Zoeken

blog van mij en nietuitdiekutmaandmei maar MIJ VERDOMME (deel één 1)

nadat ik mijn blik eindelijk afwend nadat ik wederom zogezegd achteloos ongemakkelijk door die kutspleten en splinters in dat vermolmde hout gezeten op een bank in een niet nader te noemen winkelstraat want dat zijn uw zaken niet maar eigenlijk stiekem baarmoederkankerveroorzaker lelijkaard geheimlijk naar konten van veel te jonge vrouwen filles fatales heb gestaard al keurende als in een wijvenslachterij vrouwelijk-vlezige-slagerij met dat stel vetbollen van mij die mij mij MIJ VERDOMME zo vaak gedesillusioneerd en wezenloos in de steek laten met hun dramafragma en vettige vliezen gescheurde onschuld verliezende vliezen die mij vangen in hun net net net een spinnenweb of is het spinneweb taalverkrachter reet-van-Tina stroomt het vocht mij over de rood aangelopen wangen vol knetterende puisten want ik krijg mijn ogen godverdomme niet niet niet meer gesloten afgesloten dicht omdat de verleiding onweerstaanbaar is onvermoeibaar is mij achtervolgt mijn ganse lijf en leden hoop verschroeide botten met teveel pus smurrie waar gij ik mij rood slagerood slagerrood bloedend moet doortrekken sleuren mijn ik ik mezelf MIJ VERDOMME ik ikke dus geraak vermoeid onvoldaan hopeloos sta ik dan toch maar onhandig recht door die nu veel te spannende broek onderdebuikbroek onderhuidse fletse zonder avonturenbroek met dwaze gedachtenlozige lozen-doet-hij-niet stijve piet haha-grappig-is-het-niet ontsnapt toch ontspant u nu toch niemand weet het tenzij gij dit alles neerschrijft met naam en toenaam en plaats timestamp algorithm triangulation fucking profiling om mij te vinden te slaan in harde stijve koudstalen boeien om te rotten in de cel van mijn eigen bestaan gij onbeschaamde klootzak met één-wandeling-per-dag stijve spieren en geen intiem bezoek voor u gast tuurlijk niet misschien wel een brief van zo'n zot Dutrouxmens die u zielig vindt omdat ze zelf zielig is zonderzielis leeghaarzielis gelijk die van u stapt verder nu weg van die straat weg van die wij er is geen wij enkel wijven-zien-mij-niet-graag en waarom schrijft gij dat nu toch neder neergezetene gedaalde afgezakt in uw krochten die gij zelve niet kent uw diepere diepste verlangens die niet lang maar kort tekort te kort zijn op blank maagdelijk niet-gerecycleerd-gerecupeerd-tis-toch-naar-de-kloten-al-dat-papieren en de bomenzijndesdoods omdat het moet moet er is geen dwang geen bleiten blaten mak schaap tis kindergezang maar zo jong wil ik ze niet toch enigszins volgroeid vol-gerotte-gewassen komaan stapt trekt u verder nu naar uw kot met boekskes ge-weet-wel-wat-voor-boekskes gestolen boekskes van dat oud vertraagd weduwwijf in het boekskesmagazijn al van u 14 veertien ? ja 14 veeronkundigtien jaren ! dat ge daarin kijkt en trekt en scheurt en mama-stur-lelijk-beer-t gij léleken in-de-put-gezetene-zieligen beer die ge zijt omdat ge niet aan uw trekken komt zielige poot-blijft-van-mijn-lijf kijkt zelfs niet gij nu niet nooit niet nimmer never niet zelfs niet alleen in de woestijn zelfs niet naar ne fotto van eentje die u in techt in real life facetofacekentgijtochniet in lelijke-levenden-lijve lijven niet wilt natuurlijk-zijt-gij-niet wat-gad-gat-gij-gedacht allé gast komaan stapt nu verder zonder kijken en komt morgen terug nog geen 24 vierentwintig uren later terug want gij ik kunt er niet aan wederstaan weerstaan gezulterweerstaanenzittengaan zal ik nadat ik mijn blik dan eindelijk heb afgewend en rechtgestaan heb en naar mijn kot gegaan heb ben whatever waar ik alles geprepareerd heb om haar te ontvangen zij-die-er-niet-is natuurlijk maar fictief als in een verhaal of in een film B-film C-film maakt niet uit welke kutfilm zal ik daar wachten om misschien iets te doen dat daarop rijmt maar ik mag het niet luidop zeggen of schrijven of alleen in braille want die zien mij niet want anders gaan onbestemde zij ze de-geuniformeerde-mensen monopolie-op-geweld mensen mij MIJ VERDOMME opsluiten afzonderen institutionaliseren psychiatriseren want dat kunnen ze goed doen ze graag omdat dan Foucault Ducpétiaux gevangen-is-hij gedetineerde en kinderbezoekrecht kromme recht een recht dat ik niet heb natuurlijk wat had ge nu plots gedacht gij die dit leest en stiekem geniet maar politiek correct denkt ze-moeten-die-toch-opsluiten wat-voor-gedachten-heeft-die-nu ziekte ziekemens dat ik kinderen zou willen biografische kopijen om mijn geslachtte geslacht voort te zetten te parasiteren en iedereen en alles te besmetten ? hoe zoudt zout dat nu kunnen hebt-gij-zonet-nietzonetjes-is-het-niet over MIJ VERDOMME een oordeelkundig oordeel geveld ? geeft het maar toe dat-doet-toch-goe om u verheven te voelen tegenover uw mede-meestalnietintelligente-mens of toch dommerdangij-uzelve-mens? liken of niet liken 't-zijn-toch-maar-woorden en geen daden zoals bij een psychoanaalytische sessie waar ge tegen betaling galspuit ge kunt evengoe uw gat met 50 euro afvegen en 't luidop roepen vanuit uw strot met onstemkundige banden maar kom daar moogt ge dan eens alles zeggen wat ge wilt denkt denkt te denken en u afvragen of ge twel echt denkt als in techtevalseleven en dan krijgt ge tips van Ode-an-die-door-seks-geobsedeerde-Freude door jonge-ja-jong-verdomme-zo-heb-ik-ze-graag-maarniettejongzoalsikalzei dus door JungGestalt-getheoretiseerde veel te geleerde afgeleerde ontleerde zielenknijpers waar ge niets-mee-zijt en kijk toch eens naar MIJ VERDOMME want nadat ik eindelijk mijn blik heb afgewend en mijn rug heb gerecht en rechtgestaan ben en weg weg weg van die winkelstraat ben en terug alleen in mijn kot ben denk ik al terug opnieuw willend lillend smachtend aan die kut-kuttige-kutjesplek die vanMIJ VERDOMMEis en alleen eenzaam ben ikMIJ VERDOMMEniets meer vanMIJ VERDOMMEniets niet nie niemand is van mij of van u of vanMIJ VERDOMMEwant dat is mijn bank mijn plaats mijn uitkijkpost en ik-slaag-u-deraf-als-gij-daar-gaat-zittenpost voelt gunu ongemakkelijk als gijditleest gebterzelfvoorgekoze omvoorttelezen gij stiekemerd merde die ge zijt ge zijt dezelfde alsMIJ VERDOMMEen wendt uw blik nu ook maar af hoewel hoewel tiswellekesgeweest gezijtzeikternognietvanaf want er komt nog een vervolg dat gaat zo bij verslavingen dat gij die dat dier smerig strontdier dat ge zijt er een hebt zoals ik mijn verslaving is vanMIJ VERDOMMEik hoop nu echt dat ook gij jij je eens ongemakkelijk opeenongemakgeïnstalleerd voelt onrustig zieledraaikolkend voeltnietsvoelt zoals ikMIJ VERDOMMEconstant ik-voel-niets-voel-niet beseft 't maar tis-tisch nog ni gedaan er komt nooitnooitgeen einde aan die stream-of-fucking-consciousness-no-fucking-Joy-voelende-Joyce voeljustniets en lacht gij maar niet te luid want ik hoor u wel fluisteren luisteren horen hoorns met die oren van u en kijken en zien en wijzen met gans uw hand gij strontzak ik trap u plat zelfs niet dood opdat gij zou lijden want dit komt alleen van mij is alleen voor mij bedoeld mij mij niet gijikmijMIJ VERDOMMEen nietdiekutmaandmei maar mij die ik die tijdens dat seizoen dat alles weeral opwelt in mij want nadat ik mijn blik eindelijk afwend van alleseniedereenisteindelijkgedaan metgijenikenmijmijmijMIJ VERDOMME

Frederik Ducuroir
1 0

Dirk: een mens en een vierletterwoord

Dirk woont twee hoog in een lelijk en grijs appartementsgebouw, zonder enig gezelschap, zonder lift. Hij bezit zelfs geen huisdier dat op enige wijze zijn aangeboren ootmoedigheid kan beconcurreren: Dirk kan zich immers niet voorstellen een dominante daad te stellen. Dit onoverkomelijke feit vormt het barre fundament van zijn bestaan. Dirk is een dooddoener en dat is zijn alibi, te pas en te onpas gebruikt. Dit idee heeft zich diep in zijn geest verankerd sinds de dag dat de enige vrouw in zijn leven hem hiervan overtuigde en hem zo degradeerde tot wat hij nu is geworden; zodanig zelfs dat Dirks' enige wederopstanding bestaat uit een eerloze erectie, elke ochtend neergeslagen door een mechanische masturbatiesessie. Van de weeromstuit stapt Dirk in de douche, vervloekt de wisselvalligheid van de temperatuur van het water en laat gelaten de harde straal op zijn hoofd neerkomen. Hierna droogt hij zich met een versleten handdoek bruut en onzorgvuldig af. Vervolgens kleedt hij zich onwillekeurig aan want 'kleren maken de man, maar… ik ben er geen', zijn variant van dit zijns inziens verachtelijke spreekwoord. Dan neemt hij gelaten een tas koffie en sigaret tot zich. Tot  slot sleept Dirk zich naar zijn werk, aangespoord door de trouwe maar walgelijke macht der gewoonte. Zijn werk bestaat uit getallen en uitkomsten die hij gevoelloos verwerkt, op een dezelfde stoïcijnse wijze als waarop hij het voortschrijden van zijn levensdagen doorstaat. Zijn motivatie om te gaan werken voedt zich door het dwangmatige instinct om te overleven en het gegeven dat hij niet in aanmerking komt voor enige uitkering. 'Ik móet wel werken en dat is waarlijk een afstotelijk besef!' zoals Dirk het samenvat. Aldus verdient hij op deze wijze een braaf bedrag dat maandelijks op zijn even zo brave rekening gestort wordt, welke Dirk gebruikt om enkele van zijn bezigheden te bekostigen zoals het beluisteren van obscure muziek en het doorworstelen van oorlogsliteratuur. Verder heeft Dirk een sterk onderdrukte voorkeur voor oorlogsfilms, een erfenis van zijn militaire en dus eenvoudige vader. Niet dat Dirk enige moorddadigheid ambieert: dat is teveel gevraagd daar hij vastgeroest is in de hardvochtige evenwichtsoefening al dan niet te blijven leven. Trouwens, zoals Dirk steeds voor ogen houdt, 'Waarom kiezen voor het leven als je die keuze toch al nooit hebt kunnen maken?' Een vaststelling waarover hij nooit nadenkt omdat hij filosofie beschouwt als 'de meest onvoltooide vorm van het imperfectum' en er bijgevolg geen heil in ziet. Bovendien verafschuwt Dirk humor: hij lacht er niet om en hij zal er ook nooit om lachen. De vrouw in zijn leven sprak hij als kind aan met 'Mama! Ja… Mama…'. Deze zin prevelde hij tot voor kort nog somtijds, in diminuendo, met een lange pauze na de positieve term waardoor de laatste mama nog nauwelijks hoorbaar is, alsof hij zich schaamde dit uit te spreken. Dat doet hij ook. Trouwens, zoals Dirk stelt, is het aanspreken van de moeder een 'opportunistische handeling'. De kern van waarheid in deze gedachte is platvloers, is ruw, maar reëel. Inmiddels spreekt hij niet meer over zijn moeder. En zijn moeder heeft nooit over hem gesproken, zelfs niet tot hem. In de loop der jaren, naarmate Dirk vooral fysiek groeide, werd hij ten opzichte van zijn moeder, in een nagenoeg perfecte verhouding, steeds kleiner. Dit bleek een mannelijke gezinskwaal te zijn, naar het voorbeeld van zijn vader. Deze man vereist weinig toelichting daar hij niet in de geringste mate over diepgang beschikte. Dirks' mannelijke schepper is onderhand gevisiteerd door een andere schepper. Hij is schuldig bevonden – het verdict luidde buitensporige militarisering – en werd veroordeeld tot de eeuwige slaap middels een hartaanval. Deze functionele gebeurtenis vond plaats tijdens het bekijken van een inferieure oorlogsfilm: literatuur lag niet wérkelijk in diens aard, conformisme des te meer. Hij was hoe dan ook al dood kapitaal. En het schamele familiegoed zal in elk geval niet vermeerderen via Dirk en tenslotte uitsterven. Behalve als er een mirakel plaatsvindt! Weinig waarschijnlijk voor een zoveelste natuurwonder als Dirk. Hij ís wel een waar natuurwonder want hij is een mens. En toch banaal. Dirk heeft een weerkerende droom waarin telkens slechts één ding verandert. Hij kijkt naar de repetitie van een toneelstuk. Het stuk lijkt steeds te eindigen, nietszeggende scènes herhalen zich, en toch lijkt het stuk pas te beginnen. Het decor baadt in helder licht en Dirk wordt bijna geheel verblind. Hij kijkt toe vanaf het schellinkje en houdt zijn handen voor zijn ogen, durft niet te kijken, maar doet het toch, telkens opnieuw. Precies op dat moment vertoont de droom zich keer op keer in een andere gedaante. Enkele personages verschijnen op de bühne, allen getooid in kleurrijke gewaden. Ze zingen een kinderlijk aandoend volksdeuntje dat almaar schrikwekkender gaat klinken. Ze zingen luider en luider, het is oorverdovend, Dirk wenst vurig dat het stopt en zijn wens lijkt uit te komen: plots valt er een doodse stilte! Eén van de personages treedt naar voren en schreeuwt een onverstaanbaar woord. Met pijnlijke ogen kijkt Dirk in de richting van het podium, hij wil het woord opnieuw horen, schreeuwt hier ook vragend om, maar Dirk ontwaakt, met tranende ogen en zijn handen in vuisten gebald, telkens weer. Hij is er zich pijnlijk van bewust dat hij het woord tijdens zijn ontwaken zal vergeten. Telkenmale beseft hij dat het woord verschilt van alle voorafgaande woorden die hij reeds hoorde in deze droom. Telkenmale voelt Dirk zich in het geheel onbevredigd. Dit kleine detail achtervolgt hem al jaren, wordt steeds meer uitvergroot, en, hij voelt er zich verpletterd door. En hij denkt: 'Mijn naam is Dirk. Ik ben een mens en een vierletterwoord.'

Frederik Ducuroir
0 0

Ik ben acht jaar en mijn broer trouwt

Ik prul aan de bloemen van het kleine boeketje dat in mijn handen ligt. Het zijn gele bloemen die ik nog niet vaak zag. Ze zijn lelijk. Doffe blaadjes met bruingekrulde randen. Geef me maar van die gladde glanzende boterbloemen waarvan ik kransen kan weven, en in mijn haar kan hangen. Ik voel eventjes niet meer de harde stoel, maar wel het malse gras waarin ik ze vinden kan. Meestal staan ze tussen madeliefjes. Van die witte bloemetjes zijn er massa’s meer. Goudbloemen moet je verdienen, na wat zoeken. Misschien had de bloemist geen moeite gedaan om ze te vinden? Ik leg het boeketje naast me neer. Ik had liever mijn barbiepoppen hier bij me gehad. Daarvan kon ik de kleertjes nog veranderen, de haren kammen, doen alsof dit niet gebeurt. Nu zit ik een boeket bloemen in mijn handen waar ik geen blijf mee weet. Bruidsmeisje zijn is saai.  Ik denk niet dat er iets goeds komt van mensen die trouwen. Zo verdween Vanessa plots. Elke dag na school stonden we wel aan elkaars deur. In de zomer hinkelden we op straat terwijl onze moeders in een versleten witte plastic tuinstoel aan de voordeur zaten. Vaak groeide er een kring van wijze vrouwen met andere buurvrouwen. Af en toe viel hun gesprek even stil en bleven ze naar ons staren terwijl we verwikkeld waren in nieuwe manieren van touwtje springen of hinkelen. Maar dan had haar moeder een nieuwe vriend leren kennen. Vanessa verdween een heel klein stukje, elke dag. En plots was ze weg. Nog één keer werd er feest gevierd en toen was er geen deur meer om aan te bellen. En nu is het mijn broer die me op deze manier  verlaat.  

Jolien Van de Velde
3 0

Bulskampveld

  Dit stronttehuis is gebouwd door de firma Deschyttere uit Aalbeke. Het staat op een bordje aan de ingang. Ook pronken er namen van een burgemeester, van gestorven schepenen en van de directeurs der zinsverbijstering. Verder nog een dag, een maand, ook een jaartal. Alles in donkergrijze letters op kitscherig graniet en ik ben slecht gezind. Ze leven allebei nog, Tanguy en de kreupele. Daar moet dringend iets aan gedaan worden. Voor Tanguy ligt de sterfwijze al een tijdje vast. Die zondvloed is op komst. De manier waarop ik de kreupele om het leven zal brengen, moet ik nog bedenken. Dat is nog niet zeker, maar wat wel vaststaat is dat Aster Berkhof een jongen was, dat de Film van Ome Willem niet echt een film wilde zijn en als ik hier buiten loop, binnen de tuinmuren van de compound, dan ruik ik het. De kamperfolie is haar beste geuren kwijt. Nog een geluk dat de bruidssluier zich blijft uitsloven. Van mijn part mag hij de ganse boel hier overwoekeren. À la minute en stante pede. Lang mag de plant wel niet meer wachten want de bodem is al uitgeput en de mol is een nog grotere gang aan het graven. Straks loopt hij met alles weg. Met weerbaarheid, herinneringen en mijn portefeuille is van beverleder, past niet in zijn achterzak. Weet! Ik ben enkel nog op zoek naar de dieperik, terwijl Tanguy een gat geknipt heeft in de ursusdraad, ginds achter het stookkotje. Hij denkt dat hij ze nog kan krijgen, dat de zevenmijlslaarzen in de solden zijn, dat hij al wat vrouwelijk is kan verkloten. Alle mannen uit Groot-Beernem zouden moeten weten waarom. Waarom ze beter op hun wederhelften moeten passen. Ze hebben veel te vrezen. Alles draagt een masker en hun vrouwen zijn niet veilig.  Tanguy wordt de Houtekiet van het Bulskampveld. Hij kent de weg, naar de kastijding van het speelse. Er is altijd een sluipweg naar de Wredestraat en hij kan huilen als een kleuterwolf, laat zijn stem dan overslaan en klinkt dan als een hellehond die honderd teefjes villen wil. Het is een veelvraat, die nazaat van Dutroux, hij lust de kleinste onschuld en wil ze allemaal verslinden. Meisjeskonijnen. Met vel en vacht, zo wit als loof uit volle grond. Het heeft weliswaar niet lang meer te leven! Ik zorg ervoor! Ook voor radijzenfriste. Ik zal er rooien, morgenochtend, voor Prudence en ik bedenk het wel, hoe ik eraan geraak. Onverbijtbaar zal het zijn. Venijn voor de kreupele. Ik doe het in zijn spraakwater, puur het in zijn pap. Of met een trechter. In de krop van die duffe gans kan in het gieten, in de keel van die canard boiteux en hij zegt dat hij ook komt. Vanavond is er een feestje. De waanzin wil weer jarig zijn en er zullen wederom onnozele plaatjes gedraaid worden.  Prudence zal wel niet met dwangbuisjes moeten dreigen, maar ze zal toch een oogje in het zeil houden. Zij weet hoe alles moet. Eerst die ronde toastjes met makreelsalade in hun roze smoeltjes steken en dan maar wachten, tot ze kokhalzen, tot schaterslijm van hun muil druipt. Ze zullen dan gewassen willen worden, als biggetjes op zondag en uit een ufo zal gelach weerklinken. Wij zijn geen discobal. Geloof wat je wil. Op dergelijke conventies van doolkoppen danst enkel onbalans met dronkenschap en ze weten het, Tanguy en de kreupele, dat ze Prudence niet mogen aanraken.  Denkbaar is het. Misschien komt Prudence achteraf naar mijn kamer. Om te lezen. Want ik heb versjes geschreven, gisteren nog, een edeldichtje is het voor een morbide illusie en met kleurpotloden heeft een zinnebeeld nog snel een tuinontwerp gemaakt. Het laatste. Het is een jardin d'amour perdu, met anjers uit vergeten revoluties, met donker slangenkruid, ijzerhard, met kogeldistels en ik moest terugdenken aan de dovenetels rond het bankje. Bij de azijnfabriek zat ik met Katja. Ik zit er nog. Ik droom ervan. Niet van Prudence. Die is nog helemaal echt en ze leeft. Prudence heeft Katja nooit gekend. Dat kan ook niet. Ze woonden best ver van elkaar en het is beter dat mijn laatste tuinontwerp een tekening blijft. Kleurbolletjes zijn geen planten, kartelkringen zijn geen bomen en Prudence woont trouwens op een appartement. Ze heeft ook een bootje, in Blankenberge, ver weg van de zwarte zwanen op het Minnewater, ver weg van het Bulskampveld en zijn demonen.   uit 'Residu', door Betty verzameld uit de nalatenschap van Bernd Vanderbilt

Bernd Vanderbilt
6 0

Wat wil jij later worden?

Haar glimlach verbreedde toen nonkel Mon zei dat ze talent had om piano te leren spelen. Met blozende wangen van plezier, speelde Maartje het eenvoudige kinderliedje nog een keer. De omzittenden zongen mee,  ‘Broeder Jacob, broeder Jacob …’ Ze genoot zichtbaar en haar favoriete oom werd haar meest toegewijde fan. Het zingen ging nog even door, afgewisseld met mopjes vertellen en vrolijke raadseltjes oplossen. Zo in het middelpunt van de belangstelling voelde ze zich in haar nopjes. ’s Nachts droomde ze haar eigen komende succes. De volgende dag in de klas, vertelde de juf over beroepen. Dat triggerde haar wel. Nog half dromend over de vorige avond, waarin ze zich een beroemde ster voelde met nonkel Mon als haar grootste fan, antwoordde ze enthousiast ‘pianospeler’, toen het haar beurt was om te antwoorden op de vraag wat ze later wilde worden. De hele klas schoot in de lach en zelfs de juf moest haar best doen om zich in te houden. Ze keek een beetje beteuterd rond. Haar klasgenootjes vonden haar soms een beetje raar, maar wel altijd grappig. ‘Gisteren was het juffrouw’, ‘vorige week wilde ze nog mensenhelper worden’ of ‘klerenmaakster’ … werd er zacht gefluisterd. Maartje was het wel gewoon. Ze had meestal ook genoeg aan zichzelf en haar dromen. Ze zweeg, bleef in haar eigen wereld, waar nog net genoeg plaats was om de les te volgen. ‘Misschien,’ dacht ze, ‘misschien moet ik eerst maar eens groot worden.’   (dit korte verhaal schreef ik als oefening voor een cursus van Wisper)

Anemos
13 0