Zoeken

Hoe gaat het met Lucy

Hoe gaat het met Lucy?  Twee vrienden zitten samen voor een picknick.   Gert. Lang geleden dat we dit nog gedaan hebben, hé! Karl. Ja, maanden.  Gert. Kijk, ik zet de zelfgemaakte tonijnsla, boerenworst, rauwkost en stokbrood hier tussen                  ons.   Karl. Ziet er lekker uit. Een glaasje bubbels?  Gert. Hmmm, dat smaakt, zelfs in een plastiek bekertje. Bij je favoriete wijnhandel gaan halen? Karl. Ja ja, je kent me hé, kwaliteit voor kwantiteit. Gert en Karl. Hhahhaahahha (met een dubbelzinnige ondertoon, denk aan ‘hoe vettiger hoe prettiger.) Gert. Mag ik de fles even terug? Dan draai ik er wat aluminiumfolie rond, zo blijft die fris. Karl. Heerlijke tonijnsla. Hmmmm en dat stokbrood, kraakvers. Je hebt je uitgesloofd, hé! Gert. Hmmja. Karl. Dank je. (Korte stilte) Karl. Hmm, smak, hmmm (Korte stilte) Gert. Mogen we hier wel alcohol drinken? Karl. Pffff, tja. Gert. Laat ons drinken op kwaliteit en kwantiteit! Karl en Gert. Cheers!  Gert. Zeg eens Karl, heb jij nog wat gehoord van Lucy?  Karl. Lucy? Ik heb haar al een tijd niet meer gehoord. Jij? Gert. Dat is maanden geleden! Karl. Ik heb ook geen bericht meer zien passeren van haar op sociale media. Gert. Vreemd, normaal gezien post zij wel zeker elke dag iets. Karl. Ook in de WhatsApp groep is het even geleden. Niet? Gert. Karl! Kom met je hoofd iets dichter dan maak ik een selfie van ons en gooi ik die in de groep. Karl. Strak plan. Ligt mijn haar goed? Gert. Ik doe er een filtertje over, en nee Karl, je gaat ze nu niet eindeloos bestuderen.  Karl. Alsof ik zo ijdel ben. Gert. Ach, zolang je bij mij maar niet te veel met jezelf te koop loopt. Karl. Toch blijft het vreemd dat we haar niet meer gehoord hebben. Gert. Voor zo een babbelkous is dat inderdaad niet normaal! (Korte stilte) Gert. Gaan we wandelen? Karl. Goed. Zet je mondmasker op! Gert. Ja ja (beteuterd). Zag je die jogger?  Karl. Ja hoor, zag jouw kijken! Echt niet mijn type! Karl. Laat ons onze beentjes strekken.  

filip sebreghts
47 0

Merci duifje.

Bankje in het park.   Merci duifje.                nine van haute   Geluid: We horen een doffe klop. Stem 1:         Aaauuw!  (Gekreun en gekerm) Wat is me dat? Stem 2:         Wat is ’t  makker, pijn gedaan? Stem 1:         ‘ t Zal nog niet. ’ t Zat eraan te komen, maar zo erg had ik het niet verwacht. Stem 2:         Is me ook overkomen, maar ik kwam gelukkig van level 1. Ik lig hier al een tijdje. Stem 1:         Ik van level 5, en dat is een stuk hoger. Stem 2:         Dat scheelt in de vaart. En het neerkomen, hier op de bank, was voor mij ook milder, vier verdiepingen verschil. Stem 1:         De bladeren hadden ons ingefluisterd dat de landing zou meevallen, toch? Stem 2:         Ja, ge ziet wel. Stem 1:         Stom dat die van de gemeente deze bank juist onder onze boom hebben geplaatst. Stem 2:         (denigrerend) De mannekes van de gemeente hé. Stem 1:         En wat nu? Stem 2:         Weet ik veel, afwachten. Stem 1:         Ik hoop dat ik niet onder de billen van die dikke madam terecht kom. Stem 2:         Dikke madam? Welke dikke madam? Stem 1:         Wel die madam die hier op deze bank altijd haar ijsje komt opsmullen. Stem 2:         Ah, de die, die met dat klein hondje. Stem 1:         Ja, ik zou niet verbrijzeld willen worden. Stem 2:         Uw bolster zit er nog aan. Zet uw stekels uit. Die madam springt wel recht als ge in haar billen prikt. Stem 1:         Hopelijk. Stem 2:         Ik sta er slechter voor. Ik lig hier in mijne pure. Stem 1:         Kans dat ge op de grond rolt tijdens een windvlaag. Stem 2:         Ik denk niet dat ik dan zal wegrollen. Stem 1:         Waarom niet? Stem 2:         Eerlijk gezegd, ik had veel geluk toen ik landde. Het was super zacht. Stem 1:         Oh ja? Stem 2:         Ik ben terecht gekomen in een serieus duivenkakje. En ik plak vast. Stem 1:         Beikes, gelukkig dat ge geen neus hebt. Stem 2:         Voor vandaag moeten we ons geen zorgen maken, het gaat heel de dag miezeren, dus geen madam die een ijsje komt eten. Stem 1:         Over dat klein hondje gesproken, is me dat een nijdig ding. Stem 2:         Nijdig? Stem 1:         Ge moest eens horen hoe hij keft. En die tanden, ze zijn scherper dan mijn stekels. Ik mag er gewoon niet aan denken. Stem 2:         Keffers eten geen wilde kastanjes. Stem 1:         Nee? Stem 2:         Nee, natuurlijk niet, wij zijn niet eetbaar voor honden. Honden eten niets dat ongezond voor hen is. Stem 1:         Hoe weet gij dat allemaal? Stem 2:         Voordeel van level 1, al die gesprekken op deze bank…, ik kon ze allemaal horen. Stem 1:         Gij hebt een boeiend leven gehad. Veel wijsheid vergaard. Stem 2:         Gij niet? Stem 1:         Bwa, ik wist niet beter. Ik had een heel mooi uitzicht daar boven in de kruin. Ik genoot van het gezang van de vogels en zag hoe de eekhoorns van boom tot boom vlogen. Ik amuseerde me wel. Stem 2:         Had inderdaad ook zijn charmes. Stem 1:         Ik was toch liever op Pachamama terecht gekomen. Stem 2:         Op moeder aarde bedoelt ge? Stem 1:         Ja, dan had ik mijn werk kunnen afmaken. Stem 2:         U voortplanten? Stem 1:         Ja, dat is toch het uiteindelijke doel van elke vrucht.(dromend) Ik wil een kolossale mooie wilde kastanjeboom worden. Een boom waar iedereen naar opkijkt, een die wel honderd jaar oud wordt. Stel je voor. Stem 2:         De kans is klein. Stem 1:         We mogen toch dromen, toch? Stem 2:         Natuurlijk, maar we moeten eerlijk zijn. Ons lot wordt bepaald door zoveel andere dingen. Stem 1:         Welke andere dingen? Stem 2:         We worden misschien opgekeerd, samen  met de bladeren en belanden dan in het karretje van de groendienst.     Stem 1:         Ik wil er niet aan denken. Stem 2:         Ik ook niet, maar ik ben realist. Gij zijt een dromer. Stem 1:         Ge maakt me nerveus. (stilte) Zwijg eens even, wat hoor ik daar? (geluid: we horen in de verte schoolkinderen aankomen) Stem 2:         Kinderen, het zijn kinderen. Kijk ze komen naar hier. Stem 1:         Schoolkinderen, ze hebben allemaal een plastiekzakje bij. Dat ziet er niet goed uit. Stem 2:         Inderdaad, dat belooft. Ze rapen van alles op… bladeren, eikels, beukennootjes. Stem 1:         De juf geeft commentaar. Stem 2:         (bang)  Denkt  gij dat…wij…??? Stem 1:         Ik weet niet. Ik ben bang. Ik wil niet in zo’ n zak verdwijnen. Stem 2:         Ik ook niet. Stem 1:         Ze komen op ons af.(geluid: kinderen komen dichter) (bang) Oei, dat meisje daar, ze komt naar mij. Ik denk dat het ermee gedaan is. Stem 2:         Houd u taai makker. ’ t Was fijn u hier, op deze bank, te ontmoeten. Stem 1:         Oei, Oeijejoei. (geluid: We horen een plastiekzakje ritselen) (schreeuwt bang) Nee, niet doen, ik wil niet. (stem sterft uit, de kastanje valt in de zak) Ik…nee, nee!!!…  Stem 2:        (berustend) Vaarwel makker. En nu is ’ t aan mij zeker. (lange stilte) (geluid: kinderen stappen weer verder) Oef, ik ben er aan ontsnapt. Merci duifje, goed gedaan…, kinderen hebben gelukkig wel een neusje.   Einde   PS: (geluid schoolkinderen kan je o.a. vinden op YouTube)  

nine van haute
2 0

Die ene

Hoi! ik ben… Ach, ik ga je niet eens vertellen hoe ik heet. Want we weten allemaal wat er gaat gebeuren zodra ik dat heb gedaan. Jullie glimlachen vriendelijk en knikken een keer jullie hoofd. Vervolgens doe ik mijn zegje, jullie geven mij een applaus. Daarna glimlach ik, op mijn beurt, vriendelijk en knik een keer mijn hoofd. Tot slot loop ik hier weg en zijn jullie allemaal vergeten wie ik ben. Dan praten jullie straks na en hebben jullie het over die ene vrouw. Hoe heette ze nou toch, het ligt op het puntje van mijn tong. Maar dat ligt het niet, Truus, en je weet het. Je probeert gewoon net te doen alsof je kortetermijngeheugen nog net zo goed is als 10 jaar geleden, ondanks wat de dokters zeggen. Dus ik ga het jullie makkelijk maken. Ik ben die vrouw met dat korte haar. Ik ben die vrouw met de rode lippen, omdat haar lippen anders blauw zijn van de kou. Ik ben die vrouw die dikke klodders mascara op haar wimpers heeft gesodemieterd, omdat ze de mascara van haar moeder moest lenen. Omdat haar eigen make-up al 3 jaar op is en ze al 3 jaar lang te lui is om naar de winkel te gaan. Ik ben die vrouw, die vanmorgen dacht; wat zou ik eens gaan aantrekken? En het enige wat er in haar briljantje, modebewuste hoofd opkwam was een witte blouse met bretels. Want blijkbaar heeft die vrouw niet de innerlijke prinses in haarzelf gevonden maar de werkende man uit 1950. Ik ben… Ik ben… Ik ben…. Niemand... En iemand. Een van de miljarden. Dus ik ga jullie de moeite besparen. Klap in je handen, glimlach vriendelijk en knik een keer met je hoofd. Dan doe ik dat ook.    

Anne Bouma
24 0

Hedde tal gehoord?

Patje zit aan den toog van café ‘De Pelikaan’ en is in gesprek met Debby de cafébazin. P.:  ‘Hedde tal gehoord?’ D.:  ‘Wa?’ P.: ‘Verleden dinsdag zat ik bij Simonneke op café. Ineens stormt daar een grote rat de frituur van dikke Guy langs achter buiten recht het café binnen. Da was daar een gekweek en een gedoe. Een geroep en een getier. Simmoneke die wier zot. De Laenen zat er me nen borstel achteraan.’ D.: ‘En? Speelde dieje het kleer?’ P.: ‘Neen, tuurlijk nie. Ge meugt gerust zen. Aloïs begon al lelijk te doen. Die zijn keers was bijna uit. Tripel van Westmalle die kunnen daar nie tegen.’ D.: ‘Zuiver voor de commerce. Ik weet ikke  ook wel da’s in café ‘De Volksvriend” worden opgedaan. Zuiver voor de commerce.’ P.: ‘Ge meugt gerust zen. Da’s iet aarig ze, een rat. Goe zat allemaal. De Laenen is van z’n kruk gevallen. Da was t’een en t’ander. Gusje zat Simonneke te plagen. Die zei “Aa gezaag zal sebiet wel gedaan zijn zeker?” D.: ‘Groot gelijk. Simonneke hee meestal groot gelijk.’ P.: ‘Ge meugt gerust zen. Goei bazin!’ D.: ‘Vleeje week hee die nog gebeld. Het vat was af. Ze vroeg of we konnen ruilen. Nen de Koninck veur nen Golding Campina. Ik zei nog: “Rolt er nie mee of ge ga wa voorhebben, hé.” Dieje loempe van de vakbond van z’n kloten maken. Veul te zwaar. P.: ‘Allez! Op ne werkdag lopen ze al met een vat van teen café naar tander, oep ne werkdag. Den dag van heden mag da dallemaal zeker?’ P.: ‘Hedde tal gehoord?’ D.: ‘Wa?’ P.: ‘De Léon is bekan me visbak enal de vort ingeduikelt. Voorover, recht erin, bekan.’ D.: ‘Da maakte mij nie wijs.’ P.: ‘Dieje kan nie vissen met den haak. Nen dikke meerval, genne snoek. Verkeerd aas. Hoe loemp kunde na zen?’ D.: ‘Tja, dieje kan nie vissen.’ P.: ‘De miserie van een ander, daar zen we nie mee gediend.’ P.: ‘Iet anders.’ D.: ‘Wa?’ P.: ‘Café ‘Arizona’ was gisteren om drei uur nog open. Dikke corona-boet.’ D.: ‘Echt?’ P.: ‘Ge meugt gerust zen. Hedde tal gehoord?’ D.: ‘Wa?’ P.: ‘Karel hee nen nieve caravan. As Linda het kraantje in da keukentje openzette begon toilet te loepen. Da darmpke zat verkeerd. Iet later stond de schuif onder de poempbak, met bestek, ge wet wel, helemaal vol water. Linda vloeken. Vloeken da die dee zei Karel. Hij heet er al veel zever meegehad. Karel moet na wel naar de keuring want dieje nieve weegt meer dan zeuven honderd kilogram. Karel en Linda hemme chance gehad da ze in Hühnerscheid genne regen hemme gehad. Da’s Luxemburg nie ver van Bastogne. Ullie Kelly had greppeltjes gegraven. Hoe loemp kunde na zen? Veurige keer hadden ze regenweer. Niks dan modder. Klote weer en problemen met gasvuur. Een steekvlam van zeker drei meter.’ D.: ‘Allez.’ P.: ‘Da darmpke zat verkeerd. Bekan heel de voortent weg. Da’s nylon hé, da zeil. Karel had nog nooit zoveul sigaretten meegebracht. Die camions konnen allemaal aan de kant. Met ne caravan konde gewoon door. Karel zei wel dat de Opel Zafira wa aant verslijten is. Linda zei dat geld op is.’ D.: ‘Allez.’ P.: ‘ Ge meugt gerust zen.’ D.: ‘Ik hem horen zeggen dat die van de Flor tegen haar kippen prat?’ P.: ‘Och, serieus.’ D.: ‘Die is zo zot as een mus.’ P.: ‘Ge meugt gerust zen.’  

Hubert Grimmelt
7 1