Zoeken

Op slot

            Ze woonde alleen in haar nette huis in deze nieuwe wijk vol jonge mensen. Voor haar buren was ze ‘die oudere dame met het goede voorkomen’. Als ze al eens boodschappen ging doen, was ze piekfijn opgekleed en schreed ze als het ware door de straat, steeds vriendelijk doch afstandelijk groetend. Iedereen wist dat ze een lange staat van dienst in het onderwijs had, dat ze haar carrière beëindigde als directrice van de dorpsschool. Velen waren nog oud-leerling van haar. Ze zegden haar dan ook met ontzag goedendag, want ze waren niet vergeten hoe streng de directrice destijds was. Streng doch rechtvaardig was ze nog, vond ze en zo gedroeg ze zich ook, alsook zeer evenwichtig en gelijkmoedig…tot ze deur achter zich sloot. Dan keek ze om zich heen en bedacht steeds opnieuw: het enige wat ik heb, zijn geld en herinneringen.         Natuurlijk bezat ze wat centen. Ze had hard gewerkt en gespaard. Haar mooie villa had ze ingeruild voor dit ‘bejaardenhuisje’, zoals ze het placht te noemen. Bij de bouw ervan voorzag ze immers al een extra leiding voor een traplift en bredere deuren voor het geval dat…ze mocht er niet aan denken. Ze zou trachten het hier zo lang mogelijk uit te houden maar besefte wel dat ze niemand had om voor haar te zorgen en dat ze misschien toch nog in een heus bejaardenhuis zou eindigen, mocht ze te lang leven. Dat ze daar samen met andere sukkelaars zou zitten knutselen of in koor zingen, kon ze zich helemaal niet indenken. Alleen…zou ze daar niet meer zo alleen zijn.         Nochtans ook zij had eens een gezin gehad: een man, een kind, een lichaam dat begeerde en begeerd werd. Maar haar dochtertje was aan wiegendood gestorven en dat was zo’n klap geweest dat alles was uiteengespat. Haar man had behoefte gehad mensen op te zoeken, het verhaal steeds weer te vertellen, op café te gaan. Zij vond dat hij hun kind te grabbel gooide. Zij borg het meisje in haar hart, deed het slot erop en verloor het sleuteltje. Het zat er nog steeds: dat perfecte hoofdje met die donshaartjes, die handjes die haar vingers grepen, dat mondje dat zo gulzig aan haar borsten dronk. Een schuldgevoel was haar echter ook blijven kwellen, hoewel in alle boeken geschreven stond dat wiegendood niet altijd te voorkomen is. Toch schrok ze soms nog wakker uit een droom, waarin ze het kind net op tijd uit het bedje had gehaald, waarin het nog ademde, waarin het warm in haar armen lag. Het slot op haar hart had haar ook van haar man doen vervreemden en toen hij definitief voor die andere vrouw koos, zei hij dat ze verbitterd geworden was, dat ze haar opsloot in haar verdriet maar dat hij koos voor het leven!         Zij verhuisde naar een andere stad, stortte zich op haar carrière, gaf met veel inzet les aan al haar leerlingen maar telkens vroeg ze zich af welk soort kind, welk soort leerlingetje haar Liesje zou geworden zijn. Daarom durfde ze voor geen enkel kind, voor geen enkele mens haar hart nog echt te openen, want ze was te bang voor de stroom die dan zou vrijkomen. Ze werd de vaardige lerares, de competente directrice, de oudere dame met het goede voorkomen maar haar hart bleef op slot en haar enige metgezellen waren geld en herinneringen.  

Hope
0 0

Vreemd bezoek

Pita. Pita met looksaus en alle groentjes. Zeker weten. Ik tuur tussen mijn wimpers en zie ze binnenkomen. Ze zijn met veel. Vijf, zes, zeven. Ik stop met tellen. Hun sluiers blinken en hun volle snorren krullen van trots. De kersverse kleinzoon moet bewonderd en daar hoort nu eenmaal een feestmaal bij. Pita. Pita met looksaus en alle groentjes.   Nog voor de plastic zakken opengaan en het zilverpapier knispert, heb ik het al geraden. Het gedeeltelijk dichtgetrokken gordijn tussen onze bedden houdt de geur niet tegen. Het shoarma-aroma flirt met mijn neusvleugels en duikt ongevraagd mijn gaten binnen. Ik snuif en snoef en kijk snel naar mijn dochter, daar in haar kleine aquarium. Eén dag oud is ze, en sinds het wegwassen der huidsmeer heerlijk onbesmeurd. Tot nu. Tot de vreemde gasten met hun onverteerbare geuren onze kamer binnendrongen en al onze zintuigen bezoedelden. Tot de zoete stilte plots plaats moest maken voor lawaaitaal zonder betekenis. Mini-me laat het gebeuren. Vannacht waren haar strak aangespannen stembanden nog te horen tot op de gang. Zelfs de ervaren kneepjes van de nachtverpleegster en vijf milliliter warme melk kregen het volume niet omlaag. Maar nu lijkt niets haar te deren. Niet de geur van rauwe ajuin in haar geinig gevormde neusgaten. Niet het luide gelach in haar licht afstaande oren. Niet de vettige vleeslucht rond haar pasgewassen spriethaar.   Mijn voeten voelen gezwollen, mijn buik belabberd. Ik bekijk het bezoek. De donkere mannen babbelen, gulzig bijtend. De vrouwen duiken op vanuit hun hoofddoeken en buigen zich minzaam over moeder en zoon. Geen idee vanwaar ze komen. Van Gent of omstreken, waarschijnlijk, maar niet oorspronkelijk. Ik probeer te raden maar ik ken niets van rassen, hou ze op dezelfde lap grond nauwelijks uit elkaar. Ze zijn in elk geval met te veel en ze zijn veel te luid. Wie voluit wil lachen moet verdomme maar op de gang gaan staan. Hierbinnen wordt er gerust want gisteren werd er geperst. Nog geen 24 uur geleden trok de linkerkant van mijn lijf weeïg samen terwijl mijn rechterkant gevoelloos lag te wezen op het witte verloskamerlaken. Epidurale verkeerd gestoken. Half verlamd, een zielig gezicht. Maar acht uur later was ik wél geslaagd. Want daar was ze dan, zo’n dikke drie kilo en een kleine halve meter vol leven. Bij de pinken, met tien gretige vingers en een volumeknop zonder einde. Ik had dus recht op rust. Pweut. Mispoes. In een tweepersoonskamer heeft Mama Modaal geen recht van spreken. Alleen het medisch personeel en de poetsvrouw mogen eisen dat je je mond dicht en je voeten naar omhoog doet. Voor de rest deel je gedwee de lavabo, het bezoek en de tv. Hoor je de huilbuien van een wereldvreemde baby en de ongecontroleerde winden van een al even vreemde vrouw. Ruik je het meteen als er spanning in de lucht hangt. Of pita met looksaus en alle groentjes.   Waarom praten ze zo hard? Waarom gebaren ze zo wild? Mogen ze hier eigenlijk al binnen, op dit uur, met die spitbrokken? Ik werp een frons maar niemand kijkt. Ze hebben het te druk. Met elkaar. Met de kleine. Met kauwen en kwekken en het vergelijken van oude en jonge poten en oren. Een dikke klodder saus druipt van een pink en petst op de vloer. Plets! Maar niemand heeft het gemerkt. Ze laten alles maar gebeuren, niets lijkt hen te deren. “Voeten omhoog”, zal de poetsvrouw morgen zeggen. En ze zal serieus mogen schrobben, met die slappe dweil van haar.   “Rosbief met boontjes en patatjes.” De witte jas van dienst zet een plateau met een tupperwareachtige doos op mijn tafel bij het venster. “Merci.” Ik kruip uit mijn schulp en installeer me aan de dis, met mes en vork en een servet voor de klodders. Onder het deksel drijven zes schellen rosbief in een dikke donkerbruine saus. Daarnaast een berg boontjes en een slagveld patatten. Ik probeer te genieten maar het wil niet lukken. Want ik ruik pita met looksaus en groentjes. En ik smaak pita met looksaus en groentjes. En het scheelt niet veel of ik voél die pita met looksaus en groentjes. Het uitgelaten gezelschap kijkt en knikt en roept in mijn richting. Maar ik versta hen niet. En ik begrijp het niet. Hoe ze daar zo ongegeneerd mijn rust en mijn eetlust kunnen zitten verstoren. Hebben ze dan geen manieren? Weten ze niet wat sociaal en wat wenselijk is? Hebben ze misschien iets tegen rosbief of, godbetert, tegen boontjes? Die pita en andere vreemde praktijken, ge kunt dat niet geloven hoe wansmakelijk dat dat is.   Mijn dochter wordt wakker. Ze heeft de gasten niet in de gaten en gaapt zich bijna een hernia. Ik ruik iets. Geen pita. Kaka. Voorzichtig til ik haar op om mijn neus op haar feiten te drukken. Bingo! We hebben de wilde bende aan ons been. Ze lachen en wijzen en heffen de handen ten hemel. Een rauwe ajuinring vliegt door de kamer en een ranzig stuk shoarma glijdt onder een maat 45. Maar niemand heeft het gemerkt. Ze laten alles maar gebeuren, niets lijkt hen te deren, alleen mijn dochter is het bekijken waard. Wat roepen ze daar eigenlijk, met van die harde klanken die bevreemden? Zullen ze wél een beetje oppassen als ik straks passeer? Hun adem inhouden en stoppen met kwekken, morsen en smakken, om mijn schat niet te doen schrikken?   Ik trek mijn buik in en baan me met mijn armen vol baby een weg door de kamerbrede menigte. “Hà, de meisjes!” Mijn vriend komt binnen met glimmende wangen, fier als een pasgeboren vader. “De kaartjes zijn op de post, de cava zit in de koffer en de bende van ’t bankske is onderweg!” God. Zij. Dank. Straks is míjn helft van de kamer gevuld met bekende gezichten. Straks overstemt ons versgeperst geluk de harde klanken van die vreemde bende. Glazen zullen klinken en barbecuenootjes zullen de gemarineerde vleeslucht verdrijven. Ik zal me eindelijk thuis voelen in mijn moederbed en mijn boontjes zullen weer smaken. Naar boontjes.   Ons spruitje ligt intussen op het ververskussen. Trots toont mijn vriend de inhoud van haar broek aan het uitzinnige publiek. Een graanmosterdgele klodder glijdt van de elastieken luierrand en petst op de grond. Plets! Maar niemand heeft het gemerkt. Ze laten alles maar gebeuren, niets lijkt hen te deren, lachend leven en laten leven is de grote boodschap. Mijn voeten voelen gezwollen, mijn buik belabberd. Ik puf. “Lief, eet jij die rosbief op? Ik heb geen honger en die broek moet binnen een week weer dicht.” Mijn vriend wuift de luierlucht weg. “Nee, ik heb net pita binnen. Met looksaus en alle groentjes. Ge kunt dat niet geloven hoe lekker dat dat is.” (Nationale kortverhaalwedstrijd Fedactio 2013 - finalist)

a little bit of soap
0 0

Heb ik je al verteld over...

Heb ik je al verteld over… … mijn onmogelijke liefdes? Neen? Ik dacht het wel. Veel valt er niet over te vertellen, hoor. Gewoon dat ze onmogelijk zijn. Ik heb er drie gehad. Drie mannen die mijn hoofd op hol brachten, terwijl het vanaf het begin gedoemd was om te mislukken. Drie mannen die me passie hebben getoond als geen ander. Drie mannen die ik tot op de dag van vandaag verdoem en verheerlijk tegelijkertijd. Jens. 34 jaar, groot, groene ogen en zwarte haren. Rechter. Superslim. Ik leerde hem kennen op een feestje. Ik en een vriendin waren rustig aan het dansen toen hij naar ons toe kwam. Na een paar uurtjes praten, was ik op slag verliefd. Deze man was zo goed als perfect. Hij had een goede baan, wist hoe hij een vrouw moest charmeren en hoe hij zich moest kleden. Mijn vriendin was stikjaloers toen ik vertelde dat Jens had gevraagd om af te spreken. Vanaf die dag spreekt ze niet meer tegen me, trouwens. Ach ja, dacht ik toen, die draait wel bij als ze ziet hoe gelukkig ik ben. Niet dus. Maar het kon me eigenlijk niets schelen. Ik was verliefd en deze man voelde blijkbaar net hetzelfde. Een weekje op vakantie in Ibiza kon hem niets deren. Dagelijks stroomden de sms’jes binnen. “Ik mis je.” “Ik ben voor je aan het vallen.” “Er zijn hier bloedmooie vrouwen, maar de enige aan wie ik kan denken, ben jij…” Ik liep op wolkjes. De nacht dat hij terug kwam, wachtte ik hem gespannen op aan de luchthaven. Een verrassing. Ik kon het bijna niet houden van zenuwen. Toen kwam hij de hal van Zaventem binnen. Ik liep naar hem toe, maar stopte even snel als ik vertrokken was. Daar in het midden van de aankomsthal, was hij innig aan het kussen… Met een man. Dat was dan ook direct het einde van onze romance. Ik had het natuurlijk moeten weten, hij kleedde zich te goed, hij was verzot op shoppen en… Hij was fan van de Backstreet Boys. Toen kwam er Daniël. 30 en muzikant. Vergelijk hem maar met Johnny Depp. Op alle vlakken. Ik ontmoette hem in de muziekwinkel van mijn vroegere leerkracht. Aan de telefoon al klonk zijn stem werkelijk hemels. Ik bleef langer in de winkel dan verwacht, was helemaal verkocht van die lange donkere haren met bruine kijkers. Hij praatte wat met me, maar daar bleef het ook bij. Tot ik thuis kwam en zag dat ik een nieuw vriendschapsverzoek had op facebook. Na wat over en weer te mailen, vroeg hij uiteindelijk om iets te gaan drinken. Ik zei natuurlijk toe. Alles verliep vlekkeloos. We hadden dezelfde interesses, hij liet me kennis maken met nieuwe muziek door me wat deuntjes te laten beluisteren op zijn Ipod en uiteindelijk belandden we in mijn auto. Neen, veel is er niet gebeurd, maar het was een nacht om nooit te vergeten. Hij had zijn gitaar meegenomen en daar onder de sterrenhemel speelde hij zachtjes John Mayer’s “Your Body Is A Wonderland”. Ik kreeg kippenvel van zijn stem alleen al. Tot op vandaag is dit trouwens nog altijd de beste ‘first date’. Daniël leek in ieder geval de perfecte keuze om de volgende man te worden die mijn hart zou kunnen stelen. Een paar maanden lang ging alles over rozen, maar plots kwam er een tweede vriendschapsverzoek op de proppen.  Marlies Van Halle. Gemeenschappelijke vriend: Daniël. Toch maar even checken, dacht ik nog bij mezelf. Dus belde ik hem op. Zijn reactie was duidelijk. “Heeft ze jou nu ook al bereikt? Gewoon negeren.” Dat deed ik dan ook, terwijl de verzoekjes bleven komen. Eerst deletete ik ze gewoon, maar daarna kwamen de mailtjes. “Daniël en ik zijn al vijf jaar een koppel. Laat hem met rust. Hij gebruikt je gewoon. Hij is van mij.” Ik schrok me rot. Hij ontkende alles. Hij vertelde me dat hij Marlies nog maar vier jaar kende en hij had exact één jaar met haar gevreeën tot hij ontdekte dat ze over zowat alles loog. Dat was ze blijkbaar nog niet afgeleerd. Natuurlijk geloofde ik hem, dat doe ik nog steeds. De mailtjes werden erger en duisterder tot ze plots ophielden. Ik dacht eindelijk van haar af te zijn, tot Daniël een mailtje stuurde. Hij moest ermee stoppen, met ‘ons’. Het was zover gekomen dat zijn ex in een instelling terecht was gekomen. Hij wilde mij niet in die miserie meetrekken, dus de enige oplossing… Exit Johnny Depp. Het deed pijn om Daniël te zien vertrekken. In tegenstelling tot Jens is hij wel terug in mijn leven gekomen, maar ik moet toegeven dat niemand me zo raakte als de man waaraan ik twee jaar lang verslingerd ben geweest. Thijs. 29, een louche autohandelaar en al enige tijd single. Tenminste, zo stond het op zijn profiel te lezen. Ja, ik geef het toe. Ik heb me zondig gemaakt aan het surfen op datingsites. Zo leerde ik Thijs dus kennen. Via een simpel berichtje. “Man, wat word ik rustig als ik naar je foto’s kijk.” Hij wekte direct mijn interesse en zo begon het. Wekenlang mailden we elkaar. Ondanks dat ik hem nog nooit had gezien, kon ik mijn gevoel niet onderdrukken. Ik was stapelverliefd. Raar, niet? Iemand nooit gezien hebben en toch voelen dat je je hele leven met hem zou kunnen delen. Hij voelde net hetzelfde. We bleven nachtenlang op, pratend over msn, wensend dat we in elkaars armen zouden kunnen liggen. We zouden elkaar zien. Spannend. Eindelijk, na drie maanden over en weer mailen zouden we elkaar eindelijk zien. Ik heb nog nooit zoveel vlinders gevoeld als de dag waarop ik hem voor het eerst zag. Hij staarde me aan met die blauwe ogen van hem. Nog voor ik een woord kon uitbrengen, sloeg hij zijn armen om mijn middel. Hij trok me dichter bij en kuste me in het midden van zijn oprit. Alles voelde geweldig aan. Dit werd gewoon mijn man. We zagen elkaar niet zoveel. Hij werkte veel en hard, dus ik legde me erbij neer dat één geweldige avond om de twee, drie weken alles was wat ik kon verlangen van mijn workaholic. Tot die ene sms kwam: “Ik ben later thuis vanavond, schat. Zet het eten wel in de microgolf! X”. Ik had nog nooit gekookt voor hem. Ik zou hem die avond niet zien. Ik dacht zelfs dat hij in Duitsland zat om auto-onderdelen te halen voor één van zijn klanten. “ Laat het smaken.” “Fuck.” Zijn antwoord. Hij belde even later. Het speet hem dat hij gelogen had. Hij had het niet zo gewild. Ja, hij was getrouwd. Nee, niet gelukkig. Hij had nooit gedacht dat hij iemand als mij zou tegenkomen. Hij had niet verwacht dat hij verliefd zou kunnen worden op iemand die zo ver weg woonde, laat staan op iemand die hij online had leren kennen. Hij had nooit gedacht dat hij echt van me zou gaan houden. Ik vergaf hem zijn leugens, maar na twee jaar gaf ik het uiteindelijk op. Hij zou zijn vrouw nooit verlaten voor mij. Ik zou nooit nummer één kunnen zijn. En dat deed verdomd veel pijn. Ik zwoer alle mannen af. Toch is er sinds kort een nieuwe man in mijn leven gekomen. Hij heeft de mooiste groene ogen waarin ik nachtenlang zou kunnen staren. Zijn rosse haren zijn zo zacht, dat mijn handen het niet kunnen weerstaan om erdoor te woelen. Elke nacht slaapt hij bij me. Hij bedriegt me niet. Hij begroet me uitgelaten telkens ik thuis kom. Katers zijn absoluut het beste gezelschap.

ella
0 0

I LOVE YOU KAMIKASI

  Ik heb slecht nieuws, zei haar vader. Hij zit in de gevangenis. Slik. Haar oudste broer was gearresteerd. Pas. Het moest er ooit van komen. Diefstal, drugs, inbraak, foute vriendjes. Hm. Waar zit hij, papa? En wanneer gaan we naar hem toe? Ik ga er niet heen, antwoordt hij. No way. Ik heb hem genoeg gewaarschuwd. Maar papa, hij heeft iemand nodig nu. Hij zal zich vast eenzaam voelen. En verward. En bang misschien, ook al is hij stoer. Stiekem geeft ze haar ouders voor een stuk- een behoorlijk groot stuk trouwens- de schuld, maar dat hoeven zij niet te weten natuurlijk. Een vogelvrije opvoeding moet zich wreken, vroeg of laat. In dit geval nog redelijk laat. Papa, ik denk dat hij je nodig heeft, ons nodig heeft, gaan we, alsjeblieft? De volgende dag neemt ze de trein. Ze slaat de Begijnenstraat in. Ruikt de geur van verse marihuana. Belt aan. Een kille monotone bel. Zo’n scherp geluid dat door merg en been gaat. En dan wachten. En wachten. Ze verliest haar geduld en belt nog eens. Ze hoort een klik en duwt. Voor haar bevindt zich een glazen loket. Identiteitskaart? Wat is uw relatie tot de gedetineerde? En of ze even in de camera wil kijken. Verward gaat ze tegen de muur staan en kijkt naar een punt waarvan ze gokt dat het de camera is. Fraaie foto, haar ogen zijn dicht. Al goed, misschien, ze verbergen haar verdriet. U mag uw spullen in een locker steken. Geen flesjes, gsm, sleutel, portefeuille… Wel iets om te roken, en kleingeld voor de automaat. Ze bergt haar spulletjes op in een locker en keert terug, blij, en hoopvol, want dadelijk ziet ze haar broer. Goh, sorry mevrouw, nu is hij net weggeroepen. Het zal voor een andere keer zijn. Wat?, mompelt ze. Komt u morgen nog maar eens terug. Maar ik kom van de Limburg mevrouw. Ik heb er twee uur over gedaan, met de trein mevrouw. Tja, sorry ‘mevrouw’. Zo gaat dat hier mevrouw. Volgende? De dag nadien komt ze terug, vastberaden hem nu wel te zien. Ze meldt zich aan, en krijgt te horen dat hij verhoord wordt. Hoelang dat zal duren, mevrouwtje? Goh, ten laatste om 16u worden de gedetineerden teruggebracht. Komt u dan maar eens terug. Ik terras een hele middag en kom terug. Er hangt een blad aan het loket: “Volzet”. Nog een dag later. Nu moet ze hem zien. Dat kan niet anders. Ze meldt zich aan, en spreekt zijn naam krachtig uit. 11u, goed voor u? Voor het eerst mag ze door de elektronische detector. Jas op de band. Pieppiep. Of ze iets van metaal aan heeft? Ze legt de muntstukken opzij. Een riem? Iets in uw hakken? Half ontkleed blijft ze piepen. De haarspeldjes misschien? Ze ontdoet haar speciaal opgestoken kapsel van de schuivertjes, en mag door. Ze wou zich alleen maar mooi maken voor haar broer meneer. Op de binnenplaats wacht ze een half uur. Het signaal. Een man of tien- in feite zijn het bijna allemaal vrouwen, valt me op- drumt naar binnen. Een niet-blanke meerderheid. Ze bekijkt het papier van haar reservatie, verfrommeld van de spanning. Tafelnummer alstublieft. Mevrouw, u mag dat papier niet beschadigen. Anders is het niet meer geldig. Ze gaat zitten en neemt een beker koffie. 50 cent. Het ding blijft hangen. Kan er niets goed gaan vandaag? De cipier zit op een verhoog, lichtjes ineengezakt op een stoel. Of ze er eens tegen wil duwen. Zenuwachtig zit ze aan tafel. Dan komt hij binnen. Grijze overall en een brede glimlach. Zuster! Even barst ze uit in tranen. Niet huilen, jij, dat willen we niet. Ik heb het hier goed, en hij neemt haar stevig vast. Eindelijk. Hij praat en praat en praat. Hoe komt het dat we geen glasbezoek hebben?, vraagt ze. Je kent mij hé zuster, ik heb iets kunnen regelen. Connecties. Ze kijkt hem aan met een blik van bewondering. Hij blijft stralen, ook zonder zonlicht. 45 minuten vliegen voorbij. De bel. Allee, is het al tijd of wat!, roept hij uit, zichtbaar teleurgesteld. Want hij heeft niet veel. Haar. Maar ze gaat nu weg. Ze moet. “Ik kom snel terug, broer, met papa, en ik zal schrijven, elke week minstens een keer. En ik hou van je”, roept ze hem na terwijl hij al op de gang staat. De volgende dag belt ze haar moeder. Dat ze geweest is, vertelt ze, en dat hij zo blij was. Wie zijn gat verbrandt, moet op de blaren zitten, antwoordt ze droog, maar doe hem de groeten. Vervolgens belt ze haar vader. Dat ze een afspraak heeft gemaakt voor zaterdag (de enige dag waarop dat kan), en of hij niet meegaat. Oké, zegt hij, maar ik moet je wat vertellen. Er zit er één bij. Wat?, antwoordt ze, onthutst, toch niet… Toch wel, zegt hij. Je twee broers zitten in de cel. Maar wel samen.

Lili la bohémienne en rose
0 0

De mist valt in zijn hoofd

  Met bevende hand houdt Patrick de deurknop vast. Hij gluurt naar buiten door het raampje van de metalen voordeur. Het is 6 uur 30 en hier en daar brandt er licht in een woonkamer. Voorzichtig opent hij de deur tot een kier en ademt de buitenlucht in, met kleine teugen want teveel lucht maakt ziek. Teveel lucht is vergif. ’s Morgens kan de lucht nog een beetje goed zijn. Er is de hele nacht weinig verkeer geweest en de mensen hebben geslapen. De lucht heeft zichzelf een beetje ontgift. Hij haalt een beetje lucht door zijn neus en analyseert de samenstelling. Het valt mee. Zijn hersenen versturen geen waarschuwingssignaal en zijn neus detecteert geen abnormale waarden. Patrick zet zijn longen iets meer open en ademt opnieuw, iets dieper dit keer. Met een klap smijt hij de deur dicht. Hij kucht, en kucht, en kucht tot hij er zeker van is dat elk stofje zijn lichaam opnieuw verlaten heeft. Hij roggelt de laatste resten in de lavabo want fijn stof kruipt overal. Smeerlappen. Waarom is de wereld zo geworden? Ziek tot in de kern. En iedereen doet zijn ding alsof er niets aan de hand is. Burgers vertrekken dadelijk naar hun werk: ze starten de auto, of nemen de fiets- dat is pas zelfmoord, of de bus, maar geloof me, ondanks de roetfliter komt er nog heel wat binnen. De wereld zal vergaan, maar niemand heeft het door! Iedereen zal ziek worden, binnen dit en tien, twintig jaar, maar ik laat me niet klissen. Ik blijf waar het veilig is.   Patricks hoofd begint te draaien. Hij wordt er gek van, compleet horendol. Al sinds zijn peutertijd is hij gevoelig voor allerlei stoffen, geuren, vreemde texturen, glibberig voedsel… Vandaag is hij een verbitterde veertiger, mensenschuw en heel alleen. Zijn moeder woont boven, maar die is drieëntachtig en dement. Als hij in haar ogen kijkt, kijkt hij in niemandsland. Haar blik is altijd mistig, en niet van hier. Zij woont allang niet meer op deze wereld. Drie keer per dag komt ze naar beneden, om te eten. Om 8u, om 12u en om 18u. De rest van de tijd kijkt ze televisie, en daarna slaapt ze de klok rond.   Zuiveren, ik moet mijn longen zuiveren. Patrick draait zijn hoofd schuin en opent de kraan. Spoelen, heel belangrijk. Alle schadelijke stoffen worden afgevoerd als je veel drinkt. Water maakt schoon, water is mijn beste vriend, de enige die me kan redden. Mijn bondgenoot in de strijd tegen ziektes. Patrick voelt zijn hoofd tollen. Oh nee, niet weer. Ik wil er niet aan denken, maar IK KAN NIET ANDERS.   fijn stof, vluchtige organische stoffen, dioxines, zware metalen methaan, ozon, EN DAN dIe oxides - stikstofoxides, zwaveloxides, koolstofmonoxide, Om nog maar te zwijgen van al de stoffen in het voedsel : OOK VOEDSEL KAN ZICH NIET VERSTOPPEN, WANT LUCHTVERVUILING KRUIPT OVERAL. OVERAL. Stop, ga weg! Boven wordt alles ijl, en Patrick trilt op zijn benen. Rustig, wind je niet op. Ga liggen. Patrick wil de leuning van de zetel grijpen, maar zakt ineen. De mist valt in zijn hoofd en het licht gaat uit.

Lili la bohémienne en rose
0 0

Ze zeggen dat ik gek ben.

Ik loop door de sneeuw en voel hoe de vlokken als donsveertjes mijn gelaat beroeren. Ik sluit mijn ogen en keer mijn gezicht naar de hemel. Ik doe een stap en zink een eindje weg. De sneeuw knispert onder mijn voeten. Ik doe nog een stap. Heerlijk. Ik open mijn ogen en neem de betoverende omgeving in me op. Het lijkt wel een kerstkaartje. De bomen zijn bedekt door witte sluiers en het gras is veranderd in een donstapijt. Ik buk me en maak een sneeuwbal, maar ik gooi hem niet weg. Er is hier niemand om hem naartoe te gooien. In deze witheid sta ik alleen. Ik kijk hoe de bal langzaam verandert in water. Mijn handen zijn koud en nat, maar dat deert me niet. Ik hou van dat gevoel. De winter. Het zit voor een stuk in mij. Ik lach en laat me achterover vallen. Zoals mijn moeder me ooit leerde, beweeg ik mijn armen en benen. Snel sta ik op en bewonder giechelend mijn sneeuwengel. Ik geef haar een handkusje en draai me om. Hikkend van plezier maak ik enkele danspasjes. Ik draai rond en rond en rond... en val, maar het doet geen pijn. Ik schaterlach en gooi de sneeuw omhoog. Als een jonge hond dartel ik tussen de witbestoven struiken. Zo mooi, zo mooi! De sneeuw blijft aan mijn huid plakken en ik lik de vlokjes van mijn handen. Het smaakt zout. Ik steek mijn tong uit en pluk de vallende sterren uit de lucht. Mijn lievelingseten. Zalig. Naast mijn voeten ligt een grote hoop sneeuw en ik besluit ter plekke om er een sneeuwman van te maken. Ik boetseer er de liefde van mijn leven van en kus hem langdurig. “Ik hou van jou.” fluister ik in zijn ijzige oor. De wind neemt me vast in een liefdevolle omhelzing en fluit me zijn antwoord toe. De wolken draperen een kanten bruidskleed om me heen. Ik ben gelukkig.   Ergens achter me hoor ik voetstappen en een kwade stem. Ik ken die stem. Ze verprutst alles. Ik negeer haar en sluit me af van de wereld. Het gevoel van vallende sneeuw op mijn huid is het enige dat telt. Het enige belangrijke.   “Lieverd, je moet toch echt wat aan doen als je naar buiten gaat hoor. Je kan toch niet zomaar in je blootje op het veld gaan rondspringen? Kom maar mee naar binnen. Kom.”   Ze trekt me naar binnen. Naar die andere witheid. Ivoren muren. Grijswitte kleding. Lijkbleke gezichten. En de gele geur van ammoniak.   Ze zeggen dat ik gek ben.

Fiona
32 0

Fictief verleden van een celebrity

Hij was altijd al klein van gestalte geweest, vooral in de leeftijd tussen 0 en 13 jaar. Maar ook daarna wilde het niet lukken. Hij kreeg nochtans schoppen tegen zijn achterste - meer als dat hem lief was, eerst van zijn vader en na diens mysterieus overlijden ook van het lief van zijn moeder, hoewel die zo lief was ook al eens zijn hoofd als mikpunt te gebruiken. Meermaals probeerde hij zich uit te rekken door zich vast te klampen aan de raamdorpels van het justitiepaleis, die niet eens hoog boven de begane grond uitstaken - maar ja zo klein was hij. Soms bleef hij minutenlang aan een laaghangende tak van een eikenboom hangen, in de hoop dat de aarde minder aantrekkingskracht op hem zou uitoefenen en hij uiteindelijk wat groter zou zijn, of lijken. Maar dat gebeurde niet. Hij kreeg er wel lange armen van. Dat zou hem later nog van pas komen. Hij werd dertien op 15 augustus 1782. De dag dat de katholieke kerk de hemelvaart vierde van Maria. Opstijgen in de lucht, weg met die verdomde gravitatie, dat had hij ook wel eens willen doen. Dom was hij niet, dus begon hij zijn plan te smeden.Tweehonderddrieënnegentig dagen later was hij klaar met zijn uitvinding. Hij maakte een heteluchtballon van doek en voerde hem met wit papier, dat bestreken was met aluin als brandwerende laag. Alles werd bijeengehouden met achttienhonderd knopen. Over de ballon bevestigde hij dertien aan elkaar geknoopte visnetten. Op 4 juni 1783 was de maidentrip gepland. Op het marktplein vergaapten de toevallige toeschouwers zich aan het schouwspel. Tien minuten later en twee kilometer verder kwam de ballon veilig terecht tussen de velden. Het was een onverhoopt succes. Alles was dus klaar om de volgende keer passagiers te laten meevliegen. Bij de plaatselijke schapenhoeder haalde hij Montauciel op. Op de stadsvijver had hij een eend zomaar voor het grijpen en de haan, die hem elke ochtend uit zijn slaap wekte, was de derde reiziger. Op 19 september 1783 was het zover. In het illustere gezelschap, dat vanaf de trappen van Versailles de tweede tenhemelopneming gadesloeg, werden Lodewijk de Zestiende en Marie Antoinette opgemerkt.‘Misschien kan ik deze twee varkens een volgende keer ook meesturen’ dacht hij nog.Tien jaar later werden ze op het plein van de Revolutie terechtgesteld. De uitvinder van de ‘Ballonaparte’ kroonde zichzelf tot keizer der Fransen op 2 december 1804.

Marc M. Aerts
0 0

Karma

Je zit alleen tussen de olieverfjes. De deur waait open en de tocht duwt een doos pastelkrijt in een emmer lijm. Je laat de kleuren stollen, snijdt de emmer los en legt je vermoeide voeten op het nieuwe krukje.   Je was op zoek naar het naaischaartje dat nog van je moeder is geweest. Verguld, perfect op maat van je vingers en vlijmscherp. Nergens was het te vinden. Je ziet bewegingloos toe op de chaos in de kamer. Je denkt terug aan de workshop van vorige week. Zou het kunnen? Was iemand met je schaar aan de haal gegaan terwijl jij genoot van een stuk kriekentaart?  Alle materialen heb je in overvloed, alleen dat schaartje is uniek.   Je weet niet wie te verdenken. Alice heeft genoeg gespaard om honderd van die schaartjes cash te betalen. Agnes is linkshandig. Roberts vingers zouden nooit door de openingen passen.  De lerares knutselde nooit in haar vrije tijd en zou in demonstratielessen nooit met gestolen goed kunnen pronken. Het moest dus iemand van de andere tafels geweest zijn.   Dit was precies de reden waarom je niet naar het rusthuis wou. Je spullen zouden nooit allemaal in die kleine kastjes passen, dus wat je meebracht was een collectie van uiterst dierbaar en uiterst nuttig bezit. Alles achter deurtjes die niet op slot konden. Jij hoort in je eigen huis, tot de nok volgestouwd met boeken en schilderijen die je ooit scherper zag.       Op woensdag zou je teruggaan naar de Vlijtige Liesjes. Je patchwork zou je afwerken met het rode borduurgaren dat je vond toen je naar je schaartje zocht. Een routinewerkje dat je toeliet om de andere tafels rond te speuren.       Met grote rode lussen versier je je lappendeken. Je gaat een tafel verder een schaartje lenen en vertelt vol zelfspot dat je niet eens meer weet waar het jouwe zou kunnen zijn. Ondertussen kijk je iedereen rond de tafel beschuldigend aan. Je gaat terug naar je tafel en knipt twee rondjes uit karton. Je wikkelt er het rode borduurgaren rond om pomponnetjes te maken. Aan weer een andere tafel ga je een schaartje vragen om tussen de kartonnetjes door het garen los te knippen. Een derde schaartje krijg je aan de laatste tafel, om de overtollige draadjes aan de achterkant van je pachwork te verwijderen.   Terwijl je tafelgenoten een carré confituur gaan kopen, laat jij de drie schaartjes in je krokoleren handtas glijden. Je gaat ongemerkt naar buiten via de toiletten en belt je dochter om je een kwartiertje vroeger te komen halen.       De brandweer kon maar niet begrijpen hoe de chauffeur ongedeerd uit het ongeluk kwam, terwijl de oude dame in de passagiersstoel ter hoogte van haar hals doorboord was met drie schaartjes. De dochter bleek haar al jarenlang in een rusthuis te willen plaatsen, wat haar zowel het motief als de gelegenheid gaf. De volksjury zou het alleen nog moeilijk krijgen met het verklaren van de aanwezigheid van een vierde, verguld schaartje verscholen in het vilt van de kofferbak.

Evelien
33 1