Zoeken

Zeven dagen - fragment

Dit is het begin van "Zeven dagen", een historische roman over de Amerikaanse burgeroorlog van Bert Dekimpe. Meer info en bestellingen: zie www.bertdekimpe.be. Die ochtend namen de drie leden van het gezin Palliser plaats voor het ontbijt aan een rijk versierde tafel in de elegant ingerichte woonkamer van één van de fraaiste huizen in Main Street. De familie behoorde dan ook tot de voornaamste van Richmond. James, het gezinshoofd, maakte als gerespecteerd jurist en vurig pleitbezorger van de onafhankelijkheid van Virginia deel uit van het Congres van de Geconfedereerde Staten. Zijn vader zaliger, de eerbiedwaardige rechter Harrison Palliser, zou trots geweest zijn op zijn zoon, en zijn grootvader Joseph, die nog aan de zijde van Washington had gevochten tijdens de revolutie, nog veel meer. Een nieuwe naam zou er aan deze lijn van succesvolle Amerikanen niet toegevoegd worden, want James’ vrouw Martha had hem enkel een dochter geschonken. Harriet was net eenentwintig geworden. Een knappere jonge vrouw met mooiere blonde krullen was er in de stad niet te vinden, maar ook geen enkele die haar vaders geduld zo koppig op de proef kon stellen.Of dat van haar moeder. Harriet keek haar met een diepe frons aan toen Dorothy het ontbijt opdiende. ‘Maïsbrood?’‘Ook voor ons soort mensen worden de gevolgen van de blokkade stilaan voelbaar, lieverd. Wees blij dat we tenminste nog van een uitgebreid ochtendmaal kunnen genieten. Er zijn mensen die het met veel minder moeten stellen.’Harriet verontschuldigde zich voor haar kieskeurigheid. Moeder had overschot van gelijk. En ze mocht dan wel niet dol zijn op maïsbrood, ze kon het nog altijd doorspoelen met koffie. Echte koffie, gemaakt van echte bonen, en niet van eikels. Ze schonk zichzelf en haar ouders een dampende kop in.‘Laat Dorothy dat toch doen,’ zei haar vader. ‘Straks verbrand je je nog.’‘Dus als Dorothy zich verbrandt, is het niet erg?’‘Wat ik bedoel is dat ik niet wil dat mijn dochter zich bezeert. Dorothy is dit soort dingen gewoon.’‘Wat moet er van mij worden als ik niet eens een kop koffie kan uitschenken? Wat moet er van ons land worden, als het bevrijd is van de Yankees maar voor de kleinste diensten afhankelijk blijft van de negerbevolking?’‘Sla niet zo’n toon aan, meid!’Hoe vaak had James zijn dochter al niet op die manier toegesnauwd? Altijd greep hij dan naar de leuningen van zijn stoel, alsof hij op het punt stond overeind te springen en zichzelf wilde tegenhouden. ‘Straks ga ik nog denken dat je een abolitioniste bent. Het is niet aan ons om de orde die de Heer heeft ingesteld te verstoren. Daar had de dominee het nog over in zijn preek vorige zondag. Maar dat heb je natuurlijk niet gehoord, omdat je weer naar die vlegel van een Goodman zat te lonken.’‘En wat is er mis met Matthew Goodman? Hij is een aardige jongeman. Knap bovendien, als ik zo vrij mag zijn. En hij heeft een goede baan bij de regering.’‘Als klerk, godbetert.’ Haar vader greep naar zijn servet. Hij leek niet alleen de kruimels, maar ook het misprijzen van zijn gezicht te willen vegen. ‘Op de koop toe is hij de zoon van een simpele winkelier. Haal je dus maar niets in het hoofd.’Het typeerde James Palliser dat hij de beste boekhandelaar van de stad een simpele winkelier noemde. Harriet bezocht de Goodman Book Store regelmatig. Haar ouders dachten dat ze er huishoudmagazines en onschuldige damesromannetjes kocht. Soms was dat ook zo. Maar af en toe schoof meneer Goodman haar één van die bijzondere boeken toe die je uit evenwicht brachten, boeken waar je haast fysiek ongemakkelijk van werd en die je achteraf niet meer loslieten. Dat ene boek over het leven van de slaven op de plantages bijvoorbeeld, dat ze vol spanning en in het grootste geheim had verslonden. En in de boekhandel had ze niet alleen geweldige schrijvers leren kennen, maar ook Matthew. Een Hercules was de jongen niet. Hij moest het meer van zijn charme en intelligentie hebben. Een paar jaar lang had ze hem amper gezien, omdat hij studeerde in Washington, waar zijn moeder vandaan kwam. Van zodra de secessie dreigde kwam hij terug naar Richmond en tot Harriets grote vreugde was hij haar niet vergeten. De genegenheid die ze voor elkaar voelden groeide met de dag. Zonder die vervloekte oorlog had hij haar misschien al veel uitgebreider het hof gemaakt, wie weet zelfs ten huwelijk gevraagd. Misschien was het beter zo. Haar vader zou het nooit goedkeuren. Hij droomde ervan om haar te koppelen aan John Cooper, de zoon van een bevriende planter. Geen kwaaie jongen, aantrekkelijk zelfs, maar hopeloos ouderwets. Ze kon zichzelf ook niet aan het hoofd van een grote plantage voorstellen. In de stad hoorde ze thuis, niet op het platteland tussen de tabaksplanten en de insecten. John moest nu ergens aan de Chickahominy gelegerd zijn, niet ver van Richmond. Op onbewaakte momenten hoopte ze bijna dat hem iets zou overkomen. Maar dan schaamde ze zich verschrikkelijk, en bad ze in stilte en vol schuldgevoel voor Johns behouden thuiskomst.‘Waarom zit die kerel trouwens niet in het leger, zoals alle gezonde jonge mannen?’Wat gemeen om daar weer over te beginnen, dacht ze. Hij wist heel goed dat Matthew als overheidsambtenaar vrijgesteld was van militaire dienst. Hij had de conscriptiewet nota bene zelf goedgekeurd. Ze wilde hem net van repliek dienen toen hun andere slaaf binnenkwam. Moses was een opgeruimde knaap van een jaar of vijftien. Harriet mocht hem graag. In de nabijheid van haar vader echter maakte zijn opgewekte en fiere karakter steevast plaats voor onderdanigheid en schrik. Toen hij de krant overhandigde leek Moses wel een kop kleiner dan normaal.Harriets vader nam het dagblad zwijgend in ontvangst en gaf met een wuivend gebaar te kennen dat de jongen kon beschikken. Vervolgens zette hij zich aan het lezen. De bezorgdheid op zijn gezicht nam zienderogen toe.‘De Richmond Examiner lijkt elke week dunner te worden,’ merkte haar moeder op.£‘Er moet nochtans genoeg nieuws te rapen zijn. Ze zeggen dat de Yankees vlakbij zijn en Richmond willen innemen,’ zei Harriet.‘Maak je niet ongerust. Er staan duizenden goed verschanste troepen klaar om de stad te verdedigen. Generaal Lee heeft alles onder controle.’‘Onder controle? Ik kwam gisteren mijn vriendin Louisa tegen. Je weet toch dat ze vlakbij het kerkhof woont? Ze vertelde dat de doodgravers handen te kort komen om de doden op tijd te begraven. Vorige zondag nog lagen tientallen lichamen in de volle zon te rotten. De geur…’‘Harriet, alsjeblieft,’ zei haar moeder.‘Genoeg, Harriet! Die mannen hebben hun leven gegeven voor een nobele zaak. Ze verdienen ieders respect en bewondering.’‘Dat bedoel ik net, vader. Het is een schande voor onze stad dat haar gevallen zonen op die manier behandeld worden.’£‘Het probleem is ons bekend. Ik zal de zaak nog eens bij de stadsraad aankaarten. En laat het ons nu over iets aangenamers hebben. Of beter nog: zwijg gewoon, zodat ik mijn krant kan lezen.’Heel even leek hij zijn zin te krijgen, tot een dreigend gerommel in de verte de stilte aan tafel verstoorde. Gedonder zonder onweer kon maar één ding betekenen.‘Dorothy!’ riep moeder. ‘Doe dat raam eens dicht, wil je?’

Bert
100 1

Datsunboy

  Het is een schoon huis met smerige hoeken. Er woont een advocaat en in datzelfde jaar ben ik drie keer tegen zijn façade gereden. De woonst staat vlak na een nare bocht. Eén keer kwam het door ijzel, de tweede maal lag er een oliespoor en de derde keer was na een happy hour. De cocktail was een mengsel van bruidstranen, sap van appeldoorn en wat bloed van Maria, een kwak cognac er nog bij en de bocht had mij weer uitgelachen. Ik was tegen die gevel beland, opnieuw tegen diezelfde hoek en weer was het met de Datsun van mijn grootvader. In mijn kelder liggen er al twee bumpers, één gekneuzde radiator en drie koplampen met een gebroken bril. Het zou allemaal minder erg geweest zijn mocht daar een windmolen staan, zo eentje als in Damme of te Pittem, een cilindrische of een conische. De Datsun zou afgeketst zijn op de ronding, ik had hoogstens de bumper wat moeten uitbuilen, maar nu had het me telkens aardig wat duiten en veel moeite gekost om de automobiel van bompa Edmong te repareren. Bovendien woont er een advocaat. Die gevelhoek is van hem en ik zag al een proces aan mijn broek hangen. Van een gemoedelijke molenaar kom ik er van af met een vloek, een oorvijg, een muilpeer en de eis om 's anderendaags, samen met Kortjakje, dat bumperspoor te komen wegschilderen, zo dacht ik. Het is de advocaat van de Duvel die daar woont. Nog een geluk. De eerste keer was hij nog naar buiten gekomen, had me aangekeken, diep in de ogen en hij had drie woorden gesproken. Een Datsun begot. Hij was weer naar binnengegaan zonder verder iets te zeggen. Ik zag een licht aangaan in een ruimte met een wc-venstertje. Samengevat, het was een bijna bijbels tafereel. Het leek al vergeven voor het gebeurd was, of lag het aan mijn pupillen? Had hij het gezien? Dat kan. Het was, mijn vriend, minder erg dan een platte kat, minder driest dan een gemolesteerde mol en het is jaren geleden. Achttien moet ik geweest zijn. Ik sta aan het venster van mijn slaapvertrek, zowaar tegen een spin te praten. Ze woont in de rechter bovenhoek van het raam. Aan de buitenkant en het is enkel de kreupele die weer alles weet. Hij heeft een tekening meegebracht van een ezel. Het hoofd lijkt op dat van een zeepaardje.  Mooie pony, zeg ik en hij zal weer met zijn commentaar afkomen. Dat ik in datzelfde jaar vast en zeker ook drie keer mijn beste oog ben kwijtgeraakt tijdens het boogschieten. Dat de kans daarop even groot is. Dat het allemaal verzinsels zijn en bompa Edmong niet eens een Datsun had, maar een Alfa Sud. Nooit zou Edmong een japanner gekocht hebben. Dan nog liever een Italiaanse roestbak. De Japanse vestiging van Lattoflex is intussen al lang failliet. Ik slaap nog slechter dan in die tijd en ik heb er gisteren eentje gekocht. Het autootje zit in een doosje. Het is een Datsun Cherry in een kleine garage van karton en hij is voor Dorian. Morgen wordt hij acht en ik vind het een geschikt cadeau. Hij hoeft de ganse story niet te weten, ook niet dat het een aardig vrijkarretje zou kunnen zijn voor zijn moeder en mijzelf. Het is in ieder geval beter dan een donut in een zakje, een te klein zwembandje, want Dorian oogt ietwat gezwollen en het is ook geen ticket voor een pretpark met 99 luchtballonnen plus 1 grote desillusie. We kunnen toch niet met een Datsun naar Dadizele. Edmong had, en het is waar, een Alfa Sud. Het ding ging twee jaar geleden naar een roesthandelaar in Meulebeke, Edmong in datzelfde jaar naar zijn hemel en morgen zal ik mijn geschenk aan Dorian geven, tijdens de wandeling in het Warandepark. Katja zal mij eerst vragen waarom dat leplampje in haar berghokje nog urenlang blijft nagloeien. Lekstroom van een hart dat altijd bij je is, zou ik willen antwoorden. Er mag ginds in dat park een briesje staan, licht en haast onvoelbaar. Zonnetjes mogen schijnen, desnoods zo flauw en luw als leugentjes van psychologen die het hebben over beterschap. Geef knuffels of gewoon, samen knus bij de haard, vreugde bij een open vuur, vergeef en vergeet, zet een pot vreedzame soep, misschien op een stoof uit Leuven en roer zacht.  Zolang er maar geen kopje van een troeteldier in die pot zit en ik wil nog veel meer aan Katja vertellen, warme woorden fluisteren, avonturen schilderen in haar rode oren, want het zijn niet enkel ledlampjes die nagloeien. Onderzeevulkanen kunnen zo lang en zo hevig nasmeulen dat een opblaasbootje drie mijnenvelden verder vlotjes smelt, danig vervormt dat de hoop om ooit nog wal te vinden weldra naar de haaien is. Ik weet dat van een oud-strijder. Hij is de vader van die advocaat en woont op de eerste verdieping, in datzelfde huis met die smerige hoek. Hij moet er fregatten maken in zijn kamer, modelbouw en de derde keer dat ik er de voorkant van de Datsun geplooid had, is die kwartiermeerster naast me komen zitten op de passagierszetel. Ik was teut, de radiateur liep leeg en de motor begon warm te blazen. Hij draaide aan de contactsleutel en de Datsun zweeg. Mijn hoofd steunde op de wreven van mijn handen die het stuur niet wilden loslaten. De ouwe krijger legde zijn voorhoofdsharen goed en sprak: Big boys don't cry. Hij zong bijna en pas na drie oudstrijdersverhalen was mijn vader daar, met een sleepkabel en een handjevol kaakslagen. Achter zijn Volvo heeft hij de Datsun naar huis gesleurd. Ik zag de molen van Damme passeren, moest af en toe remmen om hem niet de achterlichten in te rijden, om zijn kofferdeksel niet te rammen en thuis zei moeder dat ik in het vervolg niet zomaar alles naar binnen mocht kappen. Geen meisjesdrab noch bruidstranen, nooit méér dan twee duvels, zeker geen VSOP uit de USSR, en de koude oorlog was weer herbegonnen. Moeder sneed met het patattenmes een vingertopje af, een wortel viel en de kat kroop door een dakraampje. Ze sprong, niets brak en vader zei dat Loulou kreupel werd, dat die honden toch gelijk wat freten. Zelfs een pony met een hoofd dat lijkt op dat van een zeepaardje, moet ik gedacht hebben.   uit de reeks 'Residu'

Bernd Vanderbilt
8 1

Zeeduivels en duikerslood

  Jeuk krijg ik daarvan, als ik in een Hebtalon verdwaal. Het is slechts milde rabiës, een zachte schurft waaraan lammetjes bij tijde lijden en engelen zich niet om kommeren. Ze slapen soms tussen de ezeltjes van het ongeloof die hemelgeestjes. Als ze te veel gefladderd hebben, te lichte voetjes kregen. Vanuit de hoogte beginnen bergpaden vaak kronkelloos te lijken, ongezond recht, maar de ezeltjes weten beter. Zij verdragen meer dan engeltjes. Ze dulden vlooien, bochten, zeer onzuiver water, vuiligheid en strontvliegen. Zelfs wipjes van de zweep. Het is een treurwilgtak. Het helpt altijd. Als ik me opsluit in een pashokje, gedachten wissel met een leeg paneel. Ladies first en mannen mogen hier niet binnen met hun nieuwe Lada. Dit stond er al, op die wand. Verdenk mij niet. Het moet van een imbeciel zijn, van een Rus die twee woorden Engels kent. Ik weet het eigenlijk niet, waarom ik die Hebtalon aan de Blauwe Toren binnengestapt ben. Zocht ik een nieuwe adem, duikbrilletjes voor zoutgevoelige zeepaardjes, sandalen voor twee slakken in het mulle zand?  De houten klompjes waren uitverkocht. Ik vond er geen gewone sokken voor de gnoe, chot, ik ben zo dom, ik zoek altijd een doel en kocht uiteindelijk dan toch iets. Een setje duikerslood. Het grijs leek eerlijk mat. De prijs was nog te doen. Ik heb betaald met centen, briefjes die in valsheid niet geloven en het is voor een illusie, want ik heb haar gezien deze ochtend, haar naam is Chimaera, een meisjesfantoom met kleine borstjes, blauwe lippen en ze droeg een boxershort . Ze dreef daar in een opblaasbootje. Tussen en over golven, niet al te wild. De wind kwam uit het oosten. Landafwaarts blies die bries, al de ganse voormiddag en voor onwaarheden is het nooit te laat om overboord te springen. Chimaera bleef echter zitten. Ze klappertande. Ze schepte met haar palmen water uit dat schuitje van plastiek. Onzinnig en dwaas. Het is nooit verstandig om op een kille maandag rust en kalme zee te zoeken voor Oostende. Boven de Binnenstroombank mag er dan wel minder stroming zijn, het zand wordt er des te meer omgewoeld door strubbelingen. Het moet er danig troebel zijn, onder water, uitzichtloos, en ik ben naar Brugge teruggekeerd langs de Oude Baan, langs Houtave, langs Zuienkerke om aan de Blauwe Toren dus die Hebtalon binnen te gaan, ik de oen, de holbewoner die van bloementorens houdt, op mijn blote voeten, met zand tussen de tenen, resten potgrond onder de vingernagels en meel in een deel van mijn varkenskop. Kabouters hebben mijn hoofd ooit zo omschreven in een open brief. Ik probeerde, te vergeten, me te laten loodsen door dat fluogeel temidden blauw en grijs. Ik schets nog snel een Noordzeetafereel, zou je denken, maar dat is het niet. Het is geen boei die drijft aan de rand van een zandbank. Het is daar binnen, in die winkel met zijn sportieve fratsen. Alles kunststof, synthetische weefsel en ik herinner me een tengere figuur die een warme parka koos voor een tocht door een natuurpark in Peru. Een kind stond bij een ander rek en ging voor een oranje impermeabel. Garnaalvissen is ook een sport en ik zag er schier de ganse battaklang, een immens arsenaal aan gerief voor fitte mensenkuren. Absoluut een misser van me, om daar binnen te stappen, want de geur van plastiek maakt me ziek. Daarom heb ik voor lood gekozen, verschillende blokjes, in diverse grammages. Duikgordels lagen op een schapje hoger, maar ik heb er geen gekocht. Te lang. Allicht voor dikzakken met drijvend vet. Niet dat lood iets redden zal. Ik wilde gewoon iets zwaars voor deze wereld met haar wufte bling-bling, met haar heidense lichtheid, haar roze balletten onder regenbogen die indigo verkopen aan bleke vlegels. Werd ik maar blind en doof. De vogels zwijgen reeds. Ze houden niet van vederloos gezang, en is er die reclame, voor een vierde veranda. Op de radio. Zonder nestkastje is het aanbouwsel en alle liedjes klinken me in de oren als ambulancedeuntjes. Er circuleren ook lijstjes. Hits, ziektes, de ergste en een overzicht met soorten lijken, naargelang de doodsoorzaak. De tabellen staan weer tjokvol pronostiekjes over kansen op herstel. Ik bel je wel. Als ik de instelling mag verlaten, wanneer je gewonnen hebt, want de kans daarop werd gisteren berekend door een aap met éénenveertig balletjes. Ik denk terug aan de zee, aan de vissen zonder zwembroek van de Hebtalon en ze liggen er nog altijd. Op het strand. De schelpen, scherpe randjes, aangespoelde handjes van wel duizend lieve mensen heel ver weg. Ze waren tennisrokjes aan het naaien, vele schoentjes aan het maken voor een duizendpoot. Ik heb met ze meegevoeld en toen, plots, begon alles te scheuren. Niet alleen in mijn hoofd. Het is veel groter. Meer dan enkel diep in die kwabben. Er is iets mits en ik voel een opblaasbootje in mijn onderbuik. Ga gewoon plassen. Denk aan mij. Vorm met die straal urinedruppels hartjes in het zand. Het is die echo weer, de stem van Katja moet het zijn en ik ben teruggeraakt in de compound, in een kamer die veiligheid probeert te zijn. Af en toe lukt dat, provisorisch en de rust wordt meestal verstoord. Prudence is mijn kamer binnengekomen. Zoute haring, ajuin, een stukje brood. Of paté van haas met twee augurken op azijn en een sandwich? Ik kan kiezen, zegt ze en ik vertel haar over die gebroken einder, dat alles begon te scheuren aan het strand en dat ik ervan droomde. Ik zag het voor me hoe hij viel. Het zwaard van Damocles kliefde eerste een vliegend hert, daarna een kokosnoot en dan die kop, de bakkes van Tanguy. Pats. Rats middendoor en ze waren me al opgevallen, toen ik door de rozentuin liep, er het zeezand uit mijn zolen stampte. De verlaten driewieler, de lege morteltrog. Prudence knikt. Ik wil haas noch haring en ze zegt dat ik het voor waarheid mag aannemen. Tanguy is niet meer. Hij is definitief dood. Na die zondvloed op maandag woont er één demoon minder in de compound. De kreupele is naast haar komen staan. Hij wil niet vergaan en die zieke farizeeër weet van mijn bezoek aan de Decathlon. Hij zegt dat ik beter aan het AZ Sint-Jan gestopt was, om mijn vader nog snel een bezoek te brengen. Na al die jaren. Want hij ligt op sterven, op verdieping zes, zeventien treden boven de afdeling psychiatrie. Prudence wilt verder. Haring en haas moeten voort, maar de kreupele houdt haar tegen. Hij trekt de voorkant van haar witte schort volledig open, begint over de buik van Prudence te wrijven. Hij is des duivels en ik zie het, dat haar tepeltjes iets groter zijn dan haar beha doorgaans verraadt. Omdat ze zwanger is, spreekt de kreupele. Ik word de vader van een kind dat vrij en wild kan dansen, springen over golven van de ruige lust. Het wordt een jongen voor de woestenij, een droes die overal, voor elke kust sirenes vangt en aan zijn degen rijgt. Ik twijfel enkel nog over de naam. Misschien wordt het Zoutekiet, misschien Tanguy.     uit de reeks 'Residu'

Bernd Vanderbilt
6 1

Een hoop gezeik en naakte feiten.

Een hoop gezeik en naakte feiten   Ik wou haar nog een tas koffie aanbieden alsof ik die verschuldigd was na die sekspartij van gisterenavond, maar ze was al weg. Ik liep in mijn ondergoed naar het terras toe terwijl ik een sigaret uit mijn pakje haalde en die aanstak. De zon op mijn gezicht zette me aan het denken. Ik zoog aan mijn sigaret. Misschien ga ik vandaag wel eens wat schrijven. Katers zijn perfecte bronnen tot inspiratie. Ze onderdrukken alle onnodige prikkels waardoor je enkel op een iets gefocust kan blijven. Ik besloot mijn laptop erbij te nemen. Het duurde een eeuwigheid vooraleer de machine op gang kwam. Ik verloor mijn geduld en smakte de pc tegen de muur. Mijn gitaar viel om waardoor de hals brak. Fuck! Die gitaar kostte evenveel als de auto waarin ik rij. Ik veranderde mijn plannen voor vandaag en besloot de gitaar’s leven te gaan redden. Ik sprong mijn oude Chevrolet in en reed naar mijn vaste muziekwinkel. De man van de muziekwinkel kon zijn ogen niet geloven. Dit was pure verkrachting voor hem. Zijn ziel brak en zo snel als hij kon begon hij het muziekinstrument te opereren. Het duurde eventjes vooraleer de uitslag bekend gemaakt werd. Ik wachtte al ijsberend in de zaak en verloor daarbij de helft van twee vingernagels. Ik bijt m’n vingernagels af ten gevolge van stress. De muziekdokter kwam de zaak terug binnen en keek me recht in de ogen aan. Ik vroeg of het hem gelukt was. Hij antwoordde met een simpele knik en een grijns. Van het opwinding kreeg ik een flinke paal in mijn broek die zo ongeveer tien seconden hard bleef daarna zakte hij terug. Oordeel niet te snel, ik kan er ook niets aan doen. Ik reed terug naar mijn appartement en besloot dit alles neer te schrijven, tot ik oog in oog stond met de naakte feiten. Mijn laptop is aan brokken gesmeten. Ik schonk mezelf een bruine rum in en rolde een joint. Geen grote hoeveelheden, maar net genoeg om de roes te voelen. Ik nam mijn oude typemachine, plaatste het papier erin en begon te typen. Dit zou wel eens een verhaal kunnen zijn.

Colin
0 0

Gift

Ik herinner me nog goed de tijd dat ik onbekend was en mijn columns níét wekelijks door 40 mensen gelezen werden. Wat was dat een waardeloze periode. Bij de bakker moest ik de volle prijs betalen voor m'n croissants, in de boekhandel deden ze alsof ik Jan met de Pet was die de nieuwste Kampioenenstrip kwam kopen en vrouwelijke loopsters lieten me opvallend minder vaak hun ontblote boezem zien wanneer ik hun richting kwam uitgelopen. Nu dat allemaal veranderd is, kan ik me geen leven meer voorstellen als onbekende Vlaming, hoewel ik net heb uiteengezet hoe goed ik het mij allemaal herinner. Zo'n supersterrenstatus, ik kan het iedereen aanraden. Daar zit natuurlijk het probleem. Ik maak amper dt-fouten, schrijf hashtags als Hemingway en heb in m'n adembenemende illustraties lang geen 50 tinten grijs nodig om de lezeressen ondeugende gedachtes te bezorgen. Maar niet iedereen is geboren met zo'n onuitputtelijke massa talent als ik. Dat is, doordat ik zo bescheiden ben, iets wat ik te vaak vergeet. Een vriend van me werkt in de fabriek waar ze de lucht in Maltesers pompen. Acht uur per dag werkt hij zich krom aan de lopende band, iets wat ik ook heb gedaan als jobstudent en waar ik overigens zeer goed in was. Dag na dag verzekert hij dat elk chocoladeballetje even knapperig is als het vorige. Je wil niet weten hoe hard mensen het verlíézen als hun Maltesers niet consistent zijn in knapperigheid. Deze kameraad draait daar dus dagelijks zijn nikkel af en krijgt er een habbekrats voor in de plaats. Als ik hem dan vraag waarom hij niet kiest voor zo'n leven vol rijkdom en aanzien als het mijne, zegt hij: 'Maar Hans, snap jij het dan niet? Ik ben helemaal niet zo uniek als jij. Gewone stervelingen als ik hébben geen keuze. Stop met die bescheidenheid en besef dat jij staat waar je staat door jouw uitzonderlijke gaves.' Na enkele dagen ben ik dat alles weer vergeten, niet zozeer omdat het me niet interesseert, maar vooral omdat mijn geheugen echt niet zo buitengewoon is. Daar heb je die bescheidenheid weer. En de vervelende kanten aan de roem? Die zijn er ook, hoor. Met jeuk die zich nog maar een beetje in de buurt van je zitvlak bevindt, leer je best zo snel mogelijk leven, want in het openbaar aan je achterste krabben is geen optie meer. De magazines zouden nogal smullen. Daarnaast is het onmogelijk om meer dan 10 meter aan een stuk te wandelen zonder dat je grootste fan om een selfie komt vragen. En 10 meter verder word je opnieuw aangeklampt door een grootste fan. Verder voelen vrouwen van middelbare leeftijd zich zo vrij om tijdens fotomomenten in je billen te knijpen. Hoogst onaangenaam, behalve wanneer je op dat moment jeuk aan je achterste hebt. En dan zijn er ook nog de afgunstigen, de lastigaards die willen dat jij hén speciaal behandelt in plaats van omgekeerd. Zo hebben sommige bakkers de arrogantie om te doen alsof ze me niet kennen om me alsnog de volle prijs van hun croissants te kunnen aanrekenen. Kleine mensen. Ach ja, allemaal klein bier vergeleken met de voordelen. Ik zou niet meer kunnen terugkeren naar dat leven van nietsbetekenende dertien-in-een-dozijner. Oké, ik maakte misschien meer tijd voor mensen. Ik stond klaar, luisterde. Maar uiteindelijk help je één iemand. En nu? Nu bereik ik wekelijks 40 verschillende volgelingen en inspireer ik hen met m'n kunst. Omdat ik wéét dat ik hen die spark kan bezorgen. Dat idee van hoop. Die glimlach na een ondraaglijke dag van lucht in Maltesers pompen. Ik ben het levende bewijs dat je je dromen kan waarmaken en dat ook jij misschien ooit een god wordt voor een heel leger van bewonderaars. En dát is waar ik het voor doe.

Hans Verhaegen
26 1

Jeanne

Ze is geen gewone ‘oma’. Ze is meer een dertiger in het lichaam van iemand van vijfennegentig. Ze is slim en bijdehand. Eigenzinnig en grappig. Zelfstandig en mee met de moderne, veel te snel gaande, tijd. Twee jaar ben ik niet bij haar op bezoek geweest, maar dit weekend heb ik besloten om nog eens mee te gaan met mijn ouders. Wanneer ik haar zeg dat het alweer lang geleden is, glimlacht ze.‘Ik zie u nochtans elke dag’ zegt ze kalm zoals alleen zij dat kan en stapt naar de lage kasten in de woonkamer. Ze neemt een klein fotoalbum en slaat het open. Ik zie een foto van mezelf genomen op de vijfenzestigste verjaardag van haar huwelijk mijn opa zaliger.‘Ik zie u elke dag’ herhaalt ze glimlachend, ‘en er staan ook zo’n schoon foto’s in van opa.’ Ze laat mij een foto zien van mijn grootvader zoals ik me hem herinner. De liefde tussen die twee was echt, zoals God de liefde had bedoeld toen hij ze schiep.Ze slaat een paar bladzijden om in het fotoalbum.‘Hier,’ gniffelt ze, ‘Uw broer nog zonder zijne schone baard.’ Mijn hart breekt. Twee jaar ben ik niet langs geweest, maar dat maakt duidelijk niet uit wanneer ge in iemands hart en fotoalbum zit. Ze vertelt me dat ze haar ‘chignon’ vanmorgen twee keer heeft gemaakt en dat maar niet wilde lukken. Na een derde keer vanmiddag heeft ze het opgegeven. Mijn oma is een kokette vrouw. Een fiere kat met pony-allures.Het doet me denken aan de vorige keer dat ik hier was en ze zei dat ze het spijtig vond dat ze niet wist dat ik kwam. ‘Autrement, j’avais peigné mes cheveux,’ zei ze toen. In mijn ogen is ze altijd even mooi. Net zoals ze dat dertig jaar geleden al was, toen ze nog met ons mee naar Nederland ging. Toen mijn broer en ik met haar op onze cassetterecorder radioprogramma’s opnamen over het maken van pudding. En maar lachen tot we bijna in onze broeken plasten.Ze legt het fotoalbum opzij en stopt mij de Italiaanse Vogue in mijn handen, want mijn oma beheerst perfect het Italiaans. Geleerd om de missen van de Paus goed te kunnen verstaan. Ze is vijfennegentig en ze is slimmer dan ik, dat staat vast.Ze heeft een mening. De mode in deze Vogue vindt ze maar niks.‘C’est trop, quoi.’Ze kijkt elke dag naar het nieuws en weet perfect wie wie is. De dokter heeft haar gezegd dat ze te oud is voor Alzheimer.‘Dat vind ik spijtig,’ zegt ze, ‘want ik zou het soms liever niet meer weten.’ ‘De mensen die mij komen wassen zeggen dat ik nog lenig ben voor mijn leeftijd’ giechelt ze. ‘De vrouwen zijn altijd nog het langst het lenigst.’Mijn vader, die ook nog steeds in de woonkamer zit, kijkt op van zijn krant.‘Ik zeg alleen de waarheid,’ zegt ze schalks en met een grijns. Ze weet dat mijn vader al lang niet meer met haar discussieert. Winnen kan hij van velen, maar nooit van haar.Ze is alles wat ik wil zijn als ik ooit 95 word en nu is ze er niet meer.Merci Jeanne, Reine van de Rue des Princes, moeder van mijn geweldige moeder, om te zijn wie ge waard. Ge zult waarschijnlijk langer dan twee jaar wegblijven, maar ook gij zit in mij hart en fotoalbum. Misschien krijg ik later wél Alzheimer, maar u vergeten doe ik, kan ik en wil ik nooit.

Ans DB
0 0