Zoeken

Neen, die augurk is geen implantaat

  Ik passeer daar sowieso regelmatig. Rouwcentrum 'Het Nieuw Begin' is op de hoek van de Martelaerenlaan met de Steenweg op Vloethem. Als ik richting Alfreds frituur trek, dan sla ik daar rechtsaf. Moet ik naar de cursus Nederlands, dan is het gewoon rechtdoor en kom je vanzelf aan dat kleine gesticht met zijn dubbele medeklinkers en summiere herinneringen aan naamvallen zoals die in degelijke talen gebruikt worden. Het is belangrijk dat we samen de tekst doornemen. Begrafenisondernemer Meneer Meeganck ziet graag doodzantjes zonder taalfouten. Met die opdracht ben ik hier: de opmaak van zo’n kaartje, met meestal op de voorkant een foto van de overledene. Op de achterzijde boven in het midden een kruisje. Daaronder de naam van de dode. Nog wat lager een opsomming van noemenswaardige lidmaatschappen van verenigingen. Dan worden nog de geboorte- en sterfdatum vermeld, ook de plaats van die geboorte, de plek van heengaan, alsook de plaats en het tijdstip van de eredienst. Doorgaans wordt dat afgesloten met een gedicht als er nog plaats overblijft. Desnoods iets van Toon Hermans. Een flard uit het Testament kiest men niet zo vaak meer. Namen van echtgenotes, minnaresen en kinderen worden op zo'n doodsprentje van een vader doorgaans niet vermeld. Nu goed, gelukkig heeft hij niet veel kinderen verwerkt, zou hier een randopmerking kunnen zijn. Laten we misschien toch iets korts daaronder zetten, zegt Meneer Meeganck. Heeft U een voorkeur? "Ja, zet maar: Ouders zijn in de eerste plaats wezens die trauma’s veroorzaken en daarvoor nooit gestrafd worden." Is dat niet te algemeen? Ouders in het meervoud? Dat vraagt hij, terwijl zijn stem me zalft met gelatenheid. "Neen. Zo is het perfect. Meestal is de ene dader en de ander pleegt schuldig verzuim." Oké dan, en heeft U een fotootje meegebracht? "Het memorykaartje is helaas een implantaat dat zich niet in verbinding kan stellen met externe toestellen." Dat zeg ik natuurlijk niet en schudt gewoon ontkennend het hoofd. Dan zet ik daar gewoon een boom zonder bladeren. "Uitstekend! Doe maar een pijnboom. Die pitten zijn trouwens niet zo goedkoop. Dat voegt op die manier wat waarde toe aan het geheel." Opnieuw een zin die ik niet uitspreek ik knik gewoon om in te stemmen. Dat ging dus best vlot. De buitenlucht wordt snel weer ook van mij. De plaats, de datum van die eredienst vergeet ik al na enkel stappen en een trein raast voorbij. Links van me gebeurt dat, bovenop een berm. Opschrijven zal ik ze straks wel, die enkele zinnetjes. In Alfreds frietkot hangt sinds kort een ideeënbus. Het doel ervan is duister, want aan het concept van zijn etablissement moet en zal niets veranderd worden. Het menu is er rustgevend goed en ik houd gewoon van de onschuld die daar leeft. De augurken in hun pot verdragen het zuur door de toevoeging van wat suiker bij het inleggen en de stoverijsaus is donker genoeg.     uit de reeks 'Alfred frietkabouter'

Bernd Vanderbilt
14 1

De leeuw

Verdrietig tuurt de oude man over de brede, droge rivierbedding. De barsten in de bruine kleigrond op de bodem kijken hem spottend aan. De bruisende havenstad, die ooit het leven in de delta bepaalde, was met het water mee verdampt. Een groen bemost, verrot staketsel probeert wanhopig rechtop te blijven staan, als een trotse overblijver van de verloren stad. Weemoedig denkt de man aan de schepen die er aanmeerden, stuk voor stuk volgeladen met mysterieuze specerijen en fantastische wezens die tot dan toe enkel in verhalen bestonden. Plots spat een druppel uit elkaar, midden op de hand van de man. Hij schrikt, want hoe verdrietig hij ook is, huilen doet hij niet. Hij kijkt op en ziet een leeuw die ongemerkt naast hem is komen zitten. De leeuw legt een zware poot op zijn arm. Hij voelt de verrassend zachte vacht over zijn huid strelen. Het grote beest huilt. Dikke tranen rollen over zijn snuit.  Medelijden overspoelt de man. Hij begrijpt perfect hoe de leeuw zich voelt. Liefdevol streelt hij de fluwelen poot van het gevoelige dier. ‘Niets is voor altijd,’ zegt hij troostend.  De leeuw kijkt hem aan en legt zijn enorme kop voorzichtig op zijn schouder. ‘Nee,’ antwoordt hij, ‘soms is even al genoeg.’ De man legt zijn hoofd te rusten in de lange, rode manen van de leeuw. Zo blijven ze zitten. Vele eeuwen lang, tot ze verharden tot een massief, albasten beeld dat honderden jaren later door een projectontwikkelaar gevonden wordt. Samen, voor altijd.   Geschreven tijdens een bezoek aan de tentoonstelling "Albast" in museum M te Leuven bij het beeldje "Heilige Hiëronymus en de leeuw uit 1495 Meer lezen? Welkom op INSTAGRAM

Amanda Bos
55 3

Ulciscor (ALLEE IDEE! #2)

De ijzeren ketens wegen zwaar rond mijn polsen maar geven me een zeker gevoel. Want ik ben straks niet de persoon die ze zal dragen.Voor me ijsbeert Inaya heen en weer door de kerker. Met haar vingers trekt ze het bovenste laagje vel van haar lippen tot ze bloeden. In een hoek van de kerker zit Arihn gebogen over de Grimoire. Hun ogen zijn rood en er onder lopen donkere wallen. Toch staart die met een enthousiaste fascinatie naar de pagina’s die hen slapeloze nachten hebben bezorgd. Ik weeg af wie ik beter niet zou onderbreken. Ik neem een diepe hap adem. ‘Inaya…’‘Wat als ze je ontdekken!’ barst ze uit.Mijn ogen sperren zich kort voor ik me herpak. ‘Dat gaat niet gebeuren.’Arihn kijkt geen seconde op van hun boek. ‘Zeg nooit "nooit".’Ik werp een moordende blik naar de Heksenmeester die het nooit zal niet. ‘Dat gebeurt niet.’Inaya stopt abrupt met ijsberen en kijkt me met krankzinnige ogen aan. ‘Maar wat als…’‘Dan hebben jullie Eadwyn. Dat is het plan.’ Mijn polsen zitten al vast in de ketens en weerhouden me van haar te knuffelen en haar gerust te stellen. Ze draaft naar me toe en laat zich op haar knieën voor me vallen. ‘En jij dan?’ Haar groene ogen boren in de mijne. Ze doen me denken aan onze Velden voor ze in rook en assen opgingen.Mijn ogen beginnen te prikken bij de herinnering dus ik wend mijn blik naar een donkere hoek in de cel. ‘Eadwyn is ons doel. Ik red me wel.’Met een luide klap sluit Arihn de Grimoire en springt die van het strobed. ‘Kyra geeft enkel om wraak, zus.’ Arihn kijkt op me neer met een blik die zowel teleurstelling als begrip spreekt. ‘Zelfs als ze haar eigen ermee in gevaar brengt.’Uit mijn ooghoek zie ik tranen opwellen in Inaya’s ogen. We hebben deze discussie al gehad en mijn besluit staat vast. Maar het vreselijke gevoel in mijn borst ebt niet weg wetende dat ik haar hier pijn mee doe. Woorden zullen haar niet meer geruststellen dus richt ik me naar de Heksenmeester.‘Als er iets met mij gebeurt…’Inaya slaat een paniekerige kreet.‘ALS…’ benadruk ik met meer kracht in mijn stem. ‘Breekt het de spreuk?’Arihn schudt hun hoofd. ‘De enige manier om terug te wisselen is als Eadwyn en jij in contact komen met elkaar en jullie beide instemmen. Dus als één van jullie sterft…’Ik voel Inaya naast me verstarren maar ze protesteert niet meer.‘Dan blijft de ander voor eeuwig vast in het lichaam.’Dat is het plan. Ik knik naar Arihn. Het is tijd. Eadwyn zal boeten voor haar daden. Voor alle mensen die door haar beleid zijn gestorven, alle levens die zij bereid was om op te offeren zonder zelf nog maar een hand op te steken. In een ogenblik zal de Hogepriesteres van Efrea alles verliezen haar onderdanen, haar bondgenoten en het belangrijkste van al: haar magie. Eadwyn’s heerschappij zal eindigen.Zonder er nog een woord aan vuil te maken bukt Arihn zich neer en begint de magische symbolen op de vloer te tekenen. Het schrapen van krijt op steen vult de ruimte. Ik wissel een blik met Inaya.‘Ik weet dat je niet naar me gaat luisteren maar wees voorzichtig, alsjeblieft.'Haar warme hand glijdt in de mijne. Ik geef een geruststellend kneepje. Het is niet zozeer een belofte maar dankbaarheid. ‘Ik ben hier dankzij jullie, nu ga ik het recht zetten.’Arihn mompelt iets onverstaanbaars vanop de grond en klopt het krijt van hun handen. ‘We zouden niet in de deze situatie zitten als Eadwyn ons niet had verraden.’Ik bal mijn vuisten en voel een ader op mijn voorhoofd bonzen. Eadwyn’s machtslust en zoektocht naar magie was groter dan haar loyaliteit aan haar vrienden. Dus wanneer wij ervoor zorgden dat de troon van Hogepriesteres leeg kwam te staan vulde ze die plek maar al te graag op. We hadden het kwaad kunnen verslaan als zij niet voor de verkeerde kant had gekozen. Een zware druk beklemt mijn borstkas. Ik mis Isidore. Kon ze me nu maar zien, ik zal haar trots maken.Ik knijp harder in Inaya’s hand en zet al mijn opgeborrelde woede over in mijn stem. ‘Laat haar ervoor boeten.’Inaya is te onschuldig voor wat ik vraag maar ik weet dat zij ook dierbaren heeft verloren. Eadwyn zal niet hartelijk ontvangen worden. En er is nog altijd Arihn, lieve geschifte Arihn. Ik heb bijna spijt dat ik er niet bij zal zijn.Inaya en Arihn slenteren buiten de cirkel krijt. De Heksenmeester kerft gloeiende symbolen in de lucht terwijl die een rij oeroude spreuken herhaalt uit de Draconische taal. Inaya houdt mijn blik vast tot de laatste seconde.Arihn spreekt de laatste woorden uit en ik voel een wervelwind waaien rond mijn lichaam. Een grote kracht trekt aan mijn geest en lijkt het uit mijn lichaam te willen scheuren. Ik wil schreeuwen maar mijn stembanden weigeren het bevel. Mijn lichaam verweerd me en gooit me in het diepe duister. Zal ik nog Kyra zijn hierna?Mijn zicht vervaagt en het begint de vriezen in de kerker. Arihn’s stem bereikt me door de donkere wolken rond me als een echo.’Doe niets achterlijks, Kyra de ongelooflijke!’Voor even is alles stil. Inaya’s gesnik en Arihn’s gemompel is niets meer dan gefluister.Dan komt alles in één knal: het gelach van feestvierders, gejuich en gejoel, muziek en geklingel. Wanneer ik mijn ogen open knijp ik ze al snel terug dicht om het felle licht van de feestzaal te verweren. In de troonzaal hangen allerlei decoraties, sommige zelfs historische artefacten, gestolen veronderstel ik. Slingers met lampjes, kandelaars en kroonluchters zetten de kamer in vuur en vlam. Eadwyn draagt een weelderig donkergroen gewaad. Haar hakken boren in haar of nu mijn enkels. Mijn linkerhand klemt om iets, een zwaard besef ik. Ik staar naar het publiek om me heen. Ze grinniken en fluisteren mooie woorden over me, over haar. De Hogepriesteres kijkt met prachtige blauwe ogen naar hen terug. Sommigen blozen zelfs. Mijn blik glijdt over de kamer tot het valt op de persoon gebukt voor me.De man kucht om mijn aandacht weer op te wekken en ik vang de blik op van de man die me mijn verloofde heeft afgenomen.Heer Maddox knielt voor me, zijn rechterhand op zijn borst. Om zijn torso hangt een paarse sjaal met het teken van de Ridders. De achterbakse slang!Ik kijk nog een laatste keer door de zaal om de situatie te vergaren en mijn bloed begint te koken. Maddox wordt vandaag geridderd door Eadwyn.Isidore’s bloed is aan zijn handen en Eadwyn zou hem daarvoor belonen.‘Uwe Altesse?’Ik houd een stalen gezicht en kijk neer op de moordenaar van mijn zielsverwant. Mijn grip op het heft verstrakt.Zijn ogen vangen de beweging op en hij kijkt naar me op met iets dat lijkt op herkenning of verwarring.Mijn stem is de hare wanneer ik spreek en het volume vult heel de zaal. ‘Wat een eervolle man.’Maddox blijft trots zitten. Niemand in deze ruimte heeft me door.‘Dit heb je meer dan verdiend, oude vriend.’Vreugde vult me en ik beeld me Eadwyn in: verslagen en in ketens. Wraak proefde nog nooit zo zoet.Ik hef het zwaard op en hak.

Val Reijden
0 0

De Strijkster

- Schilder jij ook? Ze had de vraag wel gehoord, ergens ver weg, galmend in de stille ruimte van het museum en van haar hoofd. Toch keek ze niet opzij. Ze kon niet opzij kijken. Ze moest haar ogen in het schilderij blijven boren, ze moest blijven zoeken naar wat het nu precies was wat er voor gezorgd had dat ze hier al twintig minuten naar De Strijkster van Rik Wouters stond te staren. Ze zag er gelukkig uit, die strijkster. Gelukzalig. Was het omdat Lente zich zelf absoluut niet gelukzalig voelde dat ze hierdoor zo werd aangetrokken? Waarom hadden de overdonderende Rubensen van een verdieping lager dit niet voor elkaar gekregen? Die enorme meesterwerken, waar zitbankjes voor geplaatst waren zodat bezoekers die elk detail in zich willen opnemen zich niet hoeven te vermoeien. De Aanbidding door de koningen. En zij stond hier een strijkster te aanbidden.  - Hmm hmm. Dus euh schilder jij ook? - Oh.  Nu kon ze niet meer anders dan even haar ogen van het doek te halen om de jongeman aan te kijken die blijkbaar echt met haar in gesprek wilde gaan. Waarom eigenlijk? Waarom zou deze jongen nu met haar willen praten? Ze zag er zo doodgewoon uit dat ze het zelf saai vond. De pastelblauwe linnen jurk die ze droeg, had ze ooit eens van een buurvrouw gekregen, die er na haar zwangerschap niet meer in paste maar het zonde vond om de jurk weg te gooien. Haar bruine, lederen schoudertas had betere tijden gekend. In Italië, waar hij gemaakt was, was het wellicht fijner geweest dan aan haar schouder, dacht ze. Eigenlijk was het voor de tas bergaf beginnen te gaan vanaf het moment dat haar moeder in de kleine pelleteria in Siena besloot om hem voor Lente te kopen.  - Nou, ik heb afgelopen winter een doos aquarelverf gekocht, zei ze aarzelend en met haar blik op een punt ergens achter de jongen gericht. - Ik wist het. - Wat wist je? - Ik wist dat je zelf ook schilderde. Daarom sta je hier zo te kijken, toch? Ik bedoel, Rik Wouters is geen Rubens. Voor een Rubens ga je niet eindeloos blijven staan kijken. Ik toch niet. Dat kan ik toch nooit. Maar zo’n Wouters. Ik bedoel, hoe moeilijk kan dit nou zijn? - Volgens mij lijkt dat alleen maar zo. Dat het niet moeilijk is, antwoordde ze lichtjes geërgerd.  Ze trok de schouderriem van haar tas wat beter over haar schouder en keek op haar museumplattegrond.  - Ik wilde eigenlijk net in de Rubenszaal gaan kijken.  Rustig wandelde ze weg van de jongen, die met een grijns een blik op de strijkster wierp, en achter Lente aan liep naar de trap. 

Cornelia Roka
14 1

ANTWERPEN DE JAREN 90tig samen met ANN, SISSSSEEEENN, THEO en de corrupte en racistische politie onder de burgemeester Bob Cools. a

Wil je met mij een galerie opstarten?Ik had al veel voorstellen gehoord aan vele tafels met veel pinten, maar deze man was iemand die zijn ideeën meestal ook realiseerde. Op dat ogenblik was hij nog mede-eigenaar van het exclusiefste hotel van de Lage Landen, HOTEL ROSIER, dat de wereld als dorp onder zijn dak had geïnstalleerd. Meer bepaald de wereld van gekroonde en ongekroonde hoofden: van Betty Ford en de Ford-dynastie (nazaten van Henry Ford van de Motor Company) tot de familie Mars en de toenmalige prins en huidige koning Filip.Ook uit de culturele wereld waren de bezoekers immens: Marlene Dietrich... Michael Jackson is er echter niet geweest, simpelweg omdat hij eiste dat de ingang van het hotel verbouwd zou worden zodat hij met zijn limo het hotel kon binnenrijden. Dat vonden de eigenaars van het hotel er wat over. Toen de man de vraag stelde, had hij de avond tevoren nog samen met Sting een gedicht geschreven. Het voorstel kwam zeer gelegen.Het enige dat mij weerhield: ik wist dat samenwerken met die man zou betekenen dat hij alles zelf zou willen organiseren. Mijn bijdrage zou zich beperken tot het ophangen van kadertjes en het sleuren met wijn voor de recepties.Dan was een ander voorstel mij meer genegen.Sissen had mij een voorstel gedaan: ik zou zijn café drie dagen per week mogen beheren. Het was een zaak in een van de belangrijkste uitgaansbuurten van Antwerpen. Bij navraag naar de eventuele winsten begreep ik de mogelijkheden. Ik kreeg een derde van de omzet, maar alleen als die meer dan tienduizend bedroeg. In de buurt werden omzetten van zeventigduizend gehaald. Reken zelf maar uit: 70.000 gedeeld door 3 is ruim 23.000, maal 4 weken is 92.000. Als ik iedere week één dag meer haalde dan de helft, had ik al het driedubbele van mijn uitkering. Dat voorstel sprak me meer aan.Sissen had slechte huurders gehad. Niet alleen hadden ze al maanden geen huur betaald en waren ze met de noorderzon verdwenen, ze hadden ook een mesthoop achtergelaten. Het plan was dat ik gedurende een week – wat al snel drie weken werd – het café zou helpen schoonmaken. Daarna zou ik een week meedraaien. Vanaf dan mocht ik de zondag, maandag en dinsdag organiseren. De dinsdag viel er al snel af...Op zondag hield ik ’s morgens een brunch en ’s avonds een Afrikaanse avond. Het idee was om een plaats te creëren waar de Afrikanen zich thuis voelden, waar de voertaal Afrikaans was en waar niet-Afrikanen zeer welkom waren als gast van een Afrikaanse familie. Het moest geen café zijn waar de klanten zich thuis voelden omdat een Afrikaan een Belgisch café beheerde; ik wilde een plek die de illusie gaf in Afrika te zijn. Met een fantastische diskjockey en andere attributen ben ik daar een paar weken in geslaagd. Voor de maandag had ik een homoavond gepland, inclusief een stripact. Iedere week kwam er meer volk.Totdat de eigenaar opeens zijn café terugvorderde. Hij gooide mij buiten met de woorden dat hij "geen jeanetten" moest hebben. Er was voor hem een belangrijke voetbalmatch: Marokko - België. Hij riep: "’t Is nog altijd mijn café!" En wat erger was: de laatste weken dat ik het café runde, was ik net niet aan die tienduizend geraakt. Negenduizend negenhonderdtachtig was de laatste omzet.Ik had dus geen inkomen tijdens die weken en mijn uitkering had ik stopgezet. Ik had er stiekem van gedroomd het maximum te halen; dan zou ik 30.000 oude Belgische franken per maand verdienen. Dat wilde ik niet op het spel zetten voor een illegale uitkering. Ik had mijn uitkering netjes stopgezet en was zelfstandige geworden. Dus: geen geld, geen eten. De gaarkeukens had ik toen nog niet ontdekt.Het ergste was dat ik die klootzak een paar jaar eerder zijn eerste werk in mijn café had bezorgd. Destijds was hij er op een dag met de inkomsten van een hele week vandoor gegaan, naar Griekenland. Hij was opeens verdwenen met de broodnodige inkomsten van mijn café C. Twee weken later had hij nog het lef om mij vanuit Griekenland op te bellen omdat zijn geld op was. Ik ben er niet achteraan gegaan; mijn geld was immers ook op. Ik heb het nooit teruggezien. Zijn vader kwam er toen aan te pas: hij had de keuze tussen onterfd worden of paracommando worden. Tot op de dag van vandaag vertelt hij vol trots aan iedereen dat hij een homoseksueel heeft bestolen.Een maand later. De zon scheen; het was een zwoele zomeravond in de stad. Het was een fantastische dag geweest. Ik kwam van een receptie in café 't Been en liep via de Kammenstraat richting de Groenplaats. Een goede vriend, een gay queer, kruiste mijn pad. Mijn dag kon niet meer stuk.Ach, die Sissen, dacht ik, waarom ruzie blijven maken? Dus inviteerde ik mijn vriend(in) voor een drankje bij Sissen. Hij had immers gezegd: "Als iemand een queer meeneemt naar mijn café, krijgt die een fles champagne." Mijn vriend(in) vond het een schitterend idee en we trokken goedgezind in de richting van het café. Sissen was er niet, maar zijn broer wel. Nee, die wist niets van champagne. Tja. We scharrelden wat kleingeld bij elkaar en hadden genoeg voor twee Duveltjes."Ha nee," zei de broer."Wat?" zei ik.Om een of andere duistere reden kregen we niets. Waarom? Intussen bereikte mijn bloed het kookpunt. Ik nam een barkruk en mikte. Iedereen die dat café kent, weet dat er voor de spiegel op de glazen schappen een grote voorraad dure malt whisky stond, wel honderd flessen. Ik mikte midden in de malt. Het geluid van brekend glas vulde de ruimte.De broer ging daar duidelijk niet mee akkoord en begon me fysiek aan te vallen. Ik had veel moeite gedaan om zeker geen mens te raken, en die klootzak begon op mij te slaan. Het antimaterialistische discours dat hij op de meest ongepaste plaatsen afstak, bleek opeens niets meer waard. Gelukkig waren zijn linkse vriendjes niet aanwezig, want de mate van kleinburgerlijkheid die hij op dat moment tentoonspreidde, had hem zeker voor jaren een 'un-cool' stempel gegeven. Hij heeft het trouwens goed verborgen kunnen houden, want laatst zag ik hem nog sleuren met lampen tijdens de opnames van de film Blowing with the Wind van Barman. Ik was daar als figurant.Het einde was nog niet in zicht. Voor mij en mijn vriend(in) was het wel genoeg geweest. We verlieten de puinhoop en gingen aan de overkant iets drinken. Maar... het broertje dat altijd op de 'flikken' afgaf, had nu wel de politie gebeld. Daar stonden ze voor mijn neus. Ik mocht een nachtje in de cel gaan slapen. Het voorstel van de galeriehouder leek me opeens weer interessant.Totdat ik op bezoek ging bij een vriendin. Niet zo'n vriendin waar ik alles van wist, maar eerder een cafévriendin. Ik wist wel dat ze voor iets ernstigs was opgenomen in het ziekenhuis, maar uit ziekenhuizen komen mensen meestal genezen terug, dus betrad ik met een enorme levenshonger haar kamer. Ze groette me hartelijk en was blijkbaar erg blij met mijn bezoek. Prompt werd ik meegetroond naar de cafetaria, waar ik mijn verhaal over Sissen in geuren en kleuren moest vertellen. Ik vroeg of alles goed ging met haar. Ik moest de volgende dag zeker terugkomen.Toen ik haar de dag erna terugzag, had ze een plannetje: ze vroeg of ik samen met haar meubeltjes wilde maken, meer bepaald paravents. Ze vertelde me dat de kerst- en nieuwjaarsperiode een goede tijd zou kunnen zijn. We hadden nog een paar maanden om ons voor te bereiden. Ik vroeg haar een dag bedenktijd om samen te werken met haar, de koningin van de mode. Ik stemde toe.Ze zei dat ik een kamer kon krijgen in haar appartement als ik het schoonmaakte. Samen met dokter Maniewski, de dokter en geadopteerde zoon van Willem Elsschot, organiseerden we dat ze met mijn hulp binnenkort uit het ziekenhuis kon en weer zelfstandig kon leven. Het idee was dat ze alleen kon gaan wonen als ze iemand vond die een oogje in het zeil hield. Ik trok in haar woning en poetste op een bijna dwangmatige manier. Ik had een speciale vernis gebruikt om de tegeltjes in haar gang een Engelse uitstraling te geven en verder was iedere vierkante millimeter proper. De dag dat ze zou komen kijken was een maandag. Tijdens het weekend zou ik bij mijn familie verblijven. Maandag zou ze voor de eerste keer het gekuiste en geboende...  Een week lang lag ze in coma. Men vond haar plotseling, dwars over haar bed. Een aantal vriendinnen besloot bij haar te waken. Toen mij midden in de nacht werd gemeld dat ze overleden was, lag ik in haar bed in het atelier — de enige plek waar ik mijn kuiswoede niet mocht botvieren. Onder de kamer die ik in haar appartement betrok, woonde namelijk een reggaefreak die vooral ’s nachts keiharde muziek draaide. Mijn enige uitvlucht was haar bed, en daar lag ik toen het nieuws van haar dood me bereikte.Als een soort wraak waarschuwde ik de tv-zenders. Zij hadden nooit ruimte gehad voor haar creativiteit, maar hadden haar kort daarvoor plotseling ‘herontdekt’. Een belangstelling die haar goed deed, maar die veel te laat kwam. Het conservatieve Vlaanderen had zijn vernietigende werk al verricht.Toen ze een paar jaar eerder als in een middeleeuws drama op straat werd gezet met haar kinderen en haar man, ontbrak alleen de schandkar nog om haar door de stad te rijden. Een van de grootste Vlaamse creatieve genieën werd op de straatstenen gekeild. In de conservatieve salons zal de champagne wel rijkelijk gevloeid hebben. Nog enkele jaren dwaalde ze door haar stad. Op een dag raapte ik haar letterlijk op uit de goot. Als een gekwetst vogeltje moest ik haar naar haar kamer ondersteunen, naar een vieze, oude matras.En toen stierf ze.Ik lag in haar bed en ik moest verhuizen. Ik moest haar laatste wil eerbiedigen. Ik moest haar dood melden aan de kant van de familie die gebroken had met haar man en kinderen. Daarna volgde de begrafenis. Twee drankjes. Ik meed ze: de familie, de vrienden. Ik stond weer op straat.Toen was de man er weer, met zijn inmiddels opgerichte galerie, samen met onder anderen de kleindochter van Willem Elsschot (Alfons De Ridder). De jaren daarna heb ik kadertjes opgehangen en met goedkope wijn gesleept voor de recepties.Op een dag kwam ik behoorlijk aangeschoten en in driedelig pak terug van een receptie in de galerie. De Antwerpse culturele fine fleur was aanwezig geweest. Het was middag toen ik de Groenplaats op liep. Kunt u het zich voorstellen? Als in een arena zat de Antwerpse kleinburgerlijkheid uit te kijken op het standbeeld van Rubens en alles wat zich daar omheen afspeelde. Daar verscheen ik: ladderzat en in driedelig pak. Op datzelfde plein woonde een van mijn beste vrienden uit die tijd, een punker in vol ornaat.We begonnen met elkaar te dollen, iets wat de 'inboorlingen' niet kenden. Een golf van afschuw trok door de kleinburgerlijke massa. Ik was me daar totaal niet van bewust. Wat ik wel zag, was dat de Groenplaats plotseling werd overspoeld door een enorme macht aan politieagenten.Een van de genieën van de Antwerpse kleinburgers had waarschijnlijk de politie gebeld. In de ogen van die blijkbaar blinde massa werd een van de hunnen aangevallen — iemand in een driedelig pak. Ik dus. Ze waren uitgerukt in gevechtskledij. Een vreedzaam tafereeltje werd plotseling uit elkaar geknuppeld. Ik bleef ongedeerd, maar een man — bijna nog een kind — met een ebbenhouten huidskleur werd door twee agenten afgetuigd.Toen ik, geschrokken maar nog steeds stomdronken, wilde tussenbeide komen, werd ik met een zwaai in een politiewagen gegooid. Pas bij het uitstappen op de politieparking zag ik wie ze werkelijk hadden afgeranseld. Met zijn handen en voeten in de boeien moest hij uit de combi springen. Meer zag ik niet; ik werd in een cel gegooid en achtergelaten om mijn roes uit te slapen. Toen ik enkele uren later hard op de celdeur bonsde en om water vroeg, kwamen drie 'dappere' agenten me nog even in elkaar slaan.De volgende dag werd ik vrijgelaten. Lambermontplaats Ap'en 2004 De krant De Morgen berichtte een tijd later over het voorval op deGroenplaats. Let op amokmakers ! Agent vrijuit na valse bekentenis Een Antwerpse rechter heeft een politieagent vrijgesproken die bekende een allochtoon te hebben neergeslagen. De man bleek het te hebben opgenomen voor de werkelijke dader een jongere collega. Die kon echter niet worden veroordeeld omdat hij niet was gedagvaard.Zodoende ging iedereen vrijuit en onttrokken de agenten zich aan het gerecht door een valse bekentenis af te leggen.Toch zal het misschien nog anders aflopen. De feiten : Op 6 juni 1997 mengde een allochtoon zich in een arrestatie van amokmakers op de Groenplaats door twee agenten. Die waren daar niet mee gediend. Een van hen sloeg de man neer met een matrak. Het slachtoffer werd met inwendige bloedingen naar het ziekenhuis gebracht. De man diende nadien klacht in bij het Comité P.Tijdens de verhoren van de agenten bekende agent Julien S. te hebben gemept. Voor de rechtbank verklaarde S. Dat het zijn jongere collega was die de klappen uitdeelde en dat hij het voor hem had opgenomen.Desondanks bleef S. zijn collega tot de laatste snik verdedigen."Hij heeft niet echt geslagen, enkel in de lucht gemept".  De rechtbank kon gezien de gevolgen bij het slachtoffer de uitleg maar matig appreciëren Toch volgde rechter G.D.P. de visie van openbaar aanklager E.C.Die had bij de behandeling van de zaak geen straf gevorderd en alleen gevraagd "naar wijsheid" te oordelen. De collega-agent voor wie S. het opnam, werd niet vervolgd en kon gisteren bijgevolg niet worden veroordeeld. Logisch, volgens strafrechtgeleerde K.V. :"De rechter kan zich niet uitspreken over personen die niet zijn gedagvaard". Dat laatste kan volgens haar alsnog gebeuren "door het slachtoffer". Dat moet gebeuren voor het verstrijken van de verjaringstermijn. Doordat de verjaring is gestuit door dit vonnis, hebben parket en slachtoffer nog drie jaar de tijd om de echte agent-dader voor de rechter te slepen (CN)   DE toenmalige burgemeester   Bob Cools stelde voor om de nieuwelingen onder te brengen in getto’s. De super socialist Bob Cools stuurde de rijkswacht en politie af op zijn linkse politieke tegenstanders. Bij radio centraal  een vreedzame alternatieve radiozender kunnen ze er van meespreken. https://m.facebook.com/destudio.kunstenhuis/videos/843453809796998/ De super socialist louis tobback deed dat ook hij noemde hen subversief. Foto gallery VERF ED https://www.2dehands.be/q/verf+ed+/  

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser. BIO.
115 0

Rap vrijdag

  Marcel De Vuyst dooft zijn sigaret, duwt het klepje van de asbak dicht en blaast de sliertjes rook uiteen voor hij uitstapt. Nancy krijgt haar gordel niet los, haar vader tikt op de ruit. Zijn rechterhand maakt draaibewegingen als de hand van haar moeder die eieren klutste.  Ze duwt haar twee duimen tegen het rode rotknopje tot de gordel loslaat en stapt de late zomerhitte in die tussen de gevels van de Zuidstraat hangt. In de Grand Bazar tegenover de school floepen enkele neonlichten aan en uit. Drie jongens zitten voor de ingang op de zadels van hun brommers, een cassettespeler tussen hen in. Words don’t come easy to me.  Nancy steekt haar handen diep in de zakken van haar jeans, voelt het kroonkurkje dat er al enkele dagen zit. Ze kijkt omhoog naar de immense schoolgevel. Scant de ramen op de zesde verdieping waar gordijnen hangen en hier een daar iets op een vensterbank staat. De gevel lijkt een reuzenkast, de ramen lijken schuiven zoals de kast bij apotheker Verbiest. In een van de bovenste schuiven zal ze zes jaar leven.  ‘Ze staan precies op ons te wachten. We zijn laat. Kom dan!’ Ze telt tot vier, slikt het zuur in haar keel weg en onderdrukt de neiging om haar vaders hand te pakken. How can I find a way to make you see I love you, words don’t come easy.  Rond de perfect en de opvoeder staan zeven andere kinderen en ouderparen bij het standbeeld van de stichter van de school, vlakbij de schoolpoort. De perfect drukt Marcel de hand. Nancy krijgt een schouderklopje. ‘Aha, daar zijn de laatsten, maar de laatsten zullen misschien de eersten zijn op het eind van het schooljaar. Ben je er klaar voor meisje?’   ‘Ja meneer, ik denk het wel.’  Ze haalt de handen uit haar broekzakken en houdt haar armen stijf tegen haar bovenbenen als een gesloten kurkentrekker.  ‘Mooi zo! Ik heb mijn woordje al gedaan. We moeten de speelplaats over. Ik praat u zo meteen bij, Mijnheer De Vuyst. Meneer Hostekint zal jullie naar de kamers brengen.’ ‘Hartelijk dank en excuses. De auto startte niet. Hij staat de hele week stil, ik ben op de baan. Excuseert u mij.’ De speelplaats is een lege vlakte vol asgrijze tegels als dode roggen. Geen afdak waar de fietsen van de leraren aan haken hangen en waartussen Nancy zich schuilhield bij verstoppertje. Geen hinkelspelen en lang uitgerekt genummerde rupsen geschilderd. Geen voetbalveldje waar ze eind juni nog met haar klas het trefbaltornooi tegen 6B had gewonnen en als kapitein Francis Delbeke eruit had gemept.  ‘Dit is jullie studiezaal. Na de laatste les hebben jullie een half uur pauze en dan wordt er hier elke avond van 16.30u tot 18.30u gestudeerd. Na de studie wordt er warm gegeten en is er na inspanning, ontspanning en recreatie.’ Nancy lipt de woorden. Ontspanning. Recreatie. Het klinkt bijna zo fijn als Pim-Pam-Pet of pap met bruine kinnekessuiker aan de ronde witte keukentafel met mama. ‘En nu moeten we enkele verdiepingen klimmen, maar dat zal wel geen probleem zijn met jullie jonge beentjes.’ De perfect knipoogt naar een van de moeders die terug lacht. ‘Meneer Hostekint zal jullie meenemen mee naar boven. Ik zie jullie straks dan.’ Tweeëntachtig. Drieëntachtig. Vierentachtig treden heeft Nancy geteld tot aan het slaapblok op de zesde verdieping. De deuren staan open. Een voor een als in een trage choreografie verdwijnt een drietal in een kamer. Nancy heeft de laatste kamer van een doodlopend stuk gang tegen de straatkant. Ze blijft in de deuropening staan. Op de deur kleeft een etiketje met haar naam erop. Eronder de lijmresten van een afgetrokken sticker. Haar vader legt zijn handen op haar schouders en duwt haar zachtjes de kamer in.  ‘Ga maar, dat ziet er hier in orde uit.’ ‘Ik laat jullie even de tijd om uit te pakken,” roept de opvoeder vanuit de gang. Ik zie jullie binnen een half uurtje graag terug op de speelplaats bij de ingang waar de perfect ons opwacht.”  ‘Ge gaat hier goed zitten. Ze gaan hier goed voor u zorgen. En voor dat ge ’t weet is ’t vrijdag en ben ik ook weer thuis. Ge zult het zien. Kom, pakt uw kleren maar uit.’ ‘Ik doe het liever straks, dan kan ik het op mijn gemak doen.’ ‘Installeert u dan straks maar.’ Ze staan bij het bed en de ongeopende koffer erop als rond de kist van haar moeder een jaar eerder. ‘Het zal rap vrijdag zijn. Ik denk dat er nog volk toekomt.’ Op de speelplaats klinken stemmen van oudere internen. ‘Laat ons dan maar weer naar beneden gaan, dan zijn we op tijd bij de perfect, dan hebt ge al goeie punten.’ Hij knipoogt, duwt haar weer zacht de kamer uit, legt zijn handen op haar schouders en kust haar op het hoofd. Nancy ruikt zijn tabaksadem, voelt de lippen van haar vader op haar kruin en legt haar handen op de zijne.  ‘Het zal u wel lukken. Gij kunt dat.’ ‘Ik kan dat,’ denkt Nancy ook al weet ze niet meteen wat ze zal kunnen. Ze lopen de trappen af, hun stappen klinken hol in de lege gang. De perfect geeft wat laatste instructies en neemt afscheid van de ouders. ‘Ik ga dan vertrekken. Ik moet Jan nog wegbrengen. Het zal rap vrijdag zijn meideke.’ ‘Ik ga dan eerst uitpakken. Vertrek maar papa.’ Nancy bijt op de binnenkant van haar kaken. Ze beent de trappen op, blijft bij het raam op de eerste verdieping staan en ziet haar vader de speelplaats oversteken. Ze ademt op haar pols en ruikt eraan. Duwt haar voorhoofd tegen het glas. ‘Kijk nog eens om papa,’ fluistert ze.

Christophe Vansteeland
1 1

Zo hoog dat ik bijna de eeuwigheid zie ...

Wie mij (nog) niet kent, heeft ongelijk. Soms verdwijn ik in de witte wolken van azuurblauwe luchten, alleen zichtbaar voor schilders en dichters. Als de zonnegod  stranden overgiet met zijn stralen zie je mijn schaduw glijden over het blanke zand. Wanneer zijn lege pagina hunkert naar woorden, verhaalt de schrijver mijn vlucht naar kusten in verre landen. Het instinct van dieren gebiedt hen elkaar weleens te verscheuren. De mens heeft nooit een goed te praten reden om een ander te beroven van het leven. Ik zie de lelijkheid van die stervelingen onder mij. Oorlogen zijn hen niet vreemd. Ook hun schoonheid merk ik, wanneer ze na het zoveelste strijdgewoel zingen over mijn vriend, de zwaluw, die weer over de witte kliffen scheert. Helaas, ook ik ben niet steeds attent. Vooral in groep durf ik met mijn soortgenoten de hooligan uithangen, naar het beeld en gelijkenis van wat wij geregeld  bij de mens bemerken. Dan pesten wij de zonnekloppers op het strand of pikken wij in de zakken vuilnis die in de straten staan. Een ingebouwde aandrift drijft ons tot die wandaden, waar wij niet fier op zijn. Weet dat ik zoveel liever de gevleugelde boodschapper ben van dromen. Je kan eenzaam zijn in jouw fantasie net zoals ik eenzaam kan zijn in de weidse hemel. Hierboven besef je wat er beneden fout loopt. Kijk daarom naar mij als al jouw hoop is gevaren. Ik zal voor jou net zo hoog vliegen dat je de wereld van op afstand bekijkt en je vrede kan nemen met al het moois dat er nog te zien en te beleven valt. Vlieg met mij mee en droom met mij. Ik ben Jonathan Livingston, de zeemeeuw die ooit  op onnavolgbare wijze beschreven, verfilmd en bezongen werd.    (Jonathan Livingston Seagull - Neil Diamond - Be - Bing video https://www.bing.com/videos/search?q=jonathan+liv…)

Vic de Bourg
20 2

Gezegde-nijd

Ik lijd tegenwoordig aan gezegde-nijd. Pure nijd omwille van het feit dat ik de gezegdes niet zelf uitgevonden heb.  Dit resulteert dan in het niet beëindigen van de gezegdes op tijd ofte er ongebreideld een vervolg aan breien, waarmee ik onbewust insinueer dat ik betere gezegdes formuleer of beter, nog beter doordacht. Met andere woorden; Jaloezie tot op het bot! Zo was ik laatst zeer op dreef bij een eerste kennismaking van mijn potentiële schoonzoon. Geheid heb ik een niet aflatende indruk gemaakt met mijn kennis van gezegdes en spreuken die in het gehoor blijven hangen. Hij hing bij wijze van spreken aan mijn lippen. Bij dit gezegde uiteraard géén aanhangsels, want het zijn mijn lippen, waar ik geen afbreuk kan aan doen. Zoals ik reciteerde mét aanhangsels en vooral zonder onmededeelzaamheid; Blaffende honden bijten niet, maar ze kunnen wel meppen nadat ze uitgeraasd zijn, soms zelfs tijdens het razen. Bij nadere beschouwing is blaffen in wezen een bijtbeweging, maar dan zo snel dat de hond buiten adem raakt en daarbij blafgeluiden voortbrengt. In ieder geval is het aan te raden geen rendez-vous te plannen met een blaffende hond. Weten waar Abraham de mosterd haalt, maar niet weten of Jezus wel eens een broodje gesmeerd heeft en of hij daar in het geniep van hield en of ook hij wel eens liep te lummelen en de pummel uit hing puur uit verveling en ergernis aan zijn apostelen? Hij was een visionair timmermanszoon; Zag voor zich al wat hij zou kunnen verwezenlijken met CNC houtbewerkingsmachines en dergelijke. Het was kwestie van een katholieke maatschappij te stichten; de ideale basis voor kapitalistische maatschappij die zou uitmonden in een industriële revolutie enzovoorts, enzoverder...Nu moest hij het stellen met een stelletje prehistorische apostelen die visionair niet eens aan zijn voetzolen reikten... De appel valt niet ver van de boom, maar wat als de appel overrijp is en de splutters overrijpe appel in het rond vliegen? Krijgt de vader dan alles in het gezicht? De prut van zijn zoon? Moet de vader dan schoon zoon zeggen? Wat als de boom een pruimelaar is en de vrucht een overrijpe appel? Behoef ik dan enige vragen aan de vrouw of zij wederkerig aan mij? Wat als de appel een pruim wordt of de boom overrijp wordt en op de vrucht valt? Wat als ik een vrucht zondermeer een vrucht noem, zonder te verwijzen naar enige identiteit? Wat te denken als mijn vrouw haar notelaren boekenplank afstoft met suggestieve vegen en ik haar de veelbetekenende wenkbrauw geef? Vragen, vragen ook voor het nageslacht of bij deze; Behoeft dit geen zorgen in deze woke tijden? Of behoeft één en ander uit het literature-idioom geweerd, zoals het gezegde van de appel en het woord appel zelfs voor alle zekerheid? Appel kan met enig doorredeneren tot vele associaties leiden...

Manuel Van den Fonteyne
1 0

Brooddronken deel 2, hoofdstuk 1

1 Kerstmis is zo’n speciale dag, dat in de Eerste Wereldoorlog jongens, die geen reden hadden om elkaar naar het leven te staan maar elkaar toch lustig afslachtten, samen voetbalden in de loopgraven. In de Tweede Wereldoorlog, zo leert Wannes Van De Velde ons, werden er geen bommen uit de lucht gestrooid en waren de kanonnen met een kerstboom getooid. Dus mag de facteur ook eens een dagje vrij hebben. Eéntje maar, natuurlijk. De dag er op was het terug onder het juk. Normaal zou iedereen blij zijn met een dagje verlof, zelfs al was het er maar ééntje, zeker in de eindejaarperiode waar het leeuwendeel van de mensen sowieso toch al thuis zijn. Een facteur niet. Een facteur weet immers dat hij van alle ambtenaren er het meest bekaaid af komt. Als een trein niet rijdt, rijdt hij niet. Als het stadhuis dicht is, is het dicht. Maar als de postbode niet werkt, stapelt het werk zich op. Alsof er ergens in de posterijen slecht gesyndiceerde duivels blijven verder sorteren, omdat ze met Kerst geen vrijaf kregen, of omdat ze geen vrijaf willen met Kerst of om de facteurs te beduvelen, clue’s in the name. Geen mens die het weet. Maar toch is een dagje verlof altijd welgekomen, ook en zeker voor de postbode, dus gebeurt er die dag niet veel ten huize Sabbe. Billy is terug naar Gent gereden met de Lada en Célestine. De eerste moet hij nog terugbrengen, van de tweede is het niet zeker of ze ooit nog de Groeningekaai zal (willen) zien. Ook Jules zit terug mooi opgehokt in de Korenbloem, nadat hij een half verrassingsbrood in allerhande Tupperwarepotjes meegekregen heeft. Die stukjes met gehakt zou Reginald wel zelf oppeuzelen. Maar er gebeurt dus niet veel op Kerstmis in het leven van een postbode, dus gaan we verder op Tweede Kerstmis, 26 december. Dan is het wel aan de slag voor alle postbodes. Ze zouden misschien eens gewoon worden van twee dagen na elkaar thuis te zijn. Het is woensdag. Dat betekent traditiegetrouw dat de Knack mee is. Gelukkig voor de postbodes is het tussen Kerstmis en Nieuwjaar best wel oké wat de abonnementen betreft. Al iets meer in uniform, getooid in allerhande bijeen geschooide kledingstukken, komt Jimmy binnen in de postmannenzaal. Na zich door de wolken rook te hebben gewerkt en zijn werkpost te hebben teruggevonden, neemt hij een rode bak mee en licht hij zijn vakkasten. De man rechts van hem is nieuw. Hij was er niet op Kerstavond. Hij stelt zich voor als Marc Jolicoeur en steekt zijn hand uit. ‘Steekt uw pishandje maar weg,’ snauwt Reginald van achter de vakkasten. Hij houdt de boel nauwlettend in de gaten. ‘Of wel ja,’ gaat hij verder, ‘misschien past ge nog goed samen.’ Het daagt Jimmy al gauw dat Marc homoseksueel is, al kan hem dat niet veel schelen. ‘Steekt maar een assiette in uw broek,’ zegt Reginald, ‘of ge gaat straks niet goed op uw velo zitten.’ Marc lacht de opmerkingen weg, maar Jimmy bezit genoeg empathie – dat heeft hij van zijn moeder – om te beseffen dat dit glad ijs is, waarop een wespennest ligt waar hij zijn neus beter niet in steekt. Toch schudt Jimmy hem de hand. ‘Jimmy Sabbe. Zoon van,’ zegt hij. Hij heeft de vakkasten van de sortering geleegd en deze per soort gezet. De diepe rode postbakken dienen voor de grote stukken en de ondiepe rode bakken voor alles wat briefformaat is. Nu is het wachten op Bruno. Ondertussen eet Jimmy nog een stuk van het verrassingsbrood dat hij heeft kunnen verdonkeremanen. Het brood is in de derde dag van het bestaan ervan doordrenkt met de mayonaise waarmee deze belegd was. Jimmy trekt een zuur gezicht want het stuk verrassingsbrood ziet er beter uit dan het smaakt. ‘Eet anders een broodje als ge op ronde zijt,’ hoort Jimmy zeggen. Hij draait zich om en achter hem staat Bruno met een rode brievenbak vol met restproduct, dat zijn kleintjes en grote na elkaar, tegen zijn heup. ‘Hebt ge uw sorteerplan bekeken?’ vraagt Bruno. ‘Op een vrije dag? Krijg ik daar overuren voor?’ antwoordt Jimmy. ‘Ge zult me nog dankbaar zijn,’ zegt Bruno, ‘als ge op tijd buiten en weer binnen geraakt. Want dat zijn ook dagen zonder overuren. Ik heb nog gehoord van een kerel die daarvoor een model 9 kreeg, omdat hij, en ik citeer, “niettegenstaande de hulp die hij krijgt er niet in slaagt het kantoor tijdig te vervoegen”.’ ‘Dat meent ge niet,’ zegt Jimmy, ‘een model 9 omdat ge te traag zijt?’ ‘Toch wel. Dus bekijk dat sorteerplan maar eens. Hebt ge een blad papier?’ Jimmy haalt een blad papier uit de lade. ‘Goed,’ zegt Bruno, ‘leg uw brieven eens aan de kant. Ge moet denken dat dit hier uw tafelblad is.’ ‘Oké.’ ‘Goed, en dan maakt ge uw volgweg gelijk dat ge hem zoudt aflopen. Dus we beginnen in de Weversstraat, onpare kant. Dus legt ge alles wat Weversstraat onpare kant is, hier, in de linkeronderhoek van uw tafel. Daarboven legt ge alle pare nummers van de Weversstraat. En dan daarboven de Izegemstraat, die drie huizen aan de overkant. En ga zo maar door.’ ‘Oké. Ik versta het.’ ‘’t Is te hopen dat ge ’t verstaat, hé,’ zegt Bruno. Jimmy knikt en smijt zijn dienst verder uit. Bruno kijkt toe. ‘En wat hebt ge gedaan met Kerstavond?’ vraagt Bruno. ‘Gegeten. Gelijk alle Kerstavonden. Heeft pa u daar nog nooit van verteld? ’t Is pertank elk jaar hetzelfde. Fondue met verrassingsbrood en ijstaart, al zijn we niet aan de ijstaart geraakt dit jaar.’ ‘Hoedat niet?’ vraagt Bruno. ‘Wel ja, onze pa vond het nodig om het lief van Billy te schofferen.’ Bruno denkt na. ‘Billy, dat is dan uw broer die hier nog een paar weken heeft gewerkt?’ ‘Ja, en die dan hals over kop naar Gent is weggelopen om te gaan studeren.’ ‘Allez. En hoe heeft die dan zijn vriendin geschoffeerd?’ Jimmy legt het pakje brieven uit zijn handen op een uitschuifbare lade. ‘Célestine is een half-Afrikaanse of zoiets. Ik moet er geen tekeningske bij maken wellicht?’ vraagt hij. ‘Ja. Ja, neen, inderdaad, ik kan mij er al iets bij voorstellen. Nog ene die ge nooit meer gaat zien. En wat gaat ge doen met Oudjaar dan?’ vraagt Bruno. ‘Wat denkt ge? De olie zit nog in de fonduepot, die kappen dat niet weg, hoor. Dus ja, fondue met verrassingsbrood en ijstaart, denk ik, al denk ik niet dat Billy en Célestine er bij gaan zijn.’ ‘Allez gij, dat meent ge niet. Ge zijt hoe oud juist? Negentien of zo? Dan moet ge toch uitgaan met uw maten? Ge zijt maar ene keer jong, zulle.’ ‘Ik heb eigenlijk niet zoveel maten,’ zegt Jimmy, ‘dat kwam bij ons niet binnen. Ze zijn alle twee van het gedacht dat ge met maten niets zijt, tenzij ge graag messen in uw rug hebt.’ ‘Serieus?’ vraagt Bruno. ‘Ja,’ zegt Jimmy en hij neemt een nieuwe handgreep brieven uit de laatste bak. ‘Dan heb ik slecht nieuws voor u,’ zegt Bruno, ‘als ge geen maten hadt voor dat ge in De Post begon, gaat ge er nu ook geen meer bij krijgen, zulle. Ge zult geen sociaal leven hebben. Als uw leeftijdsgenoten feesten, kunt gij in de nachtsortering zitten. Ge hadt beter een andere stiel gekozen dan.’ Hij lacht. Van de andere kant van de sorteerkasten komt een brommend geluid dat de postmannen herkennen als een goed ingedronken Reginald Sabbe. ‘Moeit gij u maar in uw menage,’ zegt hij, ‘maakt uzelf ne kleinen en stookt die een beetje op. Maar ’t beste dat gij al gemaakt hebt is nen mongool. Ge kunt in elk geval niet zeggen dat het de uwe niet is, ook al is uw wijf de matras van de Damastweversstraat en omstreken.’ ‘Reginald, dat pakt ge terug,’ zegt Bruno. ‘Ik pak juist niets de kloten terug,’ antwoordt Reginald, ‘mijne pa heeft mij altijd gezegd dat ik niet mag liegen. En stop met de kop van Jimmy te vullen met onnozeliteiten. Werken moet ie. De tamzak.’ ‘Reginald, ik ga naar de chef hoor!’ dreigt Bruno. ‘Awel, ik ga mee gaan, moet ik uw handje vasthouden,’ antwoordt Reginald, ‘onnozelen puppebukker.’ ‘Pa, alstublieft hé zeg. Drinkt anders nog eens een pinte.’ Jimmy schrikt wanneer hij dit zegt. Aan de andere kant van de sorteerkast klinkt het geluid dat heel dicht bij een koebel ligt, van twee sorteerblokken die worden neergeplaatst. Reginald staat op van zijn werkpost en waggelt naar die van zijn zoon. ‘Gij moet uw muil houden, hebt ge dat goed verstaan? Of ge gaat tegen mijn vuist lopen. Ik ga u slaan tot ge rookt. Of ge doet mee met mij, of ge houdt uw trape, maar ’t is niet omdat ge hier op ’t werk zit, dat ge nu ommenekeer een felle muile moet opzetten, snotneuze!’ buldert hij terwijl hij zijn vinger ergens in de brede omgeving van zijn zoon wijst. Hij duwt zijn sigaret uit op Jimmy’s hemd. Daarna waggelt hij weer terug naar zijn werkpost en opent hij een nieuw flesje bier.

Miguel
10 0