Zoeken

AFSPRAAK MET…

Een man (A) van middelbare leeftijd komt aangejogd . Hij hijgt heel erg en pakt naar zijn borst en zet zich op het bankje. Het is vroeg in de ochtend, er is nog weinig beweging in het park. Of is er toch nog iemand? A            Hijgt en kreunt  B            Manman,  dat klinkt niet goed! (praat erg beschaafd) A            Jesus! Ge doet me verschieten!  Ben ik blij dat gij hier ook zijt, ik dacht effe dat ik hier alleen was B            Eigenlijk is een mens nooit alleen… A            Zoude gij  voor mij naar de 112 kunnen bellen want ik voel me niet heel goed en ik heb geen gsm bij… B            Dan moet u mij verontschuldigen, want ik ben niet in het bezit van dergelijke toestellen… A            Kunt  ge dan misschien ‘ergens’ hulp gaan halen, ik voel me echt niet goed… B            Waar zou ik op dit onchristelijk uur hulp moeten vinden? Trouwens, het feit dat ik hier ben, zal u helpen… A            Bent u dokter? God zij dank…ik denk dat het mijn hart is, ik heb zo’n druk… B            Neen, geen dokter…Daar zou u trouwens op dit punt niet veel meer aan hebben A            Meent ge dat nu? Wat scheelt er eigenlijk met u? B            Met mij scheelt er niks, met u daarentegen… Hoe oud bent u eigenlijk? A            65, waarom? B            En u dacht, laat ik eens wat aan mijn conditie doen…? A            Is daar wat mis mee misschien? B            U merkt toch zelf ook wel dat daar wel degelijk iets mis mee is! A            Maar wat bedoelt u? B            Wat ik zeg, zo, ondoordacht beginnen joggen is voor een man van uw leeftijd, onverantwoord! Toch? A            Man, zit daar niet zo te prediken! Haal hulp alstublieft! B            En dan ook nog op een moment dat het erg onwaarschijnlijk is dat u iemand zal tegenkomen die u kan helpen… ttt A            Ik ga zelf wel…Auw…staat op maar valt dadelijk weer neer B            Komkom, geen domme dingen doen, daar is het te laat voor… A            Maar wie zijt gij eigenlijk? Wat doet ge hier op dit uur? B            Laat ons zeggen dat ik hier ben voor u… A            Voor mij? Hoe wist ge dat ik hier zou zijn? B            Intuïtie? A            Maar waarom helpt ge me dan niet? B            Maar, dat doe ik wél, mijn vriend A            Vriend?  Ik ken u niet eens! B            Maar ik ken u beter dan u kan vermoeden … bijna beter dan dat ik mezelf ken… A            Ge spreekt in raadsels man! B            Ik heb al een tijdje een oogje op u! A            Meent ge dat nu? Ik lig hier te creveren en gij gaat me zitten opvrijen of wat? B            Oh neen, sorry, u begrijpt me verkeerd! Niet zo’n oogje! Moeilijk uit te leggen… A            Oh man, ik heb verschrikkelijk veel pijn op mijn borst…als u niets doet… B            Ik doe alles wat in mijn macht is om uw pijn te verzachten, om het zo gemakkelijk mogelijk te maken voor u. A            U schijnt hier een macaber genoegen in te scheppen! B            Laat ons zeggen dat het bij de job hoort… A            auwauw B            Kom leg uw hoofd op mijn schoot A            man kreunt en legt zich neer B            Mooi zo, zo moeilijk was dat niet…luister naar het ontwaken van de dag, uw laatste dag A            Neen, ik … B            Geef u over…het is mooi geweest…misschien niet zo lang als u had gehoopt maar het bobijntje waar u mee geboren bent is volledig afgerold… A            kreunt B            SStt, stil maar, het is zo voorbij, vecht niet meer… A            doodsreutel B            Laat de rest nu maar aan mij over… …           naderende voetstappen C            Meneer, meneer, gaat het met u? Oh mijn god, die man is dood…

Suzette
14 0

De ter dood veroordeelde

Ik ben waanzinnig geworden. Voor ik een dodelijke injectie krijg, beschrijf ik de laatste dagen van mijn miserabel maar fantastisch leven.  De slapeloze tijd maakt me gek. Ik heb binnen deze vier muren gehuild als een zieke hond, geroepen en getierd. Mijn stem is weg en dat beangstigt me. Ik wil een vrolijk liedje kunnen zingen zoals je dat zou doen in een nachtelijke café, maar dat lukt me niet. Mijn mond produceert veel te veel zoet speeksel. Ik spuw het regelmatig uit op deze vieze vloer, maar het blijft komen. Op mijn stinkende matras liggen lukt niet. Stilzitten lukt niet. Nadenken lukt niet. Hoe ga ik van dit levend leven naar mijn dood? Ben ik angstig? Eerder waanzinnig.  Mijn bestaan is door de bliksem getroffen. Ik zou willen kunnen nadenken. Helaas ben ik er doodgewoon niet meer toe instaat. Soms probeer ik mijn ogen te sluiten, want zelfs in deze donkere, kleine cel is het licht te fel. Is het dag of nacht? Ik verlang naar rust, maar die is er niet. De cipier is een invalide.  cipier: ‘Goed geslapen?’ t.d.v.: ‘Uitstekend!’ cipier: ‘Het is een zonnige dag vandaag. Morgen gaat het regenen.’ t.d.v.: ‘Uitstekend!’ Helder denken is erg lang geleden. Ik heb getracht Spinoza te lezen. Alle ideeën van ruimte en rede zijn weg. Ik moet weer spugen. Heb ik spijt? Geen idee.  Waarom hangt er geen spiegel tegen deze grijze muur? Dan kan ik een poging doen mezelf en dit leven te bekijken. Misschien wordt alles dan weer overzichtelijk. Of zou ik de nutteloosheid van mijn leed waarnemen? Mijn zwakke ogen tranen. Ik zou steeds in die spiegel blijven kijken. Oefenen. De cel en de dood zie ik in die spiegel niet. Ik zie de waanzin. t.d.v.: ‘Ik moet oefenen.’ spiegelbeeld: ‘Wat moet je oefenen?’ t.d.v.: ‘Doodgaan.’ spiegelbeeld: ‘Sterven kan je niet oefenen.’ t.d.v.: ‘Jawel. Zeker.’ spiegelbeeld: ‘Misschien.’ t.d.v.: ‘Zeker.’ Ik probeer regelmatig te ademen, maar dat is moeilijk. Het piepende lawaai van mijn dwaze ademhaling klinkt als een versleten, slecht geoliede machine. Ik wil muziek; een pianoconcerto in C van Mozart. Ik ben gek. Het is intens. Gaan mijn schedel en borstkas nog barsten? Ik ben niet moe. Ik kan er niet meer tegen. Ik ben het isolement en de vensterloosheid van mijn bestaan beu. Morgen ben ik dood. Er zullen geen geliefden achterblijven.

Hubert Grimmelt
17 0