Zoeken

Prachtige wallen (deel 3)

5 februari 2014 Magda nog steeds kwaad. Lukt me niet om het goed te maken. Hoe vaak ik ook sorry zeg. 'Je zegt wel dat het je spijt, maar je meent het niet. Je wil gewoon dat ik je vergeef. Je vindt het jammer dat ik je betrapt hebt, maar echte schuldgevoelens heb je niet, niet over je bedrog.' Hoe kan ik het ook menen? Hoe kan ik spijt hebben over iets wat ik nooit gedaan heb? Ze zegt dat mijn verontschuldigingen niet oprecht zijn. Wat kan ik daar doen? Moet ik nu acteerlessen gaan nemen om dit huwelijk te redden? Zeg het niet graag, maar er zijn momenten waarop ik haar zou willen wurgen. Ik weet waarom ze zich zo nukkig gedraagt, waarom ze soms niet eens met me wil praten, waarom ze kwaad op me is, en ik weet dat ze daar alle recht toe heeft, maar dat neemt niet weg dat haar verwensingen me pijn doen, dat het steekt als ze me negeert. Ik doe mijn stinkende best om een huwelijk te redden waar ik eigenlijk niks mee te maken heb, en wat krijg ik? Stank voor dank. Alle begrip voor Magda – Mark Desmet is een klootzak – maar ik kan de klok niet in zijn plaats terugdraaien. Ik kan alleen maar in zijn plaats mijn/zijn verontschuldigingen aanbieden. Ik snap wel dat haar beledigingen naar Mark Desmet gericht zijn, de vorige Mark Desmet, maar aangenaam is het niet om elke dag smeerlap, hufter of rotzak genoemd te worden. Moeilijk om dan zelf niet aan het schelden te slaan. Rationeel begrijp ik wel dat ik haar onmogelijk iets kwalijk kan nemen, dat ze zich gekwetst voelt en het normaal is dat ze zich afreageert op de man die haar verdriet heeft gedaan, maar soms treffen haar beledigingen echt doel, voel ik me persoonlijk aangevallen, en dan het kost het me veel moeite om niet – verblind door woede – in de tegenaanval te gaan. Als iemand je beledigt, wil je terugslaan. Een automatische reactie. Dat is hoe de natuur ons geprogrammeerd heeft: onze emoties sturen ons. En die zijn zo sterk dat het soms haast onmogelijk lijkt om ze in bedwang te houden. Eens gelezen dat de amygdala – het stukje brein dat onze emoties regelt – stukken ouder is dan de prefrontale cortex – dat deel in onze hersenen waar de ratio zit. De oeroude amygdala bepaalt hoe we ons voelen bij wat we zien en horen, en lokt dus reacties uit – ons gedrag. De prefrontale cortex is pas later in de evolutie ontstaan, en kan ons gedrag enkel bijsturen. Vandaar dat het vaak inspanning vergt om je niet mee te laten slepen door je emoties, je prefrontale cortex kan ze niet altijd aan de leiband houden. Dus ja, soms moet ik echt op mijn tong bijten. En dan kost het bakken empathie om me in te houden. Moet ik me verschrikkelijk forceren om me in Magda's plaats te blijven stellen, de situatie door haar ogen te bekijken, en rekening te houden met haar gevoelens. Ik blijf het echter proberen, keer op keer, om zo oprecht mogelijk sorry te zeggen. Mijn lunchpauzes en vrije tijd breng ik dan ook voor de spiegel door, oefenend, mijn gezichtsuitdrukking aandachtig bestuderend. Ga ook wat films over relatieproblemen proberen bekijken, en letten op de acteurs. Hoe hun wenkbrauwen staan, welke houding ze aannemen, hoe hun stem klinkt. Er moet een ideale gezichtsuitdrukking zijn, een ideale houding van de schouders, een ideaal stemtimbre. Eigenlijk acteer ik al heel mijn leven, tot voor kort elke dag een andere rol, misschien wordt het tijd om mijn beroep eens serieus te gaan nemen. 6 februari 2014 Sorry. Mijn verontschuldigingen. Mijn oprechte verontschuldigingen. Het spijt me. Mijn excuses. Welgemeende excuses. Ik betreur wat er gebeurd is. Als ik de klok kon terugdraaien… Echt waar, ik word door wroeging verteerd. Het berouwt me ten zeerste. Zoveel manieren om hetzelfde te zeggen. Welke zou de beste zijn? Waarschijnlijk hangt het in grote mate af van hoe je het zegt, met welke intonatie, welke blik in je ogen. Ooit eens een artikel gelezen over een debat tussen Kennedy en Nixon dat zowel op radio als tv werd uitgezonden. Volgens de radioluisteraars had Nixon het debat gewonnen, volgens de tv-kijkers Kennedy. Zelfde debat, alleen klonk Nixon overtuigender, terwiljl Kennedy er overtuigender uitzag. Image is everything. Het moet lukken, doen alsof je oprecht bent. Gewoon een kwestie van oefening.

nEMO
3 0

Wat kan het mij?

Ja, 't is waar. Ik heb succes bij de vrouwen. Ik ben geen opschepper, het is gewoon zo. Ze cirkelen bijna voortdurend rond me. Waarom, dat zou ik wel eens willen weten. Overdreven knap ben ik niet. En dan spreek ik over alle interpretaties van dat woord. Niet aantrekkelijk, niet intelligent, niet handig. Dan kan het bijna niets anders dan mijn goedlachsheid en humor zijn, misschien wel in combinatie met mijn gedrag en uiterlijk. Dat zullen ze grappig vinden. En heel aanstekelijk. In de vorige paragraaf had ik het over muggen, dat had je misschien wel begrepen. Ik ben de voorbije week herhaaldelijk gestoken en gebeten, op plaatsen die je niet wil weten. Door een aantal vrouwelijke exemplaren, want zij zijn de stekers, de wakkerhouders. Omdat ze bloed nodig hebben voor de ontwikkeling van hun eitjes, zegt Wikipedia. Wat kan het mij? (Tegenwoordig stel ik mezelf vragen, op zich al een vermoeiende bezigheid, zeker in deze periode van slapeloosheid, daarom laat ik doorgaans de vermoeiende werkwoorden achterwege.) Verrekken, schelen, fucken of verdommen, verdomme! Excuseer.  Mannelijke muggen daarentegen drinken alleen nectar en sapjes, planten zich in stilte voort en bemoeien zich verder nergens mee. Ik zou een goede mug zijn. Maar mensen zijn geen muggen, al komen muggenzifters in de buurt. Op zich is dat nog een troetelnaampje voor degenen die ik beoog. Ik heb het dan over de zogeheten klavierhelden of toetsenbordridders, de assertieven op azerty, de quertyquerulanten. De bijna ziekelijke klagers die voortdurend denken dat hen onrecht aangedaan is of zij die constant de behoefte voelen om anderen te schofferen.  Ik heb de indruk dat het bij mensen meestal over de mannetjes gaat. Zij steken. Cru gezegd geloof ik dat het vooral diegenen zijn die vroeger frequent de spade, borstel, hamer, schroevendraaier, biljartkeu of misschien wel de breinaald hanteerden, maar die tegenwoordig, uit professionele of vrijetijdsoverwegingen vooral in de buurt van hun toetsenbord vertoeven.  Hebben ze ongelijk? Schoenmakers die bij hun leest bleven, zijn inmiddels al lang failliet. Je moet mee met de moderne tijd, maar sommigen doen dat zo onbehouwen dat het lijkt alsof ze het idee hebben dat ze ongenaakbaar zijn. Het is niet omdat de kwaliteit en de waarde van schoeisel zo gezakt zijn, dat ze het niveau van het geschrevene daarom op evenredige wijze moeten neerhalen. 'De wereld zou doodvervelend zijn als niet ieder zich stiekem superieur achtte aan bijna ieder ander mens,' zei de Amerikaanse schrijver Don Marquis honderd jaar geleden al.  Dat het stiekeme, of beter gezegd het niet uitgesprokene of -geschrevene, steeds vaker achterwege blijft, is in dit geval erg jammer. Vooral omdat het superioriteitsgevoel van velen niet alleen overontwikkeld maar ook nog eens totaal misplaatst is. Het kwalijkste zijn de anoniemen, je weet wel, de geniepstypers. Die met de schuilnamen, die het met een walgelijke welwillendheid doen en zich op een laffe manier verstoppen achter namen à la Jan Oniem, Wim Cognito of iets dergelijks. Waar stiekem nog een luchtige bijklank heeft, iets 'om bestwillerigs', wordt het hier heimelijk en hatelijk. Ben ik dan zelf zonder zonden? Ik denk grotendeels van wel, eerlijk gezegd. Toegegeven, achter het scherm neem ik ook veel sneller het voortouw. Tijdens groepsbijeenkomsten voel ik me veel comfortabeler op de achtergrond. Toch kom ik zo nu en dan ad rem uit de hoek, op welke manier dan ook. Ook al ben ik, volgens sommigen, een babbelaar van jewelste, toch heb ik zelf altijd het gevoel gehad dat ik me al schrijvend heel wat gemakkelijker en genuanceerder uitdruk.  Wat Don Marquis zei, klopt volgens mij wel. In elk van ons schuilt effectief een soort superioriteitsgevoel ten opzichte van bijna ieder ander mens. Ik zou het zo gedaan hebben. Dat vind ik dom van haar. Wat heeft ze nu toch weer uitgestoken? Waarom heeft hij dat in hemelsnaam gekocht? Had hij niet beter twee keer nagedacht? Was dat nu echt nodig? We weten het allemaal, van bijna iedereen. De afstand tussen denken en zeggen is voor velen gelukkig groot. Dat voorkomt een hoop miserie. Maar de afstand tussen denken en schrijven is voor anderen veel te klein geworden omdat het toetsenbord een veel te grote rol is gaan spelen in hun bestaan. Wat gezegd wordt, vervliegt. Het geschrevene of getypte blijft je achtervolgen.  Als schrijver neem ik dat erbij. Omdat ik een schrijver ben. Ik kan niet anders. Vergelijk het met de vrouwtjesmug. Voor sommigen ben ik aanstekelijk, voor anderen houd ik geen steek. De mug doet het ook niet om irritant te zijn, maar omwille van haar voortbestaan en wat ze is. Zij heeft het bloed nodig, ik de inkt. Het zij zo. Ik schreef zo. En dat zal ik blijven doen. Toch mijn excuses aan eenieder die dit leest en opvat zoals het misschien niet bedoeld is, ook aan die eventueel geschoffeerde schoenmaker.  

Danny Vandenberk
2 1

Dauwverdriet

Elke nacht schuif ik langzaam mijn koele, zijden laken over jou heen, mijn ongenaakbare wijnrank. Midden op de heuvelflank vond jij je plaats, knoestig en diepgeworteld. Je bladeren zijn net iets zwaarder geworden door je vele zomers, je takken met rijpe vruchten vormen een complex doolhof. Zo teder als ik kan betast ik je ruwe bast, zoek ik je diepste groeven en bedek ik je met mijn glanzende vloeibare wezen. Ik ben er weer, fluister ik, in jouw eeuwige komen en gaan. Ik balsem je stroefheid, en tegelijkertijd omhul ik jouw fluwelen trossen met mijn adem.  In de eeuw dat jij vastberaden op de heuvel wortelde, mijn geliefde rank, heb ik nog nooit mijn belofte verbroken. Elke nacht glijd ik weer dichter bij jou. Jij kent mijn seizoenen: mijn speelse parelende druppels op je bladeren in de lente, mijn zware neveltranen die zich als een wintermantel over je takken spreiden zodra de weemoed van de herfst door de late zomerwarmte bloedt. Voor jou laat ik mijn druppels zacht volgroeien, mijn welvingen gevuld met een zoete melancholie. Ik vlei me tegen je harde huid, hopend op een moment dat je me eronder trekt, diep in je trage warme aderen en in je solide kern.  Je gouden bladeren kleden zich al voor de komende koude. Met mijn aanraking wil ik ze dragen, verwarmen, maar ik ben slechts vluchtig water op zoek naar vrijheid. Soms haat ik mijn vergankelijkheid. Op die momenten wil ik in je doordringen, me in je sappen laten sijpelen. Ach, vang me in de schil van je vruchten, en laten we ons bedwelmen door de roes die straks wijn zal zijn.   De dag breekt in zacht rood over de heuvelflank. Straks verdwijn ik weer in het ijle, in het onzichtbare, kloppende hart van een kraakvers etmaal. Mijn vloeibare lichaam spant zich nog een laatste keer rond je lijf en dan laat ik je los. Het ondraaglijke begint. Aan het verdampen kan ik wennen, maar niet aan de gedachte dat mijn overgave alweer niets veranderde. Mijn geweven welvingen lossen op in het ongrijpbare diffuse licht. Ik stijg op met de gedachte dat ik het morgen opnieuw zal doen. En overmorgen. Telkens opnieuw. Het is bijna te zwaar om te dragen, die scherpe honger die nooit stilt.  Terwijl ik oplos, blijf je staan. Je zal blijven wat je bent: geworteld en onverstoorbaar, alsof mijn eeuwige komen en gaan je nooit heeft beroerd. Er rest me enkel nog het etherische. Ik zal weer verdwijnen met niets meer dan het verlangen naar jou, die ik zo goed ken maar nooit werkelijk heb kunnen bereiken. Geïnspireerd door het nummer ‘Dew on the vine’ van Bear’s Den  

Jolien Van de Velde
405 1