen te zijn maar mogen. Ze is prachtig als ze giechelt. Dan gooit ze haar stralen genotzalig door de lucht. Ze straalt me vooruit, ze spoort me aan om voort te gaan, om verder te vertellen. Om mezelf te blijven en tevens over de kleintjes te helpen waken, almaar te hertrachten om hen in slaap te fluisteren met een wonderlijk Jack Londonverhaal. Fictief. Gefabuleerd. Een verhaal dat op stenen trappen uit de wolken naar onze eigen levens afdwaalt, verenigd in verbondenheid bekomen uit Geboring en bekoring. De kleinste mag een titel verzinnen, Alix schaaft zorgend bij, vertalend naar het Engels, om later iets mee aan te kunnen, in Hongkong, bijvoorbeeld, of in New York, het mekka van de Uitgever. Het eerste gebundelde resultaat, dankzij Alix, magnifiex: This Is not Going to End Well: The Extraordinary Story of a Man I Thought I Knew. "Ooit wint ze prijzen," hoopt Meeke, "mijn Sterrenkind." En veel centen. Waarom niet? Ook Alix natuurlijk gelooft volkomen aan Azathoth maar prefereert Yog-Sothoth om hebzuchtig van te leren, hebberig naar wijsheid uit de Kristallen Sfeer, ingeblazen door Yog, de Dame van de Poorten, stichter van de wetenschap en van de absurditeit van tijd en ruimtes. Zij, Alix en zus Laïs, de vlinderbloem Laïs, zij sporen me aan om voort te gaan, om verder te vertellen doch behoedzaam te blijven, met alles op z'n tijd en buiten ons eigen ruimte. --- Hij zegt voortdurend “voorlopigs nog geen probleem”, Wuut, ook in veel andere dringender omstandigheden die om de alertheid en de doortastende reactie smeken van een bedrijfsleider met een gezond hart voor de zaak. (Wat daarom geen gezonde zaak betekent voor het hart, weet ook de commerçantenbende Bloedhaen, die zwijnenpan.) Wütmer Carolus spreekt bedeesd als een betaste koorknaap, de bakker, die nochtans een molen van een vent is, met klauwen groot als wieken. Ziet men het contour van Wütmer af komen kuieren op straat in het pekke schemerdonker dan weet men gelijk: “Ow. Dat daar is een echte echte Kerelbeeknaar. Een echte flinke Kerel. Onze Wütmer, onze Wuut." Wutie voor de maten. Terwijl, in de realiteit, loopt Wuut soms bang nog van zijn schaduw weg. Rap verschieten doet Wütmer, die ondertussen eind de veertig is. Stress, paniek en een piepende flatulentie tesamen hebben Wütmer al meerdere hoofdrollen moeten bezorgen in een wilde schare van de schaamtelijkste, meest gênante onsterfelijkheidspassages en slapsticktaferelen uit De Groote Gemeentelyke Anekdoote-Almanak, de GGAA, de GA, zoals de almanak bij Carl Kinboter, de gemeente-archivaris, acronimies in de documentenpapieren staat afgekort.  Mensen zeggen er nogal benauwd De grote Gemene tegen, tegen dat vadsige strontboek, of kortweg de Gemene. Talrijke waardige eervolle families uit Kerelbeke plus omstreken zouden de Gemene liefst verbrand zien worden en tot as en stof verstampt. Het is met de eeuwen echter een volumineus ingebonden dik kluitenboek geworden dat niet zomaar kan fikken. Dat is althans niet wat er mee zou gaan gebeuren, mee dien almanak. --- Na het vele vele bakken ’s nachts en ’s ochtendsvroeg, terwijl de machines nog staan na te schudden, bolt Wütmer uit voor de verdere dag. Hij stopt dan hollend met rondlopen te bakken. Knipt de vele lampen uit. Tl-lampen in overtal in Wütmers atelier: de bakker werkt niet graag in de donkerte, ze weegt op zijn gemoed, dat doet ze, ze weegt en ze weegt tot de nachtegaal weer toeslaat. De verzoeking van Ktulu. Tijdens de donkerte van nacht moet Wütmer wachten tot de tsjiftsjaf ’s morgens aan een riedeltje begint. Dan is hij gerust. Voor de rest is hij zeer op zijn gemak, Wütmer.  Het Carolusatelier staat tegenwoordig vol geurige vlinderbloemigen die hij inkoopt bij Majka, de moeder van de tijdloos knappe Selène, alias Sefke, of Pippen, Pip van Wiene, een vuile Macedonische speelgoedpop met een ferme franke teut soms, die Sef. Voor de rest? Pff. Is Wütmer op zijn gemak. Verkopen doen zijn heerlijke vitale biobroden vanuit hun eigen zelve. Ze rollen automatisch van de toonplank af, om zo te zeggen, als knapperige en vanbinnen nog kneedbare speltkeutels uit de natuur. De Carolusbroden zijn flinterlicht gezoeten met een stipt decigrammenaantal speculozenhars en worden tijdens de Grote Mengseling bijbestoven met Indonesische citroengrasimplantaten uit ergens een Korea, plantaten die goedkoper zijn dan Taiwanees-Chinese. Bestoven Carolusbroden: de klanten zijn er zot van. De bedeesde bakker trekt ’s namiddags graag een pintje open, een kramuukske. “Ktchsss” klinkt "een kramuukske dat openkeert", of waarvan de kroonkurk er met de tanden wordt afgetrokken. Lokale pils Kramuuk vloeit volgens de legende voort uit de zeikend natte Telge, het lokaal vervuilde buchtriviertje dat door de vele locals met zin voor overdrijving de Stroom wordt genoemd. Ook Wütmer Carolus is een trotse inwoner van de groene moerasjige Vlaamse Streek waarin zijn treurwilgstamfamilie opgroeide en opstond. Hij wil de Streek ooit op een prachtige bukolieke ochtend in de streekkrant fiermaken en blozendoen van trots op hem, de dromerige vikinghoofdman: Wuut de Verdienstelijke. “Ondernemen is mijn doel om zelfstandig te verwezenlijken,” pompt hij zich soms verse dagmoed in.   Wütmer kijkt ‘s namiddags met een speciaal abonnement uren naar de live-televisie uit Taiwan, een Chinees ilydisch eiland waar ze technologisch uitblinken zegt Wütmer, om zelf ideeën op te doen. Maar enkel de goeie ideeën welteverstaan, die de investering waard zullen zijn als het grote moment daarvoor gekomen is en zijn vrouwke Lucille, een bluesgitarist, ermee akkoord zal gaan. (Over Lucille raakt men nooit uitgepraat. Een verhevenheid is zij, een brokje lokale mystiek, een Kerelbeekse edelsteen. Haar zwarte Gibsongitaar bepingelt de mensen tot zilte tranen toe.)  

Lucien Haentjens
284 3