Zoeken

De piraat die haar portemonnee kwijt was

Jos is het liefst piraat. Piraten zijn stoer en huilen nooit. Maar vandaag rolt er een traan uit haar oog. Een traan als een parel. Jos is haar portemonnee kwijt. Ze is heel verdrietig. Hoe moet dat nu als ze boodschappen gaat doen met mama? Piraten hebben een portemonnee nodig om hun geld in te doen. ‘We kopen wel een nieuwe portemonnee op de kermis,’ zegt mama. Daar hebben ze vast kinderportemonnees!’ ‘Kermis!’ Jos springt een gat in de lucht. Ze is haar verdriet onmiddellijk vergeten. Ze is dol op de kermis. ‘Gaan we echt naar de kermis?’ Haar ogen glinsteren als twee goudstukken. Mama knikt. ‘Het is kermis op het plein waar we altijd boodschappen doen. ‘Allemachtig, waarachtig,’ roept Jos. Ze pakt wat muntjes uit haar spaarvarkentje. ‘Voor mijn nieuwe portemonnee,’ zegt ze. Na het ontbijt doet Jos haar mooiste bandana om. De zwarte met allemaal doodskoppen op. Dan pakt ze haar lievelingszwaard uit de paraplubak. Ze kijkt in de spiegel. ‘Piraat Jos is er helemaal klaar voor!’ Ze knipoogt naar haar stoere spiegelbeeld. ‘Zal ik misshien ook mijn ogenlapje opdoen?’ Haar spiegelbeeld knipoogt terug. ‘Nee, beter niet. Dan zie je niks. En dan vind je geen portemonnee!’ Jos springt achterop bij mama op de fiets. Met één hand zwaait ze met het zwaard. Met de andere hand houdt ze haar muntjes stevig vast. Gelukig maar fietst mama. Jos vindt het reuze spannend. ‘Is de kermis al in zicht?’ ‘Daar!’ Mama wijst met één hand. Met de andere hand houdt ze het stuur vast. ‘Pas op mama! Een auto!’ roept Jos. Een auto zoeft voorbij. Snel pakt mama het stuur goed vast. Jos kijkt naar de plek waar mama heeft gewezen. Maar ze ziet helemaal niks. ‘Waar dan?’ ‘Daar! Achter dat grote gebouw,’ roept mama. Deze keer laat mama het stuur niet los. Jos ziet een groot gebouw. Dat is het zwembad, waar ze zwemles heeft. Ze is dol op zwemmen. Piraten moeten goed kunnen zwemmen. Bij het zwembad, neemt mama een scherpe bocht. Dan ziet Jos een draaimolen. ‘Kermis in zicht!’ roept ze blij. Er zijn heel veel mensen en er klinkt vrolijke muziek. Mama maakt de fiets aan een paaltje vast. Zoals een kapitein zijn boot aanmeert. Jos rent naar de grote tent met autootjes en bromfietsen. Uit de luidsprekers klinkt dansmuziek. Jos danst met mama op de klanken van de muziek. Ze wiebelen met hun kont en zwaaien met hun armen. Piraten zijn dol op feest vieren. Voor even vergeet Jos haar zorgen. ‘Wil je ook op een auto?’ vraagt mama. ‘Nee, zegt Jos. Ik hou niet van auto’s, maar ik wil wel dansen.’ En ze draait rond, net als de auto’s, en ze springt een paar keer in de lucht. Dat kunnen auto’s niet! ‘Gaan we nu een portemonneetje zoeken voor mijn geld?’ vraagt ze als de muziek stopt en de kinderen uitstappen. De hele tijd heeft ze haar geld stevig vastgeklemd gehouden in haar hand. Ze is moe. Haar vingers doen pijn. Alsof ze ook hebben gedanst. ‘Goed plan,’ zegt mama en ze lopen naar een kraampje met oude spulletjes. Jos kijkt met grote ogen naar al die schatten. Jos ziet poppen zonder kleren, vazen zonder bloemen, knikkers in alle kleuren van de regenboog en nog veel meer. Maar, hoe goed ze ook kijkt, tussen de schatten is geen portemonnee. Dan vraagt mama aan de verkoopster of ze misschien een portemonnee heeft. ‘Het is voor mijn dochter, de piraat.’ De verkoopster glimlacht naar Jos en zoekt tussen de spullen. ‘Hier heb ik er één, zegt ze alsof ze een schat heeft opgegraven. Maar dan kijkt ze sip. ‘Oh, nee, het is geen portemonnee, maar een brillenkoker! Ik moet hoognodig een bril!’ Ze doet de brillenkoker open. Hij is leeg. ‘Maar hier heb ik wel een pistool!’ De vrouw pakt een groene, plastic waterpistool.’ ‘Ik heb al een zwaard,’ zegt Jos. En ze zwaait met haar houten zwaard. ‘Jammer dan,’ zegt de vrouw. Jos en mama lopen naar de volgende kraam. ‘Hier hebben ze geen portemonnee, alleen enge foto’s van de boze wolf,’ zegt Jos. Ze wijst naar de platen die als de was aan een waslijn hangen. ‘Dat is niet de boze wolf, maar een hele grote hond, zegt mama die naar de grootste plaat wijst. ‘Voor de grote hond hoef je niet bang te zijn,’ zegt de verkoopster. ‘Ik ben nergens bang voor. Ik ben een piraat,’ zegt Jos en ze zwaait met haar zwaard. De vrouw frost met haar voorhoofd. ‘Maar je moet juist bang zijn! Kijk, er staat: pas op voor de hond!’ zegt ze tegen Jos. ‘Vallen ze mensen aan?’ vraagt Jos. ‘Ze blaffen als ze een dief zien. Die platen zijn om dieven weg te jagen.’ ‘Ik ben niet bang voor dieven!’ zegt Jos. ‘Als een dief bij ons komt, jaag ik hem weg, hé mama?’ Mama knikt. ‘Piraten zijn niet bang voor dieven! Ook als ze geen hond hebben.’ Jos zwaait naar de boze honden met haar zwaard! ‘Ik ben nergens bang voor! Ook niet voor dieven!’ Plots ziet Jos een lachende matroos op een raam. Hij houdt het stuur van een schip vast en knipoogt naar haar. ‘Kijk, de winkel met de matroos,’ zegt Jos. ‘Misschien hebben ze daar een portemonnee!’ Mama slaat zichzelf op het voorhoofd. ‘Wat slim van je!’ ‘Kom we gaan daar naar toe,’ zegt Jos. Mama tikt met haar hand tegen haar slaap: ‘Ajaj piraat!’ Jos glundert. Ze is blij dat ze haar ooglapje thuis heeft gelaten. Anders had ze de matroos misshien niet gezien. Nu moeten ze toch snel een portemonneetje vinden. Want ze heeft kramp in haar hand van de hele tijd het geld vasthouden. Ze geeft geen kik. Echte piraten houden zich sterk. Altijd. Maar ze is het wel zat. Ze stappen de winkel van de matroos binnen. Mama vraagt aan de verkoopster: verkopen jullie ook portemonnees? De verkoopster knikt en loopt met Jos en mama naar achteren. Daar doet ze een grote doos open. Het lijkt wel een verborgen schat. Ze haalt er een portemonnee uit. Ze doet de portemonnee open. Maar dan roept ze teleurgesteld: Oh, nee, het is geen portemonnee! Het is een pennenkoker! Sorry, we hebben alleen pennenkokers. Teleurgesteld lopen mama en Jos de winkel uit. Jos kijkt sip naar de matroos. Hij knipoogt naar haar. Alsof hij wil zeggen: Niet verdrietig zijn. Blijven zoeken! Zeelui geven nooit op! Je zult gauw een portemonnee vinden. Jos geeft stiekem een knipoog terug. ‘Ik zal niet opgeven!’ mompelt ze tegen de matroos. ‘Echte piraten geven nooit op!’ Mama zucht. ‘Ik had niet gedacht dat het zo moeilijk zou zijn om een portemonneetje te vinden,’ zegt ze. ‘Wat nu?’ Jos’ vingers zijn stijf en verkrampt. Ze houdt het geld stevig vast in haar handpalm. Ze is bang dat ze haar geld zal verliezen. Maar veel langer moet het niet duren. Ze moeten nu snel een portemonnee vinden. Een hand is niet gemaakt om geld in te bewaren. Een jaszak of broekzak wel, maar die heeft ze niet. Anders had ze daar haar geld wel in gestopt. Straks valt het geld uit haar hand. Het geld geven aan mama wil ze ook niet. Het is haar geld. Ze wil het zelf bewaren. Het is haar schat. Dan komen ze bij een draaimolen. Jos houdt niet van auto’s, maar wel van fietsen. Ze wil heel graag op de fiets van de draaimolen. Maar met het geld in haar hand kan ze het stuur van de fiets niet vasthouden. Haar muntjes zullen één voor één op de grond vallen. En fietsen met één hand zoals mama of zelfs zonder handen zoals de buurjongen, dat is niet slim. Dat is heel gevaarlijk! Het bewijs: De buurjongen heeft al een keer zijn arm gebroken. Ze wil geen piraat worden met een houten arm of been. ‘Stop het geld dan toch in je broekzak,’ zegt mama. Maar Jos heeft een zwarte joggingbroek aan en die heeft geen zakken. Ze heeft nu spijt dat ze geen andere broek heeft aangetrokken. Een broek met zakken. Ook al zit die minder lekker. En ziet die er minder stoer uit. ‘Mijn broek is zakloos,’ bromt Jos tegen mama. ‘Zakloos?’ Mama moet lachen. Jos vindt het helemaal niet grappig. Ze kijkt nors. ‘Wil je dan misschien touwtje trekken,’ vraagt mama lief. Ze wijst naar een kraam waar je touwtje kan trekken. ‘Ja!’ Dat wil Jos wel! Mama zet Jos op de brede toonbank. Jos legt het zwaard naast zich neer. Terwijl Jos naar de enorme bos touwen kijkt, geeft mama wat geld aan de vrouw van de kraam. ‘Je mag maar een touwtje trekken,’ zegt de kraamvrouw streng. Jos tuurt naar de kluwen touwen en denkt: Maar een touwtje? Oei, dat is moeilijk. Er zijn zoveel touwtjes. Hoe weet ik welke ik moet trekken? Alle touwtjes lijken op elkaar. Ze komen allemaal bij elkaar in één grote lus. Aan de lus hangt een grote staart. De staart ligt als een hondenstaart op de toonbank. Gelukkig zonder hond. Een hond die dieven moet wegjagen. Jos ademt diep in, legt haar geld in een hoopje naast haar zwaard. Dan trekt ze aan een touwtje boven de lus. ‘Goed gedaan,’ klapt mama in haar handen De vrouw van de kraam pakt het touw en trekt er hard aan. De prijs springt als een kikker omhoog. ‘Je hebt een tamboerijn gewonnen!’ zegt de kraamvrouw. Ze maakt de tamboerijn los en geeft hem aan Jos. Jos slaat met de palm van haar hand op de tamboerijn. De belletjes aan de zijkant rinkelen. Ze lacht. Ze is blij met haar nieuwe schat. Maar dan komt een ander meisje met haar moeder langs de kraam. Het meisje ziet Jos muziek maken met haar tamboerijn. ‘Ik wil ook touwtje trekken,’ zeurt ze tegen haar moeder. Die wordt nooit piraat, denkt Jos. De moeder zet het meisje op de toonbank. Naast Jos. ‘Je mag drie keer trekken! zegt de moeder toegefelijk tegen het meisje. Het meisje trekt niet één, niet twee, maar wel drie keer. Ze wint niet één, niet twee, maar wel drie schatten. Er gebeurt er iets geks. Jos kan haar ogen niet geloven. Aan het derde touw bungelt een roze portemonnee. ‘Die had jij moeten winnen,’ zegt mama verbaasd. Jos trekt haar schouders op. Ze zegt: De portemonnee is van het meisje. Het tamboerijntje is van mij. Ik hoef het geld niet meer. Aan mijn tamboerijn zitten muntjes die muziek maken. Dat is veel leuker dan echt geld. Ze legt haar losse muntjes in de tamboerijn en geeft het geld als op een schaaltje, aan mama. ‘De muntjes mag jij hebben,’ zegt ze. ‘Omdat ik aan het touw mocht trekken.’ Mama pakt de muntjes. ‘Bedankt! Je bent de liefste  piraat van de wereld!’ Haar ogen glinsteren. ‘Weet je wat! Met het geld trakteer ik je op iets lekkers!’ Dat laat mama zich geen twee keer zeggen. Ze zet Jos op de grond. ‘Wat eten piraten?’ ‘Broodje haring,’ zegt Jos. Ze is dol op haring. ‘Met heel veel uitjes…’ ‘Goed plan!’ Ze gaan naar de visboer en eten een broodje haring. Als ze klaar zijn, likt Jos haar vingers af. Dan trommelt Jos op haar tamboerijn en mama doet mee met haar portemonnee. De visboer lacht. Als ze naar huis fietsen, geeft Jos de zeeman op het raam nog snel een knipoog. Bedankt zeeman! Dankzij jou heb ik een prachtige schat gevonden. Als ik groot ben word ik een beroemde piraat en vind ik nog veel meer schatten. Ik ga heel veel oefenen. En ze zwaait met haar zwaard in de lucht. ‘Enteren!’ roept ze tegen mama als die het kruispunt over fietst. Door oranje. En een stukje door rood. ‘Mama! Niet zo gevaarlijk doen!’ roept Jos.  

Margaretha Juta
0 0

Ribbedebiewoep

Binnenkijken Doe jij dat ooit? Bij mensen naar binnen kijken? In hun huis? ‘s Avonds bijvoorbeeld, als je met je ouders en met de hond nog een stukje gaat wandelen.  Zeker in de winter geeft je dat een warm gevoel. Het stadje Peperbus lijkt wel gemaakt om bij de huizen naar binnen te gluren. Heel wat huizen hebben een trap aan de straatkant, waardoor je iets naar boven moet kijken om in de woonkamer te kijken. Op de een of andere manier stralen die huizen en woonkamers een gezellige warmte uit. Je ziet er de mensen samen aan tafel zitten voor het avondeten. Of ze zitten bij de open haard. Met een boek of met de krant. Of ze kijken naar tv. Allemaal tegelijk op de bank. In al die huizen lijkt het wel hemels warm. Dat is het ook in het huis van Robin, waar hij samen met zijn mama en papa woont. Laten we maar even naar binnen kijken. Papiertjes Robin zit in een hoekje van de woonkamer. Het is een gewone huiskamer met een tv die niet aanstaat, een salontafeltje en een grote bank.  Zijn mama Tamara staat in de keuken. Ze is nog wat aan het rommelen. Davy, de papa van Robin, leest de krant aan de keukentafel. “Sssst”, zegt Tamara tegen Davy. Wat raar is, want hij zegt helemaal niets. “Robin zegt iets. Hoor jij wat hij zegt?" "Och, hij is gewoon wat aan het spelen", antwoordt Davy. "Zeg, moet je hier horen wat de minister …" "Nee, ssst, effe. Hij zegt precies van die rare woorden.” "Och, dat doen de ministers ook. En die staan ermee zelfs in de krant", knipoogt Davy. "Ik ga even kijken", zegt Tamara en ze loopt op haar tenen naar de woonkamer. Ze kijkt heel voorzichtig om de hoek van de keuken met de woonkamer, net zoals iemand doet die verstoppertje speelt. Robin zit met allerlei papiertjes voor zich op de grond, net voor de bank. Hij schuift met de papiertjes heen en weer, legt ze tegen elkaar en schuift ze daarna terug uiteen, bijna alsof hij een puzzel maakt. "Toch even dichterbij gaan luisteren", zegt ze bij zichzelf en ze kruipt op haar knieën tot achter de bank.  “Poetpriet, proetproet, woepprot, poertroet, ribbedebiewoep”, hoorde ze Robin zeggen. Bij dat laatste woord neemt hij een nieuw papiertje en hij schrijft daar iets op. Geen spelletje Tamara kruipt op haar knieën terug naar de keuken tot bij papa. Hij kijkt naar beneden en begint te lachen. “Wat nu? Is er iets in je rug geschoten? Of denk je dat er ergens geld ligt? Hahahaha.” “Sssst toch. Dadelijk hoort hij ons. Robin zegt heel rare woorden. Hoor je het? Nu zegt hij het opnieuw. Ribbedebiewoep. Wat is in hemelsnaam ribbedebiewoep?” Tamara staat ondertussen terug recht. “Ik ga toch even bellen naar de mama van Marieke, zijn vriendinnetje. Hij zit in het vierde leerjaar. Hij is al bijna 10 jaar, toch geen peuter meer.” “Je moet niet zo hard van stapel lopen”, zegt Davy. “Het is wellicht een of ander spelletje.” Maar als we ook zouden binnenkijken bij Marieke, krijgen we daar hetzelfde tafereel te zien. Ze zit in de woonkamer en zegt woorden als “Trafipoeps” en “Trommelstopper”. De mama en papa van Marieke staan erbij en kijken ernaar.  Ook bij Mehmet is het krek hetzelfde. Net als bij Greetje, Anna, Ali en Jimmy. Alle kinderen van de klas spreken onverstaanbare woorden en de ouders weten niet wat te doen. Het lijkt wel alsof ze allemaal zijn getroffen door een epidemie waarbij alle gewone woorden zijn verdwenen. Het gaat elke dag van kwaad naar erger. De kinderen blijven rare woorden zeggen en ze weigeren te zeggen wat ze betekenen als hun ouders het vragen.  De ouders zijn ongerust en worden zelfs een beetje boos op de school. Ze moeten die woorden toch ergens vandaan hebben gehaald? De mama van Robin zegt zelfs dat ze spijt heeft dat ze Robin naar de school ‘Veerkracht’ heeft gestuurd. Er zijn immers nog scholen in Peperbus. Enkele mama’s en papa’s steken de hoofden bij elkaar en besluiten naar de school te stappen. Maar zowel bij juf Sandra als bij de directeur van ‘Veerkracht’ krijgen ze geen gehoor. “We hebben op dit moment hiervoor geen tijd. Het heeft geen zin dat jullie zich zorgen maken.” Dat is hun antwoord. Dat korte antwoord maakt het nog erger. Daarom vraagt Tamara aan haar man om er een stukje over te schrijven in de krant. Maar ook hij heeft er nog steeds geen oren naar.  “Ik zei het toch. Het is wellicht een spelletje. Laat die kinderen toch doen”, zegt hij. Verlegen De mama van Robin is vooral ongerust omdat ze weet dat Robin enorm verlegen is. Ze heeft er samen met haar man de juf al eens op aangesproken.  Als je Robin zo ziet zitten, kan je er niets aan zien. Gewoon een jongen van 10 jaar die vrolijk speelt. Een jongen die thuis honderduit vertelt over zijn avonturen in de klas en op school. Daarom vindt zijn mama het zo onbegrijpelijk dat hij in de klas niet uit zijn woorden komt. Thuis stromen de zinnen en woorden eruit, net zoals het water van een waterval.   Maar dat is wellicht de reden. In de school kropt hij ze op, zodat ze er thuis uitvloeien. Zijn mama denkt dat hij zich dan voelt zoals een vulkaan die op uitbarsten staat. In de klas vindt Robin het verschrikkelijk. Je kan dan niet gewoon maar zitten en luisteren. Soms moet je aan het bord komen en een antwoord op de vraag van de juf geven. Alleen bij zijn goede vrienden en vriendinnen heeft hij het niet. Bij hen is hij niet verlegen. Hij weet ook niet waar die verlegenheid vandaan komt. Net daarom vindt hij het zo erg. Hij vindt er zelf geen oplossing voor en blijkbaar kan niemand hem helpen. In de klas hoopt hij altijd dat de juf hem niet aanduidt om aan het bord een oefening te maken. Dan kijkt hij naar beneden en doet hij alsof hij iets op een blad schrijft. “Kies iemand anders. Kies iemand anders. Kies iemand anders”, fluistert hij dan bijna onhoorbaar.  Maar dat helpt natuurlijk niet. “Robin, je moet niet doen alsof je mij niet hebt gehoord”, zegt de juf. “Leg die pen maar neer en kom naar het bord. Er is geen enkele reden om zo verlegen te zijn.” Dit maakt het voor Robin nog erger. Hij zit dan met een soort van steen in zijn maag waardoor het lijkt alsof die steen zijn stem blokkeert. En dan begint hij altijd te blozen, waardoor ook de anderen het zien. Hij krijgt een hoofd zo rood een tomaat, zo rood als de truitjes van zijn favoriete voetbalclub, zo rood als bloed. Alles wat je maar kan bedenken dat rood is. En dan wordt het nog erger en erger.  “Och, ik moest vroeger ook altijd blozen”, heeft zijn papa ooit gezegd. “Daar groei je wel uit. Het heeft er mee te maken dat er op dat moment te veel bloed naar jouw hoofd stroomt”.  Bloed of niet, Robin vindt het verschrikkelijk. “Ik durfde in de klas ook niet naar het bord te komen. Maar kijk nu. Ik moet ooit lezingen geven over mijn werk bij de krant. Dan sta ik voor een groep van vijftig mensen. Of voor niemand, dat is ook al ooit gebeurd”, lacht Davy. “Ik wil maar zeggen Robin, dat komt wel goed.” Om hem van dat gevoel af te helpen hebben zijn ouders hem naar de lessen ‘Woord’ gestuurd. Dat is een afdeling bij de kunstacademie waar kinderen gedichten voordragen of toneel spelen. Volgens zijn ouders is het iets voor hem, omdat hij toch graag boeken leest en hij vindt het altijd zeer leuk als mama of papa hem ’s avond voorlazen.  Als hij op het podium een gedicht moet voordragen, zou dat kunnen helpen om van zijn verlegenheid af te geraken. Dat is het idee.  Maar die lessen ‘Woord’ maken het alleen maar erger voor Robin. Die juf roept om de haverklap iemand naar voor om iets voor te dragen. Dan krijgt Robin buikpijn en weet hij niet waar kruipen met zijn rood hoofd.  “Het is gewoon wat podiumangst”, zegt de juf. “Daar helpen we je wel vanaf. Hoe meer je dit doet, hoe sneller je er vanaf bent.” Maar het werkt voor geen meter.  Protest Omdat Robin in de woonkamer van die rare woorden blijft zeggen wordt zijn mama alsmaar ongeruster. Elke avond zit hij met de papiertjes te schuiven en leest hij de gekke woorden op zijn papiertjes luidop voor. “Ribbedebiewoep” zit er telkens tussen. De andere gekke woorden wijzigen telkens.  Davy blijft zeggen dat het een spelletje is.  Maar de mama van Robin laat zich niet zomaar afschepen. “Wat denkt juf Sandra wel. Wij sturen onze kinderen naar ‘De Veerkracht’ om hen te leren rekenen en te lezen, maar zij komen met van die gekke woorden naar huis. Dat trekt toch op niks. Wacht maar. Hier laten we het niet bij.” De boze mama’s en papa’s beleggen een vergadering en richten vervolgens een ‘Comité van bezorgde ouders’ op. Ze maken spandoeken en op een ochtend staan ze voor de schoolpoort van ‘De Veerkracht’. Ze blijven maar dezelfde leuze roepen. “Echte woorden voor onze kinderen, of wij gaan het verhinderen”.  Die leuze is natuurlijk veel te lang. Sommige van de ouders kunnen de tekst niet onthouden en daarom begrijpen de omstaanders totaal niet wat ze roepen.  Er hebben zich heel wat mensen verzameld aan de schoolpoort. Roepers en kijkers. Ze blijven er een hele week staan. ’ In de tussentijd gaan ze werken of koffie drinken en beramen ze andere plannen. Zo stappen naar de pers en zelfs de lokale televisie komt filmen. Maar het is slechts een klein item in het nieuws. De directeur van de school zegt dat de ouders zich zorgen maken om niks.  “Het is gewoon een initiatief van juf Sandra, om creatief met letters en woorden te leren omgaan. Dat is toch de bedoeling van naar school gaan, niet? Dat ze de alle letters leren gebruiken.” Ook de mama van Robin mag reageren voor de camera. “Ik vind het toch maar gek”, zegt ze. “In plaats van echte woorden te leren, of werkwoorden te vervoegen, hoor ik onze zoon ’s avonds alleen maar brabbeltaal zeggen. Het lijkt wel alsof hij plots niet meer kan spreken. En het ergste is dat we helemaal geen uitleg krijgen van de juf of van de school. Maar we laten het hier niet bij, zolang we geen duidelijk antwoord krijgen.” Zo lanceert de papa van Greetje tijdens een vergadering met het ‘Comité van bezorgde ouders’ het voorstel om naar de minister van onderwijs te stappen. Dit kan zo toch niet verder? Ze zijn het er allemaal mee eens.  Op een maandagochtend nemen ze vanuit het stadje Peperbus de trein naar de hoofdstad. De spandoeken gaan mee en ze hebben heel wat bekijks in de trein. Als ze uit het station stappen en de weg naar het kantoor van de minister zoeken, houden ze hun spandoeken omhoog en roepen ze hun leuze. De mensen begrijpen er niets van. Ze denken dat ze een andere taal spreken. “Echte woorden voor onze kinderen, of wij gaan het verhinderen”, roepen ze door elkaar.  Sommige ouders kunnen de leuze gewoon niet onthouden en die roepen zo maar wat. Het lijkt wel een carnavalsstoet.  Bij de minister Eenmaal bij het kantoor van de minister, geraken ze maar met veel moeite voorbij het onthaal. Ze hebben immers geen afspraak. Daar had niemand aan gedacht. Gelukkig is de minister wel in zijn kantoor.  “Hij heeft over een half uurtje een persconferentie”, zegt de man aan het onthaal. “Ik zal vragen of hij jullie nu al even kan zien.” Hij staart verbaasd naar de groep ouders, terwijl ze samen de trap opgaan met hun spandoeken.  Op de tweede verdieping bij het kantoor van de minister is er opnieuw een onthaalbalie. De mevrouw heeft de boodschap al doorgekregen van haar collega op het gelijkvloers.  “Het is vervelend dat jullie geen afspraak hebben”, zegt ze. “Maar de minister heeft een uitzondering gemaakt. Hij ontvangt jullie over vijf minuten. Maar hij heeft niet veel tijd, want er is nog een persconferentie.” In de wachtzaal overlegt het comité nog even wie het woord mag voeren. Maar vooraleer ze iets beslist hebben, stapt de minister al uit zijn kantoor. Ze kennen hem van tv. In het echt ziet hij precies kleiner uit. De minister staat bekend voor het feit dat hij vaak andere brillen draagt. De ene bril is al opvallender dan de andere. “Misschien doet hij dat om er slim uit te zien als minister van onderwijs”, zegt een van de mama’s.  Die dag heeft hij een blauw rond brilletje op zijn neus gezet.  “Dag allemaal”, zegt hij. “Waarmee kan ik jullie helpen? Ik zie precies dat er iets op jullie lever ligt. Pas op, ik heb wel maar twintig minuten tijd, dan begint de persconferentie. Kom maar binnen.” “Ik luister”, zegt hij in zijn kantoor, waar hij ondertussen achter zijn bureau zit. Hij zet daarbij zijn bril af, alsof hij zonder die bril beter kon horen. De ouders beginnen opnieuw door elkaar te praten. De minister verstaat er geen woord van. “Stop, stop, stop!”, roept hij luid. “Eén iemand neemt het woord en vertelt me wat er aan de hand is. Mevrouw, u daar”, wijst hij naar de mama van Robin. “Vertelt u me waarom jullie hier zijn.” Tamara vertelt de hele geschiedenis. Dat ze haar zoon in een hoekje van de kamer vreemde woorden hoorde zeggen. Dat de andere kinderen het ook deden en dat ze op de school ‘De Veerkracht’ niet naar hen wilden luisteren. “Daarom komen we naar u”, besluit ze. “Dit kan toch niet de bedoeling zijn van ons onderwijs.” De minister glimlacht. En het blijft niet bij glimlachen. Plots begint hij keihard te schaterlachen. De ouders kijken elkaar aan.  “Hij is gek”, zegt de mama van Robin. De mevrouw van het onthaal op de tweede verdieping komt het kantoor van de minister binnen en kijkt naar haar baas, die nu op zijn knieën zit en op de grond timmert met zijn vuisten.De persconferentie “Mijnheer de minister”, zegt de secretaresse, terwijl ze haar baas rechtop helpt. “Gaat het?” “Of het gaat?”, vraagt hij, de tranen van het lachen uit zijn ogen vegend. “Het gaat prima. Dit is toch helemaal de bedoeling.” “Ahum” zegt hij, terwijl hij zijn knieën afstofte met zijn beide handen, alsof het tapijt heel erg vuil is. “Excuseer me beste mensen. Jullie denken wellicht dat ik niet goed snik ben. Excuses. Maar ik ga het jullie allemaal vertellen. Of nee wacht. Het kan nog gemakkelijker. Komen jullie anders gewoon maar mee naar de persconferentie.” “Welke persconferentie?”, vragen de ouders in koor. Nu lukt het hen plots wel om gelijktijdig iets zeggen. “Geen paniek”, antwoordt de minister. “De perszaal ligt hiernaast. Jullie kunnen gewoon in het publiek zitten. Dadelijk wordt alles duidelijk.” De ouders zitten er als geslagen honden bij. Alsof ze plots gehypnotiseerd zijn en niet meer kunnen bewegen.  De mama van Robin slaakt plots een luide kreet. Alsof ze een geest in de conferentiezaal ziet.  De andere ouders kijken haar verschrikt aan.  “Dddd… dat is mijn man”, stamelt ze. En ze wijst naar haar man in de conferentiezaal. “Wat doet hij hier?” Ze loopt recht op haar man af. De andere ouders, alsof de betovering door een hypnotiseur is verbroken, staan ook recht en volgen de mama van Robin. Maar als ze de binnenkwamen horen ze de minister luid kuchen. “Ahum, ahum.” Ribbedebiewoep “Dag allemaal. Beste journalisten, mensen uit het onderwijs en ook beste ouders. Waarbij een aantal bezorgde ouders heb ik begrepen. Van harte welkom op dit persmoment voor de feestelijke voorstelling van Ribbedebiewoep.” De mama van Robin weet niet waar kijken. Ze kan net een gil onderdrukken. Ribbedebiewoep. Dat is toch het gekke woord dat Robin thuis altijd zegt. Waar gaat dit in hemelsnaam over? Ze tikt op de schouders van haar man. Ze is achter hem gaan zitten om uitleg te vragen. Waarom is hij hier en waar gaat dit allemaal over?   “Psst”, zegt ze. “Wat doe jij hier? En ribbedebiewoep, dat is toch dat woord dat Robin altijd zegt?” “Ssst, stil even”, zegt haar man. “Het wordt allemaal duidelijk.” “En waarom weet ik hier niets van?”, vraagt ze. “Omdat jij het te druk hebt met betogen, spandoeken en onverstaanbare slogans”. Stil nu even.” De minister vervolgt met zijn toespraak. Nu ziet de mama van Robin pas wie naast de minister zit.  “Daar, dat is juf Sandra”, zegt ze terwijl ze de mama van Marieke aanstoot. “Wat doet juf Sandra hier? Ik snap er niets van.” De minister kijkt boos naar de achterste rijen van de conferentiezaal, waar de ouders zitten. “Mag ik even stilte?”, zegt hij. “Ik wil om te beginnen graag iemand voorstellen. Hier naast me zit juf Sandra. Ze geeft les in het vierde leerjaar in de lagere school ‘De Veerkracht’, niet zo ver hier vandaan in het stadje Peperbus. Toen we een oproep deden voor dit project was ze meteen bereid om mee te doen met haar klas.” “Maar misschien ga ik nu iets te snel. Laat me eerst het project toelichten. Van leerkrachten overal in het land kregen we alarmsignalen dat er heel wat kinderen en jongeren niet goed in hun vel zaten. Het was heel gek, bijna zoals een virus dat zich over het land verspreidde.” “Dingetjes waarmee ze niet bij hun ouders terecht kunnen, want die hebben het ook druk. Kinderen die bijvoorbeeld onzeker zijn. Of kinderen die ongerust zijn over het klimaat of de zuivere lucht. Ik vergelijk het een beetje met vroeger. Ik was in mijn jonge jaren voor ‘de bom’, omdat er tijdens de koude oorlog die constante dreiging was dat ofwel Rusland ofwel Amerika een kernbom zou gooien. Wij lagen er letterlijk tussenin. Zoals een kind dat tussen bekvechtende ouders zit.” “Maar toen mochten kinderen er niet ongerust over zijn. En mocht je er met volwassenen niet over spreken. Zo leek het toch. Gelukkig kan dat nu wel.” “Ik heb het vervolgens besproken met heel wat slimme mensen uit het onderwijs en we besloten om een oproep te doen bij de scholen. Want zeg nu zelf, de kinderen zitten vaak in de klas. Eigenlijk zien ze de juf of de meester en hun vriendjes meer dan hun ouders. Maar zowel de school als de ouders zijn belangrijk als een kind zich niet goed voelt. Dat was dan ook de bedoeling van het project. Beide partijen moesten betrokken zijn.” “En dan geef ik nu graag het woord aan juf Sandra. Want zij kan natuurlijk het best vertellen hoe ze dit in haar klas heeft aangepakt.” “Dag allemaal”, zegt juf Sandra. “Maar ik stel voor dat ik dit niet alleen doe. Want ik heb nog heel wat mensen meegebracht. Het zijn allemaal jonge mensen. Kom maar binnen.” Plots gaat er achteraan in de zaal een deur open. De mama van Robin slaakt opnieuw een luide gil. Alle aanwezigen kijken haar aan.  Plots ziet ze Robin en zijn klasgenootjes de zaal binnenkomen. Hij zwaait meteen naar zijn mama. “Ik denk dat ik dadelijk ga flauwvallen”, fluistert ze in het oor van haar man. “Wat doen onze Robin hier?” “Je hebt een stukje gemist”, zegt Davy. “Toen jij voltijds aan het protesteren was. Stil nu even. Het wordt allemaal duidelijk.” Terug in de tijd “Laat me jullie even meenemen”, zegt juf Sandra. “Terug in de tijd.” Na die zin richt ze een toestelletje op het presentiescherm. Daar stond eerst de naam van de minister, maar nu verschijnt er een foto. Het is een foto van de klas van Robin. “Dit is onze klas in lagere school De Veerkracht”, zegt juf Sandra. “Ze zijn daarnet allemaal binnengekomen en ze zitten hier op de eerste rij.” “Toen ik over de oproep van de minister hoorde, was ik meteen geïnteresseerd”. Af en toe drukt ze op het toestelletje en telkens verschijnt er een nieuwe foto. “Kijk, dit is Robin en naast hem zit Marieke”, zegt ze.  De mama van Robin stoot haar man aan. Ze is ondertussen naast hem gaan zitten. "Onze Robin”, fluistert ze. Robin op de eerste rij heeft ondertussen een hoofd zo rood als een ondergaande zon in het midden van de zomer. Juf Sandra gaat verder. “Net als alle kinderen en alle volwassenen hebben zij iets waarmee ze worstelen. Ik heb Robin gevraagd of ik mag vertellen waar hij wel eens mee verveeld zit. Dat mocht.” Robin glimlacht naar Marieke die naast hem zat. Zijn hoofd werd zo mogelijk nog roder. Alsof het bijna ging ontploffen. “Robin is wel eens verlegen”, zegt de juf. “Als ik hem vraag om aan het bord iets uit te leggen, kruipt hij het liefst volledig in zijn bank en als het even kan kruipt hij er pas ’s avonds terug uit.”  Robin moet er op de eerste rij zelf mee lachen. Net als zijn klasgenoten. “Het is maar een voorbeeldje”, zegt Juf Sandra. “Een voorbeeld van iets waarmee kinderen soms zitten. Dan kan iets kleins lijken, maar voor de kinderen is het iets heel groot. Ze mogen er niet mee blijven zitten. De ouders van Robin hebben me er wel eens over aangesproken, wat ik zeer knap vond van hen.” Nu krijgt de mama van Robin een kleurtje en de papa van Robin geeft haar een knipoog.  “Ik dacht er verder over na en ik kwam uit bij iets waar we in de school ontzettend veel mee bezig zijn. En dat is taal. Woorden en zinnen. Als kinderen met iets zitten, moeten ze dat kunnen uiten. Ze moeten het kunnen vertellen. En dat doe je natuurlijk met woorden.” “Woorden zijn enorm belangrijk. Ze zorgen ervoor dat we elkaar kunnen begrijpen. Maar als je ergens mee zit, heb je altijd moeilijk om het uit te leggen. Omdat je wellicht denkt dat de anderen het niet zullen begrijpen. Toen kwam ik op een idee. Er zijn ook onbestaande woorden. Al kan dat eigenlijk niet, want door een onbestaand woord uit te spreken, bestaat het meteen. Zo hebben piepjonge tweelingen een hele aparte woordenschat, omdat ze als peuter altijd bij elkaar zijn. Met die rare woorden verstaan ze elkaar prima. Maar voor de andere mensen betekenen die woorden niets.” “Zo zie je maar, ook woorden die op het eerste gehoor raar klinken, kunnen best een betekenis hebben.” “Het idee was dat iedereen voor zichzelf een bijzonder woord zou hebben, om bij mij of bij de vriendjes en vriendinnetjes aan te duiden dat ze ergens mee zitten en dat ze erover willen vertellen. Het is een woord voor hen alleen. Zij zijn de eigenaar van dat woord, zoals ze ook de eigenaar zijn van hun gevoelens. Ik gaf de kinderen de opdracht om die woorden zelf te verzinnen. En dat is wonderwel gelukt.” “Kijk, dit zijn alle woorden van de kinderen”.  Juf Sandra drukt op de knop en er verschijnen wel 20 woorden op het scherm. Net zoveel als er leerlingen in de klas zitten. Je kan er geen touw aan vastknopen. Het waren allemaal niet-bestaande woorden. ‘Rimpeldepimpel’, staat er. ‘Kabriekziestan’, ‘Ribbedebiewoep’ en veel meer gekke woorden. Plotseling neemt de minister opnieuw het woord. “We vonden dit een prachtig idee van juf Sandra. Ze had het helemaal uitgewerkt, uitgebouwd en ze heeft er zelfs psychologen over aangesproken. Daarom maken we van deze actie onze nationale campagne. En een campagne moet natuurlijk een naam hebben. Nietwaar juf Sandra?” “Inderdaad”, zegt de juf. “We hebben met de klas beslist om er één woord uit te pikken. De kinderen mochten een uitleg geven over hun woord en vervolgens werd er gestemd. Ze mochten natuurlijk niet voor zichzelf stemmen. Vrijwel alle stemmen gingen naar één woord. Naar één leerling. En die wil ik hier graag op het podium uitnodigen. Kom maar Robin.” De mama van Robin laat opnieuw een gil horen. Deze is nog luider dan de voorgaande gillen. De gil is wellicht in het hele gebouw te horen. Iedereen kijkt haar aan, waardoor ze opnieuw een kleurtje krijgt. Op het podium Dat de mama van Robin een gil laat horen heeft meerdere redenen. Ze gilt natuurlijk van het schrikken, omdat haar zoon Robin het podium op moest. Maar ook omdat ze totaal fout zit met haar idee over die rare woorden.  De mensen kijken haar nog even aan, maar vervolgens richten ze hun ogen al snel op het podium. Want daar stapt iemand op het podium. Het is Robin. Hij zet zich naast juf Sandra. “Dag Robin”, zegt de minister. “Wat fijn dat je hier bent. Want in heel het land is binnenkort jouw woord te zien. Maar ik laat juffrouw Sandra enkele vragen aan  jou stellen.” “Dat klopt”, vervolgt juf Sandra. “Overal ziet met binnenkort jouw woord.” Daarna klikt ze opnieuw op het toestelletje en er verschijnt – heel groot – een woord op het scherm. ‘Ribbedebiewoep’ stond er. “Ribbedebiewoep”, leest juf Sandra. “Je hebt het bij ons in de klas al verteld. Maar nu mag jij ook even zeggen waarom dit jouw woord is.” “Tja”, begint Robin ietwat stamelend en verlegen. “Hoe kan ik dat uitleggen?” “Ik ben gewoon wat beginnen puzzelen met letters en woorden. Maar tegelijk dacht ik erover na waar het over moest gaan. Ik ben soms euh … nogal verlegen …euh.” “Dat zou je toch niet zeggen Robin”, onderbreekt de minister hem. “Maar sorry dat ik je onderbreek. Ga vooral verder Robin.” “Tja, euh. Het woord moest dus daar ergens over gaan. Als de juf me naar het bord vraagt, zou ik gewoon weg willen. Snel de klas uit. En ribbedebie is een ander woord voor ‘weg zijn’. ‘Ik ben ribbedebie’, heb ik mama ooit horen zeggen, toen ze naar de winkel moest.” “En die woep dan op het einde?”, vraagt juf Sandra. “Euh … ik weet niet of ik dat moet zeggen, maar ik had eerst ‘poep’ op het einde staan. Het werd dan ‘ribbedebiepoep’. Dat vond ik wel grappig.” En inderdaad, de kinderen op de eerste rij, maar ook alle andere mensen in de perszaal beginnen luid te lachen. Ook de mama en papa van Robin moeten ermee lachen. Net als de andere ouders. Robin wordt weer zo rood als een overrijpe tomaat. “Maar poep zou wellicht niet mogen, daarom heb ik gewoon een andere letter genomen. Ribbedebiewoep.” “En is het een woord dat jou helpt?”, vraagt juf Sandra. “Als je nu iets moet zeggen, zoals nu, helpt het dan?” “Ik heb het daarnet wel honderd keer gefluisterd”, zegt Robin, waarna de zaal weeral begint te lachen. “Maar het woord is natuurlijk maar een woord. Maar ik weet dat ik het liefst weg of ‘ribbedebie’ zou zijn, als de juf me vraagt om hier te komen zitten. Dat heb ik nog altijd.” “Hoe blij ben je nu dat jouw woord uitgekozen wordt voor het hele land?” “Euh, heel blij denk ik. Het is allemaal een beetje gek en snel gebeurd. Ik heb het ook maar wat bij elkaar gepuzzeld.” “Dank je wel Robin”, zegt de juf. “Dan stel ….” Plots ziet ze dat iemand in de zaal zijn hand omhoog steekt. Het is de papa van Robin.  “Ik zie dat er iemand een vraag heeft. Ik denk dat het iemand van de pers is. Zegt u het maar.” “Dank je wel”, zegt de papa van Robin. “Ik ben Davy Vanlangendonk, van de Nieuwe Krant. Ik heb een vraagje voor Robin.” Hij zegt er niet bij dat hij de papa van Robin is, maar hij ziet wel dat Robin hem vanop het podium een knipoog geeft. Daar ziet hij ook dat zijn vrouw naast hem opnieuw een rode kleur krijgt. Het lijkt wel alsof ze die verlegenheid van Robin heeft overgenomen. “Robin, nu binnenkort heel het land jouw geheim woord kent, is het natuurlijk geen geheim woord meer zijn. Moet je dan op zoek naar een ander geheim woord?” “Tja”, zegt Robin aarzelend. “Een ander woord ga ik zeker niet zoeken. Dit woord is misschien geen geheim woord meer. Maar het is nog altijd ‘mijn’ woord. En dat is het belangrijkste. Bij iemand anders zou dit woord wellicht niet helpen.” “Oké”, zegt de juf, die duidelijk niet had gerekend op vragen van de pers. “Dan ga…” “En ik heb tenslotte nog een vraag voor u, als dat nog mag?”, neemt Davy opnieuw het woord. “Euh, ik denk het wel. Als het met dit initiatief te maken heeft natuurlijk”, antwoordt de juf.  Ze vreest een beetje dat het over de actie van de mama van Robin en de andere ouders gaat. “Natuurlijk”, zegt Davy. “Ik heb gewoon nog een vraag voor het stuk in de krant. Hebt u eigenlijk ook zelf een geheim woord? En zo ja, hebt u dat met anderen gedeeld?” “Oké, die vraag had ik niet verwacht”, lacht ze. “Maar het is wel een goede vraag. Ik heb inderdaad een geheim woord dat ik met de kinderen heb gedeeld. En ik weet dat ze het geheim worden. Want zij vertrouwen mij hierin, dus ik moet hen ook vertrouwen. Als ik ‘mijn’ woord uitspreek weten ze dat er iets op mijn lever ligt.” “Oké, geen vragen meer? Dan gaan we verder. Want we hebben voor deze campagne nog een slagzin aan het woord van Robin toegevoegd. Kijk maar.” Op het scherm verschijnt nu onder ‘Ribbedebiewoep’ de zin ‘We nemen het samen onder de loep’. “Loep is misschien geen gemakkelijk woord”, zegt de juf. “Dat is een vergrootglas. Die die uitdrukking betekent dat we het probleempje samen gaan bekijken.” “En daar stopt het niet. Want de leerlingen uit mijn klas hebben er ook nog een gedichtje bij gemaakt. Nietwaar? Zeggen jullie het samen op?” De juf laat een nieuwe dia op het scherm komen en daarop staat het gedicht. Robin en zijn klasgenootjes lezen het samen voor. “Weet je even niet hoe het moet?Gebruik dan een woord zoals geen een.Een woord voor jou alleen.Een woord zoals ribbedebiewoep.Dan nemen we het probleem samen onder de loep.” “Zo voeren we de campagne in het hele land”, zegt de minister. “We nodigen alle scholen en klassen uit om met dit project aan de slag te gaan. En de uitleg die Robin daarnet aan zijn woord gaf, wordt mee opgenomen in het verhaal van de campagne. En daar mag hij best trots op zijn. En het verdient een applaus, denken jullie niet?” Na het applaus Nadat het applaus was uitgedoofd, bedankt de minister iedereen voor hun aanwezigheid. Een aantal fotografen gingen naar het podium en namen foto’s van de minister, juf Sandra en de kinderen.  “Hoe wist jij hier nu van?”, vraagt Tamara aan Davy. “Je hebt me er helemaal niets van gezegd.” “Ik zei het toch al. Jij had het te druk met betogen. Er zat begin deze week een brief in de agenda van Robin. Daarin werd heel wat uitgelegd en er zat meteen een uitnodiging bij om naar deze persvoorstelling te komen. Trouwens, bij de krant wisten ze er ook van. Ze hadden ook een uitnodiging voor deze persconferentie ontvangen. Ik heb maar meteen aangeboden om er een artikel over te schrijven. Onze fotograaf staat nu voor het podium. Ik dadelijk onze Robin nog even interviewen. Als hij me te woord wil staan natuurlijk. Hahahahahaha.”  Al lachend stapt Davy naar het podium, Tamara alleen achterlatend. De dag erna staat het artikel inderdaad in de krant. Robin is blij dat het een foto in zwart-wit was, zodat je zijn rode kleur niet ziet. Hij wordt bijna een nationale beroemdheid. Want er is ook een tv-ploeg van het kinderjournaal aanwezig.  Heel wat scholen in het land nemen het Ribbedebiewoep-project over. In sommige scholen is het een succes. In andere scholen moet het nog groeien, want als je het niet serieus neemt, werkt het natuurlijk voor geen meter. Het gebeurt niet vaak, maar als Robin thuis ‘Ribbedebiewoep’ zegt, dan weten zijn mama of papa dat ze een praatje moeten maken.  Voor het overige gaat alles zijn gangetje in het gezin van Robin.  Nog eens binnenkijken Zullen we nog even binnenkijken bij Robin thuis? In het huis met de trapjes? Zoals we dit verhaal zijn begonnen?   Kijk, daar zit zijn papa. Hij leest de krant, zoals gewoonlijk, maar misschien is hij er wel bij in slaap gevallen. Robin en zijn mama zitten samen op de bank en kijken naar tv. Het is een programma waarbij ze op het einde een woord moeten raden. Hoe meer rijen met blokjes de kandidaat heeft verzameld met het computerspelletje, hoe meer letters de kandidaat heeft. Dan is het makkelijker om het woord te raden. Ook nu raden ze samen naar het woord. Er staat al een i, een r en een e. Het is telkens een woord van acht letters. “Dan kan het nooit ribbedebiewoep zijn”, zegt Robin. “Want dat zijn meer letters. En dat is ook geen echt woord. Of wel mama?” Plots horen ze een gebrom van achter de krant die op het hoofd van papa ligt. “Hij snurkt”, zegt mama, waarna hij precies opnieuw iets zegt. De krant waait omhoog. “Hij zegt precies ‘minister’”, zegt Robin. “Misschien droomt hij nog over onze samenkomst bij de minister. Of wacht even …. Nee, hahahahaha.” “Wat is er?”, zegt mama. “Dat is natuurlijk het woord dat ze op tv zoeken”, zegt Robin. “Kijk maar.” En jawel, ook de kandidaat vinden het achtletterwoord. Het is inderdaad ‘minister’. “Niet te geloven toch hè”, zegt mama.    Einde  

Rudi Lavreysen
4 1