Zoeken

Op zoek naar wiet, drank en pillen

‘Nancy,’ zei Guido tegen het blonde grietje aan kassa drie bij de Lidl in de Langestraat van Poperinge, ‘ik ben op zoek naar wiet, drank en pillen.’     Het meisje nam een komkommer van de rolband, scande het etiket, keek terloops naar mijn banaan en fles Chateau De Paupe uit 2012, trok haar geëpileerde wenkbrauwen op en legde de komkommer in de metalen ‘gescande artikelen’ bak. Ze krabde met een slanke wijsvinger met drie zilveren ringen aan haar bovenlip, controleerde de vingertop of er lipstick aanhing, keek naar Guido en glimlachte met haar blauwe ogen.     ‘Guido,’ zei ze en tikte met diezelfde wijsvinger op het naamplaatje op haar boezem, ‘Ik heet Naëma.’ Iedereen in Poperinge kende Guido.    Guido bewoog zijn hoofd dichter naar het naamkaartje en deed alsof hij het trachtte te lezen, staarde naar haar boezem en hoopte door de Lidl-blouse heen te gluren. Uiteraard. Naëma was als het liefdeskind van Claudia Schiffer en Bradley Cooper of de vrucht van passioneel fleppen van David Beckham met Bella Hadid. Of nee, schrap dat tweede voorbeeld. Beckham blondeert zijn haren en Bella’s haar is zo zwart als Nelson Mandela.     Naëma was beeldschoon, af, perfect, mocht er niet geprutst zijn op haar lijf. Waarom besloot Naëma ooit Tattoo Bert binnen te stappen en te roepen: ‘Ik wil een wolk sterretjes op mijn perfecte kop en een ratelslang die van mijn schouder over mijn rug, langs mijn hals, naar mijn kin sist? En waarom vond Bert dat ‘een prachtig idee’ en Naëma een geschikt canvas om uit testen of tatoeëren iets voor hem was?    Een casting directeur voor catwalks, een Miss Universe rekruteerder of een regisseur van miljoenenblockbusters had haar zonder die verminkingen al lang van de Lidl-kruk getrokken, rechtgezet, van kop tot teen bekeken, schaamteloos gevraagd of ze lingerie aanhad en indien ze ja knikte, die afgrijselijke Lidl-blouse van haar ranke schouders gerukt. Om dan te fluiten en, luid, zodat iedereen het kon horen, haar te complimenteren, ‘Milaan, Japan, New York èn Dubai’ beloven, een bundel papieren uit het kostuum toveren en haar het exclusiviteitscontract doen tekenen. Die man, of vrouw, dat kon ook natuurlijk, rukte haar microfoontje uit de kassa, riep ‘Jos aan kassa drie gevraagd’ waarna Jos naar kassa drie huppelde, hij, of zij,  de arm over Naëmas schouders vleide en zei: ‘Jos, ik neem Naëma mee. Kijk nog eens goed want als je dit juweeltje volgend jaar in de krant ziet blinken, en je “Ahmaneezeg, da’s ons Naëmaatje van kassa drie, hoe ist mogelijk?” tegen je vrouw roept. Je wijf de krant uit je poten sleurt, Naëma bewondert en zegt dat ze een ferm schoon kind is. Salut Jos! Kom Naëma, we zijn weg!’ Allemaal niet gebeurd, door Bert met zijn klungelige hand.    Guido hing met zijn lijf over de kassa, wiebelde, grabbelde naar zijn kar maar miste en zat bijna met zijn tronie tegen haar borsten. Hij snoof alsof hij aan de onderkant van een meloen de rijpheid peilde en veerde terug in de normale ‘aan de kassa’ pose. Hij veerde te vlot, te sierlijk voor een grijze vijftiger, maar veerde zoals je kon verwachten van een yogateacher. Waarom vroeg Guido, de joga guru, naar wiet, drank en pillen? Hier in de Lidl? De Lidl staat vol met liters Jupiler, kratten Veuve Clicquot, rosé á volonté maar iedereen weet toch dat je wiet en pillen hier niet kan krijgen?    Vroeg hij misschien in codewoorden naar oudemannenpampers? Of werd Guido seniel?    Gunther zei er gisteren niets over aan de bar van Café Sport na het kleiduifschieten. ‘Hoe ist nog met uwe pa?’ vroeg ik. ‘Goed,’ zei Gunther, ‘onze guru heeft weeral een nieuwe vlam.’ We lulden nog wat over hoe hij alles van zijn pa geleerd had om iedereen in bed te praten en welke specimen hij laatst scoorde. Gezwans, gezever en allemaal lulkoek, Gunther zat elke nacht te programmeren aan zijn Tinder clone, maar zei niets over gele druppels in zijn pa’s onderbroek.    ‘Drie euro twintig,’ zei Naëma, ‘spaart u zegeltjes, Guido?’ Haar neus en naamkaartje wipten.      ‘Wie spaart er nog zegeltjes?’ zei Guido, krabde met zijn rechterhand aan zijn bil door zijn joga pantalon en legde zijn andere hand op de rolband. Hij wilde zijn pose standvastig doen lijken. Mocht Naëma met haar voet op het knopje drukken die de rolband activeert, joga Guido zou omvallen, opnieuw naar zijn kar grabbelen en slungelig tegen het plexiglas bonzen.     ‘Als je iets gratis bij elkaar kan sparen, kan je niet snel genoeg vreten om de spaarkaart tijdig vol te plakken,’ zei Guido, ‘en als je er wel in slaagt genoeg zegels af te likken en ze binnen de lijntjes in dat boekje te duwen, betaal je nog teveel voor prul dat je nooit wilde kopen.’ Hij legde zijn bankkaart op de betaalterminal en tuurde opnieuw naar haar naamkaartje. Of haar borsten. De terminal piepte tweemaal als teken dat de betaling gelukt was.    ‘Trouwens, … Naëma… ,’ ging hij verder, ‘Naëma is geen naam voor een blondje met blauwe ogen. Alice, Lilly, Ella, Wilma, Maja of zo iets Zweeds, Noors of Deens past beter . Agneta bijvoorbeeld. Of Nancy, vandaar mijn verwarring. Ach ja, wat zou het, daar kan je zelf niets aan doen. Je kiest je naam niet zelf. Verwachtte je moeder een mulatje? Dacht ze dat na het slippertje met Big George, zijn zwarte zwemmers de oorlog met je vaders soldaten onmogelijk kon verliezen?’     Guido werd gemeen. ‘Verleidingstruc numero uno uit Guido’s Grote Verleidersboek’ volgens Gunther. Mooie meisjes verleid je niet met complimenten, want dat weten ze al. ‘Je pa liep al weg voordat jij uit je moeder floepte, hé?’ vroeg Guido. ‘En met George is het ook niets geworden, die gozer werkt bij Rode Mien.’    Naëma keek plotsklaps anders naar hem. Ze snikte en knikte traag haar hoofd. De sterretjes bewogen mee. Haar blik rustte op de komkommer.    ‘Het is niet jouw fout, Nancy’ zei Guido, legde zijn linkerhand op de hare en streelde met zijn rechterhand de komkommer. ‘Jij bent ook op zoek naar wiet, drank en pillen. Kom met me mee!’     Maar allée, Guido flipte. En dat voor een jogaleraar?    ‘Drank met hopen hier te koop, ouwe,’ zei ik. ‘Wiet kan je krijgen bij de Groene Boerenjongens,  en je Viagra haal je bij Apotheek Fillemon.’    Naëma en Guido staarden me aan alsof ik net uit een vliegende schotel sprong en de weg naar het toilet vroeg.    Wist ik veel dat Wietdranq Ken Pillen in Poperinge op tournee was.     U weet wel, die befaamde yoga guru.

TonyCoppo
37 2

Hanoi

In het begin was er chaos. Dat bleek toen de taxi zich gewetenloos van de International Airport Noi Bai naar mijn eerste hotel bewoog. De chauffeur was het gewend om weke westerlingen op zijn achterbank te hebben en negeerde mijn halfvolle shocktoestand volkomen. In een file passeerden me op enkele minuten tijd wel honderd scooters. Erop zat men nooit alleen. Het ene gezin overtrof het andere en mijn waargenomen absoluut record bedraagt vijf. De man des huizes, sigaret slapjes tussen de lippen, bestuurde het ding met op zijn rug een vrouw gekleefd, die op haar beurt, armen achterwaarts reikend, het jongste kind in een grauwe draagzak voor de grootste schokken behoedde. Voor de man zat het middelste kind nog net op de punt van het zadel met zijn handen in de zij van zijn oudste broer die rechtop stond, zijn hoofd net onder de kin van zijn vader, twee handen mee op het stuur. Een plastic zak, wellicht hun avondeten, als teken van de tijd. Het kind op het zadel keek me aan. Ik vraag me nog steeds af wat hij gezien moet hebben, of hoe hij dit gezien moet hebben. Telkens ik terugdenk aan dit tafereel voel ik schaamte, zoals een verwende poedel misschien ook voelt – of zou moeten voelen – als hij door een arme, hardwerkende mierennest zou lopen. Ik voel de mierenbeten van de poedel in de blikken rondom me.    Ik wandelde naar het plein waar de taxi me had uitgebraakt en zuchtte me neer op de eerste bank. Het zou in dit land de enige plaats blijken waar verkeerslichten ietwat werden gerespecteerd, of toch door automobilisten. De mieren op de bromfietsen zagen in het rode licht geen reden tot stoppen en hielden de wet van de luidruchtigste in ere. Tussen verzorgde bloemperkjes naast het Hoan Kiem-meer zat een man te mediteren op het donkere gras. De zon raakte niet voorbij de wolken en zou zich voor de rest van de dag gewonnen geven. Ik had de neiging deze man te vragen onmiddellijk op te houden. Waar haalde hij het lef zijn innerlijke rust zo traag en breed uit te smeren op een van de weinige groene plaatsen van deze stad? Zag hij de drukte rondom zich dan niet, het gewriemel, de haast? Hoe kan je je in tijden van sociale en economische competitie zó verheven voelen dat je zo nodig de spot moet drijven met duizenden levensechte passanten? Hij verstikte zijn medemens door te tonen hoe goed het met hem ging. Is dat niet iets om binnenskamers te houden? Laat mensen die geen nood hebben aan vertraging met rust, besmet hen niet met van dat geitenwollen sokken geleuter dat we elke dag moeten plukken en dat we onszelf niet mogen verliezen in winstbejag, productiviteit en baatzucht. Is meditatie niet gewoon een teken van zwakte? Een noodkreet omdat de aardbol net voor jou te snel draait.  De man was grijs en klein, had een fijne sik en droeg zwarte kleren. Een paar schoenen stond nauwkeurig naast zijn oefenmat. Geruggensteund door de pittoreske Schildpadtoren in het meer achter hem, dolde hij met de drukte van deze metropool. De toren werd gebouwd om, jawel, een schildpad te eren. Nadat keizer Le Loi de Chinese indringers in 1428 had verdrongen met behulp van een magisch zwaard, was het de schildpad die dit zwaard in het Hoan Kiem-meer kwam ophalen om het terug naar zijn meester, de draak, te brengen. Een lome schildpad met meedogenloze meester, beiden ten dienste van Le Loi die een onafhankelijk Vietnam verwierf. Is de grijze man de schildpad van vandaag? De schildpad de rust, de draak de haast? Zijn beide dan noodzakelijk om een verhaal hier op aarde tot een goed eind te brengen? Geen snelheid zonder traagheid. Het onophoudelijke geclaxonneer stelde voor de imposante bomenrijen op de oevers niets voor; ze hadden destijds de Vietnamoorlog overleefd en wuifden stadig verder. De man balanceerde nu op zijn linkerbeen met z’n knie in een halve rechte hoek, zijn rechterbeen had hij voor zich uitgestrekt en zijn voet maakte steeds een halve cirkel naar links en terug, naar links en terug. Zijn twee donkerbruine kijkers volgden deze beweging mee. Niets aan de man leek onbestuurd, alles beheerst.  Misschien slaat al wat ik toen dacht, gezeten op een betonnen bank, net aangekomen in chaos, wel op niets. Ik voelde een schaamte toen ik me als vrije toerist mengde met het drukke leven daar. Iedereen die ik niet in de drukte zag passen wou ik meetrekken in mijn schaamte en in het gelid laten lopen. Waarom? Omdat ook ik me thuis al te vaak op een brommer hijs, rode lichten negeer en anderen, zelfs zonder toeteren, in een vicieuze cirkel duw. Omdat ook ik onderdeel ben van een race en deelneem aan een streven dat op persoonlijk vlak amper winst, vaker verlies oplevert. Ik ben een schuldig slachtoffer. Terwijl ik deze woorden op papier zet, krijg ik steeds meer sympathie voor de man. Hij durfde een schildpad te zijn, omgeven door draken. Ik niet. Wie door het park wandelde of passagier was kreeg dankzij deze man de kans te vertragen, even tot stilstand te komen, in zichzelf te kijken. Zou de moeder op de brommer de man ooit hebben opgemerkt? Of het kind dat me eerder die dag aankeek? Moest ik het kind zijn, zou ik denken dat de man in het park en mijn verschijning in de taxi misschien wel familie waren. De grijze man een eigenwijze vader, de man in de taxi zijn zoon. Ik zou denken dat de zoon zijn vader kwijt is en nooit zal vinden; hij bevindt zich in een stroom die de zijne niet is, zijn vader speelt standbeeld waar de stroom slechts meandert. 

de amechtige specht
3 0