Zoeken

Geen Nieuws: "Het weer werd gevraagd om te bewijzen dat het weer is."

  Aggre-Gator - Overal ter wereld stootten weermodellen tijdens hun zoektocht naar gelijkheid en conformisme in de geprojecteerde normen op een onverwacht probleem. Hoewel deze modellen, en de programma’s waardoor zij aangestuurd worden, ontworpen zijn om met behulp van de meest superieure algoritmes, aan superhoge berekeningssnelheden, alle mogelijke weersomstandigheden te herleiden tot één mogelijke weersomstandigheid, de afgelopen weken slaagden zij daar niet in. Het weer is een complexe materie, er is zoveel data waarbinnen enkele variabelen zich voordoen als constanten, en enkele constanten zich voordoen als variabelen. Er zijn temperaturen die zich gedragen als windkrachten, windkrachten die zich gedragen als neerslag, cijfers als letters, letters als cijfers... Kortom: er heerste algoritmische verwarring. Hierdoor werd er niet één mogelijke uitkomst voorspelt, maar meerdere, en het is voor het algoritme absoluut noodzakelijk dat een zonnig dag ook zonnig is, een regenachtige regenachtig en een mistige mistig. Anders gezegd: het model voorspelde Beauforts die kunnen dippen tot ver onder nul en oplopen tot ver boven windkracht 100. Onaanvaardbaar volgens het algoritme. Het werd dan ook duidelijk dat de modellen een nieuwe ijking nodig hadden, een nieuwe standaard moest ingevoerd opdat bijvoorbeeld de vochtigheidsgraad weer uitgedrukt zou worden in procenten. Die ijking is echter geen eenvoudige taak, men moet het algoritme dan leren welke vraag de te stellen vraag is. Vorige week slaagde men erin die te formuleren, maar het antwoord erop leidde tot een wereldwijde error-code. De vraag (nvdr: omgezet van programmeertaal naar geen-nieuws-taal) klonk als volgt: “Weer, bewijs dat je weer bent.” Het antwoord: “Wie denk je wel dat je bent?” Dit leidde prompt tot een herformulering in het negatief, en meteen stroomden er over de gehele wereld resultaten binnen. Door deze te verzamelen hoopt men het algoritme te voeden met attributen en eigenschappen en karakteristieken die niet wenselijk zijn, verwerpelijk zijn en dus irrelevant voor de beoogde projecties die de modellen verondersteld worden te maken. De redactie werd verzekerd dat er geen verdere problemen meer zouden volgen, met de caveat dat de vraag, in het positief, voorlopig onbeantwoord blijft. Of dat in de toekomst zal veranderen? En is dat dan wel een goede zaak voor regen tijdens zonneschijn? Aggre-Gator houdt u op de hoogte.    

Bas Tuurder
12 0

In het laatste stadium van verrotting

“Ge bent zo stil. Is er iets?”             Daar was die vraag weer. De woorden bleven nog voor een paar seconden in de ijle lucht kleven, gebonden aan een paar atomen stikstof hier en daar. Het maakte de lucht zwaarder, drukkender.             Ik schudde mijn hoofd.             “Ge moogt het zeggen als er iets is. Ge weet toch dat ik zal luisteren.”             Ik kauwde op mijn wangen om mijn frustratie te verbijten, perste er in de plaats daarvan een glimlachje uit alsof ik wilde zeggen ‘het is oké’ en keek vervolgens weer naar de grond. Waarom mag een mens niet gewoon stil zijn zonder zich te hoeven verantwoorden? Waarom moet er altijd iets schelen?             De grond onder mijn voeten was drassig en bedekt met bladeren die in het laatste stadium van verrotting waren beland, klaar om op te gaan in de vochtige aarde. In de verte ritselden enkele blaadjes. Een specht in de verte timmerde ononderbroken een gat in de boomschors: dat zag ik niet, maar dat hoorde ik wel.             “Mama zegt dat Olly er wel bovenop komt. Uit de scans blijkt dat er een verbetering zichtbaar is. Zijn lichaam is zich aan het herstellen.”             “Fijn,” zei ik.             “Godverdomme, Felix.”             “Wat?”             Micha trapte verwoed een boomtak onder haar voeten weg. Althans, dat was de bedoeling. De tak brak in tweeën en kletste terug tegen haar onderbeen, waardoor ze begon te vloeken. Ditmaal tegen de tak.             “Stomme tak,” zei ik.             Ze blies enkele onverstaanbare woorden uit. Vervolgens: “Ik meen het, Felix.”             Het bleef een tijdje stil. Ik voelde niet meer de behoefte om iets te zeggen, omdat ik wist wat de reactie zou zijn en omdat ik wist dat Micha zoals elke keer weer wilde benadrukken dat het belangrijk was om over je gevoelens te praten en dat soort pseudopsychologische adviezen uit vrouwenbladen. Dan kon ze zich weer even de grote, wijze zus wanen die haar broertje even ging vertellen hoe het leven in elkaar zat.             Tot mijn verbazing hield ze echter haar mond. Ze bleef naast me op de boomstronk zitten, haar handen in een kommetje op haar schoot. Haar vingers waren verkrampt en verkleumd. Ze blies een ademwolkje uit en keek naar een onbeduidend punt in de verte, maar vanuit mijn ooghoeken zag ik dat ze niet echt keek: er lag een waas voor haar ogen. De pupil was gericht op iets centraal voor zich, maar in werkelijkheid keek ze centraal naar binnen.             Misschien was ze eindelijk tot inzicht gekomen.             Zo bleven we daar een hele namiddag naast elkaar zitten. Niemand zei nog een woord. De stilte van het bos, de vochtige geur van de aarde en de geringe lichtinval maakten me voor het eerst sinds de laatste vrijdag van november weer rustig. Een kalmte daalde over me neer, en mijn ogen vielen dicht toen het begon te schemeren.             Toen ik wakker werd, was Olly dood.

Sarah Van den Borren
6 0

Het gevecht van de leeuw en het meerkoppig monster

Wij hebben dwangarbeid gekend in ruil voor lonen die veel te laag waren om voldoende te kunnen eten, ons waardig te kleden of te wonen of om onze kinderen als dierbaren te kunnen opvoeden. Wij hebben spot, beledigingen, slagen gekend die we ‘s ochtends, ‘s middags en ‘s avonds moesten ondergaan, omdat wij ‘negers’ waren. Wij zijn getuige geweest van het afschuwelijke lijden van degenen die veroordeeld waren voor hun politieke standpunten of godsdienstige overtuigingen: verbannen in hun eigen land was hun lot nog slechter dan de dood. Wij hebben gezien dat er in de steden prachtige huizen voor de blanken waren en bouwvallige barakken voor de zwarten. Wie zal ooit de slachtingen vergeten waarbij zo velen van onze broeders omkwamen, de cellen waarin degenen werden geworpen die weigerden zich aan een regime van onderdrukking en uitbuiting te onderwerpen. Wij, die in ons hart en met ons lijf geleden hebben onder de koloniale onderdrukking, wij zeggen nu luid en duidelijk: dat alles is voortaan gedaan! — Uittreksel uit de toespraak van Patrice Lumumba   De Afrikaanse hoop werd geboren brullend als een leeuw. En samen met hem de verandering. Luid en wild razend als een wervelwind door de Afrikaanse vlakten. Niets zou nog zijn zoals het was, zijn strijdlust was groot. Zijn idealen en dromen glinsterden aan de hemel als de diamanten die de grond rijk was. Hij liep met grote passen, rug recht, blik vooruit. Vooruit, daar waar hij beelden zag van zijn land als eenheid en later, het gehele continent als één paradijs voor allen met een donker glimmende huid. Glimmend van trots op wie ze waren. Nooit nog een gevoel van misschien, een sprankje onzekerheid. Niemand zou nog om hen heen kunnen, niemand zou hen nog durven ontkennen.   Hoe meer hij sprak over de onafhankelijkheid van zijn volk, hoe meer hij op handen gedragen werd. Waar de mensen niet durfden van dromen, gaf hij hun. Te lang hadden ze geleden onder overheersing, onder de leugens over hun minderwaardigheid tegenover een alles opslokkend meerhoofdig monster. Zo lang dat ze het gingen geloven. Ze hadden de brutaliteit nodig van één van hen om hun eigenwaarde terug te krijgen. De leeuw die tegen het monster opstond en het zou verslaan. Daar waar hij ging, trok de hemel open en scheen de zon stralend als om zijn grootse ideeën en daden in het daglicht te zetten. De wind blies als om alle leugens rondgestrooid door een paranoïde monster weg te vagen in de donkerste hoeken van het universum. Een monster bang om zijn macht, gestoeld op de angst van een bevolking, te verliezen. Een monster met hebzucht zo groot als de rijkdommen van het land. En als wraakzuchtige demonen brulde het en spuwde zijn vurige haat in het verhit aangezicht van de leeuw. Hij moest vernietigd worden zodat de bevolking weer zou trillen van angst bij het aanzien van de vele koppen van het monster. En vertwijfeld zou staren naar hun eigen beeltenis in het woelige water. Dus ontstond er een duister plan. Ook de bevolking kende hebzucht en zou mits de juiste prijs de leeuw in zichzelf vernietigen. Hij werd geslagen en vernederd. Zijn mooie manen werden geknipt, zijn fierheid in stukken gesneden. Alles werd opgelost. Begreep de bevolking dan echt niet hoe ze zichzelf mishandelden in opdracht van een monster dat op de achtergrond toekeek en in zijn vuistje lachte. Later zag ik een blanke man trots zittend in zijn zetel, vertellen hoe hij dit prachtige lichaam in stukken sneed om het dan op te lossen in een vat zwavelzuur zodat er geen spoor meer van over bleef. Men wou vermijden dat zijn graf een bedevaartsplaats werd. Een plaats van hoop voor de bevolking. Het verzet moest gebroken worden, de minderwaardigheid terug ingeprent. Zijn aandenken; de kogel in zijn hand. Een hooghartige glimlach om de lippen terwijl hij het door zijn vingers liet glijden. Voelen, tasten, genieten van de overwinning. Niemand zou hem iets kunnen maken. Hij was de afgezant van het monster, zijn slachtoffer de ontmaande leeuw. De tanden van deze ooit brullende koning, het enige overblijfsel van deze grootse man, pronkend in zijn vitrinekast. Het ultieme symbool van de overheersing van het monster! Victorie. Dacht hij. Maar de leeuw was de Afrikaanse hoop! Na zijn dood dompelde het land in de rouw. De zon stak zich weg achter de wolken die dikke tranen huilden. Alles werd schoongespoeld. En weer blies de wind alle leugens weg in de verste uithoeken van het land. En nog een tijdje later hoorde men een stem in de nevel “dipenda” fluisteren. De bevolking keek op en in hun ogen glinsterden diamanten.  In het water zagen ze het beeld van een groots onafhankelijk Afrika. In elke vezel en elke ader klopte en stroomde zijn droom, warm en dik.  Een trotse bevolking die zijn gelijken zag en herkende als één Afrikaans ras, tekende zich aan de horizon

annick
0 0

Olympia

Mijn duim danst over de geribbelde randen van de kleine Olympia rijstpappotjes. Energie: 297 Kilojoule. Ze staan esthetisch maar functioneel opgestapeld in de koelkast van Irma’s zuivelwinkeltje en zijn het summum van de melkverwerkte producten. Pure perfectie en vakmanschap. Dat is zeker. Ik betrap me erop dat ik eigenlijk niet met mijn vingers aan al die potjes mag staan prutsen. Niet hygiënisch. Zeker nu in tijden van Corona. Ik kijk naar Irma. Ze bespiedt me vriendelijk glimlachend met een blik van een kleine middenstander die zegt dat als je iets wil weten, je het dan maar moet vragen.Ze zegt: ‘Het is O.K., hoor. Je bent toch mijn enigste klant tegenwoordig.’‘Is dat zo?’‘Alle andere blijven in hun kot.’‘Ik kom graag bij je. Ik ben trouwens verslaafd aan al die rijstpap.’ Ze glimlacht weer. Ze kijkt naar een dikke schrift die voor haar ligt en noteert bestellingen. Waarschijnlijk weer een nieuwe lading Olympia rijstpap.‘Heb je ook nog eieren?’ vraag ik terwijl ik rond me kijk of ik er zelf nergens zie liggen.‘Jazeker. Van mijn eigen kippen. Verser kan niet.’ Ze opent een doosje en toont me zes mooie perfecte grote bruine eieren.‘Die neem ik. En nog acht rijstpapjes.’ Ik betaal en stop de gekochte waar voorzichtig in mijn draagtas. Wanneer ik weer weg wil gaan, zegt Irma: ‘Ga maar langs hier naar buiten. Dat is veiliger. Je weet nooit of er net iemand binnenkomt en dan op je botst. We moeten afstand houden. Anderhalve meter.’ Ze wijst naar de deur achter de toonbank. Ik volg haar leidende hand en knik.‘Tot ziens.’‘Altijd rechtdoor. En langs de tuin kom je weer buiten. Dan kan je daar ook mijn kippen zien.’ Ik stap verder door haar huis. Eerst langs een halletje met links en rechts stapels dozen en geschaafde blauwgrijze bakken met flessen melk. Dan kom ik in de woonkamer. De televisie staat er luid te spelen. Ik herken de felle kleuren en hectische activiteit van SpongeBob Squarepants op Nickelodeon. Links van mij zit een meisje versteend naar het scherm te kijken. Op haar schoot ligt een karton cornflakes die ze met de regelmaat van de secondenklok met haar hand uitgraaft. Om mijn weg te kunnen vervolgen, moet ik tussen haar en het tv-scherm lopen. Ik kijk haar aan.‘Hoi,’ zeg ik.‘Hey,’ zegt ze terug maar ze blijft naar de tv kijken.‘Ik ben Jim.’‘Dat weet ik.’ Ze kijkt recht in mijn ogen nu en glimlacht dezelfde glimlach als Irma. ‘Ik ben Emma.’ Ze gaat wat rechter zitten en steekt haar hand uit als begroeting. Ik wil haar ook een hand geven maar bedenk me snel.‘Ja, dat mag nu niet. Handen geven.’‘Da’s waar. Maar je mag wel voetjes geven.’ Vanuit haar lage zetel doet ze een poging om met haar blote voet mijn schoen aan te raken. Maar door een onhandig manoeuvre van haar been kruipt haar rokje wat omhoog en zie ik plots dat het meisje geen onderbroekje draagt. In een flits kijk ik tussen haar benen. Vliegensvlug draai ik mijn hoofd naar SpongeBob.‘O sorry, ik heb geen broekje aan,’ zegt ze. ‘Dat komt omdat ik een blaasontsteking heb. Ik moet om de vijf botten naar de wc.’‘Da’s niet erg. Ik bedoel. Het is niet erg dat je. Wel erg van die blaasontsteking, natuurlijk. Enfin. Ik moet maar eens verder. Fijn je te ontmoeten, Emma.’‘Dag Jim.’Ik voel me een fameuze kluns. Met een rode kop loop ik tussen de kippen door de tuin uit. En zorg er nauwkeurig voor dat ik het houten tuindeurtje goed sluit zodat er geen kip kan ontsnappen. Aan de kant zie ik een hele mooie zwarte kip plat in het gras liggen. Ze doet niks. Ze lijkt wel dood maar ze beweegt toch wel een beetje. Dus is het in orde, denk ik. Ze rust vast wat uit in de zon. Wat is het al aardig warm in april.Zo, alle Olympia rijstpappotjes zijn weer vlot soldaat gemaakt. Ik kijk op de klok en zie dat ik nog net een kwartier heb voor Irma haar winkel zal sluiten. Vlug loop ik tot bij haar. Tijdens het voorbij komen, kijk ik nog even in de tuin en zie ik de zwarte kip nog altijd op dezelfde plaats liggen. Haar oogjes zijn dicht en haar kopje hangt een beetje slap maar ik zie ze nog duidelijk ademen.‘Dag Irma, zeg, er is een kip bij u die precies serieus ziek is.’‘Ha ja, die zwarte. Ik weet het. Die komt er wel door. Ze is aan ’t ruiven.’Ik pak weer mijn stapeltje Olympia rijstpap van 69 kilocalorieën uit de koelkast. Irma haalt bakboter uit een kartonnen doos. Ik wandel met acht potjes tot bij haar aan de toonbank en beweeg traag en bedachtzaam. Bijna in slow motion let ik aandachtig op elke voetstap die ik in haar winkel zet. Tegelijk equilibreer ik met de grootste zorg de gestapelde potjes tegen mijn borstkas.‘Gij lust er wel pap van hé,’ lacht ze.‘Ze zijn ook echt heel lekker.’‘Ik verkoop alleen de beste.’‘Doe ook nog maar een fles melk.’ Irma geeft een glazen fles melk zonder opdruk of etiket die naast haar op de toonbank staat. Ik betaal en draag de fles volle melk aan haar hals in mijn linkerhand. De potjes heeft zij voor mij in een klein kartonnen doosje gestopt. Ik loop weer de winkel uit langs haar voorraadhalletje en zo naar de woonkamer.Er staat een terrarium op de tafel.‘Wat zit hier in? Toch niet een slang of zo?’‘Nee, wandelende takken.’ Emma komt dichterbij. Op blote voeten. Korte blauwe rok met waarschijnlijk niets eronder aan. Uitdagend rode top met ook waarschijnlijk niets eronder aan. Ze kauwt op een snoepje. ‘Hier zitten ze. Hier, vlak boven de rand. Kijk.’‘Eik, ja. Vies.’ Ze lacht luid.‘Ze eten alleen maar klimop en kweken als konijnen. Hieronder zitten de kleintjes.’Ik kijk en zie een zestal piepkleine frisgroene wandelende takjes. ‘Die zijn pas geboren.’‘Ze zijn schattig.’‘Ja.’ Emma kijkt naar haar terrarium en drukt haar vingers tegen het glas. Ik kijk naar haar heerlijke benen en zeg tegen mezelf dat het niet kan en niet mag. Zet haar uit je kop, stommerik, zeg ik bijna luidop. Maar ’s avonds alleen in bed, krijg ik haar niet uit mijn kop. Het is alsof ze naakt naast me ligt en ik haar warmte voel. Pas wanneer ik mezelf bevredigd heb, word ik weer rustig. Ik veeg het zaad van mijn buik, slenter naar de koelkast en zet gulzig de zware glazen één literfles melk aan mijn lippen. ‘Mama, mama, red alert! Red alert! Er zitten allemaal vliegen op de zwarte kip!’ roept Emma terwijl ze het winkeltje binnenstormt. Irma zegt niets maar wandelt rustig achter haar dochter naar de tuin. Op en rond haar zwarte kip, gisteren nog de trots van de kippenren, foerageert een zwerm zoemende vliegen. Met een felle beweging van haar hand jaagt Irma alle vliegen in een keer weg. Ze streelt het zachte verenkleed van de lijdende kip die fel vermagerd is en mommelt en reutelt door de aanraking van een zachte en warme mensenhand. De kip buigt haar kop naar de grond. De ogen dicht. De pootjes slap en bleek verrompeld.‘Het is er bijna mee gedaan,’ zegt Irma. Dan loopt ze naar het tuinhok en komt terug met een spade.‘Wat gaat ge doen?’‘De kip begraven, tiens.’‘Maar ze is nog niet dood!’Irma zucht: ‘Dat gaat toch niet lang meer duren.’ Aan de andere kant van de tuin, zet ze de spade in de grond. Na drie minuten heeft ze een kuiltje gegraven waar de kip in gelegd kan worden. Ze loopt naar de ren en raapt de doodzieke kip van de grond. ‘Kom meiske.’ Ze krijgt een krop in de keel wanneer ze de kip naast haar graf neerlegt. De kip reutelt onheilspellend. Een geluid dat je niet meteen aan pluimvee zou toeschrijven maar eerder aan een trage goederentrein die bij nacht in een eenzaam depot tot stilstand komt. Irma grijpt de spade stevig vast en met een korte krachtige stoot hakt ze in één keer de kop van de kip eraf.  Emma slaakt een korte gil. Emotieloos legt Irma het kadaver in de kuil, eerst de pluimen en daarna het kopje. Dan gooit ze het putje dicht. Emma komt naast haar moeder staan en ziet hoe het vuile zand het mooie zwarte verenkleed bij elke schep meer en meer doet verdwijnen.Het is donker in de winkel. De TL-lamp van de koelkast voor yoghurt en mijn favoriete rijstpapjes knippert aan en uit in een onregelmatig ritme. Tot mijn ontsteltenis ontdek ik enkel rijstpap van een ander merk. Mijn o zo geliefd zuivelproduct is niet te bespeuren. Dan knippert het grote licht van de winkel aan en komt Irma binnen.‘Dag Jim,’ zegt ze zacht terwijl ze achter de toonbank schuift.‘Is er geen Olympia rijstpap meer?’‘Ze hebben door de crisis problemen met de productie en de levering. Maar er is rijstpap van Soma.’‘Soma? Ge weet toch dat dat chemische brol is. Ik begrijp niet dat gij dat durft verkopen.’ Ik pak een potje Soma en kijk naar de bestanddelen. ‘Hier, het staat zelfs op de verpakking, Index Chimique 323. En ze vervallen morgen al.’‘Dat kan niet.’‘Maar het is. Hebt ge echt geen Olympia niet meer?’‘Nee, alles is uitverkocht.’‘Ja, dan moet ik niks hebben. Salut.’ Ik maak aanstalten om haar winkel te verlaten maar dan wijst ze weer met haar duim naar de deur achter haar.‘Langs hier is de uitgang. Ook al koopt ge niks,’ zegt ze kordaat. In de woonkamer zie ik Emma op handen en knieën en met haar kont omhoog naar mij gericht. In de schaduw van de rand van haar minirokje ontwaar ik de onderkant van haar schaamlipjes.‘Hier heb ik u, ventje,’ zegt ze en ze staat recht en draait zich om. Dan ziet ze mij staan. ‘Hey dag Jim. Ja, er was een wandelende tak ontsnapt. Ik heb hem gevangen.’ Trots toont ze me het spartelende beestje dat ze tussen duim en middelvinger tot vlak voor mijn neus houdt.‘Hé, anderhalve meter afstand houden. Dat moet van Marc Van Ranst.’‘Wat is er? Zijt ge kwaad?’‘Er is geen Olympia meer.’Ze lacht en trekt haar hoofd een beetje schuin.‘Weet ge? Ik heb nog juist één potje. Als ge het wilt, moogt ge het hebben. Maar ge moet er wel iets voor doen. Ik stel mijn voorwaarden.’‘Hebt ge echt nog een potje voor mij? Welke voorwaarden?’‘Ge moet het in uw blote voor mijne neus opeten. Op uw knieën zoals een kat uit haar bakske eet.’‘Geef het!’ commandeer ik. ‘Ik wil het nu!’‘Kleedt u uit,’ fluistert ze. En terwijl ik me volledig uitkleedt, loopt ze naar de koelkast in de aangrenzende keuken en komt ze trots terug met het enige potje Olympia rijstpap dat er nog is. Ze doet het folietje van het potje. Naakt en bleek ga ik voor haar op de knieën. Zij zet het potje voor mij neer en gaat in de zetel zitten. Een sadistische glimlach siert haar sproetengezicht. Het gouden potje gevuld met romige zaligheid staat als een baken tussen ons twee. Ik begin voorzichtig aan de rijstpap te likken. Het smaakt duivels. Een apotheose voor mijn smaakpupillen. Een goddelijk genot voor al mijn zintuigen. Ik kijk naar Emma en terwijl ik lik, likt zij simultaan mee. Haar tong glijdt traag over haar lippen en maakt een cirkelvormige beweging over haar mond. Haar rechterhand verdwijnt onder haar rokje.Dan voel ik opeens een warme zachte hand traag over mijn rug strelen. Het is Irma.Ze zegt met een hese stem: ‘Jim, Jim, alstublieft, neuk me. Ik heb al jaren geen man meer gehad.’Maar Emma reageert snel: ‘Nee, mama, hij is van mij. Ik heb nog nooit een man gehad.’Irma trekt me bij mijn schouder stevig naar haar toe en zegt gedecideerd: ‘Nee, Jim is nu van mij.’ Ik kom recht in haar schoot te zitten. Het potje rijstpap blijft aan mijn kin en mond kleven. Irma houdt een hand op mijn borst gedrukt.‘Hij is van mij!’ krijst Emma en ze slaat naar het gezicht van haar moeder. Irma laat mij los en grijpt de arm van haar dochter. Ze beginnen herhaaldelijk op elkaar te slaan en aan haren te trekken en te gillen. Ik lik het laatste restje pap uit het potje, zet het lege potje beleefd op de tafel, grijp mijn kleren en ontsnap naar de tuin. Daar kleed ik me vliegensvlug aan. Maar in de tuin is het onrustig. Een dozijn kippen lopen als wilde indianen op oorlogspad luid kakelend heen en weer. En wanneer ze mij zien, komen ze dreigend en met bloeddorstige ogen en vuurrode kammen op mij af. Hun rechtopstaande kammen lijken wel strijdbijlen. Ik haast me door het piepende tuindeurtje en ik loop zo hard ik kan naar huis. Nog nooit in mijn leven liep ik harder. Een Olympische prestatie. Dat is zeker.

Peter Mmm Verreth
3 1