Zoeken

16. Het Kleurloze Kasteel ( een vleugje romantiek en onschuld, nu het nog kan...)

'We mogen pas over drie uur gaan lossen, zo zijn de regels,' begon Serafijn opgewekt. Felix en Elion kreunden gelijktijdig. 'En tot die tijd,' ging Serafijn verder, alsof hij niks had gehoord. 'Worden we ondergebracht in een tent die normaal wordt toegewezen aan gasten. Ik heb mijn woord gegeven dat we heel voorzichtig zullen zijn en alles netjes houden.'  'Maak dat nu mee,' mompelde Elion. 'Ik kan wel een warme douche gebruiken.' 'Ja, zo zie je er ook uit,' antwoordde zijn echtgenoot gemoedelijk. 'Kom op, eens zien wat Trappendalers verstaan onder 'kamperen'. Ze volgden een pijl met als opschrift: camping gasten. 'Wel, dat is beter dan de doorsnee schuilwilg,' verzuchtte Moone. De witte tenten stonden wat afzijdig van het Domein, tussen oude bomen. Ze slenterden voorbij een rij bordjes, allemaal keurig naast het nieuwe pad in de grond geslagen. 'Respecteer de rust. Het Trappendal dankt u.' 'Respecteer de stilte. Het Trappendal dankt u evenzeer.' 'Geen hinder voor  acht uur. Het Trappendal dankt u voor uw begrip.' 'Boetes kunt u afhalen aan de balie. Het Trappendal dankt u voor de medewerking.' 'Typisch.' Elion draaide met zijn ogen. 'Stttt, de boetes van het Dal zijn torenhoog.' De vier vrienden slopen onhoorbaar langs verschillende tenten, alleen Dot trok zich er niks van aan en klotste vrolijk door het natte gras. 'Nummer 4 en 5 zijn voor ons, om 15u moeten we eruit.' Serafijn dempte automatisch zijn stem. Voor twee tenten stond een rood plaatje: dit was hun stek, voor eventjes toch. Elions ogen schitterden van ongeloof toen hij zijn hoofd binnen stak in tent vier, die hij tijdelijk met Serafijn zou delen. De tent ademde luxe en rust uit. Zijn voeten zakten weg in een hoog, sneeuwwit tapijt.  Hij trok zijn schoenen uit, gooide ze aan de kant en dropte zijn rugzak naast de tentflap.  Hij draaide zich om, waar hij Felix in min of meer dezelfde positie betrapte, in de ingang van tent vijf. Zijn broer trok zijn bemodderde schoenen uit en zette ze netjes voor de ingang. Moone borstelde Dot, de stier nestelde zich voor beide tenten. Zijn zachte, bruine ogen zochten de vier vrienden en hij snoof zachtjes.  Elion wierp zijn huisdier een strenge blik toe. 'Waag het niet om weg te slenteren, pluizenbol, ik kom je niet zoeken. Ik ben met vakantie,' gromde hij zacht. Dot wiebelde verontwaardigd met zijn oor en sloot prompt zijn ogen. 'Oh, niet gaan dreigen, broertje,' fluisterde Felix. 'Tot straks, ontbijt rond 8u30, in onze tent, goed?' Hij en Moone doken tent vijf binnen. Hun verbaasde uitroepen waren tot ver te horen. Elion kon het zelf met moeite geloven: zoveel luxe had hij nog nooit bij elkaar gezien. Er stond een gigantisch bed, pal in het midden, met sneeuwwitte lakens, onbeschaamd met hem te flirten. 'Later, schoonheid,' grinnikte Elion, die toch al even op de rand ging zitten. De regen tikte gemoedelijk op het zeil zodat hij plots het idee kreeg dat de wereld daarbuiten niet langer bestond. Het Trappendal keek niet op een cent meer of minder om hun gasten te verwennen: ze hadden de moeite genomen om de tenten al op te warmen en Elion pelde zich uit zijn natte trui en shirt. Iets vroeg zijn onmiddellijk aandacht: iets wat hij alleen kende uit boeken. 'Zie dat eens.´ Hij sloop naar de kraaknette, helderwitte stenen kuip en bestudeerde het grondig: hij rook eraan, klopte op de rand, onderwierp de kraan aan een uitgebreide inspectie en dat leidde maar tot één conclusie: het was een gigantische badkuip. Wit, op pootjes en klaar om helemaal gevuld te worden.  'We kunnen er samen in,' zei hij verrukt, waarop Serafijn een onbestemd geluidje maakte dat zowat van alles kon betekenen. De Donderklif had geen bad en dit exemplaar kwam zo uit een catalogus gekropen. Zijn verwachtingen waren torenhoog. Hij draaide de warmwaterkraan helemaal open. Een wolk hete stoom steeg op en vulde in een mum van tijd de tent. Elion zette de achterflap op een kier, liet de wolk naar buiten en snoof de frisse buitenlucht op.Zijn blik gleed over de tenten naar de schemer achter de camping en hij bleef roerloos staan: dit was een ander aspect van het Domein. De nacht liep op zijn einde en de wereld bereidde zich voor op een nieuwe dag. Alles volgde het ritme van een diepe, slaperige ademhaling, Elion verwachtte iedere moment de tevreden geeuw te horen van het Domein dat zich uitrekte en zich nog eens omdraaide.  'Serafijn, is dat niet vreemd,' wees hij. 'De boomgaard staat in bloei. Het is september.' Duizenden witte bloesems lichtten op in het licht van de maan. Het spektakel benam hem de adem. De combinatie van maanlicht en zachte regen, zorgde ervoor dat het gebied ondergedompeld leek in zilverwitte druppels. 'Azamerik of niet, met zo'n zicht wil ik wel vaker wakker worden.' 'Ik ook,' beaamde Serafijn, met een kras in zijn stem.  Elion draaide zich verbaasd om. Serafijn zette voorzichtig zijn rugzak neer, zonder zijn ogen van Elion te halen. De kleur ervan benam Elion de adem en verhitte zijn bloed tot hij het wel heel erg warm had. Zijn brilglazen besloegen bij de snel oprukkende blos. Serafijn glimlachte fijntjes, wat het er helemaal niet beter op maakte.  'Ik had het over de omgeving.' Elion stak zijn hand in het badwater, gromde goedkeurend en stroopte zijn doorweekte jeans van zijn lijf. 'Ik niet.' Serafijns blik dwaalde loom door de tent, niet bijster onder de indruk van al die luxe tot zijn ogen op Elion bleven rusten.  'Meer heb ik niet nodig. Wat vind jij daar zo magisch buiten?' Serafijns armen vleiden zich rond Elions middel toen hij achter hem kwam staan. Elion wees naar de boomgaard. Ondanks de betoverende schoonheid van al die vrolijke witte bloesems, bezorgde het hem een kleine prik van onrust. 'Het is september,' herhaalde hij zacht. 'En alles bloeit hier en... ow... euh...dat is best fijn.' Zijn stem haperde en wat hij ook wilde zeggen over bloesems en boomgaarden, het telde niet langer prioriteit.  'Afgeleid?' Serafijns vingers volgden dromerig de lijnen van littekens tussen Elions navel en kruis. 'Een beetje,' gaf Elion toe terwijl zijn bloed nu toch langzaam het kookpunt bereikte en hij zich stiekem afvroeg of er een boete stond op romantiek in de ochtend. 'Maar hou vooral niet op, ik betaal die wel.'  'Waar heb jij het nu over?' 'Nergens over.' Elion slaakte een diepe zucht. 'Is het niet mooi daarbuiten?' 'Het is inderdaad een adembenemend zicht,' bevestigde Serafijn. Elion leunde zwaar, met geloken ogen, tegen hem aan. 'Het water wordt koud,' mompelde hij van ergens tussen de gewone en de zevende hemel in.  'Als jij hier naakt tegen me aan staat te schurken en zo zacht staat te kreunen, lief, zal dat bad toch nog even moeten wachten,' fluisterde Serafijn in zijn hals terwijl hij met zijn voet de kraan dichtduwde. 'Het bed ziet er ook heel aanlokkelijk uit.' Elion dacht daar enkele hartslagen, gelukkig klopte zijn hart behoorlijk snel, over na. Hij schoof het idee van het bad, dat al bij kon wachten, in tegenstelling tot Elion zelf, aan de kant. Hij maakte zich, met lichte tegenzin, want hij stond op het punt zalig weg te drijven, los uit Serafijns armen en zijn ogen kropen goedkeurend over zijn lief.  'Hmmm, waarom ook niet,' grinnikte Elion. 'Jij je zin.' Serafijn schonk hem een scheef lachje en Elion koesterde zich één tel in de onvoorwaardelijke liefde, Serafijns ogen hadden de kleur van vloeibare honing. Zijn hart roffelde snel.  'Bad zal inderdaad moeten wachten, jij ziet er verdomd sexy uit. Wat was dat woord dat je zonet gebruikte voor dat bed?' 'Aanlokkelijk,' wist Serafijn nog net uit te brengen. Ze kwamen te laat voor het ontbijt. Serafijn gleed geluidloos, met rode wangen en een zachte warme gloed in zijn ogen, op het dikke tapijt tegenover Moone.  'Gaat het wel met je, Serafijn?' vroeg Moone, terwijl ze hem een stomp gaf. 'Je zit te dromen.' 'O ja, absoluut,' antwoordde Serafijn verstrooid. Elion beet op zijn lip om niet te lachen. Hij voelde zich heerlijk, vrolijk en een beetje licht in het hoofd. Hij prutste zonder nadenken aan het bandje om zijn pols: vrijen hield altijd een risico in, de doorn verschoof al eens, wat hem een slaperig gevoel bezorgde tot in de kern van zijn lijf. Hij schoof het netjes terug op zijn plek. Ze pakten hun ontbijt uit: Serafijn en Felix sleepten een grote kist naar binnen en onder het slaken van een vrolijke 'tadaaaa' zwaaide Felix die open. Elion kon zijn geluk niet, hij schepte zijn bord vol tot er geen één druif meer bij kon en stortte zich uitgehongerd op zijn ontbijt.  'Mwwwwwheeeeeeeuuuuuuuu!'   De tent daverde en schudde onder het oorverdovende geloei. Elions kop thee glipte uit zijn handen. De vlek breidde zich snel uit op het dure tapijt.'Dot!' brulde hij boos. 'Kijk wat je nu gedaan hebt!'  Het bleef akelig stil,  er volgde zelfs geen klein verontschuldigend loeitje. Moone stak haar hoofd naar buiten, drie tellen later was ze terug. 'Euh, hij is weg.' Haar drie vrienden gaapten haar verbouwereerd aan.  'Hoezo weg, hij is lomp en groot. Wat bedoel je met weg?' Elion krabbelde verschrikt overeind. De plek waar Dot een dutje had gedaan was leeg, op een keurige stukje plat gelegen gras na. 

Kat.
0 0

14. Het kleurloze Kasteel, hoofdstuk II

'Nee, meneer, ik luister wel degelijk naar u. Ik heb de laatste veertig minuten niet anders gedaan! Wij zijn twee dagen onderweg geweest, we willen ons opfrissen en misschien wat slapen, het was een zware tocht...' Tot hun stomme verbazing verhief Serafijn plots zijn stem, na een discussie van meer dan veertig minuten, was de maat vol. Elion geloofde zijn oren niet: Serafijns Energie uitte zich niet in knetter maar in een bijzondere karaktertrek. Serafijns geduld was legendarisch, net zoals zijn gebrek aan zenuwen. Hij begreep Volk, waardoor hij één van de meest geliefde burgers van Grensstad was. Zijn geduld verliezen stond niet in zijn woordenboek, of zo had Elion gedacht. Zijn mondhoeken krulden omhoog in een lachje. 'Hij is dus niet onfeilbaar,' zei hij tevreden, met één oog op de man die erin geslaagd was Serafijn uit zijn kot te lokken. 'Knap werk, kerel. Zelfs ik slaag daar niet in.' 'Ik ga best eens luisteren voordat Serafijn helemaal ontploft.' Moone voegde zich aan Serafijns zijde.  Toen Serafijn eergisteren, zo tussen pot en pint, doodleuk had verkondigd dat De Donderklif bier zou leveren aan het Kleurloze Domein voor één of ander Grote Opening, was Elion van zijn barkruk gedonderd, waar hij een schitterende blauwe plek aan had overgehouden. Hij had de tijd niet gekregen om protest aan te tekenen. ´Zie me hier nu staan voor een gesloten poort.´ Elion geeuwde ongegeneerd: het was pas vijf uur in de ochtend, nog aardedonker en de vermoeidheid pulseerde in zijn botten. Zo voor dag en dauw opstaan stond onderaan zijn lijstje van 'dingen die ik graag doe.' Hij wist, heel zeker, dat de zon ook kon opkomen zonder dat hij daarvan getuige moest zijn. Hij vleide zijn armen op Dots rug en legde zijn hoofd er boven op. De stier rook naar kampvuur, gras en Dot. Elions ogen gleden dicht, Dot was heerlijk warm en... 'Wat lees je?' Elion wipte overeind van schrik en keek zijn broer duister aan. Felix deed geen moeite om de zweem van afkeur op zijn gezicht te verstoppen. Hij zag er zoals altijd fris uitgeslapen uit, merkte Elion, een beetje jaloers op. 'O, dat. Het is een artikel over het Kleurloze Domein, iets wat Adam voor me achterliet in Oudpark. Zelfs mensen schrijven over die plek.' Hij zette een onschuldig gezicht op, wat zijn effect miste door zijn roodomrande ogen van een nijpend slaaptekort. 'Je ziet er weer bijzonder fris uit,' gromde zijn broer zonder acht te slaan op Elions uitleg.  'Bedankt.' Felix zuchtte diep: 'Ik had gehoopt dat de ironische toon duidelijk was.' 'Die was duidelijk,' geeuwde Elion. 'Ik ben alleen te moe om iets gevat te verzinnen.' Hij verschoof zijn gewicht van zijn hielen naar zijn krukken. 'Denk je dat we een plek krijgen om even te crashen?' Beide jongemannen draaiden hun hoofd richting de vastberaden Trappendaler.  'Nee, er zijn geen plaatsen voorzien voor de leveranciers,' wist Felix. 'Er wordt verwacht dat wij het bier afleveren en rechtsomkeer maken. Daarom maakt Serafijn zich daar zo kwaad. Jij moet even rust krijgen voordat we terugkeren, je kunt echt geen vier nachten na elkaar op een matje slapen. Serafijn wilde een bed voor je regelen en dat is niet naar de zin van die vent daar. Je staat geseind als lid van de Liga.' Het was gewoon een vaststelling. Elion schonk zijn broer een scheve blik, merkte niets spottends op in zijn gezicht en humde dan maar bevestigend.  'Mag ik ook eens zien, geef dat eens hier.' Elion overhandigde zijn broer het tijdschrift. Felix trok grote ogen. 'Dat is het Kleurloze Kasteel,' mompelde hij ongelovig. 'Zo zag het er dus uit in de negende eeuw?' 'Hmmm, ja. Ze hebben het nagemaakt, helemaal, tot in de puntjes correct.' Elion keek zijn broer vrolijk aan in de hoop iets over te brengen van zijn eigen enthousiasme.  'Vriend van jou?' Felix knikte naar de verdomd knappe acteur. 'Was dat maar waar.' Elion voelde hoe hij een kleur kreeg. 'Eerlijk, ik heb geen idee wie dat is maar hier staat dat hij Kobé de slotensmid speelt in de film. Ik was al verzot op Kobé toen hij nog afgebeeld werd als een oudere, kalende man met een buikje. Hij was al mijn held maar nu ben ik verliefd.' 'Snap ik, helemaal jouw type. Hij ziet er een beetje uit als één van Alex' boefjes.' Felix haalde nonchalant zijn schouders op. 'Hoe komt die in een boekje van Adam, ik dacht dat Volk een soort geheim was bij de mensen.' Elion knipperde verbluft met zijn ogen.  'Hij is niet echt van het Volk, Felix. Vorige pagina, dat is dezelfde man.' Felix draaide gehoorzaam een bladzijde terug. Zijn ogen werden groot van ongeloof. 'Kan niet,' zei hij kortaf.    ( Zo, Alice, deeltje 13 en 14 zijn de eerste drie pagina's van het eerste echte hoofdstuk. Nog wat rustig, van hier gaat het alleen maar vooruit maar ik moest even kaderen zodat ik straks geen dingen uit het niks tevoorschijn tover)

Kat.
1 2

Drie regenwormen en hun vlooien

Er zijn eens drie regenwormen – er zijn er natuurlijk veel meer, wel miljoenen, maar wij beperken ons tot deze drie: Jan, Pier en Tetting. Het zijn drie broertjes – of zusjes, wie zal het zeggen bij regenwormen – en ze wonen samen onder de grond. Ze hebben voor zichzelf een heel comfortabel onderkomen ingericht: een holletje onder een gazon met op de grond zacht mos, de muren geïsoleerd met karton en stro en daarvoor een gemetste muur van steentjes die ze een voor een naar hun hol gebracht hebben. Het is dus heel stevig en zeker bestand tegen wolven, want dat sprookje kennen ze.  Op een dag brengt een van hen – ik geloof dat het Tetting is – een stuk vacht van een konijn mee. De gezinsgenoten zijn er heel blij mee. Ze proberen het zo goed en zo kwaad als dat gaat op de grond te leggen en vleien zich dan behaaglijk neer. Ze krullen van genot op de warme, zachte pels.  Hun geluk is echter van korte duur. In de vacht blijken vlooien te wonen. Nu valt hun haarloze lichaam niet zo in de smaak bij de vlooien, maar af en toe krijgen ze toch een ferme beet. Unaniem besluiten ze de vacht met vlooien buiten bij de voordeur te leggen. De vlooien mogen er blijven als huisdier, als ze maar niet binnen komen. De parasieten vinden het allemaal prima en gaan gewoon door met vermenigvuldigen. Af en toe zet een worm een emmertje bloed voor hen klaar bij de deur.  Dat emmertje is niet zo onschuldig, het verspreidt een geur die de plaatselijke mol aantrekt. Hongerig en lomp als hij is, graaft hij zich een weg naar het hol, gaat daarbij dwars door de gemetste muur en vult ineens de hele de huiskamer. De drie wormen schrikken zich een hoedje. Ze haasten zich naar de voordeur, trekken die stevig achter hen dicht en kruipen in paniek onder de vacht die buiten in een hoekje ligt. Intussen snuffelt de blinde mol zich suf, zonder pardon duwt hij de voordeur uit z’n hengsels en vindt uiteindelijk de vacht. Sidderend van angst kruipen de wormen dicht bij elkaar. De mol woelt verwoed in de vacht, maar dat is zonder de vlooien gerekend. Blij met deze nieuwe, levende vacht bespringen ze massaal de mol en bijten hem de oren van het lijf. De mol weet niet waar hij het heeft, op slag is zijn honger verdwenen. Zo snel mogelijk graaft hij een gang naar de oppervlakte, naar het keurige gazon waar hij een hoopje aarde achterlaat. De les is deze: elke molshoop heeft een verhaal.

VeerleDosogne
15 2

Elisabeth en de zeven trollen

Zeven trollen wonen in een gat in de grond, onder een steegje in Gent. De trap naar beneden bevindt zich op het einde van een smalle, modderige gang tussen twee huizen. Het is er donker en muf, maar dat ligt vooral aan het gebrek aan ramen. Zo moeten eeuwenoude grafkamers eruitzien. Maar eigenlijk is het best gezellig, als je ermee rekening houdt dat er alleen mannen wonen. Ze leven van het doorverkopen van wat ze op straat vinden. Het hele hol staat vol oude fietsen, kasten, wankele tafels, stoelen, gebroken bloempotten…, alles bedekt met een dikke laag stof. Zonder uitzondering zijn ze lelijk: lang vettig haar, onverzorgde baarden, een mond vol gele en zwarte afgebroken tanden, grote neuzen met een puist op, korte beentjes, kleren vuil en versleten… Op een zondag zijn zes van de zeven trollen naar het EK voetbal aan het kijken op een heel smerig, stoffig tv’tje dat op een wankel kastje staat. Ze zitten braafjes naast elkaar in een fluwelen, aftandse zetel waar een vreemd geurtje aan zit. Aan de eettafel onder een luster vol spinnenwebben zit de zevende trol in een sprookjesboek te bladeren: Sneeuwwitje en de zeven dwergen van de gebroeders Grimm. “Hey, mannen!” roept hij enthousiast. “Ssst!” sissen de andere trollen. De boekentrol negeert het gesis grotendeels en gaat iets stiller verder. “Ik lees hier net over zeven dwergen die zich ontfermden over een prinses. Ze woonde bij hen in en deed het huishouden: wassen, strijken, koken, poetsen...” Geïnteresseerd kijken een paar trollen op. “Hè?” “Ik lees hier dat ze in ruil voor onderdak het huishouden van de dwergen deed,” herhaalt boekentrol iets luider. De hoofdtrol spitst de oren, denkt even na en zet de tv uit. “We moeten ook een prinses hebben,” besluit hij. “Vergadering!” Wat later staan ze met z’n zevenen rond de tafel. Er ligt een kaart van de stad op, een opengevouwen krant en nog wat papieren. Een van de trollen maakt ijverig aantekeningen in een notitieblok. “Welke prinses kennen we?” “Elisabeth natuurlijk, de oudste dochter van koning Filip.” “Ja, ze is perfect: jong, knap, blond, verstandig.” “Goed, Elisabeth dus,” vat de hoofdtrol samen. “Maar hoe krijgen we haar hier?” Na veel vijven en zessen besluiten de trollen dat ze Elisabeth zullen ontvoeren wanneer die binnen een paar maanden een bezoek aan het UZ Gent brengt, aan de afdeling die haar naam draagt. Dat weten ze uit de krant. Er moet een tunnel gegraven worden en een valluik geïnstalleerd vlak bij de ingang van het gebouw. De volgende dag al gaan de trollen dapper aan de slag. In de Gamma halen ze pneumatische hamers, beiteltjes, pikhouwelen, een kleine graafmachine en kruiwagens en vol goede moed beginnen ze aan de graafwerken. Maandenlang kappen ze geduldig een tunnel onder Gent, door grond, beton, rioolpijpen en bakstenen richting UZ Gent. Hun huis is niet om aan te zien: overal ligt stof, aarde en puin. Maar dat is maar tijdelijk, daar zijn ze van overtuigd. Eindelijk is het valluik bij de ingang van het Kinderziekenhuis Prinses Elisabeth operationeel. Er hangt een camera die elke beweging volgt en doorstuurt naar de computer van de hoofdtrol. En dan is het eindelijk zover. Op de aangekondigde dag trapt Elisabeth helemaal volgens plan op het luik. Ze valt naar beneden, op de draagberrie die de trollen hadden klaargezet. Vliegensvlug spurten ze door de tunnel naar haar toe en met z’n zevenen dragen ze de prinses naar hun hol. Ze installeren haar op een matras in het kamertje dat ze voorzien hadden. Ze brengen haar eten, drinken, zelfs frietjes met stoofvleessaus, maar Elisabeth wordt niet wakker. Bij de val heeft ze haar hoofd gestoten. Er komt een dokter aan te pas. Die raadt een kuur in Zwitserland aan. Schone, heldere lucht, rust en veel licht, dat heeft ze nodig. Het zou ons te ver leiden hoe, maar de trollen slagen erin Elisabeth naar Zwitserland te brengen. De dokter had gelijk. Na een paar dagen in de gezonde berglucht knippert de prinses met haar ogen. De trollen zijn uitzinnig van vreugde. Snel regelen ze haar terugkeer. Ze trekken hun beste kleren aan om haar welkom te heten in hun hol. Ze duwen de tegenstribbelende prinses door de voordeur en doen die snel weer op slot. Dit hadden ze helemaal niet zien aankomen: Elisabeth wil absoluut niet in hun hol blijven. De prinses roept, tiert, gilt en schreeuwt alles bij elkaar, gooit met borden, meubels, zelfs de tv sneuvelt. Hij valt in brokken en stukken op de grond. Een dag en een nacht houden de trollen het vol met de furie, dan nemen ze maatregelen. Een van hen bereidt een kalmerend drankje: melk met honing en een wit poeder uit een zakje. Wanneer Elisabeth eindelijk slaapt op haar matras, neemt een trol een hamertje en slaat er hard mee op haar hoofd, voor de zekerheid. Bewusteloos dragen ze haar naar buiten en leggen haar in het Citadelpark, in de kiosk. Dan snellen ze terug naar hun hol. Opgelucht trekken ze de voordeur achter zich dicht. Met z’n zevenen ploffen ze neer in de zetel. Verweesd staren ze naar het stof, de aarde en het puin om hen heen. Hier komt voorlopig geen vrouw meer binnen, denk ik.

VeerleDosogne
3 1

Choco Prince

Er heerst onrust in de koekjesrayons. Het begon in de Colruyt in Anderlecht. De koekjesrayons bulken van de chocoprinsen, maar er is geen prinses in de buurt. Waarom zouden de prinsen zich dan goed houden, op hun uiterlijk letten, galant blijven? Er zijn toch geen prinsessen om te imponeren. ’s Nachts breken de prinsen uit hun verpakking, ze komen samen in groepjes en houden verhitte discussies. Al snel verspreidt de onrust zich over het hele land. Bij een nationale bijeenkomst in de Delhaize in Aalst, waar zeker 900 prinsen op aanwezig zijn, neemt een oude prins van bijna 70 het woord: “We moeten de fabriek van LU bestormen en onze grieven overmaken. WIJ WILLEN PRINSESSENKOEKJES!” “WIJ WILLEN PRINSESSENKOEKJES!” scandeert de hele groep en uitgelaten rollen ze naar de hoofdzetel van LU in Herentals. In de LU-fabriek schrikken ze van de woedende menigte koekjes op de parking. Het management roept een spoedoverleg bijeen. Twee prinsen – de oude rakker van 70 en zijn broer – worden afgevaardigd. In een haastig geïmproviseerd vergaderlokaal luisteren de managers van LU aandachtig naar de grieven van de prinsen. “En hoe moet die prinses er dan uit zien?” vragen ze tenslotte. De twee prinsen kijken elkaar aan: daar weten ze het antwoord niet op. Ze beseffen dat ze niet goed voorbereid zijn. “Pas als jullie een goed beeld hebben van hoe een prinsessenkoek er moet uitzien, kunnen we een voorstel voorleggen aan het bestuur in Frankrijk.” Met die woorden belanden de prinsen weer op de parking. De twee prinsen brengen de anderen op de hoogte en sturen hen weg met een opdracht: een profiel samenstellen van de ideale prinses.  In alle koekjesrayons van het hele land wordt ‘s nachts druk vergaderd door de chocoprinsen. “Ze moet blond zijn,” zegt de een. “Voor mij liever een brunette,” reageert een ander. “Met chocola!” “Vanille!” “Misschien met karamel of met aardbei?” “Met nootjes?” “Er moet pak aan zijn.” “Ik heb liever klein en fijn!” Hele nachten door vliegen de ideeën over en weer. De prinsen geraken er niet uit. Zo komt het dat er tot op vandaag nog steeds geen prinsessenkoekjes in de rekken liggen. Noodgedwongen moeten kleine meisjes prinsen eten. Ook alle andere mensen die niet op prinsen vallen, hebben weinig alternatieven. Intussen worden de prinsen oud, cynisch en slap. De tijd dringt!  

VeerleDosogne
4 1

De valse bakker

Onze bakker is een echte bakker, laat daar geen twijfel over bestaan. Hij is vals in de betekenis van ‘gemeen’. Hij heeft weinig vrienden, of beter: geen. Met zijn familie heeft hij gebroken, feestjes kent hij niet, alleen hard werken 7 dagen op 7. Vrije tijd is tijdverlies, dat is zijn devies. Hij woont in een statig herenhuis middenin de stad, waarvan de luiken altijd gesloten zijn. ’s Avonds doet hij er de boekhouding aan de keukentafel, bij het licht van een enkel peertje. Ondertussen eet hij de onverkochte koffiekoeken van de dag op. Hij heeft een marktkraam op wielen en daarmee doet hij verschillende markten aan. Hij verkoopt er dure zuurdesembroden, broodpudding en verschillende croissants. Zijn specialiteit is echter gelukskoekjes. Of beter: ongelukskoekjes. In sommige koekjes zitten boodschappen als ‘Licht aan het eind van de tunnel kan ook een aanstormende trein zijn’ of ‘Alles komt goed, maar misschien maak je het niet meer mee’. Geloof me, een dergelijke spreuk in een koekje kan een verder gezellige avond helemaal verpesten. En daar vindt onze bakker een geweldig genoegen in. Voor de productie van zijn marchandise heeft hij een eigen bakkerij, ondergebracht in een stalen loods diep verborgen in een donker bos. Er werken tien kinderen die hij lokte met de belofte dat ze zoveel koekjes mochten eten als ze konden. Eenmaal binnen gooide hij de zware, gewapende deur achter hen dicht. Ze zaten voorgoed gevangen. De meesten werken er al drie jaar zonder het daglicht te zien. Elke avond steekt de bakker de sleutel in het meerpuntsslot. De kinderen gaan dan netjes naast elkaar staan zonder een woord te zeggen, kijken strak voor zich uit en worden geïnspecteerd op netheid en hygiëne. De gemene bakker weegt vervolgens de productie van de dag. Die moet altijd meer zijn dan die van de dag ervoor. Zo niet, zwaait er wat. Straffen variëren van een dag geen eten voor de hele groep, werken in het donker of zonder verwarming… Tot op een dag een van de ‘kinderen’ er genoeg van heeft. Het is geen kind maar een volwassene met dwerggroei en hij heeft de buik vol van deze slavenarbeid. Toevallig of niet heet hij William. “Luister,” spreekt hij de groep toe als de bakker weer vertrokken is. “We hoeven dit niet langer te pikken. Als de baas morgen komt, dan benaderen we hem met zijn allen van achteren, we werken hem op de grond en rollen hem in dit tapijt hier.” Hij wijst naar de smoezelige vuilloopmat die bij de deur ligt. Zo gezegd, zo gedaan. De volgende dag omsingelen de kinderen de obese man, worstelen tot hij op de grond valt en rollen hem dan stevig in de mat. De bakker kan geen hand voor de ogen meer zien - wat best akelig is, want zo ziet hij niet wat op hem afkomt… Hij krijgt een harde klap op zijn hoofd. Even ziet hij sterretjes, dan wordt het hem helemaal zwart voor de ogen. Wanneer hij weer bij bewustzijn komt, ligt hij op de vloer van de koelcel in de loods. Hij is helemaal naakt. Ogenblikkelijk begint hij te bibberen. Intussen hebben de kinderen de deur van de loods opengemaakt en ze zijn allemaal haastig en uitgelaten vertrokken, juichend en joelend. Na jaren opsluiting kunnen ze eindelijk naar huis. Als bij wonder vinden ze allemaal hun ouders terug. Het weerzien is blij, er vloeien ook traantjes, maar dat zijn er van geluk. Intussen zit de bakker zit nog steeds in de donkere cel en bonkt op de deur: “Help!” “Doe open!” “Jullie mogen gaan!” Maar er is niemand meer die hem hoort. Uitgeput zakt hij op de vloer en begint weer te bibberen. In de rekken zoekt hij op de tast naar iets dat hem warm kan houden. Hij vindt bladerdeeg, verpakt in karton. Eerst bedekt hij zich met vellen bladerdeeg, hij maakt er een dekentje van. Hij bibbert nog steeds. Vervolgens probeert hij het karton erop te leggen, wat niet lukt, het schuift steeds maar van hem af. Hij zoekt verder en vindt een emmer abrikozenconfituur. Daarmee zal het karton wel blijven plakken, denkt hij hardop. Het bladerdeeg strijkt hij in met de confituur en daarop legt hij het karton. Het werkt. Het karton blijft liggen, maar nu plakt hij zelf ook van kop tot teen. Kortom, het is daar een doffe ellende in de koelcel, in de loods, in het bos. Eerst valt de elektriciteit uit in de loods. De koelcel warmt langzaam op. Dan komt een dakplaat los en waait weg, vervolgens een zijpaneel… Niemand heeft de bakker nog gezien. Niemand mist hem ook, toch niet echt. Is hij ontsnapt, heeft een verdwaalde wandelaar hem gevonden, verblijft hij nu in Spanje of Argentinië of zit hij nog steeds in de cel? Niemand die het weet…

VeerleDosogne
5 1

Kabouter Niet-zo-lui

Het is herfst. Als bij wonder verschijnen her en der paddenstoelen en met de paddenstoelen ook de kabouters. (Als de paddenstoelen weer verdwijnen, gaan de kabouters ondergronds, waar ze leven in holen en gangen – een feit dat weinig bekend is, denk ik. Ze hebben er een hele infrastructuur, compleet met sporthal en olympisch zwembad, wat een enorme verspilling is, want kabouters doen niet aan sport. Daarvoor zijn hun armen en benen te kort. Petanquen doen ze wel, maar er zijn dan weer geen petanquebanen voorzien. Typisch. Maar hier gaan we verder niet op in.) Terug naar het herfstbos. De mooiste paddenstoelen zijn in geen tijd ingenomen door de meest ijverige kabouters. Wie niet zo snel is, moet het stellen met wat overblijft, zo ook onze kabouter Lui. Kabouter Lui, een gepensioneerd postbode, neemt zijn intrek in een gebroken exemplaar. Het dak is niet helemaal waterdicht, maar dat lost hij op met een plastic potje dat hij gevonden heeft in een gracht. Niet ver van zijn paddenstoel is een put in de grond, niet groot, maar wel diep. De eerste nacht in zijn nieuw verblijf, komt er een reetje in klem te zitten. Het heeft zijn achterpootje gebroken en jammert uren aan een stuk. Tot Lui het niet meer kan aanhoren. In zijn pyjama trekt hij het diertje uit de put, verbindt zijn pootje en legt het dan onder een boom beschut met wat takken en bladeren. “Ik word hier zo moe van!” en Lui valt ter plekke in slaap. De volgende morgen wordt Lui wakker van de regen. Het reetje ligt er nog steeds, kletsnat nu. “Het kan hier niet in de regen blijven,” besluit Lui en begint te graven. Er ontstaan kamers en gangen onder de grond, een mini- ziekenhuis met consultatieruimte, een ICU en een ziekenboeg, ingenieus verwarmd door een convector met buizenstelsel.  Het kost wat moeite, maar Lui slaagt erin het reetje in zijn ziekenhuis te slepen, waar het warm en droog ligt. De ziekenboeg is meteen gevuld. Moe maar tevreden overschouwt kabouter Lui zijn harde werk. Tijd voor een dutje. Het nieuws over het nieuwe ziekenhuis doet snel de ronde en de volgende dag meldt een regenworm met een rood hoedje zich aan. Het puntje van zijn staart is geraakt door een ploegschaar en hangt nog met een velletje vast. Dat wordt een amputatie, zegt dokter Lui ferm. Kabouter Lui heeft geen idee hoe dat moet, maar YouTube weet raad. Ik bespaar u de bloederige details, maar even later ligt de regenworm in bed met zijn achtereind in de witte zwachtels. De operatie is voortreffelijk verlopen. De een na de andere patiënt komt langs en Lui loopt zich de benen onder het lijf om hen allemaal zo goed mogelijk te helpen. Intussen investeren zijn buren in zonnepanelen, schuttingen, carports en auto’s.  Tot op een dag de aarde trilt, het ziekenhuis instort, de paddenstoelen scheuren… Sommige kabouter slaan in paniek op de vlucht, hun SUV’s volgeladen. Andere raken verpletterd onder het puin. Een bulldozer maakt het hele dorp met de grond gelijk. Dit is een woonuitbreidingsgebied. Er is een vergunning om hier een wijk met 600 nieuwe huizen te bouwen. Voor mensen.

VeerleDosogne
2 1

Smurfin #Too

“Dat was de LAATSTE keer,” roept Smurfin woedend wanneer ze haar roze voordeur toegooit achter Grote Smurf. Bijna alle dagen wordt ze lastig gevallen. Of ze nu naar de bakker gaat, de apotheker, de slager of de buurtwinkel, altijd voelt ze wel een hand op haar bil, haar borst, een smurf die ‘per ongeluk’ tegen haar op botst… Soms bellen ze aan, soms staat er een hele rij wachtende smurfen voor haar voordeur, velen met een bijna smekende blik in de ogen. Ze heeft er genoeg van. Wie heeft dit bedacht zeg, één vrouw in een wereld droppen waar uitsluitend mannen wonen? Ze besluit actie te ondernemen. Wat kan ze doen? Bij Grote Smurf haar beklag doen? Per slot van rekening heeft hij haar dit uiterlijk gegeven. Helaas is hij zelf voor haar gevallen. Rik Devillé lijkt haar een veiliger optie. Hij luistert geduldig naar haar verhaal, maar kan haar niet helpen. Smurfen zijn geen geestelijken. Hij verwijst haar door naar tekenaar Peyo. Ze is tenslotte ontsproten aan zijn brein. Peyo luistert aandachtig en stelt voor een dorp te creëren met alleen maar vrouwelijke smurfen. Dat lijkt Smurfin wel wat. Opgelucht en blij gaat ze terug naar huis. Wat blijkt? Haar roze huisje is plots omgeven door keurige huisjes en villa’s met nette gazonnetjes en dito bloemperkjes. Ze herkent het dorp haast niet meer. De rivier die door het dorp stroomt, is geel en smaakt naar Fanta. De meeste bomen zijn van chocolade, inclusief de bladeren. In de hoofdstraat opent een beautyshop de deuren, daarna nog een, een nagelsalon, een tearoom die heel elegante gebakjes aanbiedt, een chique kledingzaak, een wolwinkel, een naaishop, een yoga- en dansstudio. Voor Smurfin is het nu een belevenis om door de hoofstraat te lopen. Ze weet niet wat eerst gedaan. In een mum van tijd maakt ze tientallen vriendinnen. Ze spreken af op terrasjes en kletsen erop los. Maar dan pakken de eerste wolken zich samen. Het begint met een roddel. De borsten van Sassette zouden niet echt zijn. Waarop wordt gezegd dat Juliette ergens een onecht kind verborgen houdt. Cosette zou ‘s nachts stiekem naar het mannendorp gaan, een riskante onderneming want daarvoor moet een bergketen en een ravijn getrotseerd worden. Hele groepen smurfinnen praten niet meer met elkaar, er vliegt al eens een scheldwoord over en weer. In het kapsalon wordt het haar van Cosette ‘per ongeluk’ paars gekleurd… De gemoedelijke sfeer in het dorp is ronduit toxisch geworden. Smurfin durft haast de deur niet meer uit. Wanneer in de tearoom een discussie escaleert – eerst wordt er met taartjes gegooid, vervolgens met handtassen gemept tot tenslotte de plukken haar in het rond vliegen – is het voor Smurfin welletjes.  Weer zoekt ze Peyo op en schetst hem de situatie. De tekenaar zit met de handen in haar. Hij weet het ook niet meer, hij is immers geen psycholoog. “Het enige wat ik kan doen is de twee dorpen samenvoegen en zien wat dan gebeurt.” Zo gezegd zo gedaan. Hij tekent een weg door de bergen, een brug over de ravijn en verbindt zo de twee dorpen. Vervolgens verschijnen de eerste mannelijke smurfen. Er opent een bruine kroeg waar hardrockmuziek weerklinkt, gevolgd door een elektronicazaak en een kampeerwinkel. Wat verder verschijnt de eerste garage en een doe-het-zelfmarkt. Er wordt al eens een smurf verliefd op een smurfin en omgekeerd. Er wordt getrouwd, kleine smurfjes worden geboren. De gemoederen zijn bedaard, het evenwicht is hersteld – toch voor de cisgenders onder de smurfen. Smurfin kan eindelijk in alle rust het verhaal verlaten. Ze verhuist naar de paddenstoel van kabouter Wesley, een goeie vriend. Ze leidt er nog een lang, onbezorgd bestaan en lacht zich te pletter met zijn avonturen.    

VeerleDosogne
7 1

12. Het kleurloze Kasteel (🤞)

'Ik heb het Putvolk gezien.' Hij beschreef in geuren en kleuren zijn ontmoeting met Lafyra, zijn vlucht uit het kasteel, die hem rechtstreeks naar Orfà leidde. 'Ze zag me wel zitten,' eindigde hij met een vrolijke noot zijn relaas.  'Wauw, dat klinkt als een geweldige ervaring,' lachte Alex. 'Jammer dat ik er niet bij was. Vertel ik aan Serafijn dat je hem ingeruild hebt voor een Putmeisje?' Alex deed hard zijn best de toon luchtig te houden, het brak Elions hart.  'Hoeft niet, hij vindt wel iemand anders. Hij en ik... het zit er toch niet in. Serafijn trouwt een respectabel man, geen smokkelaar van de Liga.' Elion staarde met wijdopen ogen naar het plafond.  'Denk ik niet, zoals die barman naar je kijkt, zit je geborgen voor de rest van jouw dagen... wel, ik bedoel...' Alex ademde beverig uit. 'Hoe dan ook, ik word niet de boodschapper van jouw overlijden. Ik kan me de blik op zijn gezicht al voorstellen. Om nog niet te spreken over jouw kleine broer!' Zijn ogen werden groot van ontzetting.'Nee hoor, dat kan je mij niet aandoen. Ik kan Felix toch niet gaan vertellen dat jij niet meer terugkomt?' 'Je hebt nog tijd om iets voor te bereiden, ik help je wel. Straks, nu wil ik slapen,' mompelde Elion. De hitte trok hard aan zijn ruggengraat. Hij lag doodstil, in een wanhopige poging het beest tussen zijn ingewanden in slaap te sussen. Als hij zijn ogen sloot, dan kon hij het zien: loerend naar zijn zwaar pompende hart, met zijn klauwen diep in Elions vlees geslagen. Alex leunde, met zijn handen diep in zijn zakken, tegen de deur en greep vervolgens zijn jas. 'Vergeet het,' onderbrak hij de sombere stemming. 'Echt, ik ga hier niet staan toekijken hoe jij crepeert. Je hebt nog wel enkele uren, ga verdomme niet dood. Ik ga hulp halen.' 'Nee, niet weggaan! Ik wil niet alleen blijven, Alex, wacht op mij, ik ga mee !' Elion veerde overeind, sprong van het bed en klapte dubbel. Alex duwde het vuilbakje met zijn voet zijn kant uit, net op tijd: Elions ingewanden maakten een dubbele salto en de pijn greep hem bij het strot. Toen hij uitgekotst was, was hij alleen. De stilte in de kamer bezorgde hem een enorm gevoel van eenzaamheid. Er zou niemand echt om hem treuren, als Alex er ook al vandoor muisde, dacht hij droevig. 'Hoi.' Elion opende één oog. 'Schuif eens wat op, dan kom ik erbij. Ben je ziek?' Een koele vinger streek het haar uit zijn bezwete gezicht. 'Je gloeit.' 'Hallo niet bestaande Serafijn. Ik ga dood, steenspoorvergifting. Het doet pijn.' 'Arme jongen, dat is inderdaad een rottige manier om dood te gaan. Ik had niet gedacht dat jouw dag zo zou eindigen.' 'Ik ook niet. Het moest een standaardinbraak worden. Cornélia vilt me.' 'Hmmm, ik vrees dat ze de kans niet meer krijgt, lief.' 'Bedankt, ik dacht dat jij tactvoller was.' Elion keek hem met gloeiende ogen aan. 'Ik ben hier niet, Elion, dat weet je goed genoeg. Maar laat dat de pret niet bederven.' Serafijn trok zijn schoenen uit, schopte ze tegen de muur en knoopte, met één oog op Elion, zijn hemd los. 'Je staart, lief.' 'Ik mag, ik ga dood. Staren mag als je dood gaat, zeker weten. Niet te snel, Serafijn,' fluisterde Elion dankbaar voor deze speling van zijn brein. Serafijns strakke lijf benam hem de adem en verzette toch even zijn gedachten.  'Niet te snel wat?' Serafijn schonk hem een half glimlachje. 'Niet te snel uitkleden, ik wil... o, niet weer!' Hij dook snel naar het vuilbakje en ging minuten later, hijgend en klam van het koude zweet weer liggen. 'Ik wil kijken.' 'Je wilt dat ik voor je strip?' Serafijn schoot in de lach. 'Niet waar, wil dat je jou heel langzaam uitkleedt en mij laat toekijken,' fluisterde Elion, met zijn ogen stijf dicht. Het beest in zijn buik rekte zich genietend uit en likte loom zijn lippen. Elion schoof dat beeld aan de kant en concentreerde zich op lief. 'Dat, Elion, is de definitie van strippen, ik hou het voor een andere keer, beloofd. Dan doe ik ook een gepast muziekje. Maak plaats, jongen.' Serafijn kwam naast hem liggen. Elion vleide zich tegen hem aan. Hij tekende met zijn vinger krulletjes op Serafijn buik en sloot zijn ogen. Dit was af, meer mocht hij niet eisen, dacht hij doezelig.  'Vertel me over de stoel, die was mooi. Kunnen we hem in De Donderklif zetten, bij de haard ofzo. Hij was eenzaam.' 'Het is een troon, zou Felix zeggen,' begon Serafijn zacht. 'Stoelen zijn voor het gewone volk, tronen zijn voor koninklijke achtersten. De Vlameiktroon gaat al eeuwen... Elion? Hé, lief, wakker blijven. Elion? Elion! Help, iemand? HELP!'   The end Hallo Dit is ons eerste hoofdstuk, opgedeeld in twaalf stukjes. Nu stop ik met droppen. De tekst is hier speciaal achtergelaten voor de andere helft van het duo: Alice, die intstaat voor de illustraties die u kon terugvinden bij de tekstjes. Azertyfactor was onze ontmoetingsplaats. Hartelijk bedankt om ons een plaats te gunnen op het forum: tussen de gedichten, de poëzie en betekenisvolle teksten viel ik een beetje uit de boot met een verhaal over een dief, een spookkasteel en magie, maar ik ben blij dat het kon en mocht. Schrijven voor 'onbekenden' vergroot de druk om het op zijn minst zo goed mogelijk te doen. 'Het Kleurloze Kasteel' wordt afgewerkt en dan zien we wel weer. We verkochten ons eerste en enige projectje Oudpark voor het goede doel. Misschien wordt dit ook de missie voor Azamerik en co... Ik wens iedereen nog heel veel schrijfplezier, Met vriendelijke groeten, Kat.      

Kat.
8 1

11. Het Kleurloze Kasteel

Elion overwoog of het de moeite waard was om terug te keren om de buit op te halen. Maar hij was toch al hopeloos te laat, het kon best wachten tot morgen. De straf zou er niet lichter of zwaarder op worden, dacht hij moedeloos. Cornélia hield niet van laatkomers. 'Morgen lukt even goed, dan zijn we met twee,' mompelde hij. Dat vooruitzicht, dat zijn vriend en partner in crime, hem morgen kon vergezellen, stemde hem iets vrolijker. In daglicht en in gezelschap van Alex, zou een bezoekje aan het Kleurloze Domein aanvoelen als een wandeling in het park. Elion hervatte met hernieuwde moed de terugtocht. Hij veegde zonder nadenken het zweet van zijn gezicht. Het was een snikhete nacht, zo leek het hem. Hij was er niet treurig om, na al die regen voelde opwarmen zalig. 'Ow...' Hij verstrakte toen een pijnlijke kramp door zijn buik schoot. Hij verweet, bij de volgende kramp, zijn ontbijt, want hij had nog niks anders gehad. 'Slechte melk,' mompelde hij toen zijn maag hard samentrok. Hij stommelde naar de berm, klapte dubbel en kotste, in één hete brij, het betreffende ontbijt weer uit. Hijgend bleef hij staan. Zijn oren ronkten diep en hij kreeg met moeite zijn zicht nog scherp. Er bekroop hem een onbekende angst. Hij draaide zich om, in de richting van het kasteel, maar dat was al lang niet meer te zien. De weg naar het gehucht waar ze verbleven was lang, om de haverklap werd hij overvallen door buikpijn, die hem letterlijk op zijn knieën dwong, met zijn armen stevig rond zijn buik geslagen.  Het liep al tegen de ochtend toen Elion zichzelf de trap opsleepte van de herberg, waar niemand van de vroege aanwezige gasten, druk bezig met het wegwerken van hun ontbijt, ook maar omkeek of vragen stelde. De barman, een jonge, slungelige knaap met hoogstens drie levensjaren meer op de teller dan Elion maar met de heldere blik van iemand die pas de wereld ziet, volgde hem met argusogen. Onzeker of hij misschien beleefd moest polsen naar Elions welzijn. 'Het is die smokkelaar van de Liga, hoort bij die knappe vent uit kamer zeven. Laten lopen,' bromde de waardin, met een boze blik op Elion. 'Waag het niet om dood te gaan in het bed, kereltje, dat zorgt voor gedoe.' Elion negeerde de opmerking en slofte uitgeteld door de gang, tot aan de zevende deur. Hij klopte aan en zonk, met zijn rug tegen de tegenovergestelde muur, op de grond. Op het einde van de gang sloeg snel een deur dicht. Hij kroop op zijn knieën en kotste smurrie en bloed uit op het mottige tapijt in de gang. Daarna ramde hij zijn vuist opnieuw op de deur. 'Ik kom, maak je niet druk.' De deur werd op een kier gezet. 'Waar heb jij zo lang uitgehangen,' sprak zijn leermeester zacht. 'Ik heb me ongerust gemaakt en... ' Zijn blik viel op Elion. 'Ik voel me niet goed.' Elion strompelde, in één lijn langs Alex, naar de vuilbak, zeeg op zijn knieën en kotste tot hij uitgeput was. Zijn vriend staarde hem verbijsterd aan. 'Dat lijkt me licht uitgedrukt,' mompelde hij voordat hij de deur dicht smeet, net op tijd om de schelle stem van de huishoudster buiten te sluiten, die liep te krijsen over het braaksel op haar 'dure' tapijt. Elion had een hele weg lopen piekeren over zijn plotse, snel opkomende misselijkheid. Hij had, doorsnee, een maag van beton. 'Steenspoor,' kraste hij. Alex ogen werden groot van afgrijzen. Steenspoor was een veelvoorkomende plant in oude gebouwen en al giftig voor wie er ook maar verkeerd naar keek. En de plant groeide bijzonder goed, in de vochtige, donkere wachttoren van het kasteel. Elion voelde zich ellendig en dat verbeterde niet onder Alex' geschokte blik.  'Kijk niet zo.' Hij sloeg zijn hand voor zijn mond maar kon het niet tegenhouden. Hete smurrie spoot langs zijn neus en mond naar buiten tot de tranen in zijn ogen stonden. Hij had anderen zien creperen door steenspoor en hij was niet gebleven tot het einde.  'Je bent gaan dolen in het Kasteel. Hoeveel keer moet jou iets gezegd worden voordat je luistert?' Elion schrok van de toon in Alex' stem.  'Het was niet vrijwillig.' Hij stroopte zijn doorweekte plunje van zijn verhitte lijf en ging languit op het bed liggen. Hij was buiten adem, alsof hij tien kilometer had gerend. Alex keek, van op de rand van het bed, wantrouwig toe. 'Lafyra wachtte me op, ik kon geen kant op. Getver, het doet pijn, Alex.'  Elion staarde met doffe ogen naar het plafond. Hij zou doodgaan in een mottige hotelkamer, negentien jaar jong, ver van huis en zonder de goede zorgen van zijn pleegmoeder. Hij veegde zijn neus af aan de rug van zijn hand. 'Ik ben bang, ik wil naar huis. Ik wil naar Egga.' 'Jah, ik ook.' Alex trok hem stevig tegen zich aan. Elion barstte in tranen uit, niet langer in staat zich dapper te houden.  'Sttt, jochie, stttt, het komt wel goed,' mompelde Alex in zijn haar, evenzeer om zichzelf te kalmeren. ´Leugenaar.´ Beide vrienden omklemden elkaar in een stevige omhelzing. Elion haalde diep adem en kreeg zichzelf weer in de hand toen doordrong dat Alex trilde als een rietje. Steenspoorvergifting was geen pretje. Niet voor de gedoemde en misschien nog minder voor diegene die niets meer kon doen dan wegmuizen of toekijken. ´Het spijt me,´ zei hij kleintjes. Alex gromde iets, kwam van het bed en ramde zijn vuist tegen de arme muur.  'Hé, kan het daar wat stiller, ja?' blafte een norse stem. 'De kuisvrouw,' giechelde Elion plots. Hij tuurde met een rood, vlekkerig gezicht naar zijn vriend en veegde verlegen zijn wangen droog. Alex lachte niet.  'Bedankt voor de huilbui,' zei Elion met een manhaftige poging tot een glimlach. 'Die had ik nodig en.... oooooo, wanneer houdt het op?' Zijn organen losten op, letterlijk. 'Laat maar, ik hoef geen antwoord. Het joch is al dood, dat bedoelde die ouwe heks dus, ik haat het dat ze gelijk heeft.' 'Heks?' Alex trok grote ogen en de bedrukte blik maakte plaats voor eentje van opperste verbazing. 'Over welke heks heb jij het?' 'Wordt nog één keertje vervolgd)

Kat.
4 1