Zoeken

Het Weekend

Zondag 14 u, Gent   Rik sprong uit de tram en begon te rennen. Gelukkig waren er op dit uur van de dag nog niet veel dagjesmensen en toeristen in het centrum van de stad. Snelheid, daar kwam het nu op aan. Met in zijn linkerhand de logge sportzak stormde Rik als een bezetene door de straten. Het zweet droop van zijn lichaam. Hij voelde niet dat zijn voeten de grond raakten, net alsof hij door gelatine waadde. Nog drie straten en hij was thuis, hopelijk op tijd. Bij het oversteken van de Koning Albertlaan kon hij nog net een fietser ontwijken. Deze wierp een hele reeks verwensing naar zijn hoofd, maar Rik hoorde ze niet. Zijn hoofd gonsde en hij probeerde zich voor te bereiden op het ergste. De zenuwen gierden door zijn lijf. Op het einde van de straat zag hij het gebouw waar hij woonde. De gordijnen van het appartement waren open en er brandde blijkbaar licht. Was dit een goed teken? Hij rende naar de deur, griste zijn sleutels uit zijn vestzak, opende de deur en stormde de trap op. Op de tweede verdieping stond de deur van de flat open. Zonder zich hierover te verbazen stormde hij binnen en trof Lies in de zetel van de woonkamer aan.   Haar gezicht was opgezwollen en haar ogen rood van het huilen. Het bedje van de kleine Thomas was leeg. Bij het zien van zijn vrouw haalde Rik opgelucht adem. Hij zette de zak op de grond en stapte op Lies af. Lies begon te huilen en greep iets achter haar in de zetel. Met een trillende hand hield ze een pistool op het hoofd van Rik gericht. “Lies? Wat…?” Een doffe knal weerklonk en Rik zijn schedel werd doorboord door een kleine kogel. Zijn lichaam viel levenloos op het tapijt.     Vrijdag 16u30 Brussel   Nog even dit dossier afwerken en ik ben ermee weg, dacht Rik. Het was een hectische week geweest. Na het ontslag van zijn diensthoofd, moesten al zijn taken verdeeld worden onder Rik en zijn vier collega’s. Zoals gewoonlijk was dit niet zonder slag of stoot gebeurt. Ze verzopen nu reeds in het werk. Niemand zat te wachten op extra werk. Rik werkte nu reeds drie jaar op de financiële dienst van de VMM. En toch had hij het afgestompte ambtenarenbestaan nog niet omarmd. Hij zou niet wegkwijnen achter zijn stoffig bureau. Hij vulde zijn dagen met dagdromen, ’s avond schreef hij zijn boek dat nooit zou verschijnen. In zijn dromen zag hij zichzelf geïnterviewd worden in De Laatste Show of iets dergelijk. Was Bukowski ook geen gewone postbeambte geweest, en Brusselmans, godbetert, was toch ook begonnen als klerk in Brussel. Rik had zonder morren de extra dossiers aangenomen. Routineus had hij ze afgewerkt. Binnen een kwartier zou hij uitprikken en naar huis gaan, de vrijdagavondborrel laten voor wat het was. Dit weekend werd zijn zoontje Thomas zes maanden. Lies en hij zouden dit vieren met een romantisch dineetje. Hij had reeds de nodige inkopen gedaan, scampi’s, een soort speciale pasta, papardelli of zo, look, Marokkaanse kruiden, en een flesje lekkere witte wijn. Sinds de geboorte van Thomas hadden ze geen moment voor zichzelf gehad. Het was het einde van een bijzonder stressvolle periode.   Om te beginnen was de kleine 4 weken te vroeg geboren. Midden in de nacht was Lies met krampen wakker geworden. Volledig in paniek had ze Thomas gewekt. Hun laken was doorweekt met bloed. In ijltempo reden ze naar het ziekenhuis. Daar had de arbeid nog 8 uur geduurd. Thomas moest echter nog twee weken met de nodige buisjes en monitor in het ziekenhuis blijven, zodat van de gebruikelijke kindervreugde geen sprake was.  De geboorte was met andere woorden niet gebeurd zoals ze verwacht hadden en ze twijfelden dan ook of een ze tweede kindje wilden.   Vrijdag 18u14 Gent   Rik kwam uit het station van Gent. Met lange stappen zette hij koers naar café den Zwartzak”. Hans en Pieter zaten er reeds en waren zo te zien in een verhitte discussie verwikkeld. Rik zette zich met een korte knik aan hun tafeltje. Elke vrijdag kwamen ze hier samen om de week zoals ze dat noemden te “evalueren”. ‘Moet je horen wat Hans nu uit zijn nek zit te lullen,’ zei Pieter zonder zich te bekommeren om de normale omgangsregels, zoals groeten en dergelijke.  ‘Hij beweert dat alle mannen in de toekomst overbodig zullen worden, omdat het slecht een kwestie van tijd is dat vrouwen zichzelf kunnen bevruchten.’ ‘Het is waar!’ riep hans. ‘ De spermabanken zijn daar het best bewijs van. Vergeet de vrijmetselaars, de Thule, en al die Da Vinci code onzin. Het ware complot wordt uitgevoerd door een elitegroepje dolle mina’s met maar één doel: complete vernietiging van het mannelijke ras, om zo te komen tot een vredige, roze penisloze toekomst, waar lesbische kussengevechten niet van de lucht zijn en Thuis 24 uur op de buis is.’ ‘Ok, ook een goedenavond jongens, nog drie pintjes?’ Rik deed zijn jas uit en deed teken naar de barman om nog wat te brengen. ‘ Ik merk dat ik mijn betoog ietwat moet illustreren,’ ging Hans verder. ‘Doe dat, mijn beste, doe dat vooral,’ zuchtte Pieter. ‘Sinds het moment dat Eva in de appel beet,’ vervolgde Hans ongestoord en op plechtige toon, ‘wordt het vrouwelijk geslacht onderdrukt door ons, mannen. Door hun schaamteloos gedrag moet de gehele mensheid boeten en werken in het zweet onzer aanziens. Vanaf dan is de gehele menselijke geschiedenis een aaneenrijging van pogingen en subtiele veranderingen om the alpha male pig te elimineren. Van Cleopatra tot Bloody Mary, maar ook op meer lokale niveau , waar het boerenwijf de pap maakt en de boer schoorvoetend naar de stal stuurt om een verse emmer melk, in de hoop dat hij vertrappelt wordt door een drachtige vaars.’ De barman bracht het bier en Rik nam zijn portefeuille om te betalen. Aarzelend haalde hij een briefje van vijf euro te voorschijn. ‘Ik heb, geloof ik, niet voldoende op zak om een rondje te geven.’ ‘Geen probleem,’ zei Pieter, ‘ik neem deze wel voor mijn rekening.’ ‘Ik snap het niet, ik dacht dat ik nog meer dan genoeg op zak had?’ Rik stopte vermoeid zijn portefeuille weg. ‘Geld lijkt de laatste tijd gewoonweg te verdampen.’ ‘Ik weet wat je bedoeld,’ viel Hans bij, ‘dalende koopkracht en zo, de kranten staan er vol van, en ondertussen blijven die piepo’s in Brussel maar doorlullen over het feit dat je in Vilvoorde geen pakje sigaretten mag kopen in het Frans.’ Hans was blijkbaar de vrouwen en hun complotten volledig vergeten en dat kon enkel maar de het gesprek ten goede komen. ‘Het zou toch fantastisch zijn als je nergens op moet letten. Geld met hopen, geen zorgen, werken als hobby, geen stress, nooit op de kleintjes moeten letten,’ mijmerde Rik. ‘Huizen bij de vleet, een jacht, enkele ferme minnaressen,…’ droomde Hans verder. ‘Zal nooit gebeuren!’ onderbrak Hans. ‘Om het met een oude wijsheid van mijn meetje zaliger te stellen: “Wie niet steelt of erft, werkt totdat hij sterf!” en nu jullie!’ ‘Tjah, dat erven zal er niet echt inzitten vrees ik,’ zei Rik, ‘en om te stelen moet je toch al meteen de jackpot kunnen binnenhalen en dan kunnen verdwijnen in het niets, want een leven als crimineel op de vlucht zie ik niet echt zitten.’  ‘Een paar jaar geleden heeft toch een bende een gigantische hoeveelheid diamanten kunnen stelen in de luchthaven van Zaventem zonder gepakt te worden?’ vroeg Pieter. ‘Inderdaad,’ zei Hans, ‘die zitten nu ergens op de Bahamas  te genieten van hun vervroegd pensioen. Gegokt en gewonnen, niemand gewond en iedereen tevreden want de verzekering dekt toch alles.’ ‘Jaja, dat zal wel,’ zuchtte Rik. ‘Ik ga er van door, Lies zit op mij te wachten en we hebben een speciaal weekendje voor de boeg.’ Rik dronk zijn bier uit en verliet het café. ‘Ik bel je nog wel!’ riep Pieter.   Buiten sloeg een natte wind Rik in het gezicht. Hij deed zijn jas iets beter dicht en zette er stevig de pas in. Hij kwam in de straat waar ze woonden en zag aan de overkant dat het licht reeds brandde. Mooi, Lies was al thuis. Hij belde aan want hij had geen zin om zijn huissleutels uit zijn aktetas te halen. Lies deed de deur open terwijl ze druk door de telefoon praatte. ‘Nee, Lowietje heeft al gegeten, ja gewoon zijn pyjamaatje aan en in bed stoppen. Niet vergeten de babyfoon in te steken…’ De mama van Lies kreeg blijkbaar nog de laatste instructies. Rik gaf zijn vriendin een kus op haar neus en gebaarde dat hij in de keuken aan de slag ging gaan. Lies knikte en ging verder met uitleg geven. ‘Neen, de Pampers zitten zeker in de zak, in het zijcompartimentje, heb je daar al gekeken?’ Rik ging naar de keuken en zette zijn tas op de tafel. Hij haalde de ingrediënten eruit en zette de wijn in de ijskast.  Rustig begon hij aan het diner. Hij zette de tafel in de living, stak een kaarsje aan , legde een plaatje op en schonk alvast een glaasje wijn uit voor Lies. Deze was ondertussen begonnen over het nieuwe kapsel van haar zus en probeerde haar moeder te overtuigen dat de snit totaal ongepast was voor een vrouw van haar leeftijd. Rik rolde met zijn ogen en ging terug naar de keuken.   Het eten was reeds bijna klaar toen Lies in de keuken kwam en Rik langs achter vastpakte. ‘Opgepast, of ik verband mij nog!’ lachte Rik, die net een kokende pot vol pasta in zijn handen had. ‘Sorry dat ik zo lang aan de telefoon was,’ zei Lies, ‘ maar mijn moeder is blijkbaar volledig vergeten wat ze met een kindje moet aanvangen, maar kom, onze Lowie is in goede handen.’ ‘Tuurlijk, zoiets verleer je niet,’ zei Rik, ‘hier, proef hier maar eens van’, en hij gaf haar een lepel saus. ‘Mmmm, heerlijk! Heb je al een flesje wijn opengedaan?’ ‘Er staat reeds een glaasje voor jou op tafel. Wil je mij ook nog een glaasje inschenken?’   Rik en Lies genoten met weinig woorden van hun dineetje en terwijl Rik de vuile borden in de wasbak plaatste, vleide Lies zich languit in de zetel. Rik kwam er bijzitten en schonk nog een glaasje uit voor Lies en zichzelf.    

Bernard Govaert
0 0

De gevangene

Duisternis… Mijn ogen, zijn ze… Ben ik blind geworden? Nee! Alsjeblieft, dat niet, allesbehalve blind zijn! Ik knipper, ik blijf knipperen maar alles blijft zwart. Is er wat met me gebeurd? Mijn gezicht… is alles nog heel? Kon ik het maar aanraken. Als ik het nu toch eens… Komop handen, beweeg. Beweeg… doe iets. Ach, nutteloos. Dit kan toch niet waar zijn, mijn vingers horen te bewegen, te tintelen, wat dan ook! Een stuiptrekking schiet door mijn pink. Wel, dat is al iets. Goed, concentreer je nu. Laat dit gevoel naar de andere vingers overspringen. Komop, concentreer je… Eureka! Mijn vingers zijn gebald tot een vuist. Oké, nu loslaten, ontspan je…. Goed. Oef, nog even geduld, het begint te lukken. Als ik nu eens mijn hele hand kon bewegen… Perfect. Laat me nu dat gezicht van me betasten, misschien heb ik gewoon een blinddoek op. Heh? Wat is dit? Wat voel ik toch overal rondom me? Is dat… hout? Komop vingers: voel, wat is dit toch? Oh nee, NEE! Ik lig in een kist. HELP! Oké, kalm blijven, geen paniek. Ik lig in een kist; dat zal de reden zijn waarom ik niets zie. Misschien ben ik toch niet blind. Laten we hopen dat… Maar ik zit opgesloten in een kist! Help! Ik krijg geen adem! Ik… ik… Kalm blijven, kalmeer je toch. Als de zuurstof hier beperkt is, kan ik beter mijn krachten sparen. Oké, ademen, gewoon ademen: dat is het belangrijkste op dit moment. Adem ik? Ik weet het niet… Wel, ik lig hier nog steeds, ik kan denken, dus het moet wel goed gaan. Gekalmeerd? Goed, laat me eens proberen te schreeuwen, wie weet hoort iemand me wel. Wie weet is dit gewoon een ziekelijke grap, of een misverstand. Hier gaan we: ‘ARGHK.’  Nee, da’s niet goed. Het moet help zijn: h e l p Opnieuw: H E L en dan P.   ‘ARGHK.’ Vervloekt, tot zover het schreeuwen dus. Wat kan ik nog doen? Adem ik nog steeds? Het moet wel, het kan niet anders. En aangezien ik hier niet lig te versmachten, is er nog zuurstof, nog hoop. Goed, wat nu? Kan ik deze kist kapot maken?    ‘Unghk.’ Nutteloos, de wanden zijn te dichtbij en ik ben nog steeds niet sterk genoeg. Nieuw plan: herwin je krachten en probeer later opnieuw. Als er dan nog maar voldoende zuurstof is… Nee, zo niet denken, denk aan… ontsnappen. Ja, dat is het enige wat echt telt… buiten zuurstof gerekend, blijven ademen. Ben ik terug kalm? Mooi zo. Nu, om uit deze benarde situatie te raken, moet ik eerst uitvissen hoe ik hier terecht ben gekomen… Wel, totdat ik terug op kracht ben. En wanneer dat gebeurt: dan is het beuken geblazen, beuken tot mijn knokkels rauw zijn. Nee, meer dan dat zelfs: blijven slaan totdat deze houten gevangenis het begeeft. Maar wat als daarbuiten iemand me opwacht? Iemand, of iets? Denk na, wat is er gebeurd? Ik… ik… weet het niet. Hm, laten we dan met iets eenvoudigers beginnen. Wie ben ik? Kom nou brein, wie ben ik? KUT! Oké, iets makkelijker dan: wat is het laatste dat ik mij kan herinneren? Ik was aan het werk. Welk werk? Weet ik niet, is dat belangrijk? Misschien wel, misschien niet. Kom nu, denk! Pijn in de borst… Ik ben ingestort. Duisternis. Mensen begonnen te schreeuwen. Goed, mooi zo, we geraken ergens. En toen? Sirenes… De politie? Weet ik niet. Helder licht, iemand stond over me gebogen. Vreemde geluiden. Wat voor geluiden? …weet het niet. En toen? Leegte… niets… Ik weet alleen nog dat er mensen op me neer keken, rook… en toen het deksel. Niet echt veel bruikbaars. Wie wil mij nu laten kisten? Heb ik vijanden? Wacht eens… de kist! De kist werd neer gelegd, met mijn gezicht naar de hemel. Ik kon het voelen, zelfs door het deksel heen. En later, veel, veel later volgde een bonzend geluid. Zacht ritmisch bonzen op het deksel van de kist. Het klonk haast als aarde… Ja, dat moet het wel zijn; ze waren aarde op de kist aan het scheppen. Oh nee, NEEEEEEH! Die klootzakken hebben me levend begraven! Ik moet hier weg… weg, naar… naar… Ja? Is er iets dat me nog staande kan houden in deze waanzin? Iets of iemand? Ja! Iemand, die het waard maakt om te vechten. Als ik die persoon nog één keertje kan zien, zal alles wel in orde komen. Maar wat als ze me blind hebben gemaakt? Ze? Wie zijn zij? Ach, niet belangrijk; evenmin deze blindheid, tijdelijk of permanent. Het maakt niet uit. Als ik me gewoon kan concentreren op die ene persoon. Als ik die niet kan zien, dan maar gewoon aanraken, tegen me aan drukken en nooit meer los laten. Ah, een motivatie, goed zo, nu heb ik een reden om hier weg te geraken. Hoe zit het met de spieren, ben ik sterk genoeg? Wel, er is maar één manier om daar achter te komen. Komop vuist, klop dat deksel kapot!    “Ungk!” Geen succes. Hm, maar ook geen pijn. Ben ik verdoofd? Dat kan mooi van pas komen als ik hier moet uitbreken. Komop, nog een slag! Nee! Ik kan mijn arm niet meer bewegen. Shit, kom nu toch: beweeg… Ik weet niet hoeveel lucht hier nog overblijft. Oh shi... ademen… niet in paniek raken… GEEN paniek. Rustig, is er iets dat me kalm kan houden? Een gebed misschien? Wat? Maar ik geloof nergens in. Maakt niet uit, alles is goed om de paniek te vergeten. Toe nu maar, zeg de woorden… Wat waren ze ook alweer? Onbelangrijk, denk er gewoon aan. Als alles faalt, wat voor kwaad kan een verzonnen gebed dan nog betekenen? Godverdomme! Eh, dat is niet helemaal juist. Vergeet het! Ik zit hier maar kostbare zuurstof te verspelen aan gedachten en gebeden! Vooruit, armen: dit is niet het moment om te slapen. Vecht! Vecht tegen de verlamming. DREUN! Komop, dit kan hier niet eindigen: ik moet nog zoveel verwezenlijken. Zoveel dingen die ik nog tegen mijn geliefde wil zeggen. Kom op, ik zit hier haast door mijn tandvlees heen: kloppen, dreunen, BREKEN! Tot het hout barst. Harder! Ik moet uit deze hel geraken. Kom op, SLA, het is alleen maar hout… en een beetje aarde. Oh god… wat als ze dachten dat ik dood was… Wat als er een grafsteen boven me ligt? Nee, dat kan niet… HARDER… vrijheid! Niemand kan dat van me afnemen, ik moet doorzetten. BREEK het KAPOT! Ik kan het horen… kraken… Maar is het hout dat barst, of mijn eigen vuisten? Ik voel geen pijn; het moet wel het hout zijn dat stuk gaat. Maar wat als ik gewoon verdoofd ben? Wat als dat krakend geluid echt mijn… NEE! Blijf kloppen! Zelfs al zijn het mijn vuisten, ik moet doorvechten. Weersta de vergetelheid! Kom op en klop! Waarom… in… de… naam… van… alle… heiligen… wil…dat…deksel… niet… BREKEN! Ik hoor wat. Gestaag vindt er iets zijn weg naar binnen.  Ik kan het voelen… aarde. Ik heb een gat gemaakt! Kom op! Zie je wel? Niets is onmogelijk, doorslaan! Kloppen, dreunen en breken! Meer en meer aarde valt naar binnen. Ik voel het op mijn gezicht, in mijn mond. Geen tijd om het af te vegen, nog minder om het uit te spuwen; doordoen! Maar ik… kan niet… ademen… DOORDOEN! Er is nog een zuchtje zuurstof over. Eureka! Het gat is groot genoeg om me er door te wringen. Graaf dan maar! Naar boven, weg van hier. Maar wat als er een grafsteen boven me ligt? Nee! Geen ge-wat-als. Alleen maar graven, omhoog, naar de hemel, naar vrijheid. Ik klauw door en graai naar boven. Mijn lichaam wringt zich door het versplinterde deksel, maar ik voel geen pijn. Er is enkel de kick. Nog even en deze nachtmerrie is voorbij … goedschiks, of kwaadschiks. Komop! Mijn vingertoppen ondervinden minder weerstand… Daar is het dan, een weg naar buiten! Godzijdank heeft niemand een grafsteen geplaatst. Ungh, nee, niet nu! Mijn… kracht verlaat me… Waarom nu toch? Kan ik niet gewoon eventjes… heel even pauzeren… alleen maar… NEE! Geen rust voor de rustelozen, ik slaap wel wanneer ik echt dood ben. Die dag zal er heus wel komen, maar vandaag niet! KOM AAN! Mijn armen zijn bevrijd. Ze trillen nog na van de inspanning. Het is nu nog maar een kwestie van… Nog een klein beetje…   ‘Ughnk.’ Ik kan zien! Het is allemaal nog wazig, maar ik ben ten minste niet blind. Mijn gezicht… het is uit de grond… Pfuf, eindelijk kan ik die vervloekte aarde uitspuwen. Nu het laatste deel nog, mijn lichaam. Ik… ik… nee…’t lukt niet meer. Al dat graafwerk heeft dat laatste streepje energie opgeëist. Kon ik toch maar even rusten, heel eventjes maar. Misschien zullen voorbijgangers me vinden en me uit deze gevangenis sleuren. Maar wat als die voorbijgangers me juist in dit gat hebben gesmeten? Ik kan niet opgeven, niet nu. Ik moet doorzetten, me bevrijden en… ontmoeten… omarmen… Stik! Wie was dat ook alweer? Wie ben ik?! Wat moest ik ook alweer doen? Wie moest ik zoeken? Wie zijn ‘zij’? Alleen ik blijf over. En op dit moment zit ‘ik’ nog steeds vast.   Langzaam maar zeker wordt het zicht scherper. Terwijl ik naar de hemel staar, kijken duizend sterren op me neer. Dit is het mooiste wat ik in heel mijn leven heb aanschouwd. En hoewel er mogelijk nog gevaar dreigt, kan ik niets anders doen dan de lucht te bewonderen. Geleidelijk aan keert mijn gevoel terug. Jammer genoeg is het niet van emotionele aard. Een scherpe pijn priemt door mijn vingers, net alsof er naalden onder mijn nagels steken. Mijn handen branden; het schroeit door mijn huid, door mijn vlees. Dit is wat het lichaam moet doorstaan als je uit een kist breekt en naar een uitweg moet klauwen. Maar er is ook een heel nieuwe sensatie. Het begint met tintelingen in mijn buik. Het lijken wel wormen die doorheen mijn maag wroeten. Al snel wordt het erger. Het vederlichte gevoel maakt plaats voor een orkaan, een honger die nog nooit heb gevoeld. Hoe lang is het ook geleden dat ik nog degelijk heb gegeten? Oké, nog even doorbijten, knars die tanden nog maar op elkaar, want ik zit nog steeds vast. Negeer de pijn, de honger en concentreer je om uit deze troep te geraken. Komop, trekken, trekken, TREKKEN! Ik heb het gehaald! Vrij, eindelijk vrij! Een wervelwind raast door me heen, sterker dan geluk, krachtiger dan extase. Het is… het is… honger. Ik kan alleen maar aan bloed denken. Heerlijk, sappig, voedend. Mijn maag nijpt samen, mijn brein beukt tegen de schedelwand. Ik moet het hebben, ik moet… nu! Ik strompel voorbij honderden grafzerken en voel de begeerte door mijn lichaam woelen. Ik adem diep in en blaas de lucht terug uit. Dit is de eerste ademstoot die de Apocalyps in gang zal zetten. Ik ben vrij, vrij om mijn honger op de wereld los te laten.

Maarten
0 0

verhaalfragment

Terwijl ze zich weg liepen, had ze Maartens hand genomen en zichzelf gedwongen niet achterom te kijken. Maar het maakte geen verschil. Het beeld van Claire die alleen de nacht inwandelde kreeg ze niet uit haar hoofd. Ook niet toen ze op zijn kamer waren en hij haar uitkleedde. Het was donker. Het voelde aan als verraad. Ze was een paspop in een etalage. Toch stond ze toe dat hij zich onder haar vleide. In haar kwam. Toen zijn ademhaling jachtig werd, verschoof iets in haar hoofd. Met gesloten ogen begon ze met haar heupen draaiende bewegingen te maken. Ze hoorde hoe hij kreunde. Hij had geen idee hoe ze hem buitensloot. Zichzelf verlaagde tot het voorwerp van zijn lust. De vernedering aanvaardde ze als straf. Dankbaar haast. Het draaien van haar heupen kreeg iets van een zelftuchtiging. Dit had enkel nog met haar, niets meer met hen te maken. Ook zij begon nu te hijgen. In een flits zag ze Claire weg wandelen. Ze schudde haar hoofd. De klank die hij uitstootte, kreeg iets huilerigs. Nu niet aan Claire denken. Ze sloot haar ogen. Na een laatste slag met haar lenden, kwam hij klaar. Hij legde een hand op haar rug. Door de aanraking voelde ze voor het eerst hoe die nat van het zweet was. Ze rilde. Hij duwde haar voorzichtig naar zich toe. Ze verborg naar hoofd in het kussen naast hem. Ik hou van je, zei hij en streelde haar rug. Ze knikte in het kussen. In bed merkte ze dat hij de slaap niet kon vatten. Op een bepaald ogenblik zuchtte hij diep. Ze wist niet of dat een stille uitnodiging was om te praten of niet. Ze ging er niet op in. Ze vroeg niet wat er scheelde. Ze staarde gedachteloos in het donker. Nadat haar ogen aan het duister waren gewend, volgde ze doelloos de barsten in het plafond. Eén lijn liep kronkelend diagonaal de kamer door en verdween in een donkere hoek uit het zicht.   De weken erna gíng het beter. Alsof ze zich ergens bij had neergelegd, ergens vrede mee had genomen en hem nu meer kon toelaten, hem dichter kon laten naderen. De zelfvernedering in bed die avond – dieper kon ze toch niet vallen? Alles wat volgde was winst. Ze had een nulpunt bij zichzelf bereikt en had niets meer te verliezen. Vanuit die gelatenheid steeg een nieuw soort energie op. Tot haar eigen verbazing was ze rustiger geworden. Waar de situatie haar die nacht nog uitzichtloos had geleken, was ze de volgende morgen met een haast vrolijk gevoel opgestaan. Bij het ontbijt had ze geen moeite moeten doen om met hem te praten. Ze hadden plannen gemaakt voor Parijs. Zij wou absoluut het Louvre bezoeken. Hem was het gelijk. Een beetje rondwandelen, zei hij, af en toe stoppen om een koffie te drinken en wat naar de mensen te kijken. Ze herinnerde zich hoe helder haar hoofd was geweest, een helderheid als na een zware huilbui - met hetzelfde licht zeurende, huilerige gevoel op de achtergrond. Alles aan hem ontroerde haar. De manier waarop hij zijn kopje oppakte en naar zijn mond bracht. De blik in zijn ogen die tussen wantrouwen en verbazing schommelde. Toen ze terug op straat stond, drong elk geluid, elke geur, alles wat ze zag tot in het kleinste detail tot haar door. Een vogel die floot, een wagen die langsreed, de vroege zon op de bakstenen gevels; alles sprak voor zichzelf, verwees naar niets anders dan naar zichzelf. Een snoeppapiertje op straat droeg de hele wereld in zich. Ze voelde zich licht, alsof ze zich van iets zwaars had losgemaakt. Het zelfzekere gevoel hield de dagen en weken daarna aan. De lente had intussen voorgoed de winter afgelost. Sommige dagen deden van bij het opstaan zomers aan. Als ze op zo’n ochtend door het park liep en de zon op haar gezicht voelde, verlangde ze naar lange zomeravonden. Avonden waarop de warmte van de voorbije dag was blijven hangen en de kilte pas samen met de nacht invalt. Ze stoorde zich niet aan de uitbundige stemming van haar medestudenten toen ze zich bij hen voegde en samen met hen het begin van een college of seminarie afwachtte. Het was geen euforie die ze voelde, geen triomfantelijk gevoel omdat de onrust van de voorbije maanden nu definitief voorbij was. Veeleer een gevoel van berusting was het.  Ze praatte zichzelf iets aan natuurlijk, maar op dat moment geloofde ze werkelijk in de idee van berusting. Of misschien wist ze ergens wel dat ze zichzelf iets wijs maakte, maar geloofde ze er desondanks in. Dat kon, volwassenen lazen op die manier de bijbel. Iedereen weet dat parabels verzinsels zijn en toch blijven sommigen erin geloven. Omdat die parabels hen iets vertellen dat ze wilden horen. Iets dat hen recht houdt. Misschien dat het met haar destijds net zo was gegaan.  Met hernieuwde energie schreef ze aan haar eindwerk. Binnen de twee weken had ze het besluit rond, liet het door Claire nalezen die haar zegen gaf en bracht het naar de faculteit. Het secretariaat zou het aan haar promotor bezorgen. De boeken die ze van hem had gekregen, begon ze op een systematische manier door te nemen. Ze legde lijsten aan van woorden die ze niet begreep en waarvan ze de betekenis in naslagwerken opzocht. Ze maakte een schematisch overzicht van fenomenen die volgens de auteurs hadden bijgedragen tot het proces van secularisering. Omgekeerd legde ze een chronologie aan van toespraken, brieven en encyclieken waarin menig paus zich tegen de moderniteit had gekeerd. Hele namiddagen spendeerde ze in de universiteitsbibliotheek. De neutraliteit van de plek – ver weg van Maarten of Claire – verschafte haar de noodzakelijke rust om een domein te verkennen dat volledig nieuw voor haar was. Geleidelijk kreeg ze zicht op de problematiek van ontkerkelijking. Ze herinnerde zich dat ze op een avond de bibliotheek net voor sluitingsuur was uitgewandeld. De avondzon op het plein voor de bibliotheek had haar verblind en ze had haar ogen gesloten. Even leek het alsof ze deel had aan iets dat groter was dan zichzelf. Alsof de opgedane kennis haar verhief boven het alledaagse van een universiteitsstad en boven iedereen die zich door die stad een weg baande. Terwijl ze naar huis liep, had ze voor het eerst sinds lang het gevoel controle te hebben over haar leven.   Claire beantwoordde het geklop op haar kamerdeur niet. Sarah bleef een moment besluiteloos staan. Het geluid van haar knokkels op de deur, de zachte galm daarvan in de gang en het besef dat Claire er niet was: van het ene op het andere moment zag ze zichzelf door de ogen van iemand anders. Controle over haar leven! Met een nijdig gebaar draaide ze de sleutel van haar eigen kamer om. Van de verheven stemming van zonet schoot niets over, alsof het niet meer dan stof was geweest die bij de minste windstoot wegwoei.   Net als het gevoel van herwonnen rust was die kwetsbaarheid tijdens de laatste weken een constante. Het waren twee zijden van eenzelfde medaille. Hoewel ze er beter in slaagde haar gevoelens voor Maarten en Sarah gescheiden te houden, was het minste voldoende haar uit balans te brengen. Ze moest dan vaak denken aan iets wat ze als kind had ervaren maar nooit helemaal begrepen. Het was een namiddag in de zomervakantie en samen met Claire hadden ze met hun kinderfietsjes telkens hetzelfde wedstrijdje gedaan. Ze reden hun fiets tot bovenaan een flauwe helling en lieten zich dan om het snelst naar beneden rollen. Ze hadden het uitgekraaid van plezier. Tijdens een van die wedstrijdjes was Sarah over een steen gereden die ze niet op de weg had zien liggen. Ze werd daarbij even uit het zadel gewipt. Uit het niets was ze beginnen wenen. Niet omdat ze zich had bezeerd, evenmin omdat ze de wedstrijd door de korte aarzeling had verloren – ze had nooit begrepen waarom. Claire kon ze geen antwoord geven toen ze met een betraand gezicht naast haar tot stilstand kwam. Ze wist alleen dat ze zichzelf op het moment dat ze over de steen reed belachelijk voelde. Alsof dat ene moment de hele namiddag van plezier maken en onbezorgd lachen als iets vals had ontmaskerd.

detroostvancontouren
0 0

Vloeiend

 Minutenlang vroeg ik me af waarom we het zover hadden laten komen. De kus leek het onafwendbare einde van een tragedie. De katalysator die het verval in gang zette. De doodsteek voor onze uitzonderlijke band. Tot gisteren was alles zo eenvoudig mooi geweest. Niets hoefde en niets was uitgesproken. We waren de beste vrienden voor altijd. We konden over alles praten. Over alles behalve over de liefde.   De liefde was taboe voor ons. Niet omdat we er niet wilden over praten, maar net omdat er niets meer over te zeggen viel. We wisten het; van onszelf en van elkaar. Ik had haar al meermaals zien wegzinken in mijn ogen, terwijl ik me verloor in haar lach. Op zulke momenten was ze niet meer in staat te horen wat ik zei en bewoog ik mijn mond op automatische piloot. De hersenloze klanken waren voor ons minstens even belangrijk als onze complexe gesprekken. Het waren de klanken die ons de mogelijkheid boden onszelf te verliezen en op te gaan in een wereld die van ons was. Een wereld die niemand begreep en niemand kon betreden.   Dag na dag verlangde ik ernaar haar te zien. Elk uur wilde ik haar goddelijke stem horen. Haar hersenloze klanken waren veel mooier dan de mijne en haar gedachten kon ze op zulke verfijnde manier weergeven dat ik me schaamde over mijn eigen gebazel. We zagen elkaar en we praatten. Elke keer weer. Zonder meer, want dat was voldoende. Meer hoefde het voor mij niet te zijn en ook niet voor haar. We hadden het goed zonder gebonden te moeten zijn, zonder de inherente onzekerheden. Zonder verbond waren er immers geen zekerheden die zichzelf tot onzekerheden konden bombarderen. Alles zweefde en vloeide. De klanken en het leven. De woorden en de daden.   Ik hoefde haar niet aan te raken om gelukkig te zijn. Zij hoefde mij niet te kussen om te voelen wat ze voor mij betekende. We hadden die bevestiging niet nodig. Samen zijn en praten was het allerbelangrijkste. Zolang er woorden kwamen die betoverden, inspireerden we elkaar. We waren elkaars bron, elkaars begin en einde. De enigen die konden vatten wat er met ons gebeurde. Het kriebelende gevoel in onze buik was niets vergeleken met de lichtheid in onze hoofden.   De toverdrank die ons gevoel kon bottelen, zou dodelijk zijn. Te heftig voor onervaren zielen. Te gevaarlijk voor zuivere hedonisten. Het was de oermagie waar wij dag na dag mee flirtten. Haar kracht zat niet vervat in het streven naar het aardse of ondermaanse. Wij gingen verder. We lieten de zon achter ons en verloren onszelf in elkaars duisternis. We waren elkaars wegwijzer. De fonkelende sterren op de eindeloze tocht. We gingen door zonder te weten waar we zouden uitkomen, of er een einde was, of het ooit zou stoppen.     De meesten begrepen onze relatie niet. Die zuiverste vorm van samenzijn was hen vreemd. In onze hoofden waren we echter een geheel. Bijna volmaakter dan de oneindigheid van de lepel gingen we door het leven. Eindeloos herhaalden we dat woord om ons erin te verliezen. Doodgewoon of achterstevoren kwamen we steeds weer bij de essentie uit. Twee delen die samengeklit waren om elkaar nooit meer los te laten.     Het was echter te mooi geweest, te zoet en te lieflijk. De toorn van het Fortuna was harder dan we hadden verwacht. Scheiden kon ze ons niet en daarom bracht ze ons dichter bij elkaar. Op letterlijke wijze werden onze lippen door haar onzichtbare hand op elkaar gedrukt. Onverwacht, ongeplaatst en onzeker. De hand verwijderde zich, maar wij konden niet wijken. Het voelde avontuurlijk aan, maar vertrouwd tegelijk. Haar lippen deden de mijne tintelen. Ik wilde ze nooit meer verlaten en kuste haar opnieuw. Niet omdat het zo hoorde, maar omdat het zo voelde.   Als ze vandaag niet meer kwam, was alles voorbij. De kus, de band, het verbond. Nooit zou het nog hetzelfde kunnen zijn. Nooit zouden we nog kunnen terugkeren naar die beëindigde eindeloze tijd. De stilte na de kus had voor onrust gezorgd en had ons verscheurd. De woorden waren verdwenen waardoor we onbeschermd tegenover elkaar stonden, maar nu was het anders. Ze tikte me op de rug. De woorden kwamen en vloeiden over in haar lippen.

Expialidocious
0 0

Ge(en)noten

Het was een minuut voor acht toen Inez het repetitielokaal binnenkwam. Ze was maar net op tijd en toch flaneerde ze rustig naar haar plaats. Ze stond al maanden naast mij op de rij, zodat ik heel goed wist wat ze kon en wat niet. Onze chef hield zich klaar om de repetitie te beginnen, maar Inez had natuurlijk nog geen tijd gehad om de juiste partituren te zoeken in de rattennest van haar tas en bleef dus nog wat rommelen. De chef zag dat het hopeloos was en gaf teken dat we mochten beginnen. Vanaf de eerste maatslag zong ik mijn noten zo briljant als ik kon. Iedereen mocht horen dat ík de volgende solo waard was.   Inez moest niet denken dat de wereld aan haar voeten lag sinds ze een solootje had mogen zingen. Het was niet eens een moeilijke geweest. Gewoon wat lange noten zonder veel gevoel, of dat gevoel was me door haar uitvoeringen toch niet opgevallen. Het was vreemd om te moeten zwijgen, terwijl zij zong. Lange tijd had ik gedacht dat de chef die solo te gemakkelijk had gevonden om aan mij te geven. Ik verwachtte nog een belangrijkere solo te krijgen tijdens dat concert, maar ik had het verkeerd. Voor de sopranen was er maar één grote solo en dat was de solo die Inez had bemachtigd.   Voordien had ik het vrij goed met dat stille meisje kunnen vinden. Ik was diegene die met haar begon te praten als ze maar wat stond rond te kijken. Ik had haar tips gegeven om haar ademhaling beter onder controle te krijgen. Ik had de moeilijke passages met haar doorgenomen en nu dacht zij dat ze me ook meteen kon vervangen. Het ergste was echter dat chef er blijkbaar er ook zo over dacht. Ik kon geen objectieve verklaring vinden voor deze plotse verandering. Ik had meer ervaring en zong duidelijk net dat tikkeltje beter. Er moest een andere verklaring zijn. Was ik niet schattig genoeg? Vond hij mij te oud voor die solo? Klonk hij spectaculairder uit de mond van iemand die nog maar net uit de wieg kwam? Wat de reden ook was, ik was fu-ri-eus. Wekenlang vertrok ik mokkend naar de repetitie. Toen ik voor de deur stond, toverde ik echter mijn breedste glimlach tevoorschijn en sprak ik mezelf moed in. Ik zorgde ervoor dat ik iedereen hartelijk groette en vroeg naar de gebroken voet van het zoontje van de ene en het (sowieso uitstekende) rapport van het dochtertje van de andere. Alleen met de kleine trol wilde ik niets meer te maken hebben. Toen mijn teerbeminde medesopraan tijdens de generale repetitie begon te hoesten tijdens haar solostukje, nam ik de vloeiende notenlijn niet van haar over. Als zij wilde schitteren, moest ze maar schitteren. Ik zou haar rommel niet opruimen. Tijdens een solo had ik bovendien nog nooit gehoest. Ik zou nadien liever met een knalrood hoofd in elkaar gezakt zijn dan dat ik mijn moment de gloire niet naar behoren had afgewerkt. Bij privileges hoort een minimum aan verantwoordelijkheidsgevoel. Het was echter niet naar de zin van de chef dat ik maar wat toekeek terwijl zij zich stond te verslikken. Volgens hem had ik meteen moeten overnemen. Ik stond naast haar en ik kon dus echt wel zien wat er aan het gebeuren was. Hij had natuurlijk gelijk, maar ik hield me van de domme. Met een onschuldig gezicht antwoordde ik dat ik niet wist of ik wel mocht invallen. Hij keek me ongelovig aan en liet het koor drie maten voor de vervloekte solo opnieuw beginnen. Op het concert heeft ze zich spijtig genoeg niet verslikt. Alles is vlekkeloos verlopen. Ik had er sindsdien officieel een rivale bij. De repetitie na het concert begonnen we met de voorbereiding van het volgende concert. De solo’s voor de komende concertreeks waren nog niet verdeeld, maar deze keer zou ik hem krijgen. Op de momenten dat ik hoorde dat mevrouwtje hard aan het zingen was, durfde ik wel eens zachtjes een klein beetje te laag zingen in de richting van haar rechteroor. Het was me nog nooit gelukt om haar in de war te brengen, maar vandaag lukte het wel. Met dezelfde geluidssterkte gleden de noten over haar lippen. Ze waren duidelijk te laag. De chef liet het koor ophouden. Terwijl hij Inez aankeek, vroeg hij of de partituur voor iedereen duidelijk was. Mijn repetitie kon niet meer stuk.

Expialidocious
0 0

Muur

Ik wil dat ze me met rust laten. Ik heb het niet gevraagd om hier rond te lopen. Ik moet het gewoon doen. Ik kan mijn lichaam niet verlaten en rondzwerven, al zou ik niets liever willen. Ik zou graag een vlieg zijn. Of onzichtbaar om niemand meer voor de voeten te lopen.   Ze is gestoord. Totaal gestoord en niet te vatten. Een zielige eenzaat die het zelf heeft gezocht. In de les zit ze altijd achteraan. Starend naar het bord of naar haar blad. Wanneer ze schrijft, maakt haar pen geen geluid. Als je haar niet zou zien zitten, zou je denken dat ze niet bestaat. De leraars kunnen haar naam niet onthouden. Ze is zo oninteressant dat niemand weet wie ze eigenlijk is en wat ze doet. Zelf weet ze alles. Ze sluipt iedereen achterna en luistert de gesprekken af. Vr Wat de anderen doen interesseert me niet. Wat ze zeggen nog minder. Wat verwachten ze dat ik doe wanneer iedereen me links laat liggen? Wat kan ik anders doen dan de stroom volgen? Wat verwijten ze mij terwijl ik net hetzelfde doe als zij? Wat zouden ze ooit tegen mij durven zeggen? Ze is kleurloos. Zo kleurloos dat je er bang van wordt. Ze leeft en dwaalt rond op school. Ze valt niet op, maar is er altijd. Ze duikt steevast op als anderen net willen dat niemand hen ziet.  Als een schim spookt ze rond zonder het te beseffen. Ze heeft altijd alles gehoord, maar niemand weet of het werkelijk doordringt in haar wereld.    Doen die anderen gek of ligt het werkelijk aan mij? Doen vliegen het werkelijk beter in het leven of hebben ze het gewoon gemakkelijker? Doen ze geen domme dingen zoals ik? Doen hun soortgenoten hen beseffen wanneer ze iets doms doen? Of doen ze niets en vliegen ze maar wat rond? Ze is vreemd. Haar afwezige blik eindigt niet. Niemand zou durven nadenken over haar gedachten. Gruwelijke moordplannen om wraak te nemen op iedereen die haar links laat liggen. Moordplannen om iedereen te grazen te nemen. Ze weet alles en zegt niets. Woorden zijn haar vrienden niet. Ze laten haar in de steek. Net als iedereen, maar dat heeft ze zelf gezocht. Ontoegankelijk voor een normale mens. Moet ik mezelf verloochenen en oogcontact zoeken met de anderen? Moet ik oefenen op het beheerste gebruik van mijn tong? Moet ik doen wat de anderen willen en uit hun buurt blijven? Moet ik stoppen met leven? Moet ik rondvliegen zonder vleugels? Ze is grijs. Niets valt af te lezen op haar gezicht. Over niets heeft ze een mening. Ze is het gespreksonderwerp als alle roddels uitgemolken en achterhaald zijn. Wanneer de komkommers groeien bij het bos. Ze kent geen zwart en wit evenmin. Ze houdt er gedachten op na die de wereld niet mag kennen. Alleen haar hoofd weet wie ze is en wat ze wil. Als ze al iets wil. Met haar ogen waarvan niemand weet welke kleur ze hebben. Of ze wel een kleur hebben. Anders dan de anderen wordt niet aanvaard, wat de alternatievelingen ook mogen beweren. Anders zijn doet mensen pijn zonder dat ze beseffen dat iedereen lijdt. Anders had ik er toch niet voor gekozen om anders te zijn? Ze is onbegrijpelijk. Verzinkend in haar eigen wereldje moet ze meedraaien met de aarde. Elke keer weer daalt ze neer op aarde na een lange reis. Ze komt van ver en niemand heeft vat op haar. Ze wil het niet en ze kan het niet. Ze zegt maar wat en gaat op in de meubels, de bomen en tegels. Ze begrijpt het niet en ze wil het niet begrijpen. Ze kan dit niet volhouden. Leven zonder deel te nemen aan het leven. Kijken zonder te participeren. Staren zonder te zien. Ik moet wat anders doen. Moet ik wat anders doen? Anders moet ik wat doen? Doen wat ik anders moet? Wat moet ik anders doen?

Expialidocious
0 0

Koplamp

Elke maandagochtend om tien uur zet Karel een kom met warm water voor zich op de keukentafel. Drie druppels jasmijnolie kunnen een hele ruimte vullen. Rechts van de kom legt hij een schoon zacht washandje, links ervan een nagelschaar, een vijl en een handcreme. Nadat hij zijn handen onder de kraan uitvoerig met zeep heeft gewassen, gaat Karel voor de kom zitten. Hij recht zijn rug, zoekt zijn middelpunt. Als hij dat gevonden heeft, dompelt hij beide handen tegelijk in het water. Vanuit hun lijsten aan de muur kijken zijn familieleden toe. Na twee minuten weken, haalt Karel zijn handen uit het water en droogt ze met het washandje af. Nu begint het tweede deel van zijn ritueel, dat hij ‘het droge deel’ noemt. Met de punt van de vijl haalt hij het vuil van onder elke nagel vandaan. Per ongeluk prikt hij deze keer te diep, een druppel bloed komt onder de nagel tevoorschijn. Karel dept het weg met het washandje. Ondanks de pijn gaat hij door. Hij heeft al ergere pijnen doorstaan. En hij wil op tijd zijn. Met wijsvinger en duim trekt hij enkele losse velletjes weg. Hij knipt zijn nauwelijks gegroeide nagels en smeert zowel zijn handpalmen als ook elke vinger apart in met een kamillehandcreme. Nu zijn zijn handen klaar. Opgewonden neemt Karel een slok van de inmiddels afgekoelde thee, schuift zijn stoel naar achter, trekt zijn blaser aan en doet de deur achter zich dicht.   Zijn tram is net met gierende wielen de tunnel in verdwenen. Karel moet wachten. Hij zit achter op zijn schema, maar de volende tram is al op komst. Terwijl hij zich vasthoudt aan de lussen onder het plafond, huivert hij een beetje van al het plakkerige vuil aan zijn nette handen. De volgende keer mag hij zijn handschoenen niet vergeten. Twintig minuten moet hij zo blijven staan. Eindelijk, zijn halte. Opera. De metro vertraagt om dan met één ruk te remmen. Even tuimelen de lichamen. Een moment lang voelt hij zich als een worst in een hotdog. Nog drieëntwintig passen en hij staat aan de voet van de roltrap. Eenmaal boven moet hij alleen nog de straat met vier rijstroken oversteken.   In het winkelcentrum is het ‘s maandags meestal niet zo druk. Van het draaihek naar zijn plaats zijn het precies tweeëntachtig stappen. Karel telt ze al lang niet meer. Dit gedeelte van zijn ritueel noemt hij ‘het bos’. Blijkbaar werkt vandaag de kassierster met het onaangenaam parfum weer. Te zoet, vindt Karel. Kennelijk zit haar verlof er dus op. Maar ze is meteen weer aan het roddelen geslagen. Hoewel hij met zekerheid weet dat de vrouw hem heeft opgemerkt, doet zij telkens of ze hem niet ziet. Niemand in het bos groet hem. Ze staan er als herten het koplicht. Dus loopt hij maar door naar waar hij moet zijn. Links de wasmachines, rechts de koelkasten, daar de haardrogers en de scheerapparaten, hier het keukengerei. Hij wordt enkel begeleid door steeds dezelfde flarden van alsmaar terugkerende verkoopsgesprekken. Hij zou hier nooit kunnen werken.   Twee rekken van vier meter lang staan ruggelings tegen elkaar. Overal gepraat, geroezemoes. Uit de boxen van de electronica-winkelketen dringt muziek. Veel te hard. Karel had liever wat muzak gehad. Toch lukt het hem om stilte in zijn hoofd te creëren.   Karel is klaar. Hij strekt zijn rechterarm voor zich uit en grijpt in het rek. Het voelt redelijk zwaar, wat kil vanwege het metaal. Zijn handen beginnen meteen het toestel te verkennen: vierkant, hoekig, rond. Zijn wijsvinger gaat even van links naar rechts over de merknaam heen. Glimlachend trekt hij het lint over zijn nek. De camera hangt nu pal voor zijn buik. Hij peutert het ronde plasticdopje van de lens en houdt het vast met zijn linkerhand. Met zijn rechterhand vormt hij een koker en sluit die rond de lens. Hij laadt een imaginair machinegeweer, stopt, herhaalt de beweging. Stilte in zijn hoofd. Dan begint hij met zijn wijsvinger over het geslepen glas te aaien. Dit is het. Zijn toverlamp. Karel voelt de grond onder zijn voeten lichtjes vibreren. Daar komen zijn beelden. Alsof ze klaarstaan in een diaprojector uit de jaren 70, elk hun beurt afwachtend: zijn ouders in hun volkstuintje. Karel was toen een jaar of elf. Alles was goed. (De foto hangt nu in zijn keuken.) Met elk nieuw rondje dat zijn vinger over het glas maakt, haalt hij een ander plaatje uit zijn leven tevoorschijn: Zwitserland. De skivakantie, waar zijn kleine broer net niet de wedstrijd van hem had gewonnen… 360 graden, tegen de klok: zwarte voorovergebogen figuren op Mikas begrafenis enkele maanden later. De vloer onder Karels voeten dreunt nu harder. Zijn wijsvinger zoekt even naar de ontspanner. Onnodig om erop te klikken, er zit toch geen geheugenkaart in dit toestel. Nog een rondje. Het vibreren wordt nu heviger.   “Goedemiddag meneer. Kan ik u misschien helpen?” Alsof hij uit het niets komt, staat die man ineens naast hem. “Dat is niet nodig. Toch bedankt.”, zegt Karel wat loom. Hij wil terug naar zijn beelden. “Had u dan iets specials in gedachten?”, dringt de jongeman aan. Hij moet nieuw zijn in deze afdeling. Karel herkent zijn stem niet. Blijkbaar een ijverige kerel. Zweetgeur dringt in Karels neusgaten. “Mag ik u misschien iets tonen?” Karel zwijgt. Gehaastte stappen komen hun kant op. “Mijn excuses, meneer! Ik was even in pauze en mijn nieuwe collega heeft het van me overgenomen.” Wim, hoofd van de camerafdeling. “Neemt u gerust de tijd, meneer. En nogmaals, mijn excuses…”   Wim trekt zijn collega met zich mee achter de bestelcomputer. Vanuit enkele meter afstand sist hij de nieuweling iets toe. “… meneer …, Pieter. Doe je ogen eens open, man! … zal niets kopen. Nooit. … komt hier elke maandag. We laten ’m … gewoon zijn gangetje gaan. … doet toch niemand kwaad.” Karel trekt zijn schouders tot onder zijn oren. Hij stelt zich voor hoe ijverige Pieter nu een heel stuk ineenkrimpt. De woorden weerkaatsen in zijn hoofd. ‘Doet toch niemand kwaad.’   Karel maakt een lus van zijn duim en wijsvinger en wrijft beide vingertopjes tegen elkaar tot hij het bloed voelt terugkomen. Vooraleer hij nog een laatste keer over het glas aait, haalt hij even diep adem. Alsof hij onder water gaat: De ruisende stilte van een woud bij valavond. Karel bij het oversteken van een straat, die door het sparrenbos leidt. Het koplicht van een wagen. Een wagen die rechtstreeks op hem afkomt. Kunnen vliegen.   Karel versnelt ineens zijn passen. Twintig. Het witgoed. Hij kan weer de hertenogen in zijn nek voelen, hoe ze van tussen de koelkasten, staafmixers en magnetrons, de koffiezetmachines en de stofzuigers heen naar hem turen. Naar een bocht van vjifenveertig graden bevindt zich de uitgang nu op weinige meter afstand. Het zoete parfum lacht. Met hem? Een drietal klanten staat voor Karel in de rij. Hij schuift aan. “Goeiedag.”, zegt de vrouw. “Kan ik uw product even zien? Ik moet het inscannen.” Dit is zijn beurt, nu is het aan hem. “Ik weet niet of u dat kan, mevrouw, ikzelf zie namelijk niets, weet u?”, lacht Karel. “Maar ik wou u al lang eens vriendelijk ‘Goeiedag’ zeggen. En zeggen dat het hier stinkt!”   Karel zet een stap voorwaarts, draait het hekje een kwartslag door en gaat zijn gangetje.   © Isabel Hessel 2/5/13

Der Blaustrumpf
10 0
Tip

Hoofd, hart en voeten

Met een vorstelijke zwaai opent hij de zware bordeaux gordijnen die de danszaal afschermen van de koude Antwerpse lucht. De ruimte is stemmig verlicht, ronde tafellampjes verspreiden een oranje gloed. Arnault laat zijn blik over de koppels op de houten dansvloer glijden. Het is negen uur, nog vroeg. De meeste van de vrouwen die aan de rand van de dansvloer zitten zijn bekenden, geen nieuw bloed deze avond. Aan een tafeltje doet hij zijn mocassins  uit. Zorgvuldig neemt hij zijn witte dansschoenen uit de speciaal daarvoor bestemde tas. Arnault aarzelt even voor hij ze aantrekt. Een kleine vonk weerzin.      Dan staat de tangodanser in hem op en hij stapt met soepele passen naar de bar. Hij verwelkomt de tangomuziek en het ceremonieel van het tangosalon. De vonk van daarnet is weer gedoofd.  Hij speurt de dansvloer af naar een geschikte danspartner. Mannen vragen de vrouwen ten dans, niet omgekeerd. Arnault houdt van die regel. Vooraleer hij een vrouw vraagt observeert hij hoe ze danst. De elegantie in haar bewegingen, de dynamiek van haar passen, de voor tango zo typische helling in haar houding. Zelden schudt een vrouw het hoofd wanneer hij haar met een hoofdknik in zijn armen uitnodigt. Hij weet natuurlijk wie hij met zo’n cabeceo kan vragen en wie niet. Pas wanneer een vrouw haar bovenlichaam in zijn richting draait en haar ogen oplichten wanneer hij haar aankijkt zal hij gedecideerd haar richting uitstappen.     Negen jaar geleden begon Arnault met dansen. Meteen was hij gegrepen door het sensuele van de tango, door hoe twee lichamen zich samen kunnen verliezen. Tango als een taal zonder woorden, een emotie die gedanst wordt. Wanneer hij een danspartner heeft die zich net als hij laat meevoeren op de cadans van de muziek, is het alsof ze in één vloeiende beweging loskomen. Dan dansen ze de melancholie, het verlangen en de eenzaamheid. De laatste tijd echter springen zijn gedachten tijdens het dansen als jonge vossen alle kanten op. De momenten dat hij nog een echte connectie voelt zijn zeldzaam geworden en de golf van welbehagen die ze vroeger opwekten is nu een kleine rimpeling in het water.   Een jonge gracieuze vrouw komt de zaal binnen. Haar vuurrode jurk, het golvende donkere haar, de elegantie waarmee ze loopt. Met haar zal hij dansen. Arnault capteert haar blik. Donker en intens, het doet hem huiveren. Die avond speelt Arnault het niet volgens het boekje. Meteen bij het begin van de volgende tanda stapt Arnault op de vrouw toe, hun ogen aan elkaar vastgeklonken. Wanneer hij vlak voor haar staat, verbreekt ze het oogcontact. Arnault verstijft.  Dan staat ze toch op.    ‘Aangenaam, ik ben Arnault,’ zegt hij.    ‘Lora,’ antwoordt ze en opent haar armen in de danshouding.    Voor Arnault begint tango met de omhelzing, de embrace. Sommige vrouwen drukken zich meteen tegen hem aan. Hen zal hij geen tweede keer vragen om te dansen. Andere vrouwen reageren subtiel op de positie van zijn armen en hellen langzaam naar voren tot ze daar zijn waar hij wil. Zoals het hoort. Tenslotte zijn er vrouwen die niet lijken te begrijpen dat tango om intimiteit draait. Ze houden houterig afstand en gaan niet in op zijn onuitgesproken vraag om hart tegen hart te dansen. Lora lijkt tot de laatste categorie te behoren. Doorheen de stof van haar jurk voelt hij hoe in haar ranke lijf elke spier gespannen staat. Ze beweegt als is ze bekleed met een dun laagje steen.       ‘Ontspan je,’ fluistert hij in haar oor. Hij kijkt naar de flonkerende oorbel in haar oor. Hij weet bijna zeker dat het om echte diamantjes gaat.      ‘Dat kan ik niet op commando,’ zegt ze verontschuldigend. Geconcentreerd tracht Arnault te achterhalen op welk been haar gewicht rust, hoe hij haar kan wenden in de bij andere vrouwen vaak zo verleidelijk uitgevoerde ocho’s. Haar lichaam ontmoet het zijne echter niet. Ze danst au contre-coeur, denkt hij.      Arnault kan niet nog meer regels overtreden. Hij heeft haar gevraagd zonder haar eerst te observeren, nu moet hij de rit uitzitten. Hij moet de vier nummers van de tanda met haar uitdansen. En dan, tijdens hun laatste dans lijkt Lora te ontdooien. Arnault voelt hoe ze haar hoofd tegen het zijne vlijt en met haar bovenlichaam contact zoekt. De eerste klanken van de cortina lijken haar op te schrikken, alsof ze zich losmaakt  uit een andere wereld.      ‘Het was toch niet te erg voor je om met me te dansen?’ vraagt ze. Haar blik op de grond gericht.     Arnault schudt zijn hoofd. ‘Het ging goed.’ Een leugen. Een flagrante leugen. Ze had de meeste van zijn signalen gemist en leek zich soms niet bewust van het ritme in de muziek. Enkel in die laatste dans lag een belofte verscholen.    Lora begint te ratelen. Dat ze net verhuisd is, dat ze in een kleuterschool werkt, dat ze nog niet zo lang danst. Arnault strijkt nerveus door zijn bruine halflange haar. In Buenos Aires verklaren ze je voor gek als je tijdens de cortina op de dansvloer blijft staan. Ze zijn in Antwerpen en ze staan aan de rand van de dansvloer, maar toch. Hij luistert naar haar en tegelijk niet. Hij wil van de vloer af, een nieuwe partner zoeken.     Een nieuw nummer wordt ingezet. Milonga, het speelse en snelle broertje van de klassieke tango.     ‘Op deze muziek kan ik niet dansen,’ zegt Lora en maakt aanstalten om van hem weg te stappen.     ‘Dat kan je wel.’ Arnault bijt op zijn tong. Je overhaalt een dame niet tot een dans. Je overtuigt haar niet. Je nodigt haar uit. Hij herpakt zich en opent langzaam zijn armen.     Deze keer voeren ze tussen de nummers van de tanda korte gesprekjes. Opmerkingen over de zaal, over de drukte op de dansvloer. Niets persoonlijk. Tot Loras handen naar Arnaults hals gaan en zich begraven in de opening van zijn witte hemd. Ze neemt de ring die daar aan een lederen touwtje hangt tussen haar vingers.     ‘Van een geliefde?’ vraagt Lora.     Arnault trekt het amulet uit haar handen en verbergt het opnieuw onder zijn hemd.     ‘Van vroeger,’ zegt hij. Van vroeger. Van Siri. Siri met wie hij ooit deel nam aan het wereldkampioenschap Argentijnse Tango.      Arnault wacht op de eerste noten van de cortina. Dan dankt hij Lora kort voor het dansen en gaat aan de bar staan. De rest van de avond verwent hij zichzelf door enkel de beste danseressen uit te nodigen. Soms voelt hij Loras groene ogen op zich rusten, maar hij vermijdt haar blik.        Vier dagen later. Tijdens zijn middagpauze zoekt Arnault het stadspark op. Alleen. Weg van deadlines, service level agreements en targets. Alleen al de benamingen verfoeit hij.      Op een bank nabij de speeltuin opent hij zijn brooddoos. Een kleurrijk geval met stickers van ridders en feeën. Een cadeautje van zijn petekind. Donkerbruine boterhammen met krabsalade. En dan ziet hij Lora. In een bloemenjurk, haar haren in een hoge staart die onafgebroken heen en weer zwiept. Voortdurend is ze in beweging. Ze helpt kinderen de glijbaan af, veegt mondjes proper, stopt een banaan in een uitgestoken hand, wijst een vechtersbaasje terecht. Hij verbaast zich over de naturel van haar motoriek.      Lora ziet hem, wuift en stapt op hem af met over haar schouder een lederen handtas. Zwierig en bevallig in die jurk. Een vluchtige kus op zijn wang en ze zit naast hem, haar lange benen over elkaar gekruist.      ‘Derde kleuterklas,’ zegt ze. Ze opent haar handtas en biedt hem een suikerwafel aan. Wanneer ze de verpakking open ritselt komt hem een vertrouwde geur tegemoet. Zijn moeder stak hem vroeger zulke wafels toe. De suiker korrelt tussen zijn tanden en zijn vingers worden vettig en plakkerig. Zwijgend zitten ze naast elkaar en kijken naar de spelende kleuters. Lora neemt een pak vochtige doekjes uit haar handtas en houdt het hem voor.       ‘De basisuitrusting van elke kleuterjuf,’ zegt ze.        Lora kijkt dromerig voor zich uit. Ze is mooi, denkt Arnault.        ‘Je lijkt moe,’ zegt Lora.        Arnault knikt. ‘Slapen lukt niet zo best  de laatste maanden.’        '’s Nachts komen de spoken,’ antwoordt Lora.        Arnaults blik valt op de zilveren ring die ze draagt.        ‘Van een geliefde?’ vraagt hij.        ‘Van mijn moeder. Ze stierf in het kraambed.’        Arnault kijkt naar zijn handen. Haar leven in ruil voor dat van haar moeder.        ‘Soms is er wel iemand. Ik denk niet dat hij van me houdt,’ zegt Lora zacht.        ‘En jij?’ vraagt Arnault.         Lora zwijgt. Haar vochtige ogen kijken hem lang aan.         ‘Ik heb van hem gehouden.’          Ik heb van je gehouden, dat zei Siri de nacht dat ze hem verliet. Ik heb van je gehouden.          ‘Vanavond is er een milonga in De Roma,’ zegt Arnault.           ‘Wil je nog eens met me dansen?’ vraagt Lora.            Arnault knikt.            ‘Goed, tot vanavond.’   Arnault loopt onrustig tussen de tafels aan de rand van de dansvloer. Hij draagt het amulet van Siri niet om zijn hals.  Het orkest speelt Pugliese. Toch vraagt hij niemand ten dans. Normaal gezien slaat hij amper een tanda over en  danst hij met vrouw na vrouw na vrouw. Hij test uit wat ze kunnen, wat ze samen kunnen. Een soort jacht.  Een zoektocht naar een nieuwe danspartner voor de wedstrijden. Qua fysieke vereisten voldoet Lora. Ze is rank en iets kleiner dan hij. Maar ze moet nog alles leren.     Nauwgezet houdt Arnault de portieken in de gaten waarlangs Lora zal binnenkomen. Dat moment wil hij niet missen. Hij wil kunnen lezen wat er met haar gebeurt wanneer ze hem ziet. Hij wil de eerste zijn die met haar danst.     Daar staat ze. De twinkeling in haar ogen wanneer ze hem opmerkt is waar hij op had gehoopt. Wat past ze prachtig in deze majestueuze zaal. Haar donkere lokken opgestoken in een wrong, lange parelmoeren oorbellen die haar hals accentueren, haar nauw aansluitende zwarte jurk.      ‘Zullen we dansen?’ vraagt ze meteen wanneer ze voor hem staat.      Arnault houdt niet van vrouwen die zelf uitnodigen.      Ze dansen. Minder stroef dan de vorige keer. Na het dansen drinken ze samen wijn aan een tafeltje. Lora’s blik glijdt over de kroonluchters en de prachtige wandschilderingen.       Een zestiger in strak pak vraagt haar ten dans. Arnault kijkt toe terwijl ze in de armen van een andere man de tango zoekt.       ‘Ze zal het nooit leren,’ hoort hij achter zich. Zijn vroegere dansleraar.        Arnault weet het. Arnault weet dat hij gelijk heeft.        ‘Denk je?’ vraagt hij toch.        ‘Ze hebben het of ze hebben het niet. Niet elke vrouw is tot overgave in staat.’         Neen, denkt Arnault. Ik ben niet meer tot overgave in staat. Hij staat op en verlaat de zaal.  

Ellen Van Pelt
45 0

Stupid Cancer

Ze liep de gang met de witte muren door met haar hoofd naar de grijsblauwe tegels gericht. Haar felrode schoenen vielen op tegen de donkere kleur van de tegels maar ze besteedde er geen aandacht aan. Ze keek voorbij die rode schoenen op die grijsblauwe tegels. Wat ze voor zich zag was een vrolijke jongen met twinkelende bruine ogen. Ze wilde de kamerdeuren niet zien. Ze wilde de zieke kinderen die in de bedden achter de matte glazen lagen niet zien. Eigenlijk wou ze zich het liefst van al omdraaien en weglopen, richting de lift en uiteindelijk de buitenlucht. Maar dat kon ze niet. Haar voeten eindigden voor de deur met het nummer 332. Langzaam liet ze haar blik omhoog glijden tot ze de zwarte cijfers voor haar zag. Even haalde ze diep adem voor ze haar vingers rond de klink krulde en de deur openduwde. Het geluid van de verschillende machines drong haar oren binnen. Luide piepjes van een machine die probeerden de vrolijke jongen die net nog in haar gedachten was verschenen in leven te houden. Een infuus hing aan een kapstok, de vloeistof druppelde naar beneden met een constante snelheid, gleed zijn arm binnen en gaf zijn lichaam wat meer kracht om te vechten tegen de kankercellen die zich in zijn lichaam hadden verspreid. Maar ze zouden hem niet genezen. Het zou enkel zijn leven verlengen. “We geven hem maximum nog twee maanden,” zei de dokter voorzichtig, met zijn blik op het dossier voor zich gericht. Hij durfde de familie van de patiënt niet aan te kijken. Het brengen van slecht nieuws was een van de dingen die hij hartgrondig haatte aan zijn job. Langzaam keek hij omhoog, zijn grijze ogen vol medelijden. Hij zag hoe het meisje wezenloos voor zich uitstaarde terwijl ze probeerde te bevatten wat zijn woorden betekenden. Hij had het al zo vaak gezien. Hij wendde zijn ogen weer af en prutste ongemakkelijk met zijn pen. Niet goed wetend wat hij kon zeggen. “En een longtransplantatie?” vroeg ze fluisterend, haar stem balanceerde op het breekpunt. Ze richtte haar ogen op de donkere kijkers van de dokter, haar ogen vol glanzende hoop. “Er zijn uitzaaiingen, een transplantatie zou niets uithalen,” zei hij zacht toen het een paar tellen stil was geweest. Het meisje schoof haar stoel bruusk naar achter en stond op terwijl ze probeerde te vechten tegen haar tranen. De groene deuren flitsten langs haar voorbij terwijl ze door de gang liep, voorbij de liften, ze wilde geen halt houden, ze wilde enkel weg uit dit gebouw, weg van het slechte nieuws. Ze trok de deur naar de trappenhal open en liep zo snel ze kon de stenen treden af naar de inkomhal. Haar handen duwden de dubbele toegangsdeuren open en een frisse wind sloeg haar onmiddellijk in het gezicht. Ze sloot even haar ogen en liet de wind haar tranen drogen. Haar broer zou maximum nog twee maanden leven. Twee maanden. Acht weken. Eenenzestig dagen. Ze bleef rennen, haar voeten brachten haar haast automatisch naar het parkje waar ze zo vaak hadden gezeten. Ze liet zich neerzakken op het houten bankje waar ze zo vaak op waren neergeploft. Tranen welden op uit haar ooghoeken en vielen neer op haar groene broek. De watervlek werd opgezogen door de stof en spreidde zich uit tot een ronde natte plek, die meteen groter werd toen er weer een druppel op neerviel. De verschillende woorden die in het hout waren gekerfd verdwenen achter haar rug. Het waren zo van die typische tekstjes die verliefde pubers er altijd in krasten als ze tot over hun oren verliefd waren. J ♥ L en zo van die dingen. Een lichte glimlach gleed om haar lippen toen ze aan die tekstjes dacht. Hoeveel verhalen hadden zij en haar broer er niet rond verzonnen? Die gaan trouwen. Die gaat eerst een kindje krijgen op haar zestiende en dan gedumpt worden. Die gaan nog lang samen zijn. Die gaat bedrogen worden. Het was zo’n spelletje waarbij ze even hun eigen problemen konden vergeten en zich konden verliezen in een verhaal dat niet van hen was. Ze zuchtte eventjes lichtjes terwijl ze bedacht dat haar ouders voor de eerste keer in maanden niet tegen elkaar waren beginnen schreeuwen, daar in het kantoortje van de dokter toen hij hun het slechte nieuws meldde. Haar vader had voor het eerst in een zeer lange tijd zijn arm rond de schouder van haar moeder geslagen en haar tegen zich aangedrukt. Een baken van troost vormend voor de vrouw waar hij eens zoveel van hield. Langzaam liep Alexia op het bed af waar haar broer in neerlag. Zijn borstkas ging zachtjes op en neer, zijn ademhaling was zwak maar zijn ogen waren alert en volgden elke beweging die zijn zus maakte tot ze neerzakte op de houten stoel naast zijn bed. “Hej Milan,” zei ze zacht terwijl ze haar hand uitstrekte en zijn hand in de hare nam. “Hej Alex,” antwoorde hij zwakjes. Zijn stem klonk schor. “Moet je wat water hebben?” Hij knikte. Alexia nam het waterflesje dat op zijn nachtkastje stond in haar hand en schroefde de dop eraf. Toen boog ze zich over haar broer heen en bracht de opening naar zijn mond. Met trage slokken dronk hij van de vloeistof die zijn keel meteen verzachtte. Hij liet zijn hoofd weer in zijn kussen zakken en sloot zijn ogen eventjes. “Bedankt,” zei hij toen. Alexia schroefde de dop weer op het flesje en plaatste het weer op de gladde ondergrond van het nachtkastje. Haar broer stak zijn hand naar haar uit en ze nam hem tussen haar handen voor ze weer ging neerzitten op de harde stoel. Haar ogen vielen op de fauteuil aan het raam en even twijfelde ze of ze hem niet zou vervangen met de houten stoel waar ze nu op zat om het haarzelf wat comfortabeler te maken maar die twijfel verdween meteen weer toen haar blik op de ogen van haar broer viel. Ze kon hem nu niet loslaten. “Het leven is zo fucking klote,” gromde hij. “Ik weet het,” antwoordde ze zacht. “Ik was echt een dwaas om drie jaar geleden te denken dat ik dit wel zou overleven.” Alexia slikte even. Ze wilde er niet over nadenken. Ze wilde dat haar broer zijn mond hield. Maar ze kon het niet over haar hart krijgen om hem tegen te houden. Het was duidelijk dat hij behoefte had aan iemand die naar zijn frustraties luisterde. “Met al die nieuwe technieken. Je zou denken dat ze die stomme kanker op een of andere manier wel zouden kunnen genezen.” Hij lachte schamper. “Ik was zelfs zo naïef om te denken dat ze me wel een nieuwe long zouden geven moest die van mij me uiteindelijk helemaal in de steek laten.” “Ze konden het niet doen Milan, het zit overal.” “Nu wel.” Het bleef een tijdje stil terwijl ze elk in hun eigen gedachten verzonken waren. “Hoe gaat het met mam en pap?” Alexia zuchtte. “Goed denk ik, ze houden zich sterk, ze hebben geen ruzie meer gemaakt sinds de uitspraak van de dokter. Ik denk dat ze eindelijk beseffen dat ze nog steeds van elkaar houden en dat er meer is in de wereld dan ruzie en onnozele discussies.” “Niet moeilijk als hun zoon op sterven ligt.” Alexia kromp ineen. “Zeg dat niet,” fluisterde ze. Haar broer keek haar met betraande ogen aan. “Ik wil niet doodgaan,” snikte hij terwijl hij zich vastklampte aan de arm van zijn zus. Een mengeling van gevoelens steeg op bij het meisje. Ongemakkelijkheid, verdriet, angst, medelijden. “Ssssht,” zei ze zacht terwijl ze met haar duim over zijn hand streek. Ze wou zeggen ‘het komt allemaal wel goed’ maar dat kon ze niet. De woorden bleven steken in haar keel. Ze kon de leugen gewoonweg niet over haar lippen krijgen. “En dan te denken dat ik mijn laatste twee weken in een stom ziekenhuisbed moet doorbrengen.” “Ik smokkel je wel eens naar buiten, als is dat het laatste wat ik doe,” zei Alexia. Ze richtte haar ogen op die van haar broer en die wist dat ze elk woord meende. “Hoe ga je dat voor elkaar krijgen?” “Ik neem wel een rolstoel van op de gang, ’s avonds zijn er sowieso minder verpleegkundigen en dokters aanwezig. Ik smokkel je wel naar buiten als ze pauze nemen.” “En hoe wil je hier tot de avond blijven? Je weet toch dat het bezoekuur straks afgelopen is?” Er klonk al wat meer levensenergie door in zijn stem terwijl hij zich vastklampte aan het sprankje hoop dat hij nog eens de buitenlucht zou kunnen voelen op zijn klamme gezicht. Alexia’s hart begon sneller te kloppen terwijl het plan steeds meer vorm kreeg in haar hoofd. Toen ze de hoopvolle blik in de ogen van haar broer zag wist ze dat ze koste wat het kost moest zorgen dat het haar zou lukken. “Ik ga straks even naar buiten zodat de mevrouw aan de balie zeker ziet dat ik weg ben, er komt sowieso nog een verpleegster bij je langs om alles te controleren voor ze een pauze nemen, stuur me een sms als hun pauze start. Ik glip terug het gebouw binnen zodra de vrouw achter de balie achter een koffietje ofzo is. De rest lijkt me logisch. Ik neem een rolstoel vanop de gang, help je erin en duw je naar de lift. We kunnen via de nooddeur naar buiten gaan en die open houden zodat we niet via de hoofdingang moeten.” “Staat er geen alarm op die nooddeuren?” “Ik hoop van niet.” Haar broer keek haar even weifelend aan. “Kunnen we het niet beter vragen aan een verpleegster straks voor je voor niets al die moeite doet?” Alexia moest lachen. “Soms ben ik echt dom.” Milan moest ook lachen. “Als je dat maar weet,” antwoordde hij wat een stomp tegen zijn schouder opleverde. “Au,” pruilde hij. Alexia rolde met haar ogen. “Klein kind.” Enkele minuten later klonk er een klop op de deur. “Kom maar binnen!” riep Milan. De deur werd geopend en een verpleegster kwam binnen, gehuld in de typische witte broek en T-shirt. Ze hield een blauw klembord tegen haar borst gedrukt. “He Milan, ik kom je infuus eens nakijken.” “Waarom doe je dat eigenlijk nog als je toch weet dat het binnen twee weken gedaan is?” “Als ik dat infuus er nu zou uithalen zou het nu meteen al gedaan zijn met je.” Milan hield wijselijk zijn mond. “Mevrouw?” De verpleegster leek Alexia nu pas op te merken. “Ja meisje?” “Is er een mogelijkheid dat ik Milan even mee naar buiten kan nemen voor een wandeling, hij is zijn kamer een beetje beu gezien.” “Normaal gezien is het het beste dat hij gewoon plat op het bed blijft liggen,” begon ze. “Maar ik denk dat we wel eens een uitzondering kunnen maken,” vervolgde ze toen ze de hoopvolle blikken in de ogen van de pubers zag. Milans glimlach kon niet breder zijn. “Maar ik denk dat we best eventjes wachten tot de pauze anders gaat de hoofdverpleegkundige ons misschien meteen weer naar de kamer sturen. Ik zal hen wel zeggen dat ik nog eventjes naar het toilet was ofzo.” De verpleegster noteerde een paar dingen op het witte blad dat op haar blauwe klembord geklemd zat en keek toen via het matte glas de gang op. “De pauze is begonnen,” zei ze zacht terwijl ze een verpleger volgde die door de gang richting het vergaderzaaltje liep op het einde van de gang. Alexia wandelde de gang op en probeerde zo min mogelijk geluid te maken terwijl ze haar handen rond de handvaten van een rolstoel klemde en hem richting de kamer van Milan rolde. Ze plaatste de rolstoel naast zijn bed en de verpleegster hielp Milan in de rolstoel te gaan zitten. Alexia nam de handvaten vast en terwijl de verpleegster de kapstok waar het infuus aanhing vooruit rolde gingen ze op weg. Een luide ping kondigde aan dat de lift was gearriveerd en Alexia keek even angstig om in de richting waarin ze de verpleger enkele minuten geleden hadden zien verdwijnen maar blijkbaar had niemand het gehoord. Een zacht zoemend geluid vulde de lift terwijl hij langzaam neerdaalde richting de begane grond. De verpleegster knikte de receptioniste vrolijk toe voor ze de draaideuren inliep die naar buiten leidden. Milan haalde diep adem en sloot genietend zijn ogen toen hij het koele avondbriesje over zijn gezicht voelde glijden. De geur van regen drong zijn neusgaten binnen en zachte druppeltjes landden op zijn bleke gelaat. Maar dat kon hem niets schelen, hij genoot van de koele druppels die op zijn klamme huid vielen. Alexia duwde de rolstoel langzaam vooruit terwijl ze om het gebouw heen liepen richting een klein grasveld aan de zijkant van het ziekenhuis. De takken van een eikenboom wiegden zachtjes in de wind en zijn bladeren ritselden. Milan nam het geluid van de krakende takken en de ritselende blaadjes genietend in zich op. Hij had nooit gedacht dat hij die simpele geluiden ooit zo hard had kunnen missen. “Ik moet ervandoor,” verbrak de verpleegster de gelukzalige stilte die tussen hen inhing. “Anders gaan ze zich afvragen waar ik blijf, blijf nog twee minuutjes en keer dan terug naar boven, voor de pauze om is.” Alexia knikte en de verpleegster ging er haastig vandoor. “Weet je wat ik nog mis?” vroeg Milan zacht. Alexia richtte haar ogen op haar broer. “Het geluid van vogels.” En alsof dat een magisch spreukwoord was klonk er plots een luide oehoe van een uil op. Alexia moest lachen. Milan werd aangestoken door het vrolijk geluid van de lach van zijn zus en lachte vrolijk mee. Even leek het alsof hij geen dodelijke ziekte had. Alsof ze allebei op het houten bankje zaten in het park terwijl ze niet probeerden te denken aan hun ruziënde ouders.

Quies
0 0

Schrappen uit het fotoboek

Het fotoboek was ontzettend dik, van de eerste tot de laatste bladzijde gemakkelijk een halve meter breed. Het lag op een eenvoudig, maar smaakvol ingericht houten tafeltje. Je kon zien dat het boek al meermaals was opengemaakt, vooral de hoeken zagen er bijzonder afgeleefd uit. Gelukkig was dit fotoboek door een echte vakman gemaakt, één die zijn stiel door en door kende. Dat zou wel eens de enige reden kunnen zijn waarom het boek nog niet uiteen was gevallen. De rustmomenten van het fotoboek waren schaars. Soms lag hij nog geen vijf minuten op het tafeltje, of hij werd weer gegrepen door de hand. Net als nu dus. Hij boek werd zorgvuldig bladzijde per bladzijde opengemaakt. Vol pasfoto's stonden ze, netjes voorzien van bijhorende namen. Hele pagina's vol foto's en namen, een indrukwekkende collectie voorwaar.   Plots stopte het omslaan, de hand bleef hangen boven één van de foto's. De man die het fotoboek las, nam een dun mesje en sneed de pasfoto proper uit het boek. Hij las de naam die op de foto stond: Herman van Wade. De respectabele Herman was rustig ingeslapen in het ziekenhuisbed, oud genoeg om eindelijk afscheid te nemen. Werd je achtennegentig, dan moest je wel gezegend zijn. De hand ging verder, sloeg wat pagina's om tot bij de foto van een jong meisje. Kaat Deweerdt, veertien jaar. Het arme kind was met haar fiets in het kanaal gesukkeld, op een plek waar ze blijkbaar vergeten waren hekken te plaatsen. Zachtjes zuchtend sneed de man de foto uit het boek, niemand hoorde zo jong te sterven, het hoorde gewoonweg niet.   Zo ging het nog een tijdje door, tot de man het hele fotoboek had doorgekeken. Hier en daar wat foto's uitgesneden, de naam gelezen, geschrapt uit het boek. Droevige gedachten speelden in zijn hoofd, gelukkig snel gerustgesteld door één enkele gedachte: ze hadden een beter leven nu. De hand sloot het boek, legde het terug op het tafeltje en zag dat het goed was. Dan was het dan weer voor vandaag, dacht God en verzette zijn gedachten. Vreemd toch, het schrappen uit het fotoboek was altijd een gebeuren dat zo droevig en tegelijk toch vol vreugd was.

BartDR
0 0

De legende van de cowboyhoed

Legendes zijn als spinnenwebben. Regelmatig worden nieuwe stukjes aangebreid en als een onderdeel verdwijnt, wordt het geheel al gauw aangevuld met vers materiaal. Soms kan een legende ongeziene vormen aannemen en hoe vaak je ook probeert een legende uit de wereld te helpen, ze keert telkens weer. Legenden sterven niet, ze leven eeuwig voort op de tongen van mensen. Zo ook de legende van de cowboyhoed.   In die tijd telde het dorp maar weinig bewoners. Iedereen kende iedereen en geruchten waren feiten. Een van hen was Tom de jager. Elke zaterdagochtend ging Tom op jacht en ving konijnen en zwijnen en was ontegensprekelijk de beste jager van het dorp. Op een dag kwam een nieuwsgierig jongetje uit de buurt, Woutje, hem een vraag stellen. 'Tom, hoe komt het dat je zo'n goede jager bent?' De man, zoals altijd gekleed in zijn bruine jachttenue, dacht even diep na. Toen wees hij naar zijn hoed. Het ding, al even bruin als de rest van zijn kleding, zag er versleten uit, de rafelige randen getuigden van een lange levensduur. 'Dit', zei hij, 'behoorde ooit toe aan een groot man, een cowboy. En dit, dit is een cowboyhoed. De cowboy was de beste schutter van zijn land. Hij kon een bewegende vlieg raken van twintig meter afstand. Hij kon dat, dankzij deze hoed. Steeds wanneer hij zijn cowboyhoed op had, miste hij nooit of te nimmer.' Woutje kon zijn oren niet geloven. Een cowboyhoed met magische krachten! Ongelofelijk! Die nacht kon hij moeilijk de slaap vatten. In zijn hoofd droeg hij Tom's hoed en versloeg al zijn vijanden met één welgemikt schot. Plots kreeg de jongen een idee. 's Nachts sliep Tom vast en zeker, misschien had hij de hoed dan niet op. Sluipend over straat glipte Woutje het huis van de jager binnen. Zoals hij had gehoopt sliep Tom zonder het hoofddeksel, dat nu onbeschermd op een klerenkoffer lag. Woutje nam de hoed vast en zette hem op zijn hoofd. Triomfantelijk sloop hij terug naar buiten en liep het bos in.   Op zijn hoofd een cowboyhoed en in zijn hand een slinger, steentjes in zijn zakken. Woutje zou vandaag een beer vangen! Wild in het rond stappend, maakte hij echter veel lawaai. Dat trok de aandacht van een zwijn, dat zich in gevaar achtte. Luid brullend richtte hij zich op Woutje. Die nam een steen en slingerde hem doelbewust naar het oog van het beest, raakte hem recht in het doel. Halfverblind en vol razernij stormde het zwijn naar de jongen, die aan de grond genageld leek. Het beest was niet dood, hoe kon dat? Dan verscheen Tom plots met pijl en boog. Bliksemsnel nam de jager een pijl, spande zijn boog en schoot op het zwijn. Maar hij miste. Het beest wierp zich bloeddorstig op de arme jongen, die op slag dood was. Tom tastte naar de cowboyhoed en voelde een hevige tinteling doorheen zijn hele lichaam. Toen hij hem opzette, werden Toms ogen groot. Hoewel het donker was, zag hij in zijn linkerooghoek duidelijk een vlieg, zo helder alsof het dag was. Hij nam één van Woutjes stenen en wierp die recht op de vlieg. Maar… die legende had hij verzonnen. Dit kon niet… waar zijn. Of toch?

BartDR
25 0

Proloog

Zaterdag 07 juli   ‘Je kunt gaan,’ zegt Gary terwijl hij Jonas’ spullen overhandigt. ‘Je hebt behoorlijk wat indruk gemaakt met je goede gedrag’. Jonas knikt en geeft zijn begeleider een hand. ‘Hopelijk tot nooit meer,’ grijnst hij. ‘Ik hoop het ook,’ antwoordt Gary met een scheve lach. ‘Het ga je goed’. Jonas glimlacht als hij zijn spullen bijeenpakt en zijn kamer uitloopt. Als een vorst loopt hij de gang door. De donkere en grauwe gang staat scherp in contrast met zijn humeur. Wanneer hij buiten zijn vrijheid tegemoet loopt, wordt hij door de zon verblind. Hij houdt zijn hand als een scherm boven zijn ogen. Zijn ouders wachten hem aan de auto al op.   Door de autoruit staart hij naar buiten. Allerlei zonnekloppers vullen de straat. Ze gaan als een waas aan hem voorbij. Welke dag is het vandaag? 6 juli? Nee, 7 juli. Het is al zomervakantie. Wat is de tijd toch gevlogen, denkt Jonas. Gisteren was het één jaar geleden dat… Hij zucht. Nog elke dag denkt hij aan haar. Ze rijden een AD Delhaize voorbij, waardoor er een glimlach om zijn lippen krult. Enkele mooie herinneringen komen bovendrijven… Pap parkeert de auto en neemt Jonas’ bagage uit de koffer. ‘Ga jij maar alvast naar binnen, je wordt verwacht,’ zegt pap terwijl hij geheimzinnig glimlacht. Jonas’ hart springt op. Zou ze…? Hij spurt het flatgebouw in en rent de trappen op door twee, drie treden tegelijk te nemen. De voordeur staat open. Hij stormt de woonkamer in en… ‘Verrassing!’ roepen Simon en zijn klein zusje Lydia in koor. Hoewel Jonas een beetje ontgoocheld is, is hij toch heel blij om hen weer te zien. ‘Jullie hier?’ vraagt hij verbaasd. Simon omhelst hem en klopt vriendschappelijk op de rug. ‘Hoe gaat het met je, maat?’ Jonas’ mond verstrakt even. ‘Au, niet te hard. Mijn ribben doen nog pijn.’ Pijnlijk maakt Jonas zich los en tast hij over zijn ribbenkast. Verontschuldigend glimlacht hij naar zijn beste vriend. Simons gezicht staat echter bezorgd. ‘Hoe gaat het met je?’ herhaalt Simon voorzichtig zijn vraag, al kan hij niet verbergen dat zijn ogen naar Jonas’ blauwe wang afdwalen. ‘Goed, natuurlijk! Ik ben vrij!’ probeert Jonas zich te herpakken. Pas nu beseft hij dat hij weer kan gaan en staan waar hij wil. ‘Geweldig, niet? Het eerste wat ik deed, was mijn zusje van school ophalen. Ik heb haar naar het strand meegenomen. De hele dag heb ik in de zon liggen bakken terwijl Lydia zandtaartjes maakte.’ ‘Ik dacht dat je niet van zonnen hield?’ merkt Jonas met fronsende wenkbrauwen op. ‘Nee, maar na acht maanden daar te zitten was ik echt een spook. Jij kunt trouwens ook wel een gezonder kleurtje gebruiken.’ ‘Ik weet het, ik weet het.’ ‘Jonas…’ mompelt Lydia terwijl ze aan Jonas’ mouw trekt. Jonas kijkt naar beneden en pakt haar op. Lydia slaat meteen haar mollige armpjes rond Jonas’ nek en geeft hem een kus op zijn wang. ‘En hoe gaat het met Lydie?’ vraagt Jonas. ‘Ik heet Lydia!’ ‘Ik noem je liever Lydie. Mag ik dat? Omdat ik het ben?’ Het kleine meisje denkt even na met haar rechterwijsvingertje in haar mond. ‘Oké dan,’ geeft ze toe. ‘Hoe is nu met je?’ ‘Goed.’ Jonas drukt een kusje op haar voorhoofd en zet haar weer neer. ‘Ik heb je echt gemist, hoor,’ richt Jonas zich weer tot Simon. ‘Die twee laatste maanden waren echt de hel.’ Simon lacht niet. ‘Was het dan zo erg?’ Zwijgend stroopt Jonas zijn mouwen op, waardoor zijn bont en blauwe geslagen armen ontbloot worden. ‘En de rest van mijn lichaam ziet er ook zo uit,’ mompelt Jonas. Simons gezicht staat vol afgrijzen. Met afschuw bekijkt Simon de blauwe plekken beter. ‘De lafaards. Als je alleen bent, durven ze wel.’ ‘Ja, met jou in de buurt durfden ze niet veel doen… Maar ja, Svens vrienden staan nu niet echt bekend voor hun dapperheid… En ik kreeg ook geen nieuwe kamergenoot.’ ‘Nee…’ Zuchtend doet Jonas zijn mouwen weer naar beneden. ‘Ik denk dat ik dat nog het ergste vond. Ik miste onze gesprekken.’ Simon glimlacht gevleid. ‘Ach, je hebt het overleefd.’ Het valt even stil. Aarzelend kijkt Simon Jonas aan. ‘Kun je al wat beter slapen?’ Jonas grimast. ‘Wat denk je zelf?’ Voordat er meer gezegd kan worden, komen ook mam en pap binnen. ‘Ha, zijn onze beste vrienden weer herenigd?’ vraagt mam. Jonas grijnst krampachtig. Pap dropt Jonas’ spullen op de tafel. ‘Omdat je eindelijk vrij bent, gaan we vanavond uit eten.’ ‘Oh, cool. Waar?’ ‘De Moustache, dat restaurant in de buurt van de dijk.’ ‘Ah, daar.’ Jonas kijkt even radeloos rond. Ondanks zijn zopas herwonnen vrijheid, voelt hij zich een beetje verloren. Hij bijt op zijn lip, een tic die hij al jaren heeft en die meestal opduikt als hij zich niet op zijn gemak voelt. ‘Wil je even alleen zijn met Simon?’ vraagt mam bezorgd. Jonas krabt in zijn haar terwijl hij knikt. ‘We kunnen anders naar het strand gaan. Even uitwaaien?’ Hij kijkt Simon aan. Die haalt zijn schouders op. ‘Mij best.’ ‘Oh! Mag ik mee?’ vraagt Lydia enthousiast. ‘Natuurlijk.’ Jonas neemt haar hand vast. ‘Om hoe laat zijn jullie terug? We hebben om half zeven gereserveerd,’ zegt mam nog snel. ‘Dan zijn we wel terug,’ belooft Jonas.   De buitenlucht doet goed. Jonas voelt zich weer heropleven. Hij heeft de kust net zo erg als haar gemist. ‘Dat ik dit ooit allemaal wilde opgeven…’ mompelt hij, verbaasd over zijn eigen domheid. In zijn stem is spijt duidelijk hoorbaar. Jamies gezicht komt op zijn netvlies tevoorschijn. Wat mist hij haar. Ze wandelen de dijk af en slenteren zwijgend over het strand, waar het heel druk is. Het mooie weer heeft honderden zonnekloppers naar het strand gelokt. Simon en Jonas geven Lydia elk een hand om haar niet kwijt te raken. Bij een hutje waar blauwe, groene, rode en gele vissen en in krullerige letters “De Groot” staan geschilderd, houdt Jonas halt. ‘Hier heb ik haar voor het eerst ontmoet,’ vertelt hij. Simon knikt. ‘Misschien zie ik haar nooit meer terug…’ zucht Jonas. ‘Wie ziet Jonas niet meer terug?’ vraagt Lydia nieuwsgierig. ‘Jonas’ vriendin,’ antwoordt Simon. Lydia kijkt verbaasd naar haar grote broer. ‘Ik ben toch Jonas’ vriendin? Wij zouden toch trouwen?’ Simon schiet in de lach. ‘Nee, gekkerd. Jij bent veel te jong voor Jonas.’ Hij drukt Lydia tegen zich aan. ‘Ik wil met Jonas trouwen,’ zeurt ze. ‘Maar jij hebt toch een kameraadje? Bart, niet?’ ‘Maar Bart…’ Lydia wil nog iets zeggen, maar ze weet niet hoe ze haar zin moet afmaken, dus ploft ze maar in het zand neer. Jonas glimlacht. Hij gaat naast haar zitten en slaat zijn arm rond Lydia’s schouders. Met haar hoofdje leunt ze tegen zijn schouder. Simon gaat ook zitten. ‘Het is hier gezellig,’ mompelt hij terwijl hij om zich heen kijkt. Jonas knikt. ‘Ik zat hier soms met Jamie. Het was zo’n geweldige tijd…’ ‘Een te korte tijd, zeker.’ ‘Dat ook.’ Het blijft even stil. Lydia prutst aan Jonas’ mouw. Tot zijn verbazing voelt hij een traan over zijn wang rollen. ‘Ik heb niet eens afscheid kunnen nemen.’

Eline__V
0 0

Maanzin

Hoewel hij in huis zat, was het koud buiten. Misschien zat hij echter niet meer in huis. Als de muren opgeblazen zijn en je op de brokstukken zit van wat je ooit je huis noemde, kun je dan nog zeggen dat je thuis bent, laat staan dat je in huis zit? Hij had een donker vermoeden dat dat niet het geval was. Al zijn vermoedens waren donker. Hij lag hier. Niet dood, niet eens halfdood, maar tegelijkertijd beroofd van alles wat hij had. Ook voordien was hij alles al kwijt geweest en nog waren ze erin geslaagd nog meer van hem weg te nemen. Hij sloot zijn ogen en probeerde zijn ledematen te bewegen. Eerst zijn benen, dan zijn voeten. De linker- en rechterkant afzonderlijk, opdat hij meteen zou weten waar de problemen zich bevonden. Links leken er geen grote problemen te zijn, maar zijn rechterknie weigerde dienst te doen. Durfde hij kijken? Was er iets engs te zien dan? Hij keek. Er was niets engs te zien. Geen bloed, geen open wonde, alleen een gescheurd en bevlekt gewaad. Hij nam zijn materiaal. Het was immers maar een knie. Xenion stond op. Het weinige dat nog rechtstond van het huis, ontnam hem het zicht op de withete maan. De rillingen liepen over zijn armen als kleine wormpjes die met zachte prikjes werden ingebracht in zijn huid. Ze spuwden vuur en drukten hun ijzige staartjes dieper in zijn huid. In de brokstukken ging hij op zoek naar wat hij zocht, maar hij kon het niet vinden. Alles was een puinhoop. Hij lachte groen en was meteen ook verbijsterd dat hij nog kon lachen. Nu zouden de mensen terecht kunnen zeggen dat zijn huis een puinhoop was, dat hij het verknald had, letterlijk en figuurlijk. Maar hij had het niet verknald. Hij had het helemaal niet verknald! Op een haar na was zijn plan geslaagd en dat lange fijne haar leek zijn hart te doorboren. Hij wist dat de gloed van de maan dat besef alleen maar pijnlijker maakte. De maangloed vergroot immers alle emoties uit en het was nog niet eens volle maan.Hij wist dat de blik in zijn ogen nu meer dan ooit terecht als verwilderd zou worden beschreven, maar hij kon er niets aan doen. Met gebalde vuisten bleef hij te midden van zijn brokstukken staan. Hij leek iets te zoeken, maar hij wist zelf ook dat hij het niet zou vinden. Het was een schande. Hij had blij moeten zijn dat hij het niet had kunnen vinden in de puinhoop. Anders was ze dood geweest. Hij duwde zijn lange nagels dieper in zijn handpalmen en wendde zijn gezicht naar de halve maan. Zou zijn Loena nu ook naar de maan kijken? Zou ze ook voelen wat hij nu voelde. Hij wist het niet. Hij wist niet waar ze was en hij durfde al helemaal niet te denken hoe ze het maakte. Schrikbeelden overtreffen de werkelijkheid immers altijd. Hij wist dat hij er niet aan mocht toegeven. De wormen die hij nu voelde zouden dan immers in slangen veranderen en dan was alles verloren. Als hij zich niet meer kon beheersen, zouden ze hem definitief laten opnemen en deze keer zou hij geen keuze hebben.Xenion sloot zijn ogen. Het licht van de maan kon niet onder zijn oogleden doordringen. Zijn gedachten hadden dus nog kans op plaatselijke opklaringen. Hij deed zijn ogen niet meer open en dacht na. Hij moest het doen. Met een wilde vaart begon hij in cirkels rond te draaien, maar zijn ogen hield hij gesloten. Ze zou hem wel weten te vinden. Of hij haar. Hier blijven was geen optie. De brokstukken waren van hem en hij zou zijn toren ook weer doen verrijzen. Maar niet nu. Zijn gesloten ogen vertelden hem dat hij nu moest conserveren en vertrekken. Hij twijfelde een seconde. Hij wist welke invloed de maan op hem zou hebben. De dolgeslagen waanzin was nabij. Hij deed het toch en zag het licht. Nu pas wist hij wat zijn missie was. Hij moest de halve maan weer volledig maken. Hij wist niet waar ze was, maar hij zou Loena vinden. Met vastberaden blik verliet hij zijn vertrouwde verbrokkelde omgeving.

Expialidocious
0 0

Sterrefietje

'Wat vind jij het mooiste aan de sterren, Florian?' 'Wat ik het mooiste vind?' 'Ja.' 'Ik weet niet, Edith... De sterren zelf, eigenlijk, denk ik.' 'Ik vind de sterren zelf helemaal niet zo speciaal...' 'Oh.' 'Het is de afstand en de onbereikbaarheid die alles speciaal maakt.' 'Ja, dat bedoelde ik.' 'Mmm...' 'En ik vind het ook mooi dat ze zoveel licht geven.' 'Sterren geven helemaal niet zoveel licht.' 'Ik vind hun zacht oplichtende verschijning leuk. Zo beter?' 'Ja.' 'Mooi.' 'Ga je de hele reis zo kribbig zijn, Edith? Ik heb er even geen behoefte aan. Je zou blij moeten zijn dat we er eens helemaal tussenuit zijn. Het zal je goed doen.' 'Hmm.' 'Ben je niet blij dat we hier samen kunnen zijn?' 'Jawel.' 'Zo komt het anders niet over.' 'Dan is dat maar zo.' 'Nee, dat mag helemaal niet.' 'Florian, doorheen het jaar ben jij anders wel de kribbigste van ons beiden. Nu is het even mijn beurt. Ok? Laat me gewoon even wennen aan de vakantie. Ik heb het hele jaar hard gewerkt en jij wou zou nodig meteen op vakantie vertrekken.' 'Ja, dat is toch super. Dan ben je er meteen uit.' 'Dat is helemaal niet 'super'. Ik zit nog helemaal in het werkritme en ik voel me onrustig omdat ik niets om handen heb. Ik heb zelfs hoofdpijn omdat ik niets heb om me op te focussen.' 'Hoofdpijn? Krijg jij hoofdpijn van vakantie? Dat is wel sterk.' 'Ja, hoofdpijn, ja. En een beetje begrip van jouw kant zou dan ook mooi meegenomen zijn.' 'Een beetje begrip? Edith, ik ben ongeveer de meest begripvolle man op deze aardbol. Ik regel een romantische sterrenhemelnacht aan het begin van onze vakantie, jij zit de hele tijd te mekkeren en ik ga er amper op in. En dan vind jij dat ik weinig begrip toon?' 'Je weet dat ik liever niet holderdebolder was vertrokken. Het is echt nog een zeer stresserende dag voor me geweest vandaag. Ik moest alles afhandelen waarvoor ik volgens mijn planning nog tot morgennamiddag de tijd had. Aangenaam is anders.' 'Ja, maar het is toch gelukt?' 'Dat wel, maar da's ook ongeveer alles wat je kunt zeggen. Ik ben er zeker van dat ik beter...' 'Edith alsjeblieft, laat het werk nu toch rusten. Je hebt vakantie. Ken je dat eigenlijk wel: vakantie?' 'Doe niet zo idioot.' 'Ik doe helemaal niet idioot. Jij kent dat concept nu eenmaal niet. Ik zal het je moeten leren. Kijk toch eens naar boven, lieve schat. Dat is toch gewoon mooi. Geniet daar dan toch eens van.' 'Maar ik geniet ervan.' 'Hoe komt het dan dat er daar zo weinig van te merken is?' 'Ik weet het niet.' 'Laat je werk nu gewoon een tijdje helemaal los. Je hebt dit verdiend... En als je naar boven kijkt, dan moet je toch de relativiteit van je werk ook gaan inzien. Want het is allemaal zeer relatief wat we doen.' 'Dat weet ik.' 'Dan is het goed.' 'Ik vind de sterren ook wel mooi. Fascinerend ook.' 'Dat zijn ze zeker. Niet in het minst omdat ze zo onbereikbaar zijn. Even onbereikbaar als jij soms voor me bent, Edith.' 'Wat zeg je nu weer?' 'Soms kan ik je gewoon niet volgen.' 'Dat is dan jammer.' 'Dat is het zeker… En nu doe je weer zo kribbig. Waarom toch? Ik doe mijn best.' 'Dat heb je dan wel zelf gezocht. Ik ga naar binnen. Ik ben moe en ik wil slapen.' 'Komaan, dat meen je niet. Het is veel te warm om nu al te gaan slapen. Hier heb je nog een fris windje.' 'Ik ben moe.' 'Je kunt hier toch ook even dutten. We kunnen zelfs slapen onder de sterrenhemel. Zou dat niet leuk zijn?' 'Nee, dat zou niet leuk zijn.' 'Komaan Edith, een beetje avontuur zoals in de goede oude tijden.' 'Oh ja, want jij bent een ontzettend avontuurlijke ziel. Ik ga slapen, Florian. Ik ben echt moe.' 'Edith. Wacht nog even. Laten we toch genieten van ons eerste avondje vakantie. We kunnen morgen toch uitslapen. Laten we eerst de sterren nog proberen te tellen, wat denk je?' 'We zullen ze morgen tellen, meneer de romanticus. Ze lopen niet weg. Slaapwel.'

Expialidocious
0 0