Zoeken

Broodje vuuste mé muulepatee

(Onderstaande tekst werd opgesteld en kan het best gelezen worden door behulp van het Oostends Woordenboek dat tot stand kwam door Roland Desnerck en Frederik Schmitt in 2022) ‘t Was stekedoenker dien oavnd én de moane ha smêr an ze gat. E pannelékker was ‘t bewies van e kloaren heemle.  ‘k Goengn zjuuste no me kip wannair da 'k vanuut me ruute me voader Marcel zaagn thuuskomm lik e kolemarsjang én mé 't gêld van de kwafuer up zak. Hje was a van de gvornoened angezét no vérremétjes achter zwienetétsjes, woa dat 'n gekénd was lik e slichte kluute. Omdat 'n in de polletiek zaat kraigt 'n vele stroent no ze kop gesliengerd langst stroate. Mo hj' hé ze noois in zen hol gesloan want hje zeid ossan: 't is an de kop dat de vis aist stienkt.  Me moeder: hemelstevroed omda 't were kookloarenoene gewist haad toetuuznt bainst da 't pertangs vis was van tusjhn ‘t zand en ‘t woater, en 't haa nog noois gin zunne gezien. Z' haad heur upgetietematoojd lik e visbak, mo me voader haad e muule lik e nachtvertrék wan hje wist nie mi va wukke prochie dat 'n kwaampt. Hj' haad in de mot da s' heur in de badkoamer weggestookn haad omdad heur kaketuute an de klienke hoenk én at 'n up die deure klopte met e liekebiddersmuule, riep ze “pak je gat in jen oarms”. Efkes peizdig 'k "da wordt hier broodje vuuste mé muulepattee”.  Mo ‘k verstoegn heur colaire. Me moeder héd ossan e muule va lintsjes ghét, mo sedert ‘t kairn van de joarn esse lik mor e moendmezieksje mi. Z' is kop én koente, en je ku je neuze snuutn in 't vel van heur buuk, ze kan ter mé gin wriengtowe nog etwa va maakn. Me voader kan eetn lik e diekedêlver, mo zie vét méd e drupl woater. Doavan zie 'k ik én me moeder dezêste spleete. Mor ol was 't da me voader mesjhiest etwoasjhn voer anker laag, ze blaif ossan zaim an ze muule smêrn én da lukted heur ook te frênte kis want z' haad e muuletsje voe stroent van te freetn. Me voader et dikkerst ze puuste gescheurd, somst zêst mé ‘t eetn in ze kele. Mo hje spoelded ossan weeran.  Me voader staak ze salamanzjee in 't glas woater néffest ze béddebak. Hje droaide mé zen oogn, je leid hém up ze bédde én hje zeid: “e boer zoe zoelange nie up zen ofstee bluuvn lik je moeder in de badkoamer”. Hje riep no me moeder “Én, snel keun, is ter vele volk in de stoasje vanoavnd?” Zoe zair of kiekes was ze doa gezét én zaat me voader mé ze neuze tusjhn 't volk. "Hail de wêreld is Paries", hoorde 'k hém nog zegn. Én beist dan 'k me soazje dichte teegn men oorn trokn peizde 'k: " 't Is stille woa da 't nie woajt".     

Fanny Wildemeersch
90 2

De kortjan

De 25-jarige dochter van Rachel O. uit Lommel heeft hommeles. Dat leert de publieke omroep ons met de foto van een romantisch bevloeiingskanaal.  Aan de Grote Fossé stond de wandelaarster oog in oog met een Grote Fusee. Een man met een zwarte hoodie die linksaf sloeg terwijl zij rechtdoor ging. Zodat hij zijn kortjan kon opdiepen en zij de tijd had om haar smartphone boven te halen. Om te filmen, niet om te bellen natuurlijk. Toen zij de bocht omging zat hij op een bankje verderop met zijn broek naar beneden. Zo omschrijft de zender van algemeen nut het met een alliteratie voor blozen en bloot. Zij kwam hier elke dag en wist wat de bocht te bieden had, ook al ging ze eerst rechtdoor. Niet echt een bevredigende uitleg. De dochter van Rachel O. stond er samen met haar Rottweiler en pitbull op te kijken. Toch godgeklaagd van die watjes die met wat training mensen in stukken rijten. Iedereen was in shock maar de 25-jarige dochter van Rachel O. bleef koelbloedig. Momenten met eeuwigheidswaarde worden stevig verankerd. Iedere wandelaar aan een plas weet dat zijn mobieltje na 19 uur een intieme vriend is. En het moet niet altijd een hoofdgerecht in een chic café zijn. Een roomtoetje doet je later ook watertanden. Ondanks haar paniek kon de dochter van Rachel O. de man kort filmen. Zo verklaart de staatsomroep nader onder het irrigatiekanaal. Met de woorden van moeder Rachel O. Zonder de beelden van haar dochter X die van ver genomen en onherkenbaar zijn. Nog een geluk dat de wandelende tak niet trilde als een espenblad. Anders had niemand kunnen zien wat de man deed. Want hij deed het, daar kan u van op aan. Hier, maar ook in de Lommelse Sahara en aan het plaatselijke Parelstrand. Natuurgebieden met exotische namen, koortsige aanbiedingen en veel korte jannen. Waar zelfs politiemensen in burger de knijf niet kunnen klissen. Met of zonder Rottweiler, pitbull of getrimde poedel. De roedel met het geschoren gezicht van rond de dertig (sic) zit steevast met zijn blote bips op de bank. De mountainbike naast hem in rust, de grijns onder zijn zwarte hoodie in de aanslag. Driftig zet hij door, in de hoop dat een wandelaar een deftig filmpje van hem schiet. En hem niet opnieuw met wazige beelden bij het politiekorps bespot en op sociale media floept. Hoed af voor het nationale relaas dat leest als een nachtspiegel. Het Warmste Plekje van Vlaanderen heeft zijn naam niet gestolen. Nu is niemand in het asielcentrum Parelstrand nog homeless.  

Dorlan Slefficsroth
9 0

Lemon Queen

  Gewoon. Te veel schreven. Al die krassen. Het wordt altijd te erg. Oké. Kijk simpelweg naar dit gele puntje. Schrik niet van de flits, en dan zal zij enkel nog de afstand meten. Die is niet nochtans veranderd. De werkelijkheid is gebleven wat ze is. Ze deint enkel verder uit. Ja. Die neus. Hij is behoorlijk scheef. Het zal een beetje zoeken zijn. Naar de juiste positie. Gedurende mijn eerste kinderjaren. Toen was alles recht. De kalender telde geen bijltjesdagen en ik weet dat ze niet Dolores heet. Die valse naam prijkt op een plastiek kaartje. Ongeveer twee duim boven haar linkertepel en ik neem aan dat de naald achter die badge ook gewoon door haar vel gaat. Want de weelde schonk haar een diamant. Als lippiercing. Haar tanden daaronder zijn mooi wit. Je linkeroor staat ook veel hoger dan het rechter, spreekt zacht mijn Lemon Queen en dat is haar echte naam. Ik weet dat. De tatoeage staat aan de binnenkant van haar rechter onderarm. Ik ben het niet helemaal zeker want ze neemt altijd mijn bril af. Nog voor ik de deurmat voorbij ben. Zonder lees ik vaak verkeerd. In ieder geval heb ik mij op voorhand bij alle vergissingen neergelegd en wat mijn oren betreft. Ach. Zij weet dat intussen. Ik ben best tevreden met mijn voorkomen. Mijn wedersamenstelling is gezien de omstandigheden nog vrij goed gelukt. Het is wel al eens gebeurd dat ze bij het passen per ongeluk een litteken aanraakte. Je hoeft je niet te verontschuldigen, zei ik snel. Eigenlijk is dat al vaker gebeurd en ze sluit dan altijd één seconde lang beide ogen. Ik zal toch weer mijn tang moeten gebruiken voor de aanpassingen, pleegt ze daarna dan te zeggen. We zullen zien wat we kunnen doen en ik mag plaatsnemen in de winkelsofa. Ik kan door het glas staren, links of rechts, want in het midden staat een groengele vrouwentong. Palrecht. In rust. Terwijl, misschien zelfs zolang buiten de wereld verdersukkelt, blijf ik deze sofa zitten. Blijf daar wachten. Dat zegt ze. Er is een armleuning en haar hondje mag ik aaien. Het komt elke dag mee naar de zaak. Kerberos is zijn naam. Zij kort dat meestal af. Ze noemt hem doorgaans Eros. Buddy mag ook en hij heeft krullen, ogen die mij snel herkenden. Dat heeft ze me eens verteld. Ja. Ik heb ook een huisdier. Een kanarie. Zo heb ik toen vol lef geantwoord. Zijn naam is Arie en je moet weten. Ik kom hier nochtans zelden. In mijn gedachten vaker. Gewoon op zoek naar vers glas. Opnieuw gepolijst met de bloembladeren van mijn meisjesogen? Neen. Zij vraagt dat nooit zo. Het verloopt allemaal zeer puur. Glas? - Ja, glas. Zoals de vorige keer, gelijk gisteren en ook vandaag maakt ze er nergens veel woorden aan vuil. Ze vraagt mij ook nooit hoe het gekomen is. Zo snel weer die schreven en krassen. Het lijkt alsof ze de meeste antwoorden kent en ik doodleuk, af en toe toch, de stilte mag breken met aaneengeregen restjes. Simpele letters, stukjes evidentie en moet ik dat dan uitleggen? Aan jullie allen. Hoe dat telkens gaat, verdergaat, zijn einde kent. Neen. Vergeet het! Ach, jullie ettertjes met jullie schele wereld. Alleen ik weet dat. Hoe zij. Met tang en blik. Het troebele te rusten legt.     uit de reeks 'Waanhoop'

Bernd Vanderbilt
4 0

Brooddronken, deel 2, hoofdstuk 6

6   Het duo Bruno-Jimmy bevindt zich iets verderop, aan de andere kant van de stad, in de schemerzone tussen Kortrijk en Heule, gekend als Heule-Watermolen. Door archaïsche dienstorganisaties in het verleden, zoals eerder vermeld, blijven Kortrijk en Heule strikt gescheiden. Dus na het bestellen van nummer 94 in de Izegemsestraat, gaat het over in Heule en moeten ze een stuk doorrijden naar de Kleine Ieperstraat, een klein straatje dat zijn naam niet gestolen heeft – het is een straat die uitmondt in de Ieperstraat, nummer 40 om precies te zijn, maar dat nooit verder geëvolueerd is dan een asfaltbaantje dat naar de fabriek van Mewaf leidt, die gelegen is in de Lijnwaadstraat, ook een zijstraat van de Ieperstraat. ‘Hier hebt ge een COD,’ zegt Bruno, die langs Jimmy rijdt, die zelf de post aan het bestellen is. Dat gaat met horten en stoten – soms moet Jimmy eens terugkeren omdat hij een brief vergeten is. De beste manier om te leren, vindt Bruno, die glimlacht bij het geklungel dat ook ooit zijn deel was. ‘Een wat?’ Jimmy is nog niet mee met de postterminologie. ‘COD, een pakske waarvoor ze moeten betalen. Ge kunt dat zien omdat er een overschrijving aan vastplakt. Kijkt maar eens in uw velozak.’ De fiets leunt tegen de muur terwijl Jimmy door zijn zakken rommelt. ‘’t Is iets dat ge wel leert met de tijd, hoor, wat organisatie in uw zakken,’ zegt Bruno. Jimmy haalt wat pakjes brieven uit de fietszak en legt deze op het voetpad. Bruno rookt ondertussen een sigaret en fluit een liedje. ‘’t Is de beste manier om te leren,’ zegt Bruno wanneer Jimmy eindelijk het pakje opduikelt.   Half verkleumd door de kou belt Jimmy aan. Zijn fiets danst tussen zijn benen. Een man doet open. Hij rookt een pijp. Draagt een kerstmuts. Dat is een echte, denkt Jimmy, zo één van die gelukzakken die zijn werkcomputer kan uitschakelen ergens half december om dan begin januari, tussen twee nieuwjaarsrecepties door, misschien die weer op te starten om zich door de obligatoire hoop kerst- en nieuwjaarsmails te wurmen. En die dat dan nog werken durven noemen. Die nog nooit met halfbevroren vingers proberen een brievenbus omhoog te houden om er een brief in te laten glijden, terwijl de fiets op een ijzige ondergrond óók wil glijden. Wiens vingers nooit vol barsten zitten, van wie de schellen niet alleen van de ogen vallen maar ook en vooral van de handen, die spontaan openspringen bij deze kou. Die, als hij moet gaan piesen, kan gaan piesen, gewoon in zijn verwarmde toilet, in plaats van tegen een boom, in de koude, in de regen.  ‘Ah, een nieuwe,’ glimlacht de man, denkend dat hij iets interessants te vertellen heeft.  ‘Ja, ik ben in opleiding,’ antwoordt Jimmy, met het pakje in de hand, ‘ik heb een pakje bij voor u.’  ‘Dat zie ik,’ zegt de man en hij neemt het aan.  ‘Er moet wel voor betaald worden,’ zegt Jimmy.  ‘Hoeveel?’  ‘Twaalfhonderd frank.’  De man draait zich om en wandelt de gang in.  ‘Zit Bruno met een stuk in zijn kloten thuis, dé?’ vraagt hij.  ‘Nee, nee, Jean, ik zit hier. De beste wensen van ’t jaar, hé.’  De man tast in zijn portefeuille.  ‘Voor u van ’t zelfde, hé. Magritte vindt dat ge goed werk hebt geleverd.’  Jimmy kijkt met afgunst toe hoe Bruno een briefje van vijfhonderd frank wordt toegestopt. Die laatste vouwt het briefje op en steekt het in zijn zwart tasje dat met een ketting aan zijn fiets vast hangt.  ‘En twaalfhonderd frank voor u hé. Hoe noemt gij?’ vraagt Jean.  ‘Jimmy. Jimmy Sabbe.’  Hij zal die vraag nog dikwijls horen. Kortrijk in die tijd was een stad met een dorpsmentaliteit. Iedereen kende iedereen wel, onrechtstreeks.  ‘’t Is de kleine van Reginald.’  ‘Reginald? Reginald drankneuze? Die met Marjolein?’  ‘Ja, die.’  ‘Ik ga nog wat verder bestellen, als ’t niet besant,’ zegt Jimmy, die er liever niet bij is wanneer zijn hele familiesituatie op straat wordt uitgesmeerd.  ‘Ja, aan de Lijnwaadstraat rechts, hé,’ zegt Bruno, zwaaiend met zijn sigaret.  Terwijl Bruno nog staat te keuvelen, gaat Jimmy gezwind de Lijnwaadstraat in – en uit. Voor de eerste keer sinds hij dit doet, heeft hij het gevoel dat hij het kan. Toegegeven, de Lijnwaadstraat is een straatje van om en bij de dertien huizen, of zo, maar Rome is ook niet op één dag gebouwd. Nu is het nog het stukje Ieperstraat richting de Brugsesteenweg, die de Ieperstraat doorklieft. De rest is voor dienst 20. De Brugsesteenweg is voor dienst 17. Tot in Kuurne. Da’s een ander kantoor. Jimmy haspelt de eerder gesproken woorden nog eens af. De overvloed aan informatie op zijn eerste dag wordt nu netjes verpakt in hapklare brokken, gemakkelijker te verteren. Of het ook zo was, in zijn vaders tijd, vraagt hij zich af. Hij slaat de Ieperstraat terug in en wordt op de hoek opgewacht door Adhemar Verhoefstrate, woonachtig op de hoek van de Ieperstraat met de Lijnwaadstraat. Als Adhemar cartoonesk zou worden voorgesteld, dan gegarandeerd als aasgier. Niet noodzakelijk kwaadaardig, maar hij zal nooit aan de haal gaan met schoonheidsprijzen. Gevorderde kaalheid, ongetwijfeld toe te schrijven aan zijn vergevorderde leeftijd, en toch heeft hij meer haren dan tanden. ‘Dag Médard,’ zegt Jimmy, terwijl hij de post van nummer 86 aan de man geeft, ‘ge zijt er ook tielijk bij?’ Eigenlijk weet Jimmy helemaal niet waarover hij moet keuvelen met de mensen. Daar staat hij dan, een jonge kerel van negentien, met een fiets tussen zijn benen, een hoop post in zijn zakken waarvan hij wenst dat hij ze zo snel mogelijk kwijt is, maar beseft dat dat niet te gauw zal gebeuren, door zijn onervarenheid en de gewoonte, blijkbaar, van Bruno, om elke vijf huizen iets te aanvaarden wat eigenlijk niet meer of minder is dan smeer- of zwijggeld.

Miguel
3 0

Brooddronken, deel 2 hoofdstuk 5

5In de Groeningekaai is het rustig. Het is ongeveer tien uur en Marjolein maakt eindelijk aanstalten om de dag te beginnen. Vandaag is de eerste dag sinds voor Kerstmis waar Reginald niet als een koning uit zijn zetel regeert, de vliegenmepper als zijn scepter tegen de zijkant van zijn fauteuil slaand. Marjolein denkt er aan om haar schoondochter op te bellen. Ze kon het op het kerstfeest best wel vinden met Célestine en ze heeft het gevoel dat dat best wel wederzijds was. Het telefoonnummer verkrijgen zou niet moeilijk zijn, Billy zou haar dat wel geven. Tobbend zit ze op het bed, twijfelend of ze nu wel of niet die stap zou zetten. Dan beseft ze opnieuw dat Reginald de touwtjes strak in handen heeft. Zelfs al zou ze kunnen bellen, zoiets verberg je niet. Zeker niet voor een man die zijn post rechtstreeks van de postbode krijgt, in het postkantoor, en ter plekke de telefoonrekening uitpluist naar nummers die er niet zouden mogen in staan.Maurits krabt aan de deur. Nog zo’n probleem dat voor verdere situaties kan zorgen. Iemand heeft de trapdeur laten open staan – de accordeondeur die de leef- van de slaapruimtes onderscheidt. Hoogstwaarschijnlijk is het Reginald zelf, die subtiel de deur open laat waardoor licht zichtbaar is tot op de muren van hun slaapkamer, om toch maar Marjolein uit haar slaap te wekken. Aan de andere kant is het nooit Reginald zelf, zelfs al is het Reginald die de deur openlaat, want hij verplicht steevast de andere huisgenoten die deur te sluiten, en hij maakt geen fouten.Marjolein verlaat het bed en waggelt naar de deur. Het is best mogelijk dat Reginald de dunne klauwmarkeringen van Maurits nog over het hoofd ziet, of er gewoon niet op let, maar als Maurits in het bed geraakt en de immer muitende kat er zijn stempel achterlaat in de vorm van fijne rosse haartjes, dan zullen de poppen wél aan het dansen gaan. Het is dus zaak voor Marjolein om zo snel mogelijk de slaapkamer uit te zijn, voordat Maurits zijn kans schoon ziet en langs haar naar binnen kan schieten.Dat lukt haar wonderwel. Weer iets om van de lijst te schrappen. Volgende taak is het terug verbannen van het fonduestel naar “het kot” en daarna haar Flair Kerstspecial verder uitlezen in de steevast krakende bruine lederen zetel. Ze maakt zich zorgen. Ze maakt zich zorgen over haar zoon Billy, die wellicht nu de strapatsen van zijn vriendin moet verdragen, omdat hij haar niet genoeg had gewaarschuwd voor de bruut die Reginald blijkt te zijn. Ze maakt zich zorgen over Jimmy, die haar al in vertrouwen had genomen en had gezegd dat hij dit echt niet ziet zitten, om die job tot het einde van zijn dagen uit te voeren, een einde dat wat hem betreft wel eens vroeger dan later mag komen. En ze maakt zich zorgen over de staat waarin Reginald zal terugkeren. De periode die aanbreekt is immers die van de dreupels, de flessen cognac die Reginald op ronde zal krijgen als beloning van weer een jaar puik werk – of als onderpand voor het komend jaar, opdat hij zich afdoend van zijn taak zal kwijten – en het drinkgeld waarmee hij zich weer een ferm stuk in de kraag zal drinken. Ze denkt terug aan vroeger, toen ze nog samen met haar ouders en haar zus Zulma Martha en de tweeling Eufrazie en Eulalie de Middenstand in de Lange Steenstraat uitbaatte en feestdagen nog een bron van plezier waren, in plaats van de oorzaak van veel verplichte miserie, jaar in, jaar uit.Eén van haar taken is het uitkiezen van het middagmaal. Haar oog viel op de half met ijs bedekte dozen met macaroni met kaas en ham van Bistro Diner. Bistro Diner is nu al een tijdje van naam veranderd en de houdbaarheidsdatum is bedekt met ijs, maar toch kiest Marjolein de macaroni. Immers, dat wordt toch niet slecht in de diepvries, denkt Marjolein, ook stamt de diepvries uit de jaren zeventig.De voormiddag gaat voorbij. De macaroni staat op de radiatoren te ontdooien – dat scheelt alweer wat tijd in de microgolf. Marjolein zelf houdt het voor deze middag op een boterham met stierenboter en een roerei.

Miguel
5 0

Roos

Hij volgde met zijn vingertoppen de diepe nerven van de eikenhouten tafel. Zijn nagels waren vergeeld, de muis van zijn hand bedekt met levervlekken, de levenslijn in zijn palm onderbroken. Hij had geleefd. Hij vroeg zich even af waar de groef hem naartoe zou leiden, maar hij wist het antwoord al. De enige weg die er was, was de weg terug. Sentimentaliteit was hem niet vreemd. Hij kon dwepen met zijn roemrijke verleden. Ja, dat was toen. Hij streelde met zijn vereelte vinger over de weg van de rand naar niemandsland. Een fijne, netjes gemanicuurde hand greep zijn schouder beet. Of hij zin had in een snelle wip? Ze ratelde haar menu en haar tarieven af als een automaat. Met condoom, zonder. Werd dat tegenwoordig nog gedaan zonder? In zijn tijd werden de beste momenten slechts een enkele keer overschaduwd door een of andere venerische ziekte waar zijn huisarts wel een middeltje tegen had. Of die ene keer toen hij een pak briefjes van honderd op de tafel gooide voor de abortuskliniek. Dat de vrucht die zonder liefde werd gemaakt, zonder wroeging werd afgedreven, was iets waar hij niet langer dan een seconde bleef bij stilstaan.  Hij had geen zin in een snelle wip, maar de kracht der gewoonte deed hem in zijn broekzak graaien. Een pijpbeurt met condoom kon hij nog net betalen. Dan moest hij geen kamer huren, dat kon nog net onder het schamele afdakje waar de cafébazin het leeggoed bewaarde en waar de slijter in het verleden al meer dan eens zijn kwakje in een zakje tussen de flesjes cola moest hebben gevonden. Hij was dat waarschijnlijk al gewoon. Net als Roosje, zijn ex, die jarenlang bij Zara op de Meir had gewerkt totdat dat vuile kankerbeest haar uit de confectie en zijn leven had gerukt.  Roosje had menig koppeltje in innige omhelzing uit het pashokje weten strompelen. Dan wist ze: die zijn verliefd en hebben elkaar passioneel gezoend. Dat volstond, omdat de avond nog veel voor hen in petto had. Maar als eerst de man nonchalant met een truitje uit het pashokje dook en zich er haastig vanaf maakte met een weifelende beweging van het hoofd die zowel ja als nee kon betekenen op de vraag of de maat goed was, wist ze dat de vrouw ongemakkelijk met een papieren zakdoekje het zaad van tussen haar benen aan het deppen was. Pashokjes van Zara: soms kreunen ze van de passie, maar nog vaker van ellende. Wie het thuis niet vond, vond het zeker niet achter de damasten blauwe gordijnen met zilverkleurige ringen die altijd met volle geweld de wereld van de uiterlijke schijn dienden werden ingeschoven. Roosje en hij deden het nooit in de pashokjes van Zara op de Meir. Overal, maar niet daar. Daar had ze een grondige hekel aan. Waarom Roosje bij Zara was blijven werken, had hij nooit begrepen. Het was een komen en gaan van verkoopsters die de Spaanse keten geen warm hart toedroegen en de winkel zagen als hun persoonlijke dressing. Zo koos Lara elke donderdag haar outfit: ze feestte tot in de vroege uurtjes en hing vrijdagmorgen rond tienen de door rook en alcohol doordrongen feestkledij nonchalant bij de retours. Dat de andere verkoopsters geen argwaan koesterden, kon er bij Roosje niet in. Roosje, te goed en te vroeg heengegaan. Lara kon goed pijpen. Dat kon ze wel, maar voor Zara had ze geen respect. Wat haar naam was, en of ze echt zonder condoom pijpte? Dat moest ze echt niet doen. Daar kan je van sterven, weet je wel? Seks kan dodelijk zijn, op den duur. Hij kwam, schokkend. Roos - want zo heette ze - schrok ervan. Dat zo een ouwe vent dat nog met zoveel poeha kon, had ze niet verwacht. Ooit had hij vijf vrouwen aan elke vinger. Dat wist zij niet, maar hij was dat niet vergeten. Dat doet ouderdom met een man. Vroeger zou hij haar de briefjes van honderd naar het hoofd hebben gegooid, maar met de jaren kwam ook de compassie. Roosje zat daar voor iets tussen. Na haar korte en verloren strijd tegen die verdomde kanker, was hij beginnen beseffen hoe broos het leven was. Sindsdien praatte hij ook altijd even met de meisjes. Zo vertelde Roos dat ze een vreselijke jeugd had gehad. Haar moeder had haar op haar zestiende gekregen, een vader was nooit in beeld geweest en de potentiële vaderfiguren die 's morgens om beurten naast de toiletpot pisten, kwamen sneller dan ze bleven. Zij was er gekomen nadat de zoveelste een pak briefjes van honderd op de tafel had gegooid en had geroepen: "Voor de abortuskliniek." Haar moeder had de huur ermee betaald en er een wieg mee gekocht.

Véronique Scheyvaerts
38 2

Daarvoor moet je gelukkig zijn

Gelukkig ben ik er niet van geworden van ’s nachts met een bootje varen. Natuurlijk niet. Geluk hangt niet af van dergelijke kleine dingetjes. Daarvoor moet je gelukkig zijn. Maar ik heb wel gelachen. Dus ja, misschien was het inderdaad een goed idee van ons Saartje. Ik houd nochtans niet van haar ideeën, nooit gedaan, zeker niet als ze van mij verlangen om gezellig mee te doen. Is het niet genoeg dat ik elke dag geconfronteerd moet worden met pijnlijk opgewekte huisgenoten. En maar babbelen en tetteren. Over wat eigenlijk? En al die vragen? “En wat ga jij doen vandaag, Geertje? Heb jij die toets voor Frans ook vandaag of heb je die morgen? Ik heb goed geleerd, ik kan het.” Saartje kan altijd alles. En ik ook wel, denk ik, maar veeleer per ongeluk. “Dat jullie samen in mijn baarmoeder gezeten hebben,” zegt mama wel eens, “Jullie zijn nog erger dan ying en yang. Zo verschillend.” En dat is ook zo. Zo blond en irritant breed lachend Saartje is, zo… zo… anders ben ik. Als papa niet zo nukkig kon zijn, zou ik denken dat ik een andere vader had dan haar. En mama? Saartje is mama. Naïef en altijd blij. Nochtans is mama degene die elke ochtend een pilletje neemt. Niet papa. Die gromt zich meestal door de dagen. Net zoals ik. Maar papa is bijna nooit thuis. De idee om met een bootje te gaan varen in het donker was natuurlijk van Saartje, dat had ik al gezegd. Ze kwam het me vertellen, net toen ik buiten onze bungalow stiekem een sigaretje stond te roken. Ik moest wat bekomen van al dat vermoeiend blije aan tafel bij het avondeten. Zelfs papa, zelfs papa was opgewekt en had al twee keer zijn favoriete mop van een grote papagaai die nootjes wil, verteld. Fucking hell! Iemand zou voor minder naar een sigaret grijpen. De eerste keer had ik nog de moeite genomen om te lachen, daarna kon hij voor mijn part de boom in. Bij de derde trek aan de troost die ik mezelf gunde, verscheen Saartje van achter het hoekje. Ik schrok mezelf een ongeluk en hoewel Saartje wist van mijn stiekeme sigaretjes, verborg ik haar instinctief achter mijn rug en duwde haar uit tegen de bast van een den. “We gaan varen in het donker, Geertje, goed idee, eh! Papa gaat ook mee.” “Fijn, zeker. Ik heb net mijn beha uitgedaan en een gemakkelijk T-shirt aangetrokken. En ik wou dadelijk douchen.” “Doe je toch snel weer aan. Zo gefikst. Of niet. Dat merkt toch niemand met die dikke jas.” “Ik heb eigenlijk geen zin. Ik wil liever gewoon op bed liggen en naar muziek luisteren.” “Dat heb je gisteren al gedaan. Kom nu. Varen in het donker is toch spannend.” “’t Is maar wat je spannend vindt.” “Echt. Het wordt leuk. Beloofd.” “Het is al goed. Ik ga wel mee.” Anders zou ik nooit van haar gezaag af geraken, dacht ik. Om het hoekje verscheen nu ook het hoofd van mama. Toch goed dat ik mijn sigaret gedoofd had. “Kom we zullen eerst samen snel de afwas doen en dan vertrekken we. Komt Geertje ook mee?” “Ja-a, ik heb al ‘ja’ gezegd net.” “Joepie!” riep Saartje en ze gaf me een knuffel. Altijd die knuffels. En dus was ik meegeweest. In dat bootje. In de ijzige wind. En heb ik gelachen om papa’s mop van twee bananen op het strand, of eigenlijk meer met zijn hoestbui zodat de clou in stukjes en beetjes uit zijn strot kwam. Papa was grappig en daar moest ik een foto van nemen. En iedereen moest lachen omdat ik er een foto van wilde nemen. En ik heb ook gewoon gelachen. En geglimlacht, bij de stilte op het einde van de boottocht. Toen iedereen uitverteld was. De koude nacht vroor niet alleen letterlijk, maar ook het uitzicht leek te bevriezen, en mijn hoofd. En het geluid. Het geklop van de motor viel bewegingloos neer. Klop na klop. Saartje had gelijk gehad. Dit was leuk. Ik had hen allemaal willen vastpakken en zo samen willen bevriezen. Nu hebben Saartje en ik onszelf net ontdooid in de gloeiend hete waterstralen van een lekker lange douche, terwijl mama en papa dicht tegen elkaar aan kropen in de sofa. Samen in de douche, had Saartje gezegd, hoe lang was dat geleden? Maar het was erover. Van het goede te veel. Walgelijk gewoon.

Hans Van Ham
14 0

De lucht tussen mijn vingers

Alleen nog in mijn helderste dromen zag ik je, al lag je elke nacht naast me. Soms zag ik je van dichtbij, soms van ver. Maar nooit was ik er zelf bij. Eens zat ik op een terras, al bestond ik niet, en jij stond op het strand met je rug naar mij, zo ver weg dat je tussen mijn vingers gezien nog een halve centimeter was. Dat was alles wat ik nog van je kon krijgen, wat ik zag in de lucht tussen mijn vingers.  Je maakte praatjes met voorbijgangers die bij je gingen staan om mee te kijken door jouw ogen. Ik wist dan dat je niet de horizon zag, en niet de zee. Maar wat je wel zag was niet om met mij te delen. En dat was wanneer ik wist dat ik verloren was. Van pure wanhoop werden mijn dromen zo helder dat ik zelfs jouw dromen in de mijne begon te zien. Maar zelf zou je ze nooit meer met mij delen. Mijn best mogelijke leven zou door iemand anders geleefd worden.  Zelfs mijn ogen van dichtbij in de spiegel, en het vlees achter mijn oogleden leek al van iemand anders. De kleedjes waar je me zo mooi mee vond, al vond ik toen van niet, passen me nu niet meer.  Vanmorgen reden we samen naar Rijsel waar je de trein zou nemen naar je tweede leven.  Ironisch hoe zacht en windstil het was in de stad. Terwijl de trein nog een uur zou wachten op het einde van ons twee dronken we op een terras in de zon elk een verschillend bier dat we niet kenden. Een residu van hoe we als koppel waren geweest. We namen nog een foto samen, en al zou ik je op die foto nog lang nakijken, je was al lang niet meer bij mij. Ik ging nog mee om je te zien van me weggaan, terwijl je me zou uitzwaaien. Het was alsof ik het was die vertrok, ik moest van je weg, jij moest niets en was vrij. Ik had als kind geleerd om pijn te doorvoelen terwijl het zich voordoet, dat alles dan sneller voorbij gaat. De spetters op je schouder had je niet gevoeld. Dat mijn mascara uitgelopen was zou ik pas later zien in de spiegel van een toilet voor magere dwergen. Je straalde. Je had al eerder moeten vertrekken en je moest al jaren terug zijn. De reizen die we intussen al hadden kunnen maken, samen. De keren dat we erover hadden kunnen vertellen ‘s avonds, als was het een van de vele kleine herinneringen die we zouden gevonden hebben tussen de sterren en een fles wijn.  Ik liep terug de stad in, op zoek naar wat nog van ons rest. Ik passeerde het terras waar we voor de laatste keer samen hadden gezeten. Onze glazen stonden er nog, leeg, enkel opgedroogd schuim hield zich nog vast aan de binnenkant. Ik moest denken aan het zeeschuim rond onze voeten, op een van onze beste dagen. Het lijkt wel vier levens geleden.  In stoffige vensters van gesloten nachtwinkels, waar ik over mijn schouder mezelf zocht, zag ik hoop. In het dubbel glas zag ik mijn randen twee keer. Mijn huid liep als vloeibaar goud uit die donkere diepte. Het kon in gelijk welke vorm gegoten worden. Het beeld was vaag, maar het was waar ik mee verder kon, en werkelijk alles was mogelijk, maar niet meer met jou.  Ik wandelde door straten die ik niet herkende, om zo snel mogelijk te verdwalen. Om me te verstoppen voor een gevoel dat me achterna zat. Langs de asgrijze stenen van een eeuwenoude kerk voelde ik je restwarmte. De warmte die mijn ziel op temperatuur zal houden voor de rest van mijn leven. De warmte die ik gevoeld had alle keren dat je me verteld had over wat lang geleden is ontstaan, en over vele zekerheden. Zoals Griekse mythes, kansberekening, elektronen en logaritmes, en de mensen rond me leken als ontsnapt uit je verhalen over de Romeinen. Als onderzoeker dacht je in het engels, want het was ‘the language of science’. En voor alles wat ik opmerkte, had je een engelse term. Daar was ik zo wild van omdat het voor mij ‘the language of poetry’ was. Het gaf mij een draagvlak om te dromen over een poëtisch leven. Dat leven heeft me intussen gevonden en ik leef alsof ik in verbinding sta met een versie van mezelf die alles observeert vanuit de hemel. I look at clouds from both sides now. Ik zie helder hoe fouten gemaakt worden, hoe aanstekelijk ze zijn en hoe ze ons als mens typeren, in alle lagen van de bevolking. En hoe het ene leven voor het andere opgeofferd wordt, of je het nu wil of niet, zelfs binnen één en hetzelfde leven.  De bewondering die ik voor je bewaarde was groter dan wat ooit gebouwd of ontdekt werd. Je had me nog zoveel te vertellen gehad, als je had geweten hoe belangrijk dat voor me was, als ik je maar één keer had laten voelen hoe belangrijk jij voor me was en als je jezelf niet had verloren in alles wat je voor ons had gedaan. Ik zou mijn eigen bestaan ongedaan gemaakt hebben, mocht dat jou sneller tot jezelf gebracht hebben.  De kerk beschermde me tegen de wind die in de smalle straten ontstaan was door de wet van Castelli. Je had me veel geleerd, maar vooral had je me leren zien wat ik zelf kon. Een plotse leegte, een verschroeiend vacuüm. Ik voelde tranen van onder mijn zonnebril lopen, zweet over mijn wangen. Had je nu bij me geweest dan had ik ons doen stilstaan en je tegen de kerk geduwd, je roze wangen in mijn handen gelegd, je gekust, je schouders gevoeld, in dit moment dat van ons had kunnen zijn, maar niets was ooit van ons geweest. We hadden nooit iets anders gedaan dan alles achterna lopen. Als je ooit terug bij me bent, dan is alles van ons, voor altijd, en als altijd geweest.  Op een rokersterras bestelde ik een trappist tegen de uitdroging. En ik kreeg die, na een tijd waarin ik je had kunnen vragen om alles over te doen, al zou er niets veranderen en zou ik hier terug belanden na 15 jaar, om mijn falen gepresenteerd te krijgen als een donker kasteelbier, in een vreemd glas, zonder schuim, terwijl iemand op het tafeltje voor me mijn Westmalle Trippel kreeg. Ik dacht aan de kookprogramma’s waar we naar gekeken hadden, de jaren voor de kinderen er waren. En alle kritiek die we riepen, als voetbalfans bij voetbal op tv. Ik had nog kunnen wisselen, maar ik zweeg en nam een slok van wat voor me stond, om de krop in mijn keel door te spoelen, samen met alle mogelijke scenario's.  Ik heb vandaag heel de stad gezien, als was het onze tijd samen. Ik heb de eerste stenen gezien en ik heb lichten zien aan- en uitgaan tegen de avond. Opweg naar huis kreeg ik zin om van ons huis een paradijs te maken en ik maakte plannen voor morgen.   

Fanny Wildemeersch
76 2