Zoeken

Jobstudenten aan de macht

De airconditioning blaast op 12. De muziek dreunt 28. Welkom op Camping Summer Bash Supermarkt! “This ain't nothin' but a summer jam. We're gonna party as much as we can”De overheid kondigde gisterenavond een hitteplan af. Als een brave burger met burgerzin winkel ik in de voormiddag en schuil voor de rest van de dag, thuis met de rolluiken dicht. Eindelijk, ik heb de zelfscankassa bereikt. Ik wil hier weg! Mijn maag krimpt voor de zoveelste keer in elkaar. Waarom staat die airco zo koud? En de muziek zo luid? Ik word oud.Ik scan haastig mijn laatste boodschappen: nog één krop botersla en vier tomaten. ‘Hallo mevrouwtje! Even controle van uw boodschappen!’ , een zestienjarige in een donkerblauw t-shirt met op zijn rug in witte letters “Jobstudent”, spreekt me iets te vlot aan.Ah, zo wordt hier de rangorde bepaald. Ik kijk terug de supermarkt in: vandaag zijn er alleen maar donkerblauwe t-shirten aan het werk. ‘Moet dat echt? Ik heb net alles in mijn rugzak gestoken. Alleen nog deze tomaten…’‘Ja, sorry mevrouwtje, ik doe ook maar mijn werk’, zegt hij met kalme stem en laadt mijn rugzak terug uit. Hmmm… De sfeer tussen ons zakt tot onder het vriespunt. Als hij hier de regels maakt… Wat een sfeerspons! ‘Ben jij dan ook verantwoordelijk voor de airco en de muziek? Moet ik voor mijn bezorgdheden daarover bij jou zijn?’ , antwoord ik bits. Hij reageert extreem ontspannen: ‘Nee mevrouwtje, daarvoor moet je bij Jeffrey zijn. Hij zorgt voor de coole sfeer en de heerlijke beats. Zal ik hem voor u oproepen? Hij is vanachter de camion aan het lossen’ en tikt op zijn zwarte walkie-talkie-headset. Lap! Hier weet ik geen repliek op. Dju! Ik weet niet wat zeggen. Op mijn plaats gezet door een zestienjarige jobstudent. Ik prop verongelijkt mijn boodschappen in mijn rugzak en zwier hem op mijn rug. Ik marcheer met mijn neus in de lucht naar buiten en scoot weg, als een hippe vogel op mijn elektrische step. ‘Zucht! De jeugd… Sinds wanneer hebben die het hier voor het zeggen…’

Evelien Meulders
44 1

onderhuids 2

  De vrouw kwam echt niet terug. Daar was ik van overtuigd toen ik al een week op het gras voor het apartment wachtte. Iets anders kon ik het niet noemen. Soms glipte ik naar binnen en stal net genoeg geld van mijn ouders om batterijen te kopen. Dubbel A. Die stak ik dan in mijn gameboy en kon ik verder spelen. Er lag wel altijd ergens wat geld. Ik zocht in jassen en lades en als die bronnen uitgeput waren durfde ik zelfs in de spaarpot te graaien. Het was een kleine porseleinen pot waar wisselgeld zat om brood te kopen. Ik hield van het gevoel een zak vol kleingeld te hebben. Als een zak steentjes voor een ballon drukte me het op de aarde. Is geld niet de ultieme geluksbrenger? Ik keek af en toe op en inspecteerde de passerende wagens. Geen enkele sportwagen voldeed aan de criteria. Soms kwam een vriend. Die gooide zijn bmx op de grond en zette zich langs me. Hij speelde ook op de gameboy maar zei nooit veel. Om kwart voor zes stapte hij op en verdween uit mijn blikveld. Om zes uur ging ik naar huis. Ik telde nog steeds de trappen. En ik bekeek nog steeds aandachtig de tekening die ik aan de deur had geplakt. Eens ik zeker was dat die echt van mij was, ging ik naar binnen. Soms stelde ik me voor dat er zo een andere tekening geplakt was tegen een deur dat veel op de onze leek. En iemand dat veel op me leek maar niet was, deed hetzelfde. Ik denk dat ik uiteindelijk iets van de vrouw had vernomen. Of misschien toch een echo van haar. Toen ik ging fietsen zag ik een auto. Hij lag verlaten op een parking. Op de ruit stond een vuil papiertje. En ik voelde iets. Het leek wel of mijn geest zich terugtrok naar een donker hoekje in mijn hoofd. Ik zag mijn eigen hand in de felle middagzon grijpen naar het papiertje. Mijn handen opende voorzichtig het vermorzeld papiertje en zette het voor mijn ogen."Sorry voor de krassen."Meer stond er niet op, maar ik stelde me voor hoe het meisje met de sportwagen hier langs was gekomen. Hoe ze snel een brief achterliet. Pas nadat ik fantaseerde over hoe ze het briefje schreef, kwam ik terug tot mezelf.  Ik zat weer in mijn lijf. Ik opende en sloot mijn ogen, mijn handen. Ik sloot mijn mond. Alsof ik bang was mezelf uit te ademen. Tot ik als een lege schelp zou achterblijven naast de verlaten wagen. Misschien stootte ooit wel iemand tegen me aan, en propte dan een papiertje in mijn mond. "Sorry voor de krassen."

Stelselmatig
3 0

Ontslag

Mijn crisis suddert voort, het zet van alles in beweging, het moet zo. Het is zo. Ik ga mezelf niet verdoven. Ik leef en zwem met de bandjes mij meegegeven. Ik zit in de storm en spartel. Maar het mag. Ik beleef de emoties en de valkuilen zoals ze zijn. Ik heb geen angst meer. Ik spring en val.  Ik heb mijn ontslag als regionaal verantwoordelijke gegeven. Ik zoek nu verder, naar werk en leven in balans en laat mijn tijd niet meer bepalen door anderen. Het is niet omdat je voor een ander werkt dat je maar moet doen wat die ander van je verlangt, net zoals in een relatie. Jij bent jij en niet wat die ander wil of verwacht. Je doet je best omdat je in iets gelooft of iemand graag ziet. Tegelijkertijd ben je wie jij bent met heel je bagage waaruit je af en toe iets gooit en soms tegen wil en dank er iets uit op-popt dat je niet had verwacht. Maar goed, dat mag. Leven leert. Dat is je belangrijkste scholing als individu. Ik heb me nu voor een week afgezonderd in Nederland. Om alles op een rijtje te zetten en rust te vinden in dat overactieve brein van me en in die mallemolen van emoties. Schrijfsels vloeien uit mijn hand als nooit tevoren en dat doet pijnlijk goed.  Er is vooruitgang, zoals Gorki zong. Want alles beweegt en God wat hou ik van beweging.  Ik neem afscheid. Van mensen, van het verleden en van stukjes van mezelf die niet echt waren. So long.  Ik ga verder. Ik doe wat ik graag wil doen en zoek daarin een evenwicht. Elke god-niet-te-vergeten-dag opnieuw.    

Bart Vermeer
40 0

onderhuids 1

Een van de meest trieste dingen is, vind ik, alleen verhuizen. Bruin jurkje, bloemenpatronen. Naakte enkels. Ze vulde haar kleine sportwagen zoals ik blokken opruimde. Haar zetel raakte bijna het stuur. Bruine krullen voor haar groene ogen.'Waar ga je?' vroeg ik. 'Weg.''Waarom ga je weg?' vroeg ik.'Is het niet raar dat de dingen die belangrijk zijn, net zo vuil laat worden?'Ze streek met een vinger over het dak van haar auto. Liet haar zwarte wijsvinger dansen voor mijn ogen.Haar auto was inderdaad vuil, de velgen waren stoffig, de voorste zelfs zwart.'Vrijheid is kiezen voor chaos,' zei ze. 'En dat is ook kiezen voor alle onzekerheden en eenzaamheid.''Waarom? Waarom kies je dan voor al die dingen?' vroeg ik.Deze hele ontmoeting had iets magisch. Een zekere wortel van het lot dat even boven de grond stak om zich dat in de kern van de aarde te begraven. Een voorstukje uit een film.Ik had een paar jaar geleden ook zoiets meegemaakt. Deze vrouw liet me daaraan denken. Ik kwam terug van school, zette de fiets weg en stormde de trappen op. De boekentas bonkte op mijn rug, het lawaai galmde door de hal.Wat ik niet doorhad, eerst, is dat ik in al mijn enthousiasme een verdieping te hoog klom.De deur zwaaide open en de rugzak gleed van me af. Het viel me niet direct op maar het voelde allemaal net iets anders. Ik groette mijn ouders, ze keken star naar buiten. Er was een lege cribbe in de woonkamer, onder het raam. Ik vroeg hen waarom dat daar lag. Ze hielden elkaar vast, ze zeiden niets. Ik nam een koek uit de kast.In mijn kamer viel het me op hoe alles op een andere plaats lag. Mijn witte bed, witte kast en bureau. Een doos vol autotjes en een speelmat met een stratenplan. Ik haalde mijn schouders op en speelde op de mat met de autos.Een vreemd gevoel bekroop me, ik keek op. Aan de deur zag ik mezelf naar me kijken. Lijkbleek.Mijn hart sloeg over, als een oerkreet van miserie. Zwak. Trillerig. Ik keek de jongen aan. Toen wist ik wat ik voelde, ik hoorde hier niet thuis.In een panische toestand schoot ik langs hem heen en rende ik naar buiten.Ik was bijna bij mijn fiets toen ik mijn moeder zag. Mijn echte moeder.Mijn echte, bange, trillerige moeder. Ze vroeg me waar ik was geweest. Datzelfde gevoel had ik nu met de verhuizende vrouw. Die verlatenheid. De eenzaamheid van kartonnen dozen, wankel gestapeld op lederen zetels.'Soms wordt vrijheid je aangeboden, soms verworven,' zei ze. 'Je moet het altijd overwegen. Twijfelen als een pendule. Dat ben je op de juiste plek.'Mijn hoofd duizelde van zoveel uiteenlopende onderwerpen. Ze leek willekeurig haar ballast in de zee te gooien. Ik was het net dat haar schatten opviste. Ze sloot de deur en de motor zoemde.Ik keek haar zwijgend na tot ze rechts afsloeg bij de rotonde. In mijn hoofd stelde ik me voor dat ze voor altijd die rotonde nam. Als een goudvis in een kom. Die kom, stelde ik me voor,  zou ik altijd proper houden.

Stelselmatig
10 0

Vogelliefde in tijden van Alzheimer

We woonden samen in een gezellig appartement op de derde verdieping in een winkelstraat. Hadden elkaar leren kennen in een dierenwinkel. Geen handleiding of proeftijd nodig,  Jij en ik wisten het meteen: hier zit muziek in. Ons duet floten we sindsdien elke dag in drie strofen. Ontbijt Ik vond dat je toch wel echt lang achterbleef: “Is hij nu al wakker of niet? Ik kon maar niet stoppen met ijsberen. Het kleine mintgroene keukentje had al eerder die ochtend het ontbijt van mevrouw verorberd. Maar nu was het toch hoog tijd voor de tweede ronde, die van jou Balthazar. Hey Piet, al wakker? Riep je me toe vanuit de gang. Je oude lijf volgde je woorden en daar was je weer. Zoals elke dag op jouw plaats aan tafel, recht tegenover me. Al wakker Piet, goed geslapen, Ja? Jazeker. Balthazar maakte zijn ontbijt klaar, boog voorover om te happen naar de boterham met gelei, dronk zijn koffie en water met laxeerpoeder en slikte er ineens zijn ochtendpillen mee af. Je leek zo ver weg maar als ik naar je floot,  keek je op en floot je terug. En dan voelde ik me zweven. Middag Aha, daar ben je weer. Je verdween deze morgen uit de keuken zonder iets te zeggen. Ik hoorde mevrouw wel antwoorden dat je je pijnstiller krijgt en maar even op bed moest gaan liggen. Geen idee dat dat voor de hele voormiddag zou zijn. Die heerlijke kervelsoep drong je neusgaten binnen en lokte je terug naar je plaats in de keuken. We keken elkaar aan en ik vroeg me af hoe je je nu voelde. Nog hoofdpijn? Je vertelde me dat nog maar 1 van de 2 kwabben in je hoofd werkte en al het werk moest overnemen. Die hoofdpijn, je zei soms ‘ik denk dat ik gek word’. Piet, heb je nog eten, Piet? Hield ervan dat je zo met me inzat, ook vroeg je me dat zes maal per dag. Stond eigenlijk op dieet, anders dan jij met je rijstvlaai. Ik kon er toch van smullen als ik je zo  zag genieten. En als ik naar je floot, dan floot je terug. Avond Naarmate de dag passeerde, nam de vermoeidheid het van ons over.  We mijmerden elk op onze eigen stek. Je noemde me nog niet zo lang Piet. Eigenlijk had je me Jef gedoopt maar bij het sterven van mijn broer Lowie koos je radicaal voor een nieuwe identiteit. Piet dus met Lowie in het spiegeltje. Want in je hoofd hoor je me fluiten en dat is ons refrein.

Els Wouters
23 1

Tijd om naar binnen te keren

Vandaag heb ik gecontempleerd. Een woord dat nog steeds niet even goed klinkt als zijn betekenis. Het klinkt alsof ik in een discussie in het stof heb gebeten (Je hebt gelijk, bij deze contempleer ik), dat ik vrede heb genomen met een slechte eigenschap van mezelf (Vandaag moet ik me weer eens contempleren met mijn aangeboren luiheid) of dat ik de zaken nodeloos heb vertraagd (Had ik de situatie niet danig gecontempleerd, waren we op tijd kunnen vertrekken). Het klinkt zeker niet als bespiegelen of mijmeren. De op hol geslagen etymoloog in mij hoort er con-tempus in, ‘mee-tijd’*. Zoiets als een samenvallen met de tijd, waarbij je er dus ook niet aan hoeft te denken. Zo voelt het ook, terwijl ik op ons buitenterras zit, een toonmodel van Makro dat ik destijds kon meepikken voor een prikje. Het gevoel vangt me op een onbewaakt moment, een tel tussen twee geplande invullingen van mijn tijd. Ik ben een boek aan het lezen – meer bepaald Het Lorchter Syndroom van D. Leue, in het gezelschap van een volgens Romaanse traditie gekoeld glas rode wijn. Vrouw bevindt zich buitenshuis, kinderen trotseren dromen van 27 graden in hun kamer. Het hoofdstuk is uit, de wijn in de man en het wordt tijd om mij naar de keuken te begeven voor de volgende taak van huishoudelijke aard. Maar ik beweeg niet, ik voel de tuin aan mijn blik trekken, om mijn aandacht schreeuwen. Meestal ontstaat er dan een horror vacui, een angst om achter te blijven met een gevoel dat ik niets heb gedaan. Vandaag gelukkig niet. Ik geniet van het groen. De trompetboom die ik vorig jaar plantte draagt een weliswaar bescheiden maar fiere kruin als een Braziliaanse verenhoed. Zijn bladeren dragen de belofte van lommerte in zich. Groene vingers heb ik allerminst, het groen is eerder achter mijn oren te zoeken als het aankomt op tuinieren. Te meer dat ik een niet misplaatste trots voel wanneer ik de boom zie floreren. Christophe Vekeman, een van mijn schrijfhelden, gaf me onlangs een compliment met een scherp randje: “Wat hij te vertellen heeft is niet spectaculairder dan wat eender wie te vertellen heeft, maar het wordt met humor gebracht en je beleeft er een esthetisch genoegen aan.” Ik antwoordde hem toen met een kwinkslag dat ik inderdaad geen hol beleef. Nog steeds erg dankbaar dat hij die woorden over had voor mijn blog, maak ik nu abstractie van het woord ‘beleven’. Het is waar dat ik geen stront heb geschept op een Oegandese boerderij of dat ik niet bont en blauw ben geslagen door mijn vader, maar zijn wij dan gedoemd om niets te beleven? Ik lig ondertussen languit in hetzelfde terrasmeubel, met mijn hoofd turend naar de zwaluwen die dansen en draaien en duiken in het luchtledige. Beleef ik dan helemaal niets wanneer ik word meegenomen in deze poëtische zwaluwzwerm? Deze wolkenwals? Dit blauwwit ballet? Zwaluwen zijn vogels die niet in groep vliegen, maar ik ben getuige van het tegendeel. Volgens mijn vrouw vangen ze muggen, die zich wel in zwermen verplaatsen. Het is een individuele vlucht in groep, zoals mensen vandaag met elkaar omgaan. De zwaluwenzang vervoert me naar een onbestemde plek. De tijd staat stil. Duizend gedachten passeren de revue: van hoe de kruin van de trompetboom mijn vadergevoel aanwakkert, over de mondelinge test die ik deze ochtend heb afgenomen bij een Oekraïense cursiste, die een traan liet nadat ze een haast feilloos examen had afgelegd maar van de emotionele weeromstuit aan haar thuisland moest denken; de gazpacho die daarstraks niet in de smaak viel bij mijn kroost vanwege de idiosyncratische eigenschap van gazpacho, namelijk dat hij koud wordt gegeten, en de complimenten die ik mocht ontvangen nadat ik de twee kommetjes een minuut in de microgolfoven had gestoken; tot de eigenzinnige opbouw van de structuur in Dimitri Leue’s roman, een aanrader overigens. Al deze bespiegelingen vullen mijn hoofd en tegelijkertijd ontstaat er een witte vlakte, een diffuus diafragma, een troebele lens. Geen onbeschreven blad, maar een hele tekst die te vaag is om te lezen. Geen verlaten plein, maar een hoop contourloze figuren wiens gedempte stemmen roepen om aandacht. Leger dan dit kan ik mijn hoofd niet maken.Ik voel de avond aarzelend maar meedogenloos vallen en besluit stilaan naar binnen te keren, hoewel ik het laatste uur niets anders heb gedaan. *na enig opzoekingswerk blijkt de juiste oorsprong van het woord toch iets heel anders. De ‘con’ klopt nog, maar het tweede deel komt van ‘templum’ wat de grenzen aangaf van het gebied waarin een augur werkte. Een augur was een Romeinse priester die, vaak door naar vogels te kijken, de toekomst probeerde te voorspellen.

Lennart Vanstaen
2 1

Nietszeggend

Sjors en Femke: dat is het enige dat ik herinner, hun namen. En dat vind ik een hele prestatie van mezelf. Ook al lopen deze nieuwe buren na het voorstellen, op dit moment, ons grindpad af op weg naar de overburen.    Het lijkt mij niet een leuk stel, maar ook geen niet-leuk stel. Een gewoon stel, zou je dan zeggen, maar nee, dat is het ook niet.    Al tijdens het monotoon, nasale praten van Sjors probeerde ik uit te vogelen wat voor types ze waren. Femke keek schuin naar beneden langs mij, alsof in het verlengde van mijn rechterelleboog een stip op de keukendeur was getekend die ze niet uit het oog mocht verliezen. Verlegen mensen kijken ook vaak naar beneden en naast je, maar die gluren héél af en toe naar je kin en als de sfeer goed is, schampt hun blik je neus. Ze keek niet verlegen, je zou kunnen beargumenteren dat ze niet keek, of preciezer geformuleerd: ze keek niet bewust, ze had haar ogen open uit gewoonte, maar zonder verder doel.    Ze waren niet saai, want saai is een kwalificatie van een vervelend alledaags karakter waar je van gaat gapen of waarvan je juist onrustig wordt omdat je zoekt naar een ontsnapping. De term karakter was het probleem, ze toonden noppes-en-nullemans karakter.   Leeg dan? Dat ook niet, mensen die met lege ogen naar je kijken, tonen in die blik en bijbehorende houding vaak de geschiedenis waardoor die leegte is ontstaan. Het leven is hard voor ze geweest, waarbij een verlies van een geliefde of kind of het verraad van de wereld een diepe krater in hun gevoel heeft geslagen. Leegte is zonder twijfel een duidelijke kwalificatie van karakter, je zou kunnen argumenteren dat dit een sterk karakter weergeeft, omdat de schrijnende geschiedenis er doorheen gloeit.    Sjors en Femke waren karakterloos. Waarbij ik aan moet geven dat dit niet bedoeld is als een negatief keurmerk, niet op de manier zoals vaak een gewetenloze crimineel wordt beschreven die ouderen oplicht en voor de rechter zonder berouw grinnikend vertelt over Oma Flus die met aandacht haar spaarvarken voor hem kapot tikte.    Zij waren zonder iets, een lichtgrijze vlek op een lichtgrijze achtergrond. Begrijp mij goed, dat is iets anders dan een zwarte vlek op een zwarte achtergrond of een witte op een witte. Zwart en wit zijn krachtige kleuren, al vindt de purist dat zwart geen kleur is en wit alle kleuren, je weet wat ik bedoel. Zwart en wit spreken met een flink volume in de ruimte, ze hebben het vermogen ruimte in hun bezit te nemen om deze niet meer te afstaan. Zwart en wit zijn in staat een ruimte te definiëren.    Sjors en Femke niet, die namen nauwelijks het drie-bakstenen-diepe richeltje in bezit dat wij ons stoepje noemen. Ze zullen vast een schaduw hebben gehad, maar zelfs die was onzichtbaar.    Nietszeggend, dat is de beste omschrijving die ik kan geven. Het dekt niet de hele lading, want enige lading zit er bij hun niet in, maar dit woord komt goed genoeg in de buurt. Ze waren nietszeggend.   Hun gezichtstrekken vervaagden binnen een seconde nadat ze omdraaiden, ze zijn het grindpad af en ik ben de kleur van hun kleren vergeten. Al hadden ze in hun poedeleniksie voor mij gestaan, ik zou het niet meer weten.   Ik vind het al een hele prestatie dat ik de namen Sjors en Femke heb onthouden.   Sjors en Femke. Om eerlijk te zijn klinken die namen niet eens beroerd. Die kan ik tot morgen onthouden.   'Ze lijken mij wel ok,' zegt Janet en ze sluit de deur, 'maar zeker weten doe ik het niet.' Ze kijkt mij peinzend aan alsof ze heel diep nadenkt en schudt haar hoofd waarbij het lijkt of haar iets ontschoten is en niet meer terug schiet. Ze haalt haar schouders op en vraagt: 'Wat vind jij van Sjoerd en Veerle?'

MCH
22 1