Zoeken

Bridezilla's not allowed

‘Mama, kijk!!!!’ Andrea trekt aan mijn mouw en wijst enthousiast naar een hele tros witte ballonnen aan de zijkant van de tent. Ze komen mooi uit tegen de donkere achtergrond van de ingevallen avond en worden opgelicht door een cluster bolvormige lichtjes die vanop het gras tegen de witte wanden van de silhouette tent schijnen. ‘Mag ik er één, oh mama, alsjeblief?’ ‘Ik weet het niet, lieverd. Ik geloof dat ze er zijn voor de versiering van het feest, niet om aan kleine deugnieten als jij uit te delen.’ Ik kus haar liefdevol op haar vers gewassen haren en ruik nog een zweempje amandelbloesem. ‘Laat ons eerst even kennismaken met het bruidspaar. Ik beloof dat ik straks eens pols voor die ballon.’ De maître vinkt onze namen af en loodst ons snel naar een tafeltje aan het andere eind, waar we plaatsnemen en prompt een roos in de handen gedrukt krijgen. Vragend kijken we hem aan, en krijgen te horen dat de speech van de vader van de bruid zo zal beginnen en hij het wel zal uitleggen. En dan valt het geroezemoes, dat tot dan de lucht vulde, helemaal stil. ‘Dames en heren, mag ik even uw aandacht?’ Ik recht mijn rug en zie een man met witte haren in een overjaars maatpak staan. Hij frunnikt zijn scheef hangende stropdas recht en kucht. Zijn trillende handen verraden zijn nervositeit, maar hij steekt van wal en zijn kalme basstem verraadt niks. Hij legt uit dat het bruidspaar even naar buiten is gelokt door de fotograaf, en dat hij zijn dochter wil verrassen met een reuzeboeket witte rozen. Geduldig demonstreert hij hoe het volgens hem moet verlopen om alle bloemen bij de bruid te krijgen. Onze tafel zal het voorlaatste aan de beurt zijn, dus we hebben nog wat tijd om af te kijken. Een paar minuten later is het al zover: het bruidspaar wordt met veel tromgeroffel aangekondigd en op het moment dat ze binnen zijn, en de bruid haar gehandschoende arm door die van haar vader steekt, staat de hele zaal als een peloton soldaten recht. Een voor een komen de gasten hun roos afgeven en de armen van de bruid komen boller en boller te staan. Naarmate ze naderen, zie ik enkele tranen glinsteren op haar gemaquilleerde wangen en ik raak ontroerd door de warme blik waarmee de dirigent van dit extraatje vanonder zijn witte haren naar haar loert. Nog twee mensen en het is aan ons. Andrea’s hand verstrakt in de mijne en ik voel ook mijn spanning stijgen. ‘Alsjeblieft!’ zegt ze trots wanneer ze haar bloem afgeeft. Maar wanneer ik ook de mijne wil schenken, struikelt Andrea met haar kleine hakjes en valt languit op de sleep van de bruid. Die springt van schrik achteruit en gooit de bloemen in de lucht. Terwijl het rozenblaadjes regent en iedereen zijn adem inhoudt, hoor ik een luide krak. En daar staat de bruid plots kortgerokt. Heel kortgerokt. Mijn hart staat stil en Andrea kruipt dicht tegen me aan. Maar dan begint de jonge vrouw hartelijk te lachen, neemt een ballon, en drukt ze in Andrea’s kleine handen. ‘Hier meid, trek het je niet aan. Dit is veel makkelijker om te dansen straks!’  

Vlechtenmeisje
1 1

Eindelijk!

Heraldine keek nog één keer achterom op de top van de Olympus. Voor haar zat haar taak op Aarde erop. Na jaren als aardse vrouw kende ze het lijden, wist ze wat pijn was en had ze alle emoties doorstaan die een vrouw sterk maakten. Althans hier op Aarde. Het werd helemaal stil op dat pad dat ze zo dikwijls bevlogen heeft, onzichtbaar en lichtvleugelig. Dat zei Zeus altijd. Als achter-achterkleindochter van Hera, de oppergodin, wier taak in lang vervlogen tijden de bescherming van het huwelijk was, het leven en de liefde zelf, werd ze naar de Aarde gestuurd om haar missie te vervullen: zuiver de Aarde van alles wat verdorven is om het leven te beschermen! Na een harde training daalde Heraldine neer op Aarde. Als éénentwintigste-eeuwse jonge vrouw met de vrucht nog beschermd in haar warme buik tot ze een goede plaats en man zou vinden. Dan zou de vrucht pas groeien. Het duurde niet lang. Ze werd verliefd op Petros, met wie ze trouwde. Ze leefden een echt mensenleven met een job, vrienden, familie. Op een dag maakte ze hem blij met een gezonde sterke zoon, Angelos, de Brenger van de boodschap, zijn taak en die van zijn nazaten. Hij groeide op als een zeer geliefde jongeman. Maar Petros, die hij vader noemde, voelde dat Angelos zijn zoon niet was. Een jaloezie op de innige band tussen Heraldine en hun zoon overmande hem. Een wrede woede groeide in hem. Zijn hart werd steenhard. Heraldine voelde letterlijk de stemmingen van Petros en bewaakte Angelos met heel haar hart en gekneusd aards lichaam. Meer nog dan de boodschap wilde ze haar zoon beschermen. “Jij zal op een dag deze Aarde dienen. Jij en jouw kinderen zijn voorbestemd.” Hoe vaak zou hij het gehoord hebben? Hoe vaak zou hij zijn moeder hebben zien huilen? Hoeveel blauwe plekken zou ze nog doorstaan voordat hij volwassen was? Wanneer zou dat zijn? Op de ochtend van zijn vijftiende verjaardag werd Angelos al vroeg in de ochtend wakker door rumoer in de kamer van zijn ouders. Hij stond op en ging slaapdronken tot aan hun deur. “Neen! Niet doen alsjebl…!” zijn moeders smeken dempte abrupt. Zonder verder nadenken opende hij de deur. Zijn adem stokte bij wat hij zag. Een emmer met ijswater zou hem niet wakkerder krijgen. Petros hield haar tegen het gesloten raam vast. Hij kneep haar keel dicht. Hij schreeuwde: “Die bastaard met zijn engelenhaar, van wie is die?” “Vader! Laat moeder los!” Angelos stormde in volle razernij op zijn vader af, pakte hem bij zijn schouders en trok aan hem. Petros draaide zich om en met één vuistslag in zijn gezicht sloeg hij Angelos op bed. Die krabbelde weer recht en vloog weer op zijn vader af. Heraldine keek toe, in shock. Ze probeerde weer voldoende lucht te ademen. Ze moest toekijken hoe haar zoon en haar man op leven en dood vochten. De troebele beelden voor haar ogen, het gruwelijke tafereel en de koude die ze voelde toen het stil werd, deden haar moeizaam maar vastberaden opstaan. Een enorme pijn beving haar hart. De dikke ijslaag eromheen zou nooit meer smelten. Het was op het moment dat Petros haar Angelos, haar engel door het tweede raam, dat openstond, duwde, hem nog een trap gaf en hem boosaardig nariep: “Daar, engeltje, nu ben je weer thuis!” Toen wist ze dat ze weg moest, weg van de Aarde die niet meer te redden was, weg van de mensen die zo verdorven waren dat ze toch niet te genezen waren. Maar eerst zou ze nog een ding doen… “Het is echt beter zo, Heraldine,” zei Petros nog. Heraldine deed wat ze te doen had en wachtte. Daar aan de voet van die berg, langs waar ze was afgedaald, waar ze samen met Petros was gaan wonen. Ze belde de politie. De moord van haar Engel mocht niet ongestraft blijven. Petros strompelde naar buiten, stak zijn hand nog uit en keek haar aan. In de verte loeiden sirenes steeds luider, steeds dichterbij. Ze gaf nog hem een laatste kille blik. “Jij hebt mijn jongen vermoord! Jij mag vanaf nu in je eigen donkere krochten leven… voor eeuwig!” Na die vloek van wraak wandelde ze weg. Alleen op de top van de Olympus keek ze nog één keer om. Hij zou zijn straf niet ontlopen. In de dichte mist van de vroege ochtend spreidde ze haar armen, duwde zich af op een rots en zweefde weg, weg van het mensendom met één laatste gedachte: “Eindelijk!”

Anemos
0 0

WALKZ WITH ME

Avelgem, 1 maart We stappen - we trappen - we stappen, al bijna een jaar lang. Vandaag belandden we aan de oevers van de Schelde, waar het water sterren tovert en witte vogels ons verdoven in miezer en mist. We zijn op zoek naar overstromingsgebied, dat maakt het makkelijker naar een reddingsboei te grijpen. We vinden een speelplein met een kunstwerk dat naar oorlog verwijst maar me aan voetbal doet denken. Verder alleen lieflijke snoeten in het natte zand. Een moeder somt er dinosaurusnamen op, de wetenschappelijke én de bijnamen, terwijl mijn dochter de equivalenten begraaft in het zand. Er valt niets meer aan te wijzen, alleen nog te redden van de verstikkingsdood. Gelukkig is Vader Dino brandweerman. Er is water, maar niet daar waar je het verwacht. Er is mosterd, er is kaas. Even verderop, aan de achtergevel van het plaatselijke rusthuis, zitten drie denderende figuren in een strandstoel naar het landschap te kijken. Of we wisten dat dit het rusthuis is met het mooiste uitzicht van Vlaanderen? Ik vraag me of dit een feit of een verzinsel is. Dat Hij 1 vroeger langs de Schelde naar Gent fietste, naar Doornik, naar Dendermonde. Hij 2 vult aan dat hard trappen toch zo een deugd kan doen, wind en wolken in de haren. Zij heeft het meer voor stappen. Mijn dochter voor voetballen. We komen aan een achtertuin waarvan het huis zoek lijkt. Er is een kip en een vrouw aan een picknicktafel. Ze vertelt mijn dochter, breed allitererend, dat het een ‘knuffelkip’ is. Het imponeert niet. Ze verzint bergen om contrast te creëren en opent de sluizen. Wij duiken onder een brug waar de enige kleur die van afbladderende graffiti is. Mijn dochter houdt een ei met een embryonale dino erin in haar hand geklemd.    Dadizele, 20 maart Dat Jezus aan het kruis ging eindigen, had ze niet verwacht. Mijn dochter zoekt in alle kerken al bijna vier maanden lang naar de onschuld in de kribbe. Maar zelfs hier, in een basiliek, komt ze van een kale reis terug thuis. Negenhonderd glasramen bieden niet genoeg verlichting voor haar stille verdriet. Ik neem haar gebroken hart bij de hand. We stappen, we stoppen, we stappen. In het park dat de basiliek omgeeft: hyacinten, rozen in de knop, een lege fles cognac met mos erop. Alcohol blust de pijn, maar dat weet onze dochter nog niet. Zij speelt bloemenmeisje. We wandelen langs zandpaadjes en achtertuinen. Het schemert en Jezus is nog steeds niet thuis. Tegenover de basiliek staat een huis van meer dan een miljoen euro te koop. Mijn dochter komt tot rede: “Jezus slaapt aan dat kruis denk ik, mama”. Wandel met mij. Wandel met mij. Het is al wat rest.   Sommière, 1-4 april   de grote hond, de lege school, de kleine hond, de man op de dool de verlaten bushalte, de pony’s op ‘t pad de vrouw met de bezem, de boom zonder blad   de dagen geven we sterren, de nachten kleuren we rood we eten te prille aardbeien en bakken bijna zelf brood we ontdekken een slager met nog bloed aan zijn hand een kasteel met een berg en een bos en een strand   een vrouw neemt me mee naar een rivier in het bos ze bepaalt er het noorden door de groei van het mos ze redt daar een molen van verdrinking van dood en tovert er mouwloos een gevouwen boot   nee, we kunnen niet varen, we hebben geen tijd de stilte onder water, we staan in het krijt dochter dringt aan: waarom wel waarom niet stappen is fijner we zingen ons lied   de grote hond, de lege school, de kleine hond, wij op de dool

Lene Dos
0 0

Ilma

                                                                 ILMA   Elsene, oktober 2015                        De hemel ligt als een frisse deken over de stad. Na een week hitte-ellende is de temperatuur aangenaam. Een westenwind brengt verkoeling door ramen en kieren.                                        Op het dak van een grijs appartementsblok hangen kleren aan de waslijn. Een bal kaatst heen en weer tegen de muur. De trappendeur staat open. Brabbelend puft een peuter op een rood dekentje. Zijn rammelaar, fopspeen en pluchen knuffels liggen verspreid rond hem.                 Hij is gekleed in een kruippakje zonder mouwen. Muggenbeten op zijn mollige armpjes en beentjes. Langs zijn  mondhoek loopt er een straaltje speeksel. Het tekent donkere plekken op zijn slabber. Hij grijpt de knuffel en stopt het in zijn mond. Sabbelt erop. Bekijkt het.  Brabbelt en kwijlt. Hij wrijft met zijn vuistje aan zijn rechteroor. In een boog vliegt de knuffel door de lucht. De peuter jubelt luid. Zijn oogjes volgen de bal. Hij moedigt zijn grote zus aan in een eigen taaltje. Ilma gooit inspannend. Haar hoofd en hart liggen bij het ronde voorwerp. Ze telt in gedachten: de duur waarop de bal terugkaatst. Haar vorig record was een vijf.                        De wind streelt de kleertjes. Speelt door haar haren. Fluit de fopspeen een eindje verder.            De jongen kraait en houdt zijn handjes in de lucht. Hij kirt en gilt. Zwaait.   Ilma werpt de bal tegen de muur. Zij werpt en telt. Het jongetje schuift en vertelt.                      Zijn gebaren onderstrepen zijn woorden. Zijn billetjes schuiven van het rode kleed naar de kale vloerstenen. Zijn zus telt en gooit. Gooit. Telt. De bal raakt de grond eenmaal. Eenmaal de muur. Vier is haar gemiddelde. Haar streefdoel is één. De jongen schuift verder. Ilma zit aan drie. Ze kan beter. Op de speelplaats op school was het haar gelukt. Eenmaal. Die dag was haar gemiddelde een twee. Ze moet sneller. Ze kan het. Als ze lager werpt is de duur van de terugkaatsing korter. Haar broertje schuift naar de trap. Ze werpt. Telt. De volmaakte V. Blijven proberen. Haar broertje brabbelt op de achtergrond. Zij gooit en telt. Hij brabbelt en schuift. Ze kan het. Ze telt en gooit. Ze kan het. Haar broer schuift verder. Op de achtergrond klinken kreten. De bal veert heen en weer. De één is binnen handbereik. Het kan. Geen twijfel mogelijk. Een ijzige schreeuw onderbreekt haar spel. Ze ontwaakt. In de gil herkent ze de stem van haar moeder. Ze spitst haar oren. De bal stevig geklemd in de handen. De schreeuw strekt zich uit over het dak. Verdovend. Eng. Er lijkt geen eind aan te komen. Ilma staart in de verte. Een angstbal sluipt in haar buik. De kleren van haar broertje draaien rondjes aan de waslijn. Zachtblauw is de hemel met pluche wolken. Een zachte lammetjesvacht.Wit en klein is het kistje. Populierenhout. Een close-up van haar broer met gesloten ogen. Ilma herinnert zich de d ag van de foto. Ze logeerden bij hun grootouders aan zee.                                                            De mensen zitten in volgorde. Stilte. God luistert mee.                                                                  De priester leest voor uit een boek en roept de zoon aan. Ilma weet niet zeker welke zoon hij  bedoelt. De zoon in het kistje dat haar broertje is? Nu hij dood is wordt hij een sterretje aan de hemel zei oma. Ze moest maar goed kijken naar de sterrenhemel. Ze zou hem direct herkennen. Oma zit kaarsrecht naast haar. Er loopt een dunne lijn waar vroeger haar lippen dik en rood lachten. Tranen druppelen langs de zijkant van haar ogen en volgen de groeven naar beneden. Ze dept ze weg met een witte zakdoek. De geur is typisch oma en stelt haar gerust. Naast oma zit nonkel Nant. Hij klopt af en toe op haar knie.                                                          Ilma’s ouders zitten een stoel verder. Haar moeder is een propje verdriet. Een leeg gezicht met rode vlekken.  Zo nu en dan werpt haar vader korte blikken op zijn vrouw. Hij kucht dan een rookrochel weg. Bij het binnenkomen had Ilma zich losgetrokken uit oma’s hand en was naar haar moeder gerend. Zij had het hoofd gedraaid en haar pas versneld.                                        Haar oma mompelde wat in de oude taal en kwam Ilma achterna. Ze loodste haar naast zich, op de eerste rij. Er hangen grote schilderijen  van een man met halflang haar aan de muren. Kalksteen. Een hoog en gewelfd plafond. De man op het schilderij zit geknield en kijkt met een pijnlijk verwrongen gezicht op de mensen neer. Op een ander houdt hij zijn handen uitgestrekt en lacht naar een aantal kinderen. Op een ander hangt hij aan een houten kruis met zijn hoofd afgewend.                                                                                                                                        Ilma is er zeker van dat dat God is. Op de glazen ramen is het dezelfde man. Ze begrijpt niet hoe hij het voor elkaar krijgt om haar broertje in een ster te veranderen. Kaarsen branden in bundels bij elkaar vooraan bij het kistje.                                                                                          De priester maalt over God en zijn zoon. Hij noemt niet een keer de naam van haar broertje.      Zijn voorhoofd is hoog als zijn leeftijd. Gemakkelijk zal het niet zijn om daar alles te houden wat er in is gestopt. Achter hem speelt iemand rustig piano. Zachte klanken. Als Ilma haar ogen sluit en haar lippen op elkaar perst wordt het stil in haar hoofd.                                                    De man zwiert een ketting in het rond. Dezelfde stank als oma’s huis ontsnapt en omringt de mensen.                                                                                                                                          In stille rijen stappen ze achter elkaar. Mannen in zwarte pakken staan geflankeerd aan de houten poort. Ze kijken bedrukt. Haar vader ondersteunt haar moeder. Zijn korte vingers strelen de witblonde haren. Hij fluistert iets in haar oor. Haar moeder knikt en trekt haar schouders op. Het duurt een eeuwigheid voor Ilma de poort uit is. De mensen schudden de hand van haar vader, knuffelen haar moeder. Ze ziet haar ogen niet. Die gaan schuil achter de rand van haar hoed. Tussen de lage wolken schijnt een verlegen zonnetje. Het gras rondom de kerk is kortgeknipt en stralend groen. De straat is vochtig. Ilma zit weggedoken achteraan in de wagen.  Als ze haar ogen opslaat ziet ze een regenboog. Haar oma staart uit het raam. Het liefst van al wil Ilma naar huis. Zij wil haar kledingstukken verder inkleuren. Ze heeft nog een vest en een rok dat ze wil afwerken. Ze twijfelt over de juiste kleur blauw voor het vest. In de zaal staan de tafels in eilanden. Er is koffie, thee en chocolademelk. Er zijn sandwiches met vlees en kaas. Ilma heeft niet veel trek. De gemengde geuren maken haar misselijk. In een grote mand aan het einde van de tafel ontdekt ze de koffiekoeken. Gelukkig dat iemand daaraan heeft gedacht. Ze friemelt met een vingertje in een puddingbroodje. En likt haar vinger af. De pudding is zoet. Dik. Gele snot. Ze wriemelt haar vinger in het gemaakte gaatje.                Plots staat haar moeder naast haar. Ze sluit haar gelakte vingers rond haar vingertje en trekt haar weg van tafel.                                                                                                                            “Rotkind,” fluistert ze. Haar moeder houdt haar vinger vast en duwt met haar andere hand Ilma richting haar oma. “Houdt jij haar in het oog?” Er branden twee rode vlekjes op haar witte wangen. Ilma slaat haar ogen neer.                                                                                                  Oma’s hand is warm en veilig. Ilma kruipt op haar knieën de stoel op en vleit zich tegen de oude vrouw. Als ze thuiskomen verdwijnt Ilma in haar kamer. Ze doet haar broek en jas uit en trekt haar gemakkelijke kleren aan. De vest en rok uit haar kleurboek knipt ze uit. Voor de vest kiest ze zwart. De rok kleurt ze in donkerrood. De kleuren smelten samen. Ze vormen een geheel. Vanavond als iedereen naar bed ligt zal zij de hemel afspeuren. Zij weet nog niet hoe zij haar broertje zal herkennen maar volgens haar oma is er niets aan. Als oma het zegt dan is dat zo. Oma zegt dat zij door haar leeftijd alles weet. Een oude gans maken ze niets meer wijs. Ganshoren, Maart 2017                                                                                                                                                         “Ilma! Merr një bukë. Ka para në sirtar.’’                                                                                     Ilma slaat met tegenzin haar boek dicht. Haar moeder wurmt zich in haar peignoir en borstelt haar haren met haar vingers in een staart. Ze trekt kasten open en dicht. Gekletter vult de keuken. Ilma rommelt in de dressoirla en telt de munten bij elkaar. Ze trekt de kap over haar hoofd en stapt de straat op. De grauwheid slaat haar in het gezicht. De lucht is grijs, de straten donker en nat. Het regent al weken achtereen. Ze blijft dicht bij de huizen. Overal liggen vijvers donker water. Ze telt haar stappen tot tien. Begint opnieuw. Bij de bakker ruikt het naar gezonde buikpijn. Ze houdt halt bij het water. Neemt eerst een aanloop voor ze erover springt. Ze strompelt en trapt in een geut vuile smurrie. Ze voelt hoe haar sok nat wordt en het wriemelt in haar schoen. Ze loopt aan de kant van de stoep, ver genoeg van de huizen. Een regendruppel blijft hangen op haar wimpers. Ze probeert niet te knipperen. Ze telt hoelang het duurt voor ie op haar gezicht valt. Drie.                                                                                          Ze steekt haar tong uit en maakt een kuiltje waarin ze het regenwater opvangt. Slikt het in.        Het is fris en flets. Ze houdt het gesneden brood gedrukt onder haar elleboog. De laatste stappen voor haar deur hinkelstapt ze. Zeven. Ze belt aan. Kort ingedrukt. De spiegel is aangedampt. Ilma prikt met haar vinger in de schuimbubbels. Ze kijkt naar de wekker. Het blauwe washandje dobbert op het water. Flipper. Ze knijpt het over haar hoofd. Ze neemt een flinke hap lucht en duikt kopje onder. Ze zoekt naar de afvoerstop terwijl ze in gedachten de seconden telt. Hebbes. Ze trekt hard aan de ketting en het water golft weg. Ilma dobbert als een vis met haar benen in het slinkende sop. Het water spat op de vloer. Ze staat recht en wrijft haar haar droog. De douche-wekker geeft nog zeven minuten aan. Als ze de handdoek van haar hoofd haalt staat haar nonkel Nantje in de deuropening. ,,Ah, hier ben je monsterke.’’                                                                                                                                    ,,Ik ben klaar voor de wekker is afgegaan’’                                                                                      ,,Ah zo…En moet die wekker er ook voor zorgen dat je proper bent?”                                            Haar nonkel ruikt naar zatte praat.                                                                                                 ,, Nee Nantje, dat weet je.” Ilma lacht haar oprechte lach. Hij neemt plaats op de rand van de badkuip.                                                                                                                                            ,,Het is hier precies een zwembad.’’ Hij manoevreert zijn voeten op een droge plek. Doet gekscherend of hij verdrinkt: ,,Bleub, bleuh,….help!”                                                                        Ilma ligt dubbel. ,,Nantje  je bent grappig.’’ Ze droogt zich snel af. Doet haar pyama aan en borstelt haar haar.                                                                                                                            ,,Ik ga nooit mijn haar afknippen. Ik laat het altijd groeien.’’ Ze laat het los. Het is een lange donkere snoer. De druppels maken een uitgekauwde plek op haar trui.                                        ,,Is dat nog niet lang genoeg, monsterke? Het komt tot aan uw gat. Binnenkort veegt gij er de vloer mee. Dat is gemakkelijk voor uw moeder.’’ Hij ginnegapt. Ilma lacht mee.                            ,,Doe jij mijn haar in een staart? Ze reikt hem een haarrekker aan en stapt met haar blote voeten in een plas water.                                                                                                                 ,,Lap! Wat heb ik u gezegd? Een zwembad.’’ Ze stappen de trap af, ieder aan de kant. Ilma houdt de trapleunig als vastgelijmd. In haar hoofdje telt ze de treden. Veertien. Haar stiefvader zit in de zetel met zijn benen uitgestrekt voor zich. Hij tokkelt op zijn mobieltje. Haar moeder staat bij het aanrecht en tikt de as op een schaaltje. Ze ontkurkt een nieuwe fles.                                                                                            ,,Ben je daar eindelijk?, vraagt ze.                                                                                                   ,,Ik was klaar voor de wekker, antwoordt Ilma. Op tafel staan lege flessen.                                ",Dat kunt gij wel zeggen.’’ Haar moeder giet een scheut in haar glas en duwt haar peuk uit in de asbak.                                                                                                                                          ,,Ja hoor, ons monsterke was lang klaar voor de wekker, treedt haar nonkel haar bij. Hij neemt plaats op de fauteuil en knipoogt naar Ilma.                                                                                    ,,Wat zeg je nog?”vraagt haar moeder.                                                                                            Ilma sjokt naar haar stiefvader:,, Slaapwel papa” en geeft hem een kus op zijn wang. ,,Hmmm”, bromt hij en tokkelt verder. Ilma vervolgt haar weg naar haar moeder met dezelfde woorden. Ze vlijt zich tegen haar nonkel:,,Slaapwel Nantje.”                                                                         ,,Wat heb ik gezegd over dat woord?” kreet haar moeder.                                                            Lood verzwaart haar pantoffels. ,,Sorry.. Nonkel Nant,” , zegt ze gedwee.                         ,,Slaapwel monster,”. Zijn lippen vormen een stiekeme lach. Ze gluurt naar haar moeder die naar het plafond tuurt en kleine trekjes neemt. Zij vraagt:                                                            ,,Blijf je bij ons slapen, Na..euh.. Nonkel Nant?                                                                                ,,Als gij dat niet erg vindt monsterke. Vannacht is de zetel mijn camion!"                                      Het lood lost op. Ilma huppelt naar bed. Achter haar trippelt de huiskater haar na.Het duurt even voor haar ogen aan het donker wennen. Haar nonkel torent aan haar bed. Zijn ogen kan ze niet duidelijk zien. Hij draagt een t-shirt en een korte short. Hij haalt adem door zijn neus. Hikt. Ilma ruikt zijn zatte geur. Hij buigt zich over haar heen en blijft een tijdje op die manier staan. Hij stopt zijn hand in haar broek. Zijn dikke vingers frommelen tussen haar benen. Ilma ligt stil en wakker. Hij hikt en haalt zijn hand weg.                                                                      Hij maakt rechtsomkeer en sluit de deur. Een kort moment vraagt Ilma zich af of ze droomt. Maar de plek waar hij haar aanraakte voelt aan als niet van haar.                                                  Het huis is stil. Ze verstopt haar gezicht in haar eenogige-knuffel.   Ganshoren, September 2017   Ilma kleurt nauwkeurig binnen de lijntjes; een uitwaaierende rok met bovenstuk. Het puntje van haar tong piept uit haar mond. Ze zit gebogen aan haar bureau. De rok met bovenstuk wordt uitgeknipt en ze kleeft de zomen aan beide kanten op elkaar. Haar poppen liggen naakt op de hoek van het werkblad. Stofdeeltjes dansen in het zonlicht dat haar kamer voor de helft verlicht. Ze hoort gekrab aan de deur. ,,Ja Moush. Ik kom.’’                                                                                                                              Ze laat haar kater binnen en sluit de deur. Het dier stapt met de staart omhoog de kamer binnen. Strijkt langs haar benen. Ze sprint naar haar bed en vleit zich neer op het kussen. Ilma zoekt een ander outfit uit de catalogus. Ze moet vanavond doorwerken als ze het af wil hebben. Luide mannenstem klinken op uit het gelijksvloer. De stem van haar moeder krijst tussen brekend glas. De stemmen bereiken hun hoogtepunt. Ilma sluit haar ogen en telt. Haar lippen vormen de cijfers geluidloos. Bij vijf hoort ze de voordeur met een klap dichtslaan. Ze rent naar het raam. Haar nonkel Nant springt de vrachtwagen in. Hij steekt een sigaret op. Ze kan zijn ogen niet zien, de klep van zijn pet hangt in de weg. Hij blaast de rook door het open portier. In het invallend duister waaiert de wolk verder uit en lost langzaam op. Zij blijft voor het raam staan in de hoop dat hij opkijkt. Hij spuwt een fluim op straat en sluit het portier. De sigaret bengelt in zijn mondhoek terwijl hij de vrachtwagen start. De rook kringelt uit zijn neusgaten en vult de cabine. Hij verdwijnt in de mist. Haar nonkel Nant rijdt de straat uit en verdwijnt uit haar blik. Ilma blijft lang voor het raam staan. De watten in haar keel laten zich met moeite doorslikken.  

elmo
0 0

Aan het bestuur van de faculteit Mythiek

Geacht faculteitsbestuur,  Per onmiddellijke ingang is de leerstoel Mythische Geschiedenis vacant. U leest het goed: ik neem ontslag.   De directe aanleiding is het aanbod van een leerstoel in Sunnydale gecombineerd met een functie als adviseur in de high-techindustrie, maar daarover meer aan het slot van deze brief.   De indirecte aanleiding is de achterstelling van Mythische Geschiedenis ten opzichte van Mythische Archeologie en Mythische Antropologie. De vakgroep Mythische Ethiek heeft reeds de valbijl der bezuiniging in de nek voelen snijden. Het is duidelijk dat mijn leerstoel volgt. Beeldvorming is belangrijker dan kwaliteit, dat blijkt maar weer. De maatschappelijke bijdrage van Mythische Archeologie is eenvoudig uit te leggen, dat begrijp ik: het tentoonstellen van een dik stenen wijf met hangborsten onder de vermelding van “vruchtbaarheidssymbool” is beeldender dan de tekstanalyse van een interview met Wodan of Loki. En het afstoffen van een vogelkop met daaronder een six pack en een lekker stel gladgeschoren jongensbenen in minirok levert betere televisie dan langdurige gesprekken met een bejaard echtpaar in het Akkadisch.   Het onderzoek bij Mythische Antropologie is goedkoop: je volgt televisiekerkdiensten op de zondagochtend, met de ene hand turfjes zettend op een notitieblok en de andere hand graaiend in de zak paprikachips, en hup: Klaar is Kees. Natuurlijk combineert het Sodom en Gomorra van een theologisch congres (Pipsterwijde 2011, het jong is vorige maand negen geworden als ik goed reken) prima met observatieonderzoek naar eigentijds mythisch bijgeloof.   Vergelijk dit met de methodologische randvoorwaarden die gecreëerd dienen te worden ter ondersteuning van surveys op mythisch geschiedkundige locaties, discussierend met ooggetuigen. De leerstoelafkalving begon reeds vóór het voltooien van deel vier van mijn standaardwerk “Geschiedenis der Engelen; Verhalen uit de eerste hand.” Prof. dr. Knekelvelde schoof mijn onderzoeksfondsen door naar vriendinnetje dr. ir. Van Meulengeeste. De beide fraudeurs hebben de faculteit oneervol moeten verlaten, maar deze bezuinigingen zijn niet teruggedraaid. Integendeel.   Het heeft mij gegriefd dat mijn historisch te noemen gesprekken met Ra (Een eervolle vermelding bij de Briemelprijs 2019!) op Sharm-el-Sheikh slechts voor de helft werden vergoed.    En zeker dat ik de interviews met Poseidon en Zeus tijdens mijn zomers verblijf op Kos vrijwel geheel uit eigen zak moest bekostigen. Zelfs de vier door Demeter weggeklokte flessen rode wijn schrapten uw bureaucratische secondanten uit de onkostenvergoeding.    De druppel was de teruggave van de benzinebonnetjes van de camperreis door Toscane, waar Jupiter, Juno en Minerva diverse anekdotes vertelden. Dat ik geen studentassistenten mocht inzetten voor het transcriberen, coderen en analyseren van deze interviews (21,5 uur aan opnames) deed de emmer overstromen. Ik twijfel dan ook geen miliseconde over de vraag of ik PR ondersteuning wil bieden aan vertegenwoordigers van de softwareindustrie en social mediabedrijven, als deskundige op het gebied van mythevorming. In het licht van de afgelopen en komende hoorzittingen op diverse continenten, is er werk aan de winkel.   Naast mijn adviseurschap, ben ik benoemd als buitengewoon hoogleraar Mythical Interview Methodology aan de University of Sunnydale. Met een ongelimiteerd reis- en verblijfsbudget én een studentassistente naar keuze. Het zal u niet verassen dat afspraken met Tonatiuh en andere Azteekse goden reeds zijn gemaakt in een resort in Cancun. P.S.1: Studenten “Contemporaine mythische vorming”, die in-depth-casestudy-research doen bij een van de door mij geadviseerde bedrijven, werk ik met kracht tegen.P.S.2: “Opstand der Engelen” (in press) blijft in uw universiteitsfonds, mijn jurist meldt dat ik dat niet kan tegenhouden. "Geschiedenis der Engelen" deel 5, met de focus op de Amerika's zal ergens anders worden ondergebracht. Laagachtend, Prof. dr. M.C. H

MCH
10 0

De Rode Spiegel

Ik was net mijn vaders limousine ingestapt, het gedreun van het feest maakte plaats voor het gedreun in mijn hoofd. Miguel bestuurde de limo met de zachtheid van een tedere minnaar. Ik wilde hem daar best voor bedanken maar ik was te bezorgd dat ik zijn minnares onder zou kotsen. Ik had vanavond geen date gestrikt; uit onwilligheid, niet uit onkunde natuurlijk. Er deden genoeg kansen zich voor. Wel, ik denk dat ik meer gezien werd als de kans. Misschien hield ik me daarom in. Of misschien ging ik daarom net over de streep. De remedie lijkt zo hard op de ziekte dat ik het verschil niet altijd meer zie.Ik mediteerde op alles binnenhouden. Uiteindelijk werden de kotsweeën echter zo verschrikkelijk dat ik Miguel deed stoppen en decoreerde ik een kant van de weg met mijn uitwerpselen. Een maand geleden zou hij nog komen kijken. Dit was echter Miguels nieuwe normaal geworden. Ik veegde mijn mond met het puntje van mijn shirt. Zo, daar stond ik dan, rillend van de koude als een lekgeprikte ballon. In de verte blafte een hond, dat bracht me uit mijn dronken mijmeringen. Ik haalde mijn mobiel uit, alleen zat zijn was saai en verdrietig. Een mail dat door de mazen van de spamfilter geraakt was. Beste Prins, Ik hoop dat ik je e-mailadres goed heb onthouden. Ik blijf maar denken aan die ontmoeting in het bos. De smalle straten langs de velden die we in je oude jaguar trotseerden. Het had nooit mogen zijn, en toch. Die kus… ik wil meer, Prins. Ik moet weten wie je bent. Vreemd dat je mij je telefoonnummer niet gaf, of je naam. Ik probeer een goede reden te vinden, maar het enige dat ik bedenken kan is dat het voor jou niets betekende. Misschien doe je dat wel vaker met meisjes. Gewoon iets en dan niets meer. Er is lawaai op de flat boven me. Ik hoor mensen ruzie maken, een man roept luid keer op keer ‘waarom’. Ik haat het hier. Ik heb je toch gezegd waar ik woon? Hier moet je je gevoel uitschakelen en nergens iets van aantrekken. Dat wil ik niet. We kunnen elkaar terug in het bos ontmoeten, denk erover na. Alsjeblieft. Je prinses Wat een lang bericht, dacht ik bij mezelf maar verder dacht ik niets. De wijn beukte nog steeds aardig in op mijn hersenen. Ik had slaap nodig, geen ongemakkelijke conversaties waarin ik uitlegde dat ik niet was wie ze dacht. Ook had ik een paracetamol nodig. Grappig, bedacht ik net, hoe de zieken in de reclame nooit uitzien zoals de echte. Ik deed mijn mobiel uit en sloot mijn ogen. Bij elke bocht voelde ik me als een astronaut in de ruimte. Het gedempte licht van de straatlampen braken door mijn oogleden heen als rode vlekken van licht. Licht was een rode vlek. Katers waren een beetje mijn huisdier geworden, grapte ik wel eens. Koffie, water en douches waren mijn rituelen. Ik droogde net mijn haren toen mijn mobiel trilde. Een email, natuurlijk onze prinses. Die herinnering voelde aan als een moeilijke gitaarakkoord dat je al heel lang niet meer gebruikt hebt. Ik herlas het bericht van gisteren, toen die van vandaag. Beste Prins, Ik wacht nog steeds koppig op een antwoord. Ik accepteer niet dat je me in de kou laat staan. Ik moet iets van je horen. Ik heb je nodig. Ja, ik weet hoe dat klinkt - The needy girlfriend -. Misschien heb je bang dat ik je algauw zal stalken. Misschien ben je bang dat ik zal neuzen in je verleden. Licht zal schijnen op de donkerste bladzijdes van je dagboek. Maar probeer het te zien van mijn kant: ik ben altijd alleen. Ik heb niets anders te doen dan te dromen. Sommigen zijn bang van dromen, maar die mensen doen het verkeerd. Ze dromen niet ver genoeg weg.Gisteren zag ik een schilderij. -Op het internet natuurlijk, maar toch- Ik herkende mezelf er zo enorm in. Ik ben er niet goed van. Ik wil je nog duizend dingen zeggen, maar vooral; vergeet me niet. Ik wil niet praten tegen een spiegel, ik wil praten tegen jou. Ik wil niet luisteren naar een album, ik wil luisteren naar jou. Een droom dat terugpraat. Ik kan je alles geven.Vergeet me niet, Je prinses P.S. de schilderij is getiteld Morning Sun van Edward Hopper. Ik had er genoeg van. Mijn vingers roffelden over het scherm. Ik moest pijn doen. Als je vuur probeert aan te raken, doet dat ook pijn. Geef je de schuld aan de vlammen als je je verbrand?Ik dacht aan de roze vibrator dat op me wachtte in de onderste la. Maar eerst nog even dit. Beste prinses of wie dan ook. Je “Prins” loog tegen je. Dit adres is niet eens van hem. Je wil dromen? Wel droom dan lekker verder, je gaat nooit ergens komen op die manier. Dit kan misschien hard klinken, maar het is zo. Mannen zijn dom en kort van zicht. Je moet wakker worden. Er zijn geen prinsen en prinsessen. We hebben verdomme ministers en een regering, dat is ongeveer even romantisch als de wc aan het station gebruiken.Naïeve trut, wake the fuck up en doe verdomme iets met je leven.Ik schaam me voor je, Melissa  

Stelselmatig
0 0

De sollicitatie

De vierentwintigjarige Nick Scheeren slaat de deur van zijn ouderlijk huis op de merodelei 287 achter zich toe. Hij is op weg naar een sollicitatiegesprek bij Procter&Gamble. ‘Een competentie gericht interview' stond er in de e-mail. Driehonderdvijftig meter verderop in de straat ter hoogte van de apotheek maakt hij voor de eerste maal rechtsomkeer. ‘Ik kan net zo goed met de auto.’ zegt hij luidop tegen zichzelf. Luttele secondes later keert hij terug op z’n stappen. ‘Als ik met de wagen ga kom ik te laat of heb ik een ongeval of sta ik in de file of een lekke band. Ik ga met de trein.’ mompelt hij in zichzelf. Hij kalmeert even en wandelt richting station. In de rij aan het loket wacht hij redelijk wanhopig op zijn beurt. ‘Ik ga flauwvallen. Zou ik nog een broodje eten? Ik heb nog niet gegeten vandaag. Ik voel me slap. Ik heb geen honger en als ik iets eet krijg ik misschien buikpijn of moet ik naar het toilet. Ik zou misselijk kunnen worden. Dan moet ik braken. Neen, ik koop geen broodje.’ gaat er door z’n hoofd. Op het perron is het snikheet en er zitten veel te veel mensen. ‘Het is nu kwart na twaalf. Ik moet om half twee in Grimbergen zijn. Ik kan nog met de wagen gaan.’ berekent hij. Hij wandelt het perron af, de koele stationshal door en verlaat het gebouw op weg naar huis. Vijftien stappen later draait hij zich om. ‘Neen, toch maar niet. Ik ga met de trein. Waar is mijn biljet? Hoe laat is het nu?’ Op het perron gaat hij op een bankje zitten naast een naïef uitziend meisje met propere, blauwe schoenen. Ze eet een broodje. ‘Ga ik niet flauwvallen? Ik ga een broodje kopen. Is er nog tijd? Neen, op de trein zijn er geen goede toiletten. Het is veel te warm.’ denkt hij. Een minuut of twee of zo is Nick redelijk ontspannen. De trein naar Binche arriveert. Hij gaat aan de schaduwkant in tweede klasse zitten. Hij bedenkt zich en stapt de trein terug af het perron op. De andere reizigers irriteren hem. Net voordat de conducteur op z’n fluitje gaat blazen stapt hij, net op tijd, de trein terug op. Het plaatsje waar hij daarnet zat is gelukkig nog steeds vrij. Hij kijkt door het raampje als de trein vertrekt maar het stedelijk landschap dringt niet tot hem door. De volgende halte, Tielen, wil hij afstappen maar dat gaat niet want dan mist hij zijn afspraak. In Herentals en Lier is afstappen nog steeds zijn onmogelijk plan. Zijn nervositeit stijgt, neemt even af, stijgt opnieuw, … ‘Ik moet hier weg.’ Bij het binnenrijden van Schaarbeek ziet hij rechts een kerkhof. In het station, perron drie, stapt hij voorzichtig en radeloos af. ‘Als er maar geen ongelukken gebeuren. Voorzichtig.’ Hij moet naar links maar gaat naar rechts. ‘Waar is hier een toilet?’ Hij heeft plots het gevoel dat hij moet plassen maar vindt niet onmiddellijk een openbaar toilet. Buitengekomen moet hij naar rechts maar gaat naar links. Hij wil z’n moeder bellen om haar te vertellen dat alles goed gaat maar bedenkt  zich. Al die tijd heeft hij ook het gevoel dat er iets misgaat met z’n ademhaling. Hij wandelt dit keer in de goede richting een parking over richting busstation. Nog steeds voelt hij de neiging om rechtsomkeer te maken. De zon schijnt fel en het is dus erg warm.   In een brede, witte gang zit Nick op het middelste stoeltje tegenover een lichtblauwe deur. Achter hem is er een groot raam met zicht op een binnenkoer en links van hem staat er een grote plant in een ronde pot. Hij twijfelt of de plant echt is of van plastic. Het interieur doet hem denken aan een ziekenhuis. ‘Goedemiddag.’ zegt de HR-assistente. ‘Ik ben Sofie Morrens. Ik werk op de personeelsdienst als HR-assistente. U bent Nick Scheeren?’ ‘Euh, …ja .. goedemiddag. Ik ben … ik ben een beetje zenuwachtig.’ zegt Nick. Z’n grijs hemd is nat van het zweet. Vooral onder de oksels is het zeiknat. ‘Daar is niks mis mee. Het zou eigenaardiger zijn mocht u niet zenuwachtig zijn.’ antwoordt de glimlachende HR-assistente kordaat in een poging om niet meteen té onvriendelijk of té streng te worden gevonden. Haar eerste indruk kan ze nu niet meer veranderen. ‘Waarom solliciteer je voor deze job?’ Die vraag had Nick verwacht en hij had het antwoord erop goed voorbereid maar op dit moment schiet er hem niks te binnen. ‘Euhm … euhm… Kunt U de vraag nog een keer her—?’ ‘Wat vind je interessant aan de vacature?’ Nick zou zich graag herpakken. ‘Ik vind de jobinhoud interessant. Het lijkt me een … een … euhm … uitdaging.’ De HR-assistente kijkt even naar buiten door het raam achter Nick, krabbelt iets met een balpen op een bloc-note voor haar op het bureau en kijkt de sollicitant opnieuw aan. ‘Waarom wil je bij Procter&Gamble werken?’ ‘Ik … ik denk dat het misschien een leuk bedrijf is. Jullie hebben veel interessante producten: euhm … Swiffer, Always, Dreft, Dash, … euhm … Head&Shoulders, MrPropre, Oral B. Nick had het productgamma van buiten geleerd en was eventjes opgetogen dat hij er een groot aantal had kunnen opnoemen. ‘Tja, ik weet zelf ook welke merknamen we in ons productaanbod hebben.’zegt de HR-assistente verveeld. ‘Kan je een persoonlijk succes, professioneel of uit je privéleven, opnoemen waar je erg trots op bent?’ ‘Mag ik even nadenken?’ ‘Zeker.’ ‘In de … in de middelbare school heb ik een keer een opstel moeten schrijven in de trant van Nescio. Die gebruikt altijd korte zinnen. Bijvoorbeeld in het boekje ‘De Uitvreter’.’ Nick zwijgt even en probeert na te denken. ‘Ja, en? Ga ver—.’ ‘Het moet het vijfde middelbaar zijn geweest, denk ik.’ ‘Hmm, hmm.’ ‘De leraar Nederlands gaf me een tien op tien en feliciteerde me. Hij vond het een uitzonderlijk opstel.’ ‘Oké, mijnheer Scheeren hoe gaat u om met stress?’ ‘Ik ben wel stressbestendig, denk.’ ‘Oké. Hartelijk dank. Ik hou u op de hoogte mijnheer Scheeren. Heeft u nog vragen?’ ‘Waar vind ik het toilet? Ik moet echt dringend pis—.’ ‘Ik zal even met u meelopen.’   De bus van Grimbergen naar Schaarbeek lijkt wel een sauna. Nick voelt zich nog steeds misselijk en kortademig. ‘Ik hoop dat ik snel thuis ben. Moet ik nu hyperventileren? Neen, toch niet. Om hoe laat gaat de trein ook alweer? Ja, toch wel. Ik stink. Ik ga de chauffeur vragen om te verluchten. Stomme kloot!’ Hij veegt met z’n rechter hemdsmouw het zweet van z’n voorhoofd maar veel haalt dat niet uit. In een chaotisch krantenwinkeltje uitgebaat door een Pakistani of een Indiër of zoiets koopt hij een gekoeld, geel blik Gordon’s FInest Gold van vijftig centiliter en een pakje sigaretten. De uitbater zegt: ‘Thank you, sir.’ en dat vindt Nick om één of andere reden sympathiek.       Rond half vijf arriveert Nick in Turnhout. Thuis dweilt z’n moeder de keukenvloer. ‘En? Hoe is het gegaan?’ ‘Uitstekend.’ ‘Goed zo. Je hebt gezweet.’ ‘Ik voel me slap.’ ‘Moet je niks eten?’ ‘Neen, dank je. Ik heb geen honger. Ik heb onderweg een broodje gekocht. Ik ga naar mijn kamer.’ ‘Neem een aspirientje. Dat helpt altijd.’ ‘Je begrijpt er niks van.’ Gefrustreerd doet hij de koelkast open en haalt er een blikje Stella uit. ‘Drink niet te veel. Zie dat er nog bier is voor je vader. Ga je douchen? Ik heb net de badkamer gekuist.’ Nick draait zich om en gaat naar z’n kamer waar hij, teleurgesteld dat hij geen cannabis meer heeft, een Lucky Strike opsteekt.                                            

Hubert Grimmelt
0 0